zondag 8 mei 2011
Over erger
VERLOOP
Vijf jaar rijdt mijn moeder op haar fiets
met houten banden door het land. Zij vraagt om brood
dat nergens is en krijgt het niet. Het is
vijf jaar winter en zij ligt bevroren in
haar bedding, niets beweegt in haar. Daarna
ik. Strekkend tegen beter
weten, op een dorre plaats en buiten
adem uitgedragen. Stom, met regelmaat
geslagen, luister ik
naar verhalen over erger. Later
dochters die de oorlog alle dagen
zonder schrik bekijken. Vrouw wiegt haar
lichaam heen en weer op het trottoir,
druipend hoofd geschild als een stuk fruit.
Tijd voor Power Rangers. Oorlog uit.
© Eva Gerlach
Gedicht uit 1996, geschreven in opdracht van Het Nationaal Comité 4 en 5 mei
dinsdag 15 maart 2011
Vlees van hem
NIET, NIET
Die in de zandbak zegt
zo vaak ik aan je denk je naam
en raakt mij aan en legt
schepje en zandvorm neer en doet
alsof zij tegen wind en weer mij roept.
Ik riep terug, niet jou
want in de donkere kast
waar ik je opgesloten houd,
zou je mij toch niet horen
hoe ik ook tegen angst en afstand in
roepen en roepen zou
maar alles wat ik wil
nu dood je haastig ronddraait en verkleint.
Lichaam, doe hem weer pijn.
Vlees van hem, hou zijn botten vast.
Zaad, lig niet in hem stil.
Haar op zijn hoofd dat aan
mij denkt, ga niet verloren.
© Eva Gerlach
Uit: Eva Gerlach De kracht van verlamming, Amsterdam, de Arbeiderspers, 1988
dinsdag 14 december 2010
In de lucht
DE DORPELEN EN DE GESLOTEN VENSTERS
Want dat ik van je heb gehouden, dat staat vast.
De rest niet - of je bestond
en als, wat dan voor kleur ogen, de ene keer groen,
dan weer grijs, eens schoot er een zwerm
zwaluwen uit omhoog. Wat voor. Van die snelle,
die niet kunnen lopen, vrijen gebeurt in de lucht.
Hoe ging het. Je werd
ziek of zo, meegenomen, er was veel te doen,
ik kreeg geloof ik een nieuw kind en vergat je
tot ik je hoorde vannacht, onmogelijk uur,
kom het is tijd. Laat alles achter, kom buiten,
ik wacht op je bij het hek.
Maar toen ik daar stond, de grendel
was los, het sloeg in de wind
tegen de balk en ik maakte het vast en liep terug,
denkend aan je, dat je daar godweet echt
had gestaan, het hek losgedaan,
dat ik van je gehouden heb en dat
het hout niet goed in de scharnieren zat.
© Eva Gerlach
Uit: Eva Gerlach In een bocht van de zee, Amsterdam, Arbeiderspers, 1990
maandag 4 oktober 2010
Afvalkleurig
LIEVELINGSDIEREN
Tussen de stenen hollen de platte,
brede pissebedden omlaag naar het donker. Vergeten
toen het nog koud was te kijken: hoe overwintert
een dier dat zo lijkt op herinnering,
zo afvalkleurig, met zijn hoofd naar binnen
en doodstil bij de minste aanraking.
Ik weet een kind dat van ze houdt, het streelt
hun dadelijk verstijvende stofjassen,
draagt ze tussen twee handen de kamer door.
O! zachte pootjes hebben ze, mag ik ze niet
houden in een kistje met onderaan glas?
Daar kijk ik de hele tijd naar, daar zing ik dan voor.
© Eva Gerlach
Uit: Eva Gerlach De kracht van verlamming, Amsterdam, De Arbeiderspers, 1988
zaterdag 29 mei 2010
Viool in bad
HOTEL
In de ochtend lig je niet naast me. Iemand is van de
wereldranglijst geschrapt wegens dopinggebruik
en op het station in H. is een kind dat geen
enkele taal sprak gevonden. Harde wind tot
kracht tien aan zee. Iemand begon vannacht
zomaar viool te spelen, ik kan dat niet horen,
het doet me denken aan mijn tijd bij het circus
waar alles snel passeert, sneller dan jij,
sneller dan de haas bij handgeklap. Echt,
we moeten hier weg, iemand vliegt langs het raam,
het wordt hier precies als die keer in Oostende toen het
zo stormde dat alles losschoot, hoefijzers, helmen,
wij woeien pas 's avonds, toen we ons enkel nog
aan elkaar konden vasthouden, platgedrukt terug in het jaar,
rechtdoor naar de lift. Iemand zong op de trap, een kraan liep
en piepte, iemand speelde viool in het bad
en een kind dat geen enkele taal sprak
stond naast de deur bij de kapstok en nam, armen hoog,
onze gekwetterde zinnen aan, je ligt niet
naast me, files op de A9, het went niet.
© Eva Gerlach
Uit: Eva Gerlach Situaties. Amsterdam/Antwerpen, De Arbeiderspers, 2006
dinsdag 30 maart 2010
Geen lied, geen vluchtplan
OPDAT
Vannacht sneden ze mijn benen
juist op het kniegewricht af, het deed niet veel pijn.
Wegens ruimtegebrek werd ik overdag buiten gezet.
Het is prettig om buiten te zitten
in de eerste sneeuw als de grote lichte kristallen
neerkomen op je mouw, hoe ze daar blijven hangen
alsof ze zich thuis voelen bij je, bezoek dat van geen
weggaan wil weten. Dat ik daarvan het niet-
smelten zou zien, de traagte; oneindigheid die
ligt op je jas en niet zingt,
niet vliegt, geen Trooster verkondigt,
niets opruimt, geen kozijnen schildert, heggen
niet snoeit, parket niet lakt, nooit afwast en
dat allemaal zonder een woord; dat ik, die altijd
alles wil, zou weten hoe het is
om tussenin te zijn, geen lied, geen vluchtplan,
geen troost want geen gebrek, even rafelig en
kwaadschiks bij je vandaan maar zonder steeds
op te staan, ervandoor te gaan, zonder een
teen te bewegen. Daarom waren mijn benen
doormidden gesneden.
© Eva Gerlach
Uit: Eva Gerlach Situaties. Amsterdam/Antwerpen, De Arbeiderspers, 2006
woensdag 24 maart 2010
Onoorbaar vlees
Naast alles ligt alles. Naast Pad
ligt platte Pad, naast het voedsel het vormsel,
ook hier bij zijn zachtleerse lichaam dat ik bedien
met de vlieg in mijn oog, de vlieg in mijn keel, ik
wil hem ook wel zo. Zijn splijtoog zijn stormwang
stikzak schrompelbuik. Tenslotte ben ik het
(wie dan ook) die hem opruimt,
nagels slaat in zijn ontplofte onoorbare vlees.
Soldaat kom terug naar de modder, kruip in mijn bloed.
Niet makkelijk loslaten. Niet
haasten naar de verlossing.
EVA GERLACH
Gedicht 5 uit de afdeling Pad tussenbeide, in:
Eva Gerlach Situaties. Amsterdam/Antwerpen, De Arbeiderspers, 2006
maandag 21 september 2009
Schepnet
Vannacht reed je de kamer in, je droeg
een gele jurk, die liet je boezem bloot.
Ik zei 'Je bent verdomme twee jaar dood,
ga maar weer weg'; je stapte af en vroeg
'Ben ik je moeder niet, op wie je joeg
met je schepnet, je mond vol woorden, vroeg
en spade? Kom maar gauw op schoot.'
Ik klom en klom maar god, wat was je groot.
EVA GERLACH
Uit: Eva Gerlach Verder geen leed. Amsterdam, De Arbeiderspers, 1979.
Later ook opgenomen in: Eva Gerlach Voorlopig verblijf, gedichten 1979-1990, Amsterdam/Antwerpen, Arbeiderspers, 1999.
zaterdag 25 juli 2009
Appels
4.00
Kom, wij gaan wachten op de dood. Ik hou
je hand goed vast, ik laat je niet meer los
zolang je leeft. Nu kijk. Zie je de kleine
vlekjes wel op het behang, de zon gaat schijnen
tegen het raam; kijk aan de rand van het bos
staat Goossens paard tot aan zijn buik in goud.
En zoveel rijpe appels aan de bomen.
Notaris mag wel met twee emmers komen.
EVA GERLACH
uit de reeks De Uren in:
Eva Gerlach Voorlopig verblijf, gedichten 1979-1990, Amsterdam/Antwerpen, Arbeiderspers, 1999.
woensdag 3 juni 2009
In de verte de bergen
VEERGELD
1
Liggen we 's nachts met de doden die op ons gaan zitten
ons strelen met handen van talk bergamot en citroen
bij elke beweging levender: Han met de tanden
Mentja met puilende ogen, iets in ons haalt ze over
door te gaan, toe dan, aderen zwellen op
vellen als gedroogd bloemblad, een schrift van verwarring
verwijzing: nu wil ik mijn oma
Tsjoetsjoe, trillend, het ei van de struma beweegt
in haar hals en de hel breekt los, rent ze
met loshangend haar, de doden klemmen zich vast
wie zich verstopt kan nooit meer weg, blijft daar
dubbelgevouwen steken zwart in zwart - : liefje
slaap je? ik moet je smoren, jij mij tegelijk!
waar is je kussen, hoe laten ze anders los -
De ochtend wekt ons met geluid van vracht
wagens door de straat, de muren trillen
en we kijken naar buiten, het raam hangt scheef, in de verte
zien we de bergen, maar op de manier van de vlieg.
© Eva Gerlach
‘Veergeld 1’ maakt deel uit van een reeks die te lezen is in het tweede nummer van de achtste jaargang van poëzietijdschrift Awater, dat in de tweede week van juni verschijnt.
woensdag 2 juli 2008
Op schaal dansen
Linnen over een dun geraamte, twee
vleugels boven elkaar, de cockpit open;
de motor kon op anderhalf cc
(een vingerhoed vol) vijf minuten lopen.
Zelfbouwmodel op schaal, dat ik liet dansen
vanwaar ik stond: uit halve loopings bracht
ik het in tonneau, mijn hart sprong op als ik zag
hoe het zonlicht de felgele lak deed glanzen.
Mijn Tiger Moth, die mussen in kon halen.
Op honderd meter raakte hij in een vrille.
Ik zag hem als een dor blad omlaagspiralen
naar het akkerland, waar hij aan stukken viel.
EVA GERLACH
uit: Eva Gerlach Verder geen leed. Amsterdam, De Arbeiderspers, 1979
woensdag 2 april 2008
Waarom de wereld niet in ons hoofd past
KRUIM
Wat heel is, kunnen wij niet zien, het is
te groot, het past ons niet en niet
in onze hoofden
maar wat aan mootjes, haksel is, verkiezeld,
kruim, gepureerd, verstoven of ontbonden -
al het verdeelde zit voorgoed in ons.
Eva Gerlach
Kruim van Eva Gerlach verscheen oorspronkelijk bij uitgeverij Herik (Landgraaf, 1997), als bundeltje van 12 gedichten, een grafisch kleinood met prenten van Co Westerik.
Later werd de cyclus opgenomen in Gerlach’s gedichtenbundel Niets bestendiger - Amsterdam, Arbeiderspers, 1999.