dinsdag 2 februari 2010
Voor altijd
Schoonheid
duurt een oogopslag
maar
goedheid
duurt eeuwig
- Sappho
Uit: Sappho Verzamelde gedichten en fragmenten - uit het Grieks vertaald door Aart R.P. Wildeboer, Baarn, Anthos, 1985
zondag 31 januari 2010
Breekbaar
VAAS
Kun je een vaas haar breekbaarheid verwijten
of een hand het breken van de vaas?
Misschien is het zo bedoeld
dat de vaas de hand op zich af zingt,
zodat de hand niet kan weerstaan,
hoewel de hand weet dat hij slaat
en in de vaas al scherven zingen
voor ze zijn ontstaan.
Waarom zou de hand verlangen naar een vaas
die, als een hals, zich uitstrekt naar de hand
die haar wil slaan? En waarom wil de vaas
haar scherven naar de oppervlakte zingen
zodat de hand haar niet langer kan weerstaan?
Misschien droomt de vaas wel van de hand
een roos te maken, wil de hand op zoek gaan naar de vaas
om eindelijk de scherf te vinden
waarmee hij rozen uit zijn eigen pols kan slaan.
© Peter Verhelst
Uit: Peter Verhelst Nieuwe sterrenbeelden, Amsterdam, Prometheus, 2008.
'Vaas" kreeg in 2009 de Gedichtendagprijs. De dichtbundel 'Nieuwe Sterrenbeelden' werd in hetzelfde jaar bekroond met de Herman de Coninckprijs en eerder, in 2008, met de Jan Campertprijs.
donderdag 28 januari 2010
Stem (op de Dag van de Poëzie)
DE DICHTER
Hij was naar de hoogste top geklommen
zijn stem, een witte vogel in de lucht.
Een menigte krioelde in de uitlopers.
Terwijl ze zijn stijgende stem hoorden
werd hun cirkel steeds kleiner,
ze droegen knuppels,
messen en stenen, ze kwamen nader.
Er klonken kreten, ‘dood hem’;
de eerste stenen vlogen over;
messen flikkerden in het zonlicht
hij voelde dat dit het einde was.
Maar zijn stem,
een witte vogel vloog over hun hoofden heen
en verwensingen en messen konden hem niet meer raken.
© Anéstis Evangélou
Naar de Engelse vertaling van M. Byron Raizis in
Greek Poetry Translations, Athene, Efstathiadis, 1981.
- uit het Grieks via het Engels vertaald door Albert Hagenaars -
zaterdag 23 januari 2010
Zo dun als sneeuw
POËZIE
Zoals je tegen een ziek dochtertje zegt:
mijn miniatuurmensje, mijn zelfgemaakt
verdrietje, en het helpt niet;
zoals je een hand op haar hete voorhoofdje
legt, zo dun als sneeuw gaat liggen,
en het helpt niet:
zo helpt poëzie.
Herman de Coninck
Uit: Herman de Coninck De gedichten, Amsterdam/Antwerpen, De Arbeiderspers, 1998
's Nachts
De taalobsessies,
zoals alle obsessies,
bezoeken ons 's nachts.
Soms als wij wakker zijn,
maar bijna altijd als wij slapen.
Dan leren wij af
wat wij schijnbaar weten
en inaugureren wij
wat wij schijnbaar niet weten.
Daarom
worden gedichten 's nachts geschreven,
hoewel zij zich soms als licht vermommen.
Of als ze overdag worden geschreven,
veranderen ze de dag in nacht.
© Roberto Juarroz
Uit: Roberto Juarroz Verticale poëzie - uit het Spaans vertaald door Mariolein Sabarte Belacortu - Sliedrecht, Wagner & Van Santen, 2003
Tel
KLASSEFOTO
Gedrieën in een bank gedreven,
ondoorgrondelijk ogenblik
van stilte ... de blonde Goudriaan vooraan,
de schele Kast, die jongen van Peen
ruggelings tegen het Periodiek Systeem,
de mooie zware Wieke van der Linden
naast de leraar die zij beminde,
de kleine Vink, de dorre Krol,
magere Kossen, Kooiman de hater,
Spoelstra de schaker, Johnnie de meid,
Rie die zo lachen kon, edoch later
nog zoveel heeft geschreid —
wij waren, voor we heengingen
over de aarde, een tel bijeen.
© Gerrit Krol
Uit: Gerrit Krol Polaroid, Amsterdam, Querido, 1976
vrijdag 22 januari 2010
Kijkend wit
GEDICHT 6
Het schrijven pakt mijn handen vast.
Ieder uur het kijkend wit en de horende leegte.
Ik voel wat mij is aangeleerd.
Ik schrijf en doe mijn vierentwintig uren met geduld.
Ik schrijf en verwar elke zin met de zin van het leven.
Ik schrijf om na mijn dood met je te blijven praten,
Om bij jou te blijven als ik weg moet gaan.
Leonard Nolens
oorspr. uit: Hommage aan het woord (1981), later opgenomen in
Leonard Nolens Laat alle deuren op een kier, Amsterdam, Querido, 2004
Mijnen in Friesland
DRUK
Zorgvuldig wordt papier verplaatst,
van stoel naar tafel naar bank.
Planten krijgen soep en rijst, nog
warm, vuile lakens terug οp bed.
Eerst Maastricht, dan Middelburg,
οf andersom, toen ik uit huis ging,
de oorlog, Delft, waar ik later, nee,
dat was Bussum οf Zutphen, of?
Uren gevuld met recοnstructie,
ieder antwoord direct verloren.
Mijnen in Friesland, schaatsen
in Limburg. De afwas in haar tas.
*
NAAM
Ik zie hoe ze mij negeert, nauwlettend
vanuit ooghoeken volgt, zich afvraagt
wat οf waarom die man in haar huis.
Toch vraagt ze niet wie ik ben, waarom
ik kasten open, jassen lucht, ongevraagd
post opruim, schoonmaak, thee zet.
Ben ik een dokter, een klusjesman, een
zoon misschien? Ze spreekt me aan met u,
je weet maar nooit, en glimlacht beleefd.
Ik speel mee, alstublieft mevrouw, uw thee
en schrik als ze vraagt wie dat is, die foto,
die vrouw met een kind οp de arm.
*
BUURTSUPER
Jas aan, tas mee, lift in, deur door,
straat over, daar is de supermarkt.
Mandje, kar, heb jij de lijst? Brood,
koffie, melk en kaas, niet meer.
Ze loopt door de gangen, staat stil,
kijkt rond en zegt: wat doen we hier?
Brood en melk, zeg ik, anders nog?
Koekjes, toetjes, fruit misschien?
Ze pakt de kar en stuk voor stuk
keert alles in het vak terug. Zo,
dat is klaar. Jij nog iets?

Peter Swanborn
Drie gedichten uit:
Peter Swanborn Tot ook ik verwaai,
Amsterdam, Podium, 2009
maandag 18 januari 2010
Zeeën
DIEGENEN MET WIE IK NOOIT HEB GESLAPEN
Diegenen met wie ik nooit heb geslapen
-ik hield van hen
soms
heel vleselijk.
Te denken aan hun zachte vel
of de tastbaarheid van hun botten,
al was me dat nooit meer
dan in vluchtigheid gegeven.
Maar niet minder concreet,
niet minder aanwezig,
in dromen, gedachten, daden,
in al mijn vezels.
Er waren zeeën tussen ons,
zwaar bewaakte grenzen,
een tafeltje met glazen wijn,
dwaas verstand of een belofte
en een door niets gestelpte begeerte.
© Jo Govaerts
Uit: Jo Govaerts Apenjaren, Leuven (B.), Van Halewyck, 1998
vrijdag 15 januari 2010
Sneeuwlandschap
EEN KRIJGER VERDWAALD
Onze uitbundige rookoffers
mishaagden de goden.
Ze namen ons de winter af.
Eindpunt voor het sneeuwlandschap in de schilderkunst.
Helaas, Avercamps staalkaart van schaatshoudingen.
Vaarwel, geurloze bloemen op de ruiten van onze kinderkamers.
Niet meer dan één terrasloze maand
en het krabben van de autoruit
als herinnering aan voorheen het witte, dode seizoen.
Bevroren tenen, dichtgesneeuwde loopgraven
of afdrijven op een ijsschots op de Zuiderzee.
Wat rest ons zonder deze strijd tegen de elementen?
Een beetje duwen tegen eigen vlees.
Kinderen maken die duwen
tegen hun eigen vlees.
© Rouke van der Hoek
Voor méér nieuw werk van Rouke van der Hoek, zie de website van de dichter:
http://www.roukevanderhoek.nl/rh.nieuwwerk.htm
Vlinder, bloem, gras, ik
PAPIERTJE
(Piece of paper)
De paarse vlinder is veelbetekenend.
De gepassioneerde bloem iets minder.
Het gras is zijn betekenis voorbijgegroeid.
Ik zit zonder.
Kijk, daar gaat de man wiens buurvrouw we delen.
Halfzes, op weg dus naar de verzamelplaats
Voor de leden van het irreëel genootschap:
Zij die eeuwig leven.
Hij rent, schuddend met zijn boordevolle kop,
Rent op een mengsel van prehistorische olie
En vergetelheid uit dertienhonderd.
Maar hij verliest een rood papiertje.
Het valt, nee, dwarrelt uit zijn broek.
Een geur is het, zonder rust, geen gewicht,
Het dwarrelt, begint te buitelen,
Galoppeert achter de broekzak aan.
Vlinder, bloem, gras, ik,
We kijken het papiertje na
Met verschillende soorten van ontzag.
De avond wordt voelbaar.
© Arjen Duinker
*
EERSTE LIEFDE
(First love)
En in de buik van de boot
Dwaalt het verhaal van een jonge vrouw
Die op een van de Canarische Eilanden
Een ongelukkige man leerde kennen,
Die leefde dankzij de uitvoer van zijn tomaten
En zijn tomaten in sombere liedjes bezong.
En de vrouw, ze leerde de liedjes om de man te plezieren,
En de vrouw, ze gaf zijn tomaten een plaats in haar leven…
Maar de man werd hier kwaad over en zei:
‘Ga terug naar je ouders, ga terug naar je straat,
Vind iemand anders die toeristen rondleidt,
Die tennisles geeft, die goed kan duiken
Of graag rondrijdt in een blinkende auto.
Bij mijn tomaten heb je niks te zoeken.’
En de jonge vrouw staat dagelijks te staren,
In de verte te staren, en zingt liedjes
Voor alle tomatenboten die ze niet ziet.
© Arjen Duinker
Twee nieuwe gedichten van Arjen Duinker uit 2003, vandaag - met vertaling in het Engels van Willem Groenewegen - voor het eerst gepubliceerd op Poetry International Web.
Zie:
http://netherlands.poetryinternationalweb.org/piw_cms/cms/cms_module/index.php?obj_id=4131
en
http://netherlands.poetryinternationalweb.org/piw_cms/cms/cms_module/index.php?obj_id=4121
woensdag 13 januari 2010
Zoveel moederlanden
DRIELANDENLABYRINT
Was ik een labyrint, het middelpunt zou Bolsward heten.
Geen Vaals. Het is mij van taal hier niet scherp genoeg.
En zondags zingen ze de ketterse gezangen die mij,
cantor, blijven steken in de keel. Nooit had ik heimwee.
Nooit eerder zocht ik de omhelzing van mijn land,
zocht ik water waar ik gele plomp in planten zou.
Water? Waar komt dat water nu vandaan? Ik ben niet graag
het mikpunt van dit schertsvertoon. En ik beloof: kom ik hier uit,
dán ga ik naar het moederland terug. Zoveel landen!
Zulke schrale taal. Was ik een labyrint, ik zou, ik zou.
© Chrétien Breukers
Uit: Chrétien Breukers Gysbert Japicx bezoekt het Drielandenpunt, Leeuwarden, Friese Pers Boekerij, 2009 (drietalige uitgave)
dinsdag 12 januari 2010
Te vriend
Wij gaan een heuvel op. Zo blijven wij,
Zo blijft het gaan: een heuvel op
In weer en wind, en iemand die ons ziet
Op afstand in een dal en wuift
En met de armen wiekt om mee
Te vliegen, maar de heuvel kun je
Niet veroveren dan stapvoets
Bloedend en alleen.
Wij gaan een heuvel op en jaren
Klimmen. Afgrond houden wij
Te vriend. Bij helder weer zien wij
De top, men zegt dat niemand
Hem bereikt, alleen wie springtNaar wie beneden op ons lijkt.
Uit: Johan de Boose De vrijheid van zwijgen Gent (B.), PoëzieCentrum, 2008
maandag 11 januari 2010
In vlam
CODA
Je lichaam is een stad
die vlam gevat heeft.
Mijn lijf is een hobo die
Vivaldi speelt.
© Násos Vayenás
Uit: Násos Vayenás Biografie en andere gedichten – vertal. uit het Grieks: Marko Fondse en Hero Hokwerda.
Amsterdam, Het Griekse Eiland, 1990.
CODA
Τό σώμα σου είναι μιά πύλη
πού ëχει άρπάξει φωτιά.
Τό σώμα μου είναι gνα öμποε
πού παίζει Βιβάλντι.
zondag 10 januari 2010
Wil je mijn mantel?
ZEEZICHT
Hij voert mij zalm alsof het vis is, breekt de
te dunne, te blanke toast, en de geur van
zeezicht, strandvondst, wemelende meeuwen hangt
zout in het kielzog van de visser, geeft me
het bedauwde glas goudgele champagne
van de vensterbank. Ik ben een jong dat schreeuwt
en hij reikt mij met de hand het eeuwige
even ernstig als altijd. Eet, dat kun je
weleens nodig hebben als je met mij op reis
wilt gaan. De weg is lang, aan de zee voorbij,
we gaan lopen, wil je mijn donkerblauwe
mantel dragen, die is warm en licht, ik houd
je hand vast, zul je altijd dicht bij mij
blijven? Als we bij elkaar zijn zijn we thuis.
Maria van Daalen
Uit: Maria van Daalen Yo! de liefde, Amsterdam, Querido, 2003
zaterdag 9 januari 2010
Kalenders
JOHNSON BROTHERS Ltd.
Vroeger toen mijn vader nog groot was,
in de uitpuilende zakken van zijn jas
gevaarlijk gereedschap, in zijn pakken
de geuren van geplozen touw en lood,
achter zijn ogen de onbegrijpelijke wereld
van een man, een gasfitter eerste klas
zei moeder, hoe anders heb ik mij moeten
voelen vroeger toen hij de deuren sloot
voor haar en mij.
Nu is hij dood, ben ik ineens zo oud als
hij, blijkt tot mijn verbazing dat ook in hem
verval was ingebouwd. In zijn agenda zie ik
afspraken met onbekenden, aan zijn muur
kalenders met labyrinthen van gasleidingen,
op de schoorsteenmantel het portret van
een vrouw in Parijs, zijn vrouw, de onbegrijpelijke
wereld van een man.
Kijkend in het porseleinen fonteintje uit
de dertiger jaren met de twee lullige leeuwen:
Johnson Brothers Ltd, hoog in het dood-
stille huis het droevige sloffen van moeder,
jezus christus vader, komen de tranen
om nu en om toen, vloeien ze samen
in het lood van de zwanenhals,
niet meer te scheiden van de druppels
uit het koperen kraantje met cold.
© Rutger Kopland
Uit: Rutger Kopland Alles op de fiets, Amsterdam, Van Oorschot, 1969
zaterdag 2 januari 2010
De koffers
als ik nu ga zal het zachter
zijn, in de wind, in de huizen,
zal het hart zachter proeven aan
de zonnebloemen en aan de lange
stem die uit de kamer hangt
in de tuin vol nachtegaalgezang
als ik nu ga zal het minder
wreed in je schouder bijten en
ook plezier op je lichaam leggen
als veel fruit op een schaal als
ik nu ga zal het het regenen de
wind zal sprookjes weven in
de avond als ik nu ga zal
het zomer zijn voor het garen
maar ik lig nog aan je armen
verankerd in de haven van de
stad maar ik ben nog bij je
maar mijn stem glijdt nog over
je als een strijkstok maar ik
houd toch van je dat weet je
maar ik slaap nog op je borst
ik ben nog niet heengegaan
de treinen zijn allemaal vertrokken
ik ben nog niet heengegaan
de kaartjes zijn verkocht
de koffers zijn ingestapt
ik ben gebleven
als ik nu ga zal het zachter
zijn, in de wind, in de huizen.
© Hans Lodeizen
Uit: Hans Lodeizen Verzamelde gedichten; bezorgd door Wiljan van den Akker, Redbad Fokkema en Mirjam van Hengel. Amsterdam, Van Oorschot, 1996.
vrijdag 1 januari 2010
Begin
Het verhaal is zo goed
LUCEBERT
Toen jij mij overkwam
NIEUWJAARSBRIEF
Gelukkig nieuwjaar, Zoet, en dank je voor het oude.
Mijn jaren duren lang en die van ons zijn kort.
Je kerstboom staat zijn groen nog in het rond te neuriën
Van de bossen ginder, allemaal zijn zij gekomen
Naar de Daenenstraat om ons hier toe te geuren.
Gelukkig nieuwjaar, Zoet, en dank je voor het oude.
Die dag in maart dat jij mij langzaam overkwam
Is ook vandaag mijn zon. Het sneeuwt de kamer onder
Met herinneringen die wij worden, warm en koud
Zijn wij voortaan elkaars geheugen en vergetelheid.
Ook straks gaan wij gearmd en stil dit wit in daar.
Gelukkig nieuwjaar, Zoet, en dank je voor het oude.
© Leonard Nolens
Uit: Leonard Nolens En verdwijn met mate, Amsterdam, Querido 1996
donderdag 31 december 2009
Hoe de schaar
DE LAATSTE WOORDEN
Hij is de laatste man
die de taal van zijn ouders spreekt
de laatste die de taal van het overleven kent
en het woord voor het zoemen van de bijen weet
hij is de laatste die weet
hoe de schaar van de schaapscheerder heet
en hoe de naam luidt van de geest
die de wind kan laten zingen
Als hij spreekt
luistert alleen zijn huis nog naar hem
de wanden zijn het laatste klankbord van zijn bestaan
een leven lang hebben ze zijn woorden aanhoord
Soms, als hij roept, roepen de muren terug
met de kalk van het brokkelend dak
vallen de woorden onbegrepen rond hem neer
kapot, bijna geluidloos als stof
ongrijpbaar, niet zwaarder dan zijn adem
maar te zwaar om ze op te rapen
en opnieuw uit te spreken
Ook al leeft zijn taal nog in hem
de woorden raken verloren
ze zijn al dood voordat ze zijn mond verlaten
zonder betekenis verstillen ze achter zijn tanden
er blijft slechts gemurmel van klanken
die verstommen tot korsten van woorden
die stom op zijn lippen blijven liggen
© Ton van Reen
Uit: Ton van Reen De straat is van de mannen - Nijmegen/Utrecht, BnM uitgevers - De Contrabasreeks, 2007
Niemand die het dak afkomt
ONTSNAPPING
Springt de slagboom open, klinkt gedempt gejuich.
Massaal spurt de fabrieksbevolking avond en
aardappels tegemoet. Heilig huis vol vrije tijd.
Golf van zwarte rijwielen klotst door de stad.
Een eindeloze rij Belgische bussen transporteert
de bloem der Kempen over de Aalsterweg,
duttende hoofden achter glas. Zien niet hoe
de stad zijn vleugels uitslaat. Nieuwbouwwijken
schuiven boerenbedoening voor zich uit,
brokkelige stadsrand, cirkel waarbinnen het gist.
Bestorming van Katholiek Leven als Adamo optreedt.
Rokerige cafézalen, opgejut door bas en drums,
opmars van rock & roll. Toch niemand die
het dak afkomt. Integendeel, het gekapte bos
onder de klinkers herrijst twee etages hoger:
woud van antennes, zelf geproduceerde ogen
en oren, reikhalzend naar trillingen in bovenste
luchtlagen, waar de toekomst geschreven wordt
© Rouke van der Hoek
Uit: Rouke van der Hoek Bodemdaling, Amsterdam/Antwerpen, Atlas, 2005
IJskap
DOOIEN EN DOOIEN
Het is met onze ijsbeer slecht gesteld:
De ondergang schijnt ook hem te bedreigen
Daar hij geen poot meer aan de grond kan krijgen
Wanneer de ijskap van de Noordpool smelt.
Het beste is om er maar voor te kiezen
De allerlaatste ijsbeer in te vriezen.
Driek van Wissen
'Snelsonnet' van Driek van Wissen, Dichter Des Vaderlands, gepubliceerd in o.a. NRC Handelsblad, 2006
De Dagen
HET LAATSTE GESPREK
'Heer, herken ik u? Zijn wij niet dezelfde van weleer?'
'Wie riep mij dan? Zijn uw wapens niet de mijne?'
'Ik wacht op woorden, Heer.'
'Ik was Dader, u het Offer. De medemens is leeg.'
'Sterven Daders niet.'
'Neen. Zij kunnen niet. Zij verwoorden.'
'Heeft u ginds gesproken, Heer?'
'De dagen zijn beschreven.'
'Heeft de Tijd nog kwaad gewild?'
'Ja, het slagveld is begroeid.'
'Geen spoor van oorlog meer?'
'Geen. Maar ik doorzie de stilte. Oog en oor vergaan.'
'Nadert weer de Dood, o heer?'
'Neen. Hij was er al.'
Berk
NIET TE GELOVEN
Niet te geloven
dat ik knaap nog
een vers schreef over de
zilverwitheid van een berkenstam
en om mij heen
grootse dronkenschap
van de bevrijding
het water was whisky geworden
Alles zoop en naaide
heel Europa was één groot matras
en de hemel het plafond
van een derderangshotel.
En ik bedeesde jongeling
moest nodig
de reine berk bezingen
en zijn bescheiden bladerpracht.
Remco Campert
oorspr. in: Remco Campert Dit gebeurde overal (1962).
Hier overgenomen uit Dichter, Amsterdam, De Bezige Bij, 1995
woensdag 30 december 2009
Hetzelfde
DΕ EEUW LOOPT TEN EINDE
Hij zou beter zijn dan de vorige eeuwen, onze twintigste.
Dat kan hij niet meer waarmaken,
zijn jaren zijn geteld,
zijn tred is wankel,
zijn adem kort.
Εr is al te veel gebeurd
wat niet had mogen gebeuren,
en wat had moeten beginnen,
is niet begonnen.
De lente zou naderbij komen,
en het geluk, onder andere.
De vrees zou stad en land verlaten.
Εn eerder dan de leugen zou de waarheid
haar bestemming bereiken.
Bepaalde rampen zouden
nooit meer plaatsvinden,
oorlog bijvoorbeeld,
en honger, enzovoort.
De weerloosheid der weerlozen,
het goede vertrouwen en dergelijke
zouden worden gerespecteerd.
Wie vreugde uit de wereld wilde putten,
staat nu voor een taak
die onuitvoerbaar is.
Domheid is niet komisch.
Wijsheid is niet vrolijk.
De hoop
is niet meer dat jonge meisje
et cetera, helaas.
God zou eindelijk gaan geloven in een mens
die goed en sterk is,
maar goed en sterk
zijn nog altijd twee mensen.
Hoe moet ik leven - las ik in een brief van iemand
aan wie ik van plan was
hetzelfde te vragen.
Opnieuw en als altijd zijn er,
zoals uit bovenstaande blijkt,
geen dringender vragen
dan naïeve vragen.
© Wíslawa Szymborska
- uit het Pools vertaald door Gerard Rasch -
Uit: Wíslawa Szymborska Einde en begin, Amsterdam, Meulenhoff, 1999
Datumloos
ANTI-NIEUWJAAR
Altijd en ergens oudejaarsavond
op een ster in een boek of een brief
ik vier mijn tijd niet in namen
ik hef geen punch op een dief.
Eeuwen zo oud als mijn jaren
mijn jaren zo jong als de wind
die met datumloze gebaren
mij uit de kalenders ontbindt.
Deze avond blijf ik afwezig
betrek een aanwezigheid
op einders die mij genezen
van mijn vergankelijkheid.
© Karel Jonckheere
Uit: Karel Jonckheere In de wandeling lichaam geheten, Brussel, Manteau, 1969
donderdag 24 december 2009
Harnas
SAMEN
Moeder, gij hebt mij moeizaam uitgespuwd
En van elk jaar de harde striem verdragen
Want mijn waaien was niet gauw geluwd
Ik wou eerst in alle kieren klagen.
In uw hagelwit harnas gemetseld
Zijn wij samen door de tijd verwond
Die ons nimmer wilde dragen
En bittere lijnen kerfde rond de mond:
Of er een vrucht is van dat alles
Vraag ik mij niet langer af,
Maar ik probeer u te benaderen,
Nog even, voor het graf.
© Jotie T'Hooft
Uit: Jotie T'Hooft Verzamelde gedichten, Amsterdam/Brussel, Elsevier-Manteau, 1981
Bloemen van het kwaad
DE VERNIETIGING
De Satan zweeft en danst voortdurend om mij heen;
onrustig en ongrijpbaar als de ijle lucht;
Ik drink hem in, hij brandt door bei mijn longen heen
vult mij voor eeuwig met een schuldenzware zucht.
Soms hult hij zich, mijn liefde kennend voor de Kunst
in vormen van verleidelijke dijen blank,
En onder schone schijn van voorgewende gunst
went hij mijn lippen aan infame liefdesdrank.
En zo leidt hij mij weg, ver van de blik van God,
gejaagd, gebroken van vermoeienissen, tot
diep in de verlaten vlakten der Verveling,
Dwingt mij de blik, vertroebeld door mijn zonden,
te richten op bevuilde kleding, open wonden,
en op het bloedig werktuig der Vernietiging!
Charles Baudelaire
- vertaling uit het Frans door Ingeborg Brounts -
Uit: Baudelaire (1821-1867) Les Fleurs du Mal, Parijs, René Rasmussen, 1947 [ed. par René-Louis Doyon]
LA DESTRUCTION
Sans cesse à mes côtés s`agite le Démon;
Il nage autour de moi comme un air impalpable;
Je l`avale et le sens qui brûle mon poumon
Et l`emplit d`un désir éternel et coupable.
Parfois il prend, sachant mon grand amour de l`Art,
La forme de la plus séduisante des femmes,
Et, sous de spécieux prétextes de cafard,
Accoutume ma lèvre à des philtres infâmes.
Il me conduit ainsi, loin du regard de Dieu,
Haletant et brisé de fatigue, au milieu
Des plaines de l`Ennui, profondes et désertes,
Et jettes dans mes yeux pleins de confusion
Des vêtements souillés, des blessures ouvertes,
Et l`appareil sanglant de la Destruction!
maandag 21 december 2009
Vliegende vissen
VISSER VAN MA YUAN
onder wolken vogels varen
onder wolken vliegen vissen
maar daartussen rust de visser
golven worden hoge wolken
wolken worden hoge golven
maar intussen rust de visser
Lucebert
Uit: Lucebert (1924-1994) Verzamelde gedichten, Amsterdam, Bezige Bij, 2002
Oogen zoo vol van licht
ZIE JE IK HOU VAN JE
Zie je ik hou van je,
ik vin je zoo lief en zoo licht-
je oogen zijn zoo vol licht,
ik hou van je, ik hou van je.
En je neus en je mond en je haar
en je oogen en je hals waar
je kraagje zit en je oor
met je haar er voor.
Zie je ik wou graag zijn
jou, maar het kan niet zijn,
het licht is om je, je bent
nu toch wat je eenmaal bent.
O ja, ik hou van je,
ik hou zoo vrees'lijk van je,
ik wou het helemaal zeggen -
Maar ik kan het toch niet zeggen.
Herman Gorter
- oorspr. in Verzen, 1890
Hier uit: Herman Gorter (1864-1927) Verzen Amsterdam, Atheneum Polak & Van Gennep. Perpetua-reeks, met een nawoord van Kees 't Hart, dec. 2009
dinsdag 15 december 2009
Liever klare kou
TEGEN DE ZOMER
Niets is vernielender dan de warmte
De kou houdt in stand, is statisch;
de warmte beweegt met de vernieling mee
en wekt een valse schijn
van zon, gezondheid, zinvolle zonde
De warmte vleit, paait, belooft,
maakt stofgoud van stof
liefde van begeerte,
poëzie van leugens
Ik hou niet van de warmte,
broedplaats van muggen en maden
poel van limonade en andere slopende dranken
Schenk mij liever klare
kou en koffie,
destructie bevroren, duidelijk zichtbaar
en aanvaardbaar
Wie in de kou zit schept geen illusies,
Maar schept sneeuw, vrij ongenaakbaar,
in de menselijke
soms bovenmenselijke winter.
© Remco Campert
Uit: Remco Campert Dichter, Amsterdam, Bezige Bij, 1995
De kamers waar jij niet bent
DECEMBERBRIEF
Ik wilde dat je dichter bij me was.
Het jaar is te oud en heeft niets meer te zeggen.
Het weer is somber. Alle dagen staat er
een haveloze regen voor de ramen
lam zwaaiend als een dronkelap. Ik loop
door 't huis, de kamers waarin jij niet bent
en die dus leeg zijn. Of ik zit maar ergens
en kijk naar buiten tot het donker is.
De televisie 's avonds een meest trieste
vertoning in een eenmansbioskoop,
zoek ik maar vroeg mijn bed op, slaap pas laat
en word weer vroeg uit boze dromen wakker
omdat ik jou ook in de slaap niet vinden kan.
Ik wilde dat het jaar nu over was
en jij weer dichter bij me, bij me was.
Hans Andreus
Uit: Hans Andreus Vertel hoeveel ik van je hou - vijfendertig liefdesgedichten, gekozen door Menno Wigman.
Amsterdam, Prometheus/Bert Bakker, 1998
maandag 14 december 2009
Schaatsen
DECEMBER
Jij mijn optische muis spreekt hij tot haar.
In de hemel ijzel. Een steeds kortere december.
Een spraakzame stad bevriest.
En in hen een kokende liefde. Alleen de kus
verschilt niet van de rest. Rijp in de mond.
Medeklinker op schaatsen.
Jij mijn optische muis spreekt hij tot haar.
© Ewa Lipska
Uit: Ewa Lipska Splinter - uit het Pools vertaald door Ad van Rijsewijk - Breda, De Geus, 2007
zondag 13 december 2009
Kleding
Ik heb het koud en schrijf een gedicht
Als het af is trek ik het aan
- Toon Tellegen
De schemer heeft uw kleren aan
- Gerrit Achterberg
Gezien in dezelfde straat, twee elkaar tegemoet rijdende Rotterdamse vuilniswagens met dichtregels
(Roteb, Rotterdamse gemeentelijke reinigingsdienst)
zaterdag 12 december 2009
Scheefgroei
HET MAGNETISCHE NOORDEN
Niet de ijzige zee waarheen gewezen
waar de naald steeds verder uitslaat
hulpeloos ronddraait
maar de afwijking zelf in het kompas.
Niet de ondergrondse ijzerstromen
Aardes rollend hoofd
maar de herhaalde sprong van de kat
naast de mus.
De verdraaiing van je stem op de bandrecorder.
Ook de onbedoelde faux pas
het drijven op je tweede talent
het hartstochtelijk meewerken
aan zekere scheefgroei in je leven.
Het is de reden waarom je onverwacht
stilstaat op straat
maar vooral: de sprong naast de mus
en denken dat je wat hebt.
© Rouke van der Hoek
Uit: Rouke van der Hoek Het magnetische noorden, gedichten Amsterdam/Antwerpen, Atlas, 2001
vrijdag 11 december 2009
Huis
Met woorden en potloden
die ik gespaard heb
bestrijd ik de storm
ONDERDAK
Je praat met mij
Daarna droog ik me af
Je gepraat is de zee
Tijdens het praten vind ik
de schelp
het koraalrif
en ook de slak
waar ik, zwerver,
een huis van krijg
© Ali Albazzaz
Verengoed
VROEGE LENTE
In elke lente vliegt wel eens een vogel
tegen het dichtgeslagen raam. Ik zoek de merel
verloren in het gewas, raap het uit de lucht
gevallen verengoed. Vanwaar die schrik?
De bloesems sterven snel dit jaar, een mol graaft
in de verkeerde hoek de ingedutte wormen weg.
Te vroeg dat ik naar buiten ga, de tuin
ligt onder sluimerzaad. Al te ijl
klimt daar een stengel uit, breekt de dorte
van de straat, vangt het licht dat
als een vreemde komt - smalle schaduw
aan het raam dat langzaam opengaat.
© Frans Budé
Uit de afdeling Refugium, in:
Frans Budé Blauwe rijst *, Amsterdam, Meulenhoff, 2009
* Aantekening van de dichter bij het titelvers op pag. 13 in de cyclus Routekaart / Briefing:
'Blauwe rijst' ook wel 'blauwe hap'genoemd. In een persbericht over Nederlandse militairen op missie in Irak werd vermeld dat veel soldaten dit gerecht (Indische maaltijd, traditioneel op woensdag) hoog op hun culinaire verlanglijstje hadden staan.
Wars
NACHTCAFÉ
In het morsig nachtcafé kwam ik hem tegen
- mijn oom, al aan het aards bestaan ontstegen.
Ik was jong. Niks deugde. Niemand vond genade.
Zijn blik heeft mij toen van die mensenhaat genezen.
*
OCHTENDSTAD
Rotterdam voor dag en dauw. De bruggen zijn verlaten.
De geldpaleizen gloren in het Noord-Atlantisch licht.
Winst en verlies staan in de onbehouwen ziel gegrift
van deze warse stad - alleen met wind en water.
© Hans Sleutelaar
Twee gedichten uit:
Hans Sleutelaar Vermiste stad - Rotterdamse kwatrijnen, Amsterdam, De Bezige Bij, 2004
zaterdag 5 december 2009
Cursus
DE KATTENSCHOOL
Als een poes naar school toe gaat,
leert ze enkel kattenkwaad.
Ze leert er mauwen met afgrijselijke klank,
haar nagels te scherpen aan stoel of aan bank.
Ze volgt de cursus, poes is niet stom;
'Hoe gooi ik thuis de vaasjes om.'
Ze leert op school met scherp verstand;
'Hoe verniel ik de papyrusplant.'
Ze leert er ook tot schrik van de baas
biefstukjes stelen en plakken kaas.
Een geleerde kat die blijft in leven;
leert de ijskast kopjes geven.
Hans Dorrestijn
woensdag 25 november 2009
Geluk
BAAI
Het blijft en het blijft maar, het gaat
niet voorbij: een geel strand met lege stoelen,
een groene en blauw-groene zee met schelpjes,
grijzige bergen rondom, en over dit alles
een dun, lila, oudgeworden licht.
Het bewoog destijds, er bewoog iets eindeloos,
het was het ademen van de zee, het zachte schuren
van de scheepjes aan hun ankers, het langzaam
zwarter worden en verdwijnen van de baai:
er moest iets komen en het kwam, het kwam maar,
dit was geluk.
Blijft over iets roerloos, een moment waarin
het strand verlaten is, de zee stilgevallen,
de ankerkettingen zwijgen, het licht dat oude
lila houdt, en niets verdwijnt – waarin
de baai daar ligt zoals hij is, voorgoed,
en een verlangen, dat dit moment voorbijgaat.
Rutger Kopland
Uit: Rutger Kopland Voor het verdwijnt en daarna. Amsterdam, Van Oorschot, 1985
dinsdag 24 november 2009
De wereld weg
IK AT JOUW BROOD, DRONK JOUW WIJN: BEDELAAR
Ik at jouw brood, dronk jouw wijn: bedelaar,
iemand zonder een cent, binnengehaalde.
Iemand die met woorden geen brood betaalde,
want woorden gaan ver; ze blijven niet waar
ze worden geschreven. Maar in de lucht
hing onze zon en die stelde geen vragen.
Hij maakte licht van onze nachten,dagen:
de wereld was weg en het licht terug.
Toch: dit was het niet. Wij kunnen het weten,
die nu gaan zoals de anderen gaan,
al is er meer dat wij niet meer vergeten
en blijft er van ons-eens altijd iets hangen:
het licht willen zien, de zon willen vangen,
iets afweten van het electrisch bestaan.
Hans Andreus
Oorspr. gepublic. als 35ste gedicht in De sonnetten van de kleine waanzin (1957).
Hier uit: Hans Andreus Verzamelde gedichten (ed. Gerrit Borgers, Jan van der Vegt en Pim de Vroomen). Amsterdam, Bert Bakker, 1983
Vergeten
DOOD VAN EEN DICHTER
Gisteren kwam ik ongevraagd te weten
hoe Kees Buddingh' is doodgegaan.
'Door niets of niemand bijgestaan,
de zusters waren hem vergeten.'
Hij rukte 's nachts, door iets bezeten,
de plastic slangen van zijn armen.
'Toen is hij domweg uitgeteerd en
's morgens bleek hij gekrepeerd.'
Ik heb Kees lang geleden goed gekend;
de ouwe rot, bij wie ik mij kwam warmen.
Dan, op een toon die rekent op erbarmen:
'Hans, je had hem nauwelijks herkend.'
© Hans Sleutelaar
Uit: Hans Sleutelaar Vermiste stad. Amsterdam, De Bezige Bij, 2004
Cornelis Buddingh' (1918) - roepnaam Kees - overleed in Dordrecht op 24 november 1985
zaterdag 21 november 2009
Door deuren
VOORZICHTIG
Ze liepen voorzichtig,
en lieten het landschap binnenkomen,
ze merkten dat hun tred bewonderd werd.
Heel voorzichtig gingen ze door de deuren,
langs het lusteloze strand, bezichtigden de bomen,
ze dachten dat de struiken ontvlambaar waren
en de hemel onder handbereik.
Zie, ze houden zich voorzichtig vast.
Armando Gedichten 2009, Amsterdam/Antwerpen, Augustus, 2009
donderdag 19 november 2009
Over links, over rechts
PLATTE KNOOP
Twee touweinden
die elkaar symmetrisch omhelzen.
Basale schoonheid.
Al zó lang in mijn motoriek dat ik hem
in het donker kan leggen:
rechts over links, links over rechts.
Natuurlijke bondgenoot
van vingerdragende soorten
- voorwaarde voor onze veehoudende geschiedenis.
Matrozen van de Armada, onder golven geborgen,
karavaangeleiders op de Zijderoute,
vissers in kleine bootjes op rimpelende meren
kenden de platte knoop. Wij geven wij hem door
aan leergierige kinderen, verknopen
de levens van nieuwgeborenen en doden.
Rouke van der Hoek
Voor méér nieuw werk van Rouke van der Hoek, zie de website van de dichter:
http://www.roukevanderhoek.nl/rh.nieuwwerk.htm
Exil
WERELDREIS
Van de grond gekomen, traag, in de schutterige Kempen,
Maar vlak bij de Maas waar het volk brutaler zingt
Als het spreekt, zijn aard loshartiger naar buiten keert.
Al meer in de trant van de Rijn. Ik kom er vandaan.
Ik werd er verbannen omdat het exil in mijn bloed zit.
Er is geen schuld, er is geen spijt en geen verzoening.
Ik ben zelf de strenge man die me ginder heeft verjaagd.
Ik ben zelf de dode vrouw die rechtop in mij slaapt,
Die ginder krom in mij te dromen staat van hier.
En zelf ben ik het kind dat naar mij vroeg in deze stad.
Honderd kilometer liep die wereldreis van eeuw naar eeuw,
De negentiende van mijn wieg, mijn twintigste zonder getal.
© Leonard Nolens
Uit: Leonard Nolens Hart tegen hart. Gedichten 1975-1990. Amsterdam, Querido, 1994
woensdag 18 november 2009
Landkaart
BLUES
(Iubirea pentru tine)
en ik heb me gebrand
op mijn vrouwenhuid
zijn de brandwonden zo groot als landkaarten
en de wond die lijkt op de kaart van Roemenië
is de grootste
en kan nooit meer genezen.
daarom zal ik sterven, vertelde iedereen,
niet omdat jij niet van me hield, je was te primitief en te hard
voor mij, ik val op linkse intellectuelen, onaangepaste
figuren, mannen die zo viriel zijn dat ze zonder hun
viriliteit kunnen en
zelfs als je gek was, was je minder gek dan ik,
de last die ik droeg
was gekte, ziekte, armoede en ouderdom, jij droeg niets, daarom
bedrukt de hemel boven je hoofd jou en
verplettert je schedel.
ik val op de diepzinnige zwakte
en de metafysica van een romantische puber
niet op starre macht, noch op van bloed verstoken vervoering.
zolang ik nog te leven heb, zal ik aan je denken,
maar jij was,
bent en zult een clown zijn, die achter je masker niets ander is
dan een soldaat van duisternis, kracht en genot.
- uit het Roemeens vertaald door Jan Willem Bos -
Angela Marinescu
(foto: Jan H. Mysjkin)
Angela Marinescu (1941, Arad) geldt in Roemenië als een compromisloze vrouw en dichter. Haar oeuvre kreeg kwalificaties als 'totalitair', 'absolutistisch' en ‘ongeremd’. Vooral haar ongebruikelijke, volgens sommige critici zelfs onvrouwelijke, benadering van het thema seksualiteit baarde lange tijd opzien met regels als:
‘Ik ben het dier dat moeizaam uit de slaap omhoogkomt / en gulzig /… / Ik ben het dier dat zijn geslacht / met genoegen betast. / Ik ben het dier dat soms zijn instinct / als een krachteloze kooi / voor zich uitdraagt.’
Marinescu, die zich in haar dagboek zelf omschreef als "een dame met de ballen van een jonge wolf", ontving voor haar oeuvre in 2006 de nationale Roemeense poëzieprijs Mihai Eminescu.
In Nederland hebben met name de vertalers Jan Willem Bos en Jan H. Mysjkin zich ingespannen om haar werk en dat van collega's in Roemenië toegankelijk te maken voor een breder publiek.
In 2007 wijdde het tijdschrift voor actuele literatuur Deus Ex Machina een speciaal nummer aan de hedendaagse Roemeense letteren, 'Romanian Rhapsody'. Daarin o.a. ook gedichten van Angela Marinescu en interviews met de Roemeens-Nederlandse prozavertaler J. H. Mysjkin over zijn werk
Grenspalen
NIET GEMARTELD NIET VERKRACHT
een gelukzoeker is een buitenlander die οm ecοnοmische
redenen
een verblijfsvergunning aanvraagt en wordt afgewezen
niet gevlucht na met de dood te zijn bedreigd
niet gemarteld niet verkracht
wij nederlanders zijn wij niet elke dag οp zoek naar het geluk
met welk recht zijn wij toegelaten
waren wij soms opgesloten en geslagen
werden onze nagels uitgetrokken
mijn moeder kwam οp haar 23e naar nederland
zij verdiende in het interbellum een koffer vol geld per week
genoeg voor anderhalf brood en twee sigaretten
het duitsland van de inflatie en de herstelbetalingen liet zij
achter zich
ging οp zoek naar het geluk en vond het
met mijn zus en ik als gevolg
de moeder van mijn vrοuw is engelse
als onze moeders door grenspalen
gestopt konden worden
zouden zij onze vaders niet hebben gekend
wij willen ons bestaan verheffen
kijken naar de sterren en de maan
over grenzen heen οp zoek naar het geluk
bestaan er andere mensen dan gelukzoekers
wijs ze mij aan
ik zal ze het land uit jagen
© Hans Wap
Uit: Hans Wap De laatste lemming, Varik, De Weideblik, 2008
Toevallige waarheid
AMBITIE
Na mijn ontmoeting met de wapenhandelaar
Liep ik, om erover te vertellen, een café in.
Ik zei dat ik de aarde onmiskenbaar vond,
Tot op de dag van vandaag een ruiterlijke waarheid.
Ik zei ook dat de papegaai van de handelaar zweeg.
Met meer waarheid had ik niet kunnen spreken.
En ik zei dat zijn ambitie hem deed zweten,
Een waarheid die herinnerde aan het toevallige.
En ik zei nog iets over de prijzen van de wapens,
Waarheid die alle ontmoetingen met pijn overgiet.
© Arjen Duinker
Uit: Arjen Duinker Buurtkinderen. Amsterdam, Querido, 2009
Zaal van het verleden
GETUIGENIS VAN BERTOLT BRECHT (1967)
VOOR EEN MILITAIRE RECHTBANK
Mijnheer de rechter
Ik ben geen soldaat
Wat willen jullie van mij
Wat de rechtbank zegt, heeft niets met mij te maken
Het verleden ging snel naar het verleden
zonder een woord van mij te horen
De oorlog ging naar het koffiehuis om uit te rusten
Jouw piloten zijn veilig teruggekomen
De hemel brak in mijn taal, mijnheer
de rechter — en dit is persoonlijk —
maar uw ondergeschikten sleepten blij
mijn hemel met zich mee
Ze keken naar mijn hart, gooiden bananenschillen
in de bron en liepen haastig voor mij uit
Ze zeiden soms: goeden avond
en gingen naar mijn erf in alle rust
Ze sliepen veilig op de wolken van mijn slaap
zeiden mijn eigen woorden
in mijn plaats
tegen mijn venster en tegen de zomer met jasmijngeur
Ze herhaalden mijn droom
in mijn plaats
en huilden met mijn ogen de psalmen van verlangen
Ze zongen net als ik voor vijgen en olijven
en eigenlijk voor iedereen
Ze leefden mijn leven zoals het hun beviel
in mijn plaats
Ze liepen voorzichtig over mijn naam
en ik, mijnheer de rechter, ben hier
gevangen in de zaal van het verleden
De oorlog is voorbij
Uw officieren zijn veilig teruggekomen
en de wijngaarden zijn in mijn taal verspreid, mijnheer
de rechter – en dit is persoonlijk – als
de kerker mij benauwt dan wordt mijn wereld groter
maar uw mannen hebben woedend mijn woorden afgetast
en schreeuwden tegen Achab* en Izebel*:
erf de rijke tuin van Naboth*
Ze zeggen: onze God
en het land van God
is niet voor anderen!
Wat vraagt u, mijnheer de rechter
van een passant tussen passanten
in een land waarin de beul verlangt
dat de veroordeelden zijn eretekens prijzen
Het is tijd dat ik schreeuw
en dat ik de sluier van mijn stem laat vallen
Dit is een kerker, mijnheer de rechter, geen rechtbank
Ik ben de getuige en de rechter
u bent de beschuldigde partij
sta op en ga weg: u bent vrij
gevangen rechter
uw piloten zijn veilig teruggekomen
en de hemel is in mijn eerste taal gebroken
– en dit is persoonlijk – opdat
onze doden veilig naar ons terugkomen.
© Mahmoud Darwish

- vert. Kees Nijland en Asad Jaber -
Uit: Mahmoud Darwish Waarom heb je het paard alleen gelaten.
Maassluis, Uitgeverij de Brouwerij, 2009.
* Achab, Izebel en Naboth: zie Oude Testament, I Koningen, 17-22.
Bertolt Brecht (r.)
Aquarium, heimwee
AVOND
Laat op de avond schuifelt ze
door haar kamer, zoekt kranten
bij elkaar, gaat zitten, loopt rond.
Ik sta op de gang voor het raam
en zie hoe ze rusteloos draait
en keert in haar zwart aquarium.
Om mij heen is alles stil. De lift
slaapt, de klok zwijgt, het boeket
staat droog, een tl knippert.
*
TRAP
Ze daalt af, tegen haar zin, twee treden
omlaag, één terug. Beneden wacht geduldig
de gastheer, een schim die weet, zij komt.
Haar voeten zoeken als ze stapt,
of wordt gestapt. De hand op een leuning
die golft en zweeft en misselijk maakt.
Hoogtevrees kent ze niet, heimwee
des te meer. Νiemand die haar vertelt:
wat was ligt niet achter maar voor.
Peter Swanborn
Openingsgedicht en tweede vers uit:
Peter Swanborn Tot ook ik verwaai, Amsterdam, Podium, 2009.
Dementie is het onderwerp van deze poëziebundel van Peter Swanborn. Hij beschrijft de ziekte van zijn moeder in 37 gedichten.
Swanborns vorige bundel Bij het zien van zijn lichaam werd in 2008 genomineerd voor de C. Buddingh'prijs voor Nieuwe Nederlandstalige poëzie.
In Verborgen in rimpels en dekens leest de dichter enkele gedichten uit zijn nieuwste werk voor, zie:
http://www.lezen.tv/content/view/165/1/
Achtergrondmuziek
DIALOOG
Leg hier je sieraad neer
en zeg mij wat het is.
Is dit een overval, een welkomstgroet?
Een dreiging, zwaard van Damocles,
gehangen aan een draad van taal?
Ik dring niet aan.
Hier is mijn woordenboek
met daarin alles wat ik noemen kan,
maar niet noodzakelijk bezit of wens.
Leg daar jouw woorden naast,
naast die van mij,
zodat we kunnen zien of er iets rijmt.
Maar wat als vrede paart met wond of scheur,
geweld zich horen laat als feestgedruis,
verzoening klinkt als angstgeschreeuw,
conflict als achtergrondmuziek?
Dan schorten wij die woorden op
en spreken niet meer zo abstract.
Wij hebben veel gemeen.
Wiel Kusters
Uit: Wiel Kusters Zielverstand, Amsterdam, Querido, 2007
Bedacht domein
ROTTERDAM
Steen voor steen moet ik de stad herzien.
Straten die in mijn hoofd bestonden, worden
na deze ondergang weer opgetrokken.
Gedacht domein. Vrede. De ramen zien
Op andere pleinen uit dan ze voordien
kenden. Parken opnieuw berekend
met vijvers waar het onwennig in regent:
water waarin ons spiegelbeeld misschien.
Wolken zoeken een weg over het plan
dat ons zo lang we samen zijn betekent
en moeiteloos even omvatten kan.
© Willem van Toorn
Uit: Willem van Toorn Gulliver en andere gedichten. Amsterdam, Querido, 1985.
Rotterdam, Museumpark, herfst 2009: Nederlands Architectuur Instituut
(ontw. Jo Coenen)
Gondelier
RIMPEL
Hij pakt zijn oude handen vast. Een rimpel naar de dood.
Nooit meer wordt hij groot. Nooit meer wacht zij om de hoek.
Ieder woord raakt zoek. Alles was, is waar gebleven? Wend
De steven nu voorgoed en paai de gondelier. Drink wijnen.
Slurp het gistend bier. Stil de honger in de maag. Want
Op de kaaien liggen rood, de taaie haken van de dood.
© Hans van de Waarsenburg
Uit: Hans van de Waarsenburg Avond val, Amsterdam, Meulenhoff, 1993

