zaterdag 11 september 2010

Op de uitkijk


DREAMTIME





Er is geen begin en het einde is zoek.


Moge het sterven sereen zijn
toch zet het zich voort
in het bloedbad van een geboorte,
de geboorte van iemand anders dan,
dat valt niet te ontkennen.

Maar in het leven is ons gegeven
te doen alsof er geen dood was,
niet met de kop in het zand
maar juist op de uitkijk
naar weer een ander land,
een te bevaren kust.

En onderweg vermaan je nog een kind
dat zegt dat het zich dood verveelt:
ga in gods naam wat doen.
En het kind roept: maar ik bèn er toch?


Liefst zijn ook wij ons van geen kwaad bewust.





© Jan Eijkelboom



Uit: J. Eijkelboom (1926-2008) Heden voelen mijn voeten zich goed, Amsterdam/ Antwerpen, De Arbeiderspers, 2002

Letters opschroeven


PAPA'S HUIS


Lege kamers geven onze namen terug
en kaatsen ook de woorden van de wand.
Maar in het behang staan littekens
van voltooid verleden, waarin een vader was.
Zijn letters worden bewaard; ik schroef ze
later op mijn eigen deur. Mam gaat voortaan
wonen achter haar eigen naam. Morgen
slaan wij nieuwe wonden in een ander huis
en roepen dapper verse muren vol.


©
Ted van Lieshout


Uit: Ted van Lieshout Als ik geen naam had kwam ik in de Noordzee uit
Amsterdam,Leopold, 1987

Nine-eleven



Uit: New York, stad van het verdwijnen - reisverhaal uit 1975, van Cees Nooteboom.
Vandaag als fragment afgedrukt in De Volkskrant.

- klik op beeld voor leesbare tekst -

Op de bok


ELEGIE




De schillenboer gaat door het dorp
en haalt de groenteresten op.

Het is zomer en zijn kar
rijdt afvalgeurig rond.

Ik ben geen stronkje en geen schil,
mag naast hem zitten op de bok.

Het duurt uren, dagen, maanden,
straks is de herfst alweer voorbij,
de winter komt en ook het groen.

Het is al laat, ik groei maar door,
thuis is iedereen ongerust, ik ben
niet de weg kwijt maar het doel.


© Wiel Kusters



[1954], december 1999


Met dank aan de Maastricht International Poetry Nights 2000

donderdag 9 september 2010

Kookkunst


HELE DURE OCTOPUS


Hij ontleedt de octopus
en zegt: 'Morgen strijk ik je blouse'
ik lig in de zon die eindelijk
op mijn plek in de zetel is neergestreken
ik ben bang van dode octopus.


De zon verlaat mijn linkerflank
mijn geliefde zet een bord op mijn schoot
een angstaanjagende kluwen staart me aan
ik open het raam en bekogel vadsige meeuwen
met tentakels
ze schreeuwen
uitgelaten en nietsvermoedend
ontwarren ze de kluwen
drie meeuwen stikken
twee meeuwen hangen zich op.

Mijn geliefde smakt
luid en huilt
ontroerd door zijn kookkunst
teleurgesteld door de fletse smaak
van een hele dure octopus.


© Delphine Lecompte


Uit: Delphine Lecompte De dieren in mij, Utrecht/Leeuwarden, De Contrabas, 2009

zondag 5 september 2010

Zout


LACRIMA



In het huilen kun je
niet emigreren,
en heel lang kun je
je niet camoufleren
achter een kleurloze sluier.

Ik houd je in mijn armen,
ik geef je mijn warmte,
luister naar regen
die valt uit je ogen,
zomaar van zelf.

Ziezo, die tranen
bevloeien de aarde,
maar ze zijn zout
en waar ze gevallen zijn,
groeit niets.


©
Pia Tafdrup


Uit: Pia Tafdrup De koninginnepoort (bloemlezing uit haar werk), uit het Deens vertaald door Jytte Kronig. Sliedrecht, Wagner & Van Santen, 2006.

Tafdrup was in 2008 een van de deelnemers aan de Maastricht International Poetry Nights.
De achtste edtie van het tweejaarlijkse MIPN-festival vindt eind volgende maand plaats op 28, 29 en 30 oktober. Plaats van handeling: Theater La Bonbonnière, Achter de Comedie 1, Maastricht.

Eregast dit jaar is de Nederlandse dichter Willem van Toorn.

Getwitter



DE MUS


Tjielp tjielp - tjielp tjielp tjielp
tjielp tjielp tjielp - tjielp tjielp
tjielp tjielp tjielp tjielp tjielp tjielp
tjielp tjielp tjielp

Tjielp
etc.


©
Jan Hanlo



Oerversie van een Tweet-tweetvers, uit 1949, opgenomen in:
Jan Hanlo Verzamelde Gedichten, Amsterdam, G.A. van Oorschot, [1958, 1970] deze ed. 2006

Ook als Leids Muurgedicht (pand Nieuwe Rijn 107)
http://www.muurgedichten.nl/hanlo.html

zaterdag 4 september 2010

Scherven zonlicht




DRAAK


Raak me niet aan
ik ben ontstaan
voor iemand
zonder evenbeeld

Geen ander
kan mij aan

Laat staan
smeltende dames
boven de vijftig
voorzien van
olifantswreef

Al zijn al uw benen
natuurlijk nog prachtig.



© Tjitse Hofman



*



En ze loopt op hoge hakken
door de straten van de stad
kent de alledaagse ogen
in het kielzog van haar benen
en trapt sierlijk met haar voeten
scherven zonlicht voor zich uit

Niet op zolen die je slepen
naar het einde van je hart
of op schoenen die je licht
over je laatste adem tillen
maar in laarzen die zo glimmen
dat het nooit meer donker wordt



©
Ton Peters


Twee gedichten uit Voetschrift van verleiding - schoengedichten/ Fuszschrift der Verführung - Schuhgedichte (red. Kasper Peters en Rense Sinkgraven). Dichters vertellen over schoonheid,
erotiek en elegantie van de schoen. Groningen, uitg. Passage, 2007.

Omslagfoto boek: Jan Kruize

Geheim


AARDE





Zoals ze leefden zo liggen ze hier
ook begraven, dicht op elkaar, bijna
hand in hand.

Spandiensten verleent men elkaar
tot op de rand van de dood.

Blinde paarden draven erheen,
met koetsen maar zonder koetsiers.
Het is het geheim van de hemel.

Zo hoog komen de mussen niet,
waar de zwaluwen buitelen, tuimelen
door de geweldige ruimte.



© Juliën Holtrigter



Uit: Juliën Holtrigter Omwegen Zoetermeer, Mozaïek/Boekencentrum, 2001

vrijdag 3 september 2010

Nachtlicht



HET DODE PUNT



Toen je 's morgens
tegen het dode punt stootte
floot de trein op de zwarte regenboog van de brug.

Vandaag wil ik je alleen zeggen
dat het nachtlampje in jouw kamer
promoveerde tot de graad van ster.



© Ewa Lipska


Uit: Ewa Lipska Splinter - uit het Pools vertaald door Ad van Rijsewijk - Breda, De Geus, 2007.

Oorspr. gepublic. in Drzazga [2006, Kraków, Wydawnictwo Literackie Sp.]

donderdag 2 september 2010

Schoenzolen


FLIRTATION


De ganse stad zwicht in mijn vuist
en om de hemel niet te schenden
moet ik mij fluist'rend tot u wenden
in woorden hondervoud gekuist

Wij zweven in de kleurenwand
van berstensmooi zeepbelgedroom
Ik manoeuvreer - en gij laat loom
alle verantwoording aan kant

Wanneer wij op een klip vergaan
zal ik u trouweloos verlaten
Ik kan uw liefde niet bestaan

en derailleer in eigen baan
zodra daar weerkeren de straten,
mijn pauperhart, mijn schoenzoolgaten


© Anna Blaman


In: Anna Blaman - over zichzelf en anderen. Verhalen, poëzie, artikelen en lezingen. Amsterdam, Meulenhoff, 1963

woensdag 1 september 2010

Luchtdruk


TEGEN DE HERFST



Kijk, een wesp is een gat in de lucht
ter grootte van een wesp
gevuld met wesp

niet met lucht. Cruciaal:
meer wespen > hogere luchtdruk > zomers weer.

Daarom: laat je niet slaan, blijf, help
de lucht onder druk te houden

opdat ons systeem niet bezwijkt.
Maar geen ziel die dat begrijpt.

Met dunne stemmen nemen ze afscheid:

Go wesp, wesp

moge het lied van je vleugels
je ver vergezellen.



© Rouke van der Hoek



Uit: Rouke van der Hoek Het magnetische noorden, gedichten Amsterdam/Antwerpen, Atlas, 2001

zondag 29 augustus 2010

Pantervrouw


BIONDA


In een wit paviljoen
waar reuma en bronchitis
onvermoeid om voorrang strijden
ruist de soepele rubbertred
van Bionda, de gediplomeerde
pantervrouw
zij kust de gedachten
in de broze hoofden en stoft
tot aan het helder ochtendlicht
het verdorde tandvlees af
het mooist zijn haar profetieën
over de eeuwig volle sherryglazen
bezwerend de beroerte
en de triplex jassen van de dood.


*


TWEESPRONG


Je hebt het dus ongemerkt begrepen
met dat toetje in je rolstoel
sering in avondrood of niet

en als Hij toch nog komt
je tot wijn geworden makker
gegoten in een nachtportier

dan blijf je verbeten geparkeerd
staan, een zingende verpleegster
föhnt je wapperende haar.



© Henk Houthoff




Twee verzen uit de afdeling "Diagnose", in:
Henk Houthoff Brand op zee - keukentafelgedichten. Rotterdam, Douane, 2010

vrijdag 27 augustus 2010

Kussenbranding


SONNET VAN HET BED



wanneer de ochtend zacht het labyrinth
van slaap begraaft onder bedauwd licht
van de stad (haar catacomben, gedicht
door meeuwenschreeuw) verschijnt het kind

bij het bed waarin het is volbracht
door ons, in duizelend sterrenuur,
met maanscheuten, die walmende nacht:
roof uit de droom, geschenk aan de duur.

het ruikt zijn oorsprong, plonst in water
van lakens, wollen golven, doorwaadt er
kussenbranding, doorzwemt het ledikant

dat ooit als oerzee dampende het strand
likte, het ongeziene, verbrande land
dat de gast wacht die uit zee kwam, later.



© Harry Mulisch


Uit: Harry Mulisch De wijn is drinkbaar dankzij het glas, Amsterdam, De Bezige Bij, 1976

Kom


GEOPEND





De dag brak, als een eierschaal
zo broos, tussen mijn benen aan.
Daar droop op elke ademtocht
het warme licht naar buiten.


Van binnen bleef het steeds bewegen
maar om ons heen stond alles stil.
Toen zwol een ongekend gezang
aan, tot de muren ervan barstten.


Daar, tussen brokstukken en wolken
wit stof, lag in het ochtendgloren
de ongeschonden gele dooier
te glanzen in een aarden kom.


De dokter gaf de kom uit handen;
een dochter. Jonger dan mijn droom
maar ouder nog dan mijn gedachten
en ongerijmd als dit gedicht.




© Catharina Blaauwendraad



Uit: Catharina Blaauwendraad Niet ik beheers de taal,
Haarlem, uitg. Holland, (nieuwe) Windroosreeks, 2004

Over wateren en weiden


OPROEP




Ik ben de jongen en het meisje kwijt. Beiden
ben ik verloren toen de tijd
verstreek. Ik kan hun kleine
stemmen niet meer horen.
Ik zoek hen voor een nieuw
afscheid. Ik roep hen over wateren en weiden.

Verblind mijn blik, ontbind mijn stem. Lijken
en lotgenoten leren zwem-
men in dat tijdloos water.
Ik ook. Til uit het grote
zwart dit beeld: zij pakt
hem bij de hand, ze hollen over weilanden en dijken.



© Anna Enquist


Uit: Anna Enquist Een nieuw afscheid Amsterdam, De Arbeiderspers, 1994

Vingers


TOESPRAAK VAN DE VADER TEGEN DE VRIJERS VAN ZIJN DOCHTER


Jullie, die zo meteen haar hand aanraken
en haar meenemen, waarheen dan ook,
vergeet niet de pianolessen
die haar vingers kenden toen ze negen was, de
basketballen die omklemd werden op weg naar
het net dat dromen zeefde
en het verband op de zogenaamde wond
boven op haar duim.
Stel je haar hand voor als een gouden driehoek
met als zijden: Kareem Abdul Jabbar, Mozart en
God.
En als jullie haar vinger zien wijzen naar de maan,
kijken jullie dan naar de vinger.


© Ronny Someck


Uit: Ronny Someck Blues van de derde zoen (bloemlezing), Maastricht, Azul Press, 2010 - uit het Hebreeuws vertaald door Hilde Pach.


- Voor M. (met dank aan 1975) -

donderdag 26 augustus 2010

Doorweekte dagen



ZEEPAARDS WENKEN



schorpioenen zijn hem even vreemd als kamelen, buffels en blaarkevers
hij heeft nog nooit een hagedis ontmoet, geen hamster, gekko, gemsbok
jakhals, caracal, hij zou nog geen kameelspin van een lama onderscheiden

hij ontwaakt als wier, legt zijn lange hoofd stroomopwaarts en spoelt mee
in zijn doorweekte dagen geen ochtendkrijs, geen klapperend hart
geen tikkende slapen, diep en doof hangt hij in de kamers

van hierboven weet hij niets, het giftig blazen van de lynx, spiesbokken
zandvossen, legers rouwtorren, zweepslangen, mierenleeuwen, waterloze witte lucht
maar als een teen, mijn teen, voorzichtig door het oppervlak steekt

krult hij en verzamelt schelpen, bouwt een lokstal van koraal
vult de voederbakken, wenkt de droogte naar zijn drijfnatte grond



© Marjolijn van Heemstra



Uit: Marjolijn van Heemstra Als Mozes had doorgevraagd, Amsterdam, Thomas Rap, 2010

Vogel





- klik op beeld voor grotere tekst -


Rudy Kousbroek Cadeaux - geïllustreerd door Daan Remmerts de Vries - in:

Tikken tegen de maan - 50 kindergedichten uit Nederland en Vlaanderen,
verzameld door Joke van Leeuwen.
Rekkem (B.)/Raamsdonksveer, stichting-vzw Ons Erfdeel, 2010

Gele beer


HET HUIS



zoals jij dit huis vindt, de gele beer in je kamer
zo vond ik zelf ooit mijn eerste oude, het sterke
rode dat ronddreef in een zee van weide, zo
zal ik jou wiegen in mijn rusteloos, rusteloos

zoals ik keerde naar het huis met het licht,
het licht dat op de zomertuin vol rozen
en ik die nog verder, ik rende zomaar
de weg af met mijn rusteloos, rusteloos

woonde in zoveel vreemde sindsdien, een huis
als een schip dat op stuurloze golven,
zonk weg in zijn donkere gangen, een huis
zonder muren als een rusteloos, rusteloos

maar ik zal jou wiegen, kleine, in je eerste,
lieve huis, als was het voor eeuwig, en waar
in al je huizen van later vind je ooit een thuis
als je eerste voor je rusteloos, rusteloos



© Jabik Veenbaas



Uit: Jabik Veenbaas Brieven aan mijn kind, Nijmegen/Druten, BnM uitgevers, 2007

vrijdag 20 augustus 2010

Middag



BINNENBRAND


Beelden, beelden, zo helder en geheim
dat ik op slag verstijfde – elke boom,
het hele bos keek mee. Ik schrok niet eens,
ik viel meteen twee dijen in toen ik
het vond. Pas later kreeg het een verhaal.

Zoals vandaag. Wie graaft mijn glimlach op?
Wie engelt me het bed in? De meisjes
onder mijn matras, die zijn zo snel,
die bliksemen op mijn bevel hun kleren uit,
die heten niet, die leven niet, die zijn

zo weggelegd. Maar ’s avonds zie ik soms
dat bos waar ik m’n eerste boekje vond:
een stronk met dijen, schaamgras, lillend licht,
mijn ogen smeulen en de hemel kleurt.
Die middag als een open wond.


©
Menno Wigman


Uit: Menno Wigman Zwart als kaviaar. Amsterdam, Bert Bakker, 2001

donderdag 19 augustus 2010

Verbeelding


VROLIJK


Lachend, zonder woord of gebaar, ligt
ze op haar zij. Waarom zo vrolijk?

Zijn het de bramen, de bloemen? Is het
een droom of denk je, die man, die ken ik?

Ze straalt en lijkt te vragen, blijf toch
even, vertel eens iets, het kan nu nog.

Nee, denk ik, dit is verbeelding, ze ziet
niets meer, praat geen zin, is ver weg.

Of is het waar, is ze wakker? Ogen half
open in dun perkament. Beeld ik me in

dat ze knikt en zegt: ik weet wie je bent.



© Peter Swanborn



Uit: Peter Swanborn Tot ook ik verwaai, Amsterdam, Podium, 2009

woensdag 18 augustus 2010

Hoewel ik mij liever vergis



EEN BIJDRAGE TOT DE STATISTIEK


Op elke honderd mensen

zijn er tweeënvijftig
die alles beter weten,

onzeker van elke stap -
bijna de hele rest,

bereid οm te helpen,
als het niet te lang duurt
- wel negenenveertig,

de gοedheid zelve,
omdat ze niet anders kunnen
- vier, nou, misschien vijf

in staat tot bewondering zonder afgunst

- achttien,

οm de tuin geleid
door de jeugd die vοοrbijgaat

- plusminus zestig,

nemen er vierenveertig
alles serieus,

leven er in voortdurende angst

voor iemand οf iets
- zevenenzeventig,

hebben er talent οm gelukkig te zijn
- twintig, hoogstens dertig,

zijn als individu οngevaarlijk,

maar slaan lοs in de massa
- meer dan de helft, minstens,

wreed,
als οmstandigheden hen dwingen,

- hoeveel weet ik liever niet
ook niet ongeveer,

wijs door schade

- niet veel meer
dan zonder,

willen er van het leven alleen dingen

- dertig,
hoewel ik me liever vergis,

krimpen in elkaar en hebben pijn,

zonder lantaarn in het donker
- drieëntachtig,
vrοeg οf laat

zijn tamelijk veel

rechtvaardig - vijfendertig

maar als rechtvaardigheid
de mοeite van begrijpen vereist

- drie,

verdienen er medelijden

- negenennegentig,

zijn sterfelijk
- honderd οp de honderd
Een getal dat vooralsnog niet verandert.



©
Wíslawa Szymborska


- uit het Pools vertaald door Gerard Rasch -



Uit: Wíslawa Szymborska Einde en begin, Amsterdam, Meulenhoff, 1999

dinsdag 17 augustus 2010

Herschikt, steen voor steen


ROTTERDAM



Eens liep hier een grootmoeder
Kettingen, sprak zij, ratelend en goederen
Gestapeld op de kade. De lucht, lichtend
Als haar naam voor ze werd geborgen
En taai niet wilde breken. Rotterdam
De lege dagen in haar leven. Een stad
Stilzwijgend verhuld. Zandgrond later
Waar ze niet groeide en kinderen, baarde
Scheepsgewijs heimwee, slechts zelden gestild
Soms wandel ik er nu: plat verleden
Steen voor steen herschikt. Denk kort
Aan haar. Zie de grijze ogen, tranend
Gebroken. Oma wachtend op de dood
Die krakend kwam, zo ver van Rotterdam.

© Hans van de Waarsenburg



Uit: Hans van de Waarsenburg "Avondlicht", e-book, selected poems
een keuze uit de gedichten

Bron:
http://www.e-books.com.mk
[Blesok Publishing, Macedonia]

Opwinding


MEN IS JONG




Men is jong en krijgt de nadelen
van batterijen uitgelegd. Men spreekt dan
over opwinding. Alles tikt dan om
u heen. Men krijgt een kinetic watch,
vraagt wat als men niet beweegt.
Men beweegt altijd. Dat ziet men in.
Het minste polsbloed zorgt voor
tijdverdrijf, minutenland.
In een la of aan een lijk:
los van een mens valt het stil.



© Paul Bogaert



Uit: Paul Bogaert Circulaire systemen Amsterdam, Meulenhoff, 2002

Deze dag




'Kindervers' van Joke van Leeuwen, op Poë-T-shirt van Rivendell.

Uit de bundel O zo heppie en andere versjes, Amsterdam, Querido, 2001


- klik op beeld voor grotere tekst -

Mijn kamer


BEGINNEN


- 2 -


Om twintig voor negen verliet ik geruisloos het lichaam
Van moeder en keek ik ons aan.

Ik zag ons daar allemaal liggen en staan
In mijn eerste verblinding.

Ik hoorde ons allemaal aan als de stem
Van een schaar en ik voelde mijn aanvang
Verknipt.

Mijn bloedende navel bestreek het schreeuwende centrum
Van de wereld in deze kamer.

Ik kan uit mijn kamer van jullie niet weg.



© Leonard Nolens

Uit: Leonard Nolens Een dichter in Antwerpen Amsterdam, Querido, 2005

zaterdag 14 augustus 2010

Gezang


TOEN IK IN DE WITTE ZIEKENKAMER VAN HET CHARITÉ



Toen ik in de witte ziekenkamer van het Charité
Tegen de ochtend wakker werd
En de merel hoorde, stond het voor
Mij vast. Al sinds geruime tijd
Had ik geen angst meer voor de dood. Omdat het mij
Immers aan niets kan ontbreken, voorondersteld
Dat ik zelf ontbreek. Nu
Lukte het me mij te verheugen
Over al dat merelgezang, ook na mij.


© Bertolt Brecht



Oorspr. in Buckower Elegien (1953), Brechts laatste dichtbundel geschreven tijdens een periode waarin hij van enkele kwalen probeerde te herstellen aan een meer vijftig kilometer buiten Oost-Berlijn.
Hier als slotgedicht uit:


Bertolt Brecht Over de aardse liefde en meer - samenst. en vert. Martin Mooij -
Rotterdam, Ad. Donker, 1998

donderdag 12 augustus 2010

Groot licht



ONVERWACHT BEZOEK





God woont ver weg.
Ik heb zelfs zijn honden nooit horen blaffen.
Ik heb van zijn brood gegeten maar ik
verleerde van hem te spreken.

Hij schreef mij nog wel eens en vroeg het
dan weer: waar is je broer?
Wel, zijn Volvo staat hier voor de deur,
zijn groot licht gericht op de hemel.
Hij gaat juist vertrekken.

Van auto’s houd ik alleen in de nacht.
Hun harde glans en de kracht van hun
brullende motor, hun draai in
het opspattend grind.




© Juliën Holtrigter



Uit: Juliën Holtrigter Het stilteregister, De Harmonie, 2006

donderdag 5 augustus 2010

Formules & Gebeden



KLACHT VAN EEN SPITSMUIS (GEMUMMIFICEERD)


Om zich zonder gekruimelde kennis van fenol, zandland of eigen bontvelsituatie
toch te kunnen handhaven in de natronkoker naast de loden valk die zich Horus noemt.

Om de levenskracht te behouden terwijl onze kinderen sterven met gebogen knieën
in het hete zand waarna de slakbuikjes door de lijfjes gaan zweven.

Om zich voor de poorwachters te kunnen identificeren in de wikkels van linnen
met hars en met papyrus prijskaart waarop geschreven wiens spitsmuis men was.

Om de koningin Notmit van de lijnzaad-dynastie eraan te herinneren dat ik
onder haar troon woonde en weggedrupte bijenwas at rond haar vuurstenen voeten.

Om de valk die naast mij stinkt en zegt Horus te zijn, niet te hoeven voeden
met mijzelf, ook hooggeboren, al lig ik in bitumen en niet in koninklijk lood.

Om te maken dat mijn spitsmuisziel terugkeert in mijn kleine lijf, mijn gevoelige slurf
het leven hergeeft, mijn ogen opent en mijn weggevreten oren aanlijmt.

Om te ontdekken of de ruimte waarin ik mij bevind, donker is, muskusgeurend,
slakdik en of er spitsvreugde is, uitgedrukt in de vorm van Canopische keutels.

Om de oudzweet tapijtplooi, die mijn lijf geworden is, te verzachten en te verfraaien
met mijn in turnstand achterwaarts gerichte poten en mijn afgebroken staart.

Om te beseffen dat ooit in de toekomst mij iets zal verassen, zoals een rijk korstmos,
en dat niet alle glorie vanzelf de valk toevalt, die mij om weinig jaloers beziet.

Formules,
formules.

Ik ben ik formules gewikkeld, opgewaardeerd met gebeden. Alles ijdel. Geen fractie
van Horusactie. Geeft mij de herinnering aan hoe ik was. Geef mij mijn portret

op de buitenste spitsmuisverpakking, onbereikbaar achter de stroken gebedsinkt.
Hoe verlang ik mijn dappere glimlach te zien, mijn snorharen, mijn pientere ogen.



© Tomas Lieske


Uit: Tomas Lieske Stripping en andere sterke verhalen. Amsterdam, Querido, 2002

zondag 1 augustus 2010

Ontsnapt


KERMISNOGA



de karren ratelen door het spοοkhuis,
fluorescerende maskers schieten langs
je zoekt naar de mannen, je weet
dat het waar is wat Jolanda zei;
in het spοοkhuis werken altijd
ontsnapte tbs'ers, daar herkent
niemand ze. Zο reizen ze de wereld rond,
soms nemen ze een meisje mee, ze plukken haar
uit een karretje, en iedereen denkt
dat het erbij hoort, ook het gillen

een zware zοetheid overvalt je
een misselijk sοοrt lekker
van heel vol zitten maar niet stoppen
met bijten, kauwen en slikken

je zou bij de snoepkraam gaan werken,
ontbijten met kermisnοga en de hele dag
suikerspinnen draaien. 's Avonds voor
de caravan zitten, met kleverige handen
terwijl hij het vuur opstookt en suiker
smelt οm brandwonden mee te maken
οp rijp fruit, jij snijdt de beurse plekken weg
's nachts sluip je naar buiten, οm te plassen
plotseling grijpt hij van achter je arm vast
duwt je οp het gras, knevelt je met prikkeldraad



© Floor Buschenhenke



Uit: Floor Buschenhenke Eiland op sterk water, Amsterdam, Atlas, 2009

Niet weten wat op te tillen


Woorden zijn kleine hefbomen,
maar wij hebben hun steunpunt nog niet gevonden.

Wij laten ze op elkaar steunen
en het bouwwerk geeft mee.
Wij laten ze steunen op het gezicht van de gedachte
en zijn masker slokt ze op.
Wij laten ze steunen op de rivier van de liefde
en ze gaan ervandoor met de rivier.

En wij blijven hun som zoeken
op één enkele hefboom,
maar we weten niet wat we willen optillen,
het leven of de dood,
de handeling van het spreken
of de gesloten cirkel van het mens-zijn.


© Roberto Juarroz


Gedicht uit 1969,
in: Roberto Juarroz Verticale poëzie - uit het Spaans vertaald door Mariolein Sabarte Belacortu - Sliedrecht, Wagner & Van Santen, 2003

Rotzakken




- klik op beeld voor grotere tekst -


Rudy Kousbroek Die mooie kindertijd - geïllustreerd door Harrie Geelen - in:

Tikken tegen de maan - 50 kindergedichten uit Nederland en Vlaanderen,
verzameld door Joke van Leeuwen.
Rekkem (B.)/Raamsdonksveer, stichting-vzw Ons Erfdeel, 2010

zaterdag 31 juli 2010

Zaagselhoofd


LIED VAN DE LAPJESPOP




Ik ben de lapjespop die niet praat
en zich alleen op je liefde verlaat

's Avonds lig ik blind en stil en doof
en slap is dan mijn zaagselhoofd

Mijn handen rusten en mijn lijf
wordt na je heengaan koud en stijf

Zonder je hulp kan ik niet lopen:
je hebt me zomaar kunnen kopen

en zult me nog op een oudejaarsnacht
domweg verbranden terwijl je lacht.

Ik ben de lapjespop zonder geest
Mijn pijn jouw luidruchtig gevierde feest.



© Ingrid Jonker



Uit: Ontvlugting, debuutbundel van Ingrid Jonker, 1956. 

- uit het Zuid-Afrikaans vertaald door Gerrit Komrij -

Blond



DUEL TUSSEN DE ROZEN


We waren het eens over de keuze der wapens:
de schaterlach.

Op dertig centimeter van elkaar
en spijts de vroege ochtend het bovenlijf ontbloot
en in aanwezigheid van arts en getuigen
schoot ik het eerst in een lach.

Ik kon mij echter vlug beheersen
en mijn tegenstrever, een adelborst
beet zijn prachtige bovenlip stuk,
zodat zijn kus op de mond van de blonde
nooit meer dezelfde zou zijn,
daar was ik zeker van.
O wat gaf deze gedachte mij moed.

Toen ook een dikke druppel van zijn kin rolde
en aan de horizon een koets verscheen,
waarin zich zonder twijfel, maar in zwarte zijde
en fijn ondergoed, de blonde bevond,
was zijn laatste uur geslagen.

Ik gaf een aanstekelijk lachje
zodat hij kreunend tussen de rozen stortte,
gele winterharde dwergrozen dan nog,
en aan zijn lachbui kwam geen eind.
Zelfs toen de arts hem onderzocht
lag hij te krullen, onbeschrijfelijk.

De getuigen leidden hem omzichtig weg.

De prachtige blonde zat heerlijk te snikken
en in een grasperk, mals en dauwvochtig,
een eindje voorbij de vertrappelde rozen,
maakte ik haar vlug tot de mijne.
Ach mensen.

© Paul Snoek


Uit: Paul Snoek Gedichten, Brussel, Manteau, 1971

vrijdag 30 juli 2010

Knerpend grind



WOORDEN OVER HET HEK
(Ord over grind)



Jij loopt tot mijn binnenste hek
en ik loop tot aan dat van jou.
Daarbinnen is elk van ons eenzaam.
en zal dat ook altijd zijn.

Nooit verder dan tot aan het hek,
was de wet die ons tweeën gold.
Of het zelden of vaak was, dat samenzijn
gaf ons rust en vertrouwen.

En als jij er eens een dag niet zou staan
maak ik makkelijk rechtsomkeert
als ik even naar je huis heb staan kijken
en heb gedacht: daar woon jij.

Zolang ik weet dat je af en toe komt
zoals nu over het knerpende grind
blij glimlachend als je mij hier ziet staan,
heb ik een thuis in mijn huis.


© Halldis Moren Vesaas *


- uit het Noors vertaald door Janke Klok -


Oorspr. in: I ein annan skog (In een ander bos, 1955).
Hier overgenomen uit Kruispunt, internationaal poëzienummer, juni 2001.

* Halldis Moren Vesaas (1907-1995) was een van de eerste vernieuwende, vrouwelijke, Noorse dichters van de twintigste eeuw.

- met dank aan De Contrabas/stanza

Dag





- Schone regels, Rotterdams vuilniswagengedicht -

maandag 26 juli 2010

Anderen


Er zullen anderen komen of niet.
De aarde zal altijd wel bijna rond zijn.
En ieder mens heeft een open wond, pijn
aan wat er niet meer is of bijna niet.

Ik heb de vlammen op het ijs zien dansen,
hoorde de klokken die onder de grond zijn.
En wáár ik ben staan de schimmen nog rond mijn
wereld - of schimmen? ik zie hun huid glanzen

en ieder gebaar watervalt van licht.
(Zij galopperen te paard op het licht
en hun lichaam buigt als een boog van licht.)

Genoeg daarvan. Ik kan in een mens leven
en uit de ruimte. Ik noem alles leven.
Er komen anderen om mee te leven.

© Hans Andreus



Uit: Hans Andreus De sonnetten van de kleine waanzin, 's-Gravenhage, Stols, 1957

woensdag 21 juli 2010

Tikmasjiene




DAN, LANGZAMERHAND DRONKEN WORDEND

van pop, powezie en pils
staat hij uit zijn stoel op

zijn tikmasjiene duvelt op
de grond;
hij weet de rand van de taal bereikt

voorzichtig naar een oude
boekenkast schuifelend
(soms wordt hij eeuwen stof)
negeert hij het dode grijze oog

bij een aantal tijdschriften en bundels
blijft hij staan en probeert zijn leven
in gestrekte sentimeters te schatten
het loont nauwelijks de moeite.



© Hans van de Waarsenburg
schrijver


Uit: Hans van de Waarsenburg Eenenzestig-negenenzestig powezie ('61-'69), met een inleiding van Kees Simhoffer. 's-Gravenhage/Rotterdam, Nijgh & Van Ditmar, 1972

dinsdag 20 juli 2010

Rookkolommen



BARBARY COAST




De zee heeft stompe voetjes. Daar
zijn kaaiwerkers voor, ze slijpen
het welgestelde deel tot doorgang.
Maar eerst een zadeldak, want wie
bewoont wil oefeningen op een lange
zit. Strekt de hand en de boothals
gaat over zwik. Dat levert een ander
verschiet dat heter is. Getrappel
van rookkolommen. Het water is weg.



Hakkel je, hakkel je

© Marc Kregting






Uit: Marc Kregting Hakkel je, hakkel je. Brieven.
Amsterdam, Prometheus, 2000

zondag 18 juli 2010

Bewaking



Heden is gebleken men heeft mij in de war

gekregen, geen plaats mij aan het raam, meters
van het kerkhof uitgeklapt mijn kermisbed.

Hoe in schemerduister geen klok meer slaat,
een wormpje aan mijn deurkast klopt en vindt
wat hier geschiedt. Over dokters nooit te klagen,
ook geen kamerhuur, ze treden binnen, zeggen:

'U laat u bewaken, daarom geen bezoek vandaag.

Schrijf een brief dat men u komt halen.'


© FRANS BUDÉ


Uit de afdeling Opname, in:
Frans Budé Bestendig verblijf, Amsterdam, Meulenhoff, 2009

vrijdag 16 juli 2010

Behelpen


BEKNOPTE BESCHOUWING OVER EXACTHEID


Vissen
trekken altijd exact daarheen en exact dan,
zo hebben ook
vogels een ingebouwd exact tijdsbesef en
plaatsbesef.

Maar mensen,
beroofd van hun instinct, behelpen zich
met wetenschappelijk onderzoek. Dat is de kern
van dit verhaal.

Een zekere soldaat
moest een kanon afvuren elke avond klokslag zes.
Dat deed hij zoals ’t een soldaat betaamt. Toen zijn
exactheid werd getest, meldde hij:

Ik richt me
naar de volstrekt exacte chronometer in de etalage
van de klokkenmaker in de stad. Elke dag om zeventien
vijfenveertig zet ik mijn horloge ermee gelijk en
klim de heuvel op waar het kanon klaarstaat.
Om zeventien negenenvijftig exact bereik ik het kanon
en om achttien uur exact vuur ik af.

Gebleken is
dat deze wijze van afvuren volstrekt exact is.
Alleen de chronometer moest nog worden onderzocht. Dus
vroeg men de klokkenmaker in de stad naar de exactheid
van dat uurwerk.

O, zei de klokkenmaker,
dit uurwerk is het allerexactst. Stel u voor,
al jaren wordt hier exact om zes uur een kanon afgevuurd.
En elke dag kijk ik naar de chronometer
en die wijst altijd exact op zes.

Tot zover over exactheid.
En vissen trekken door het water en uit de hemel klinkt
geruis van vleugels, terwijl

Chronometers tikken en kanonnen bulderen.


© Miroslav Holub


Uit: Miroslav Holub De geboorte van Sisyphus, samengesteld en uit het Tsjechisch vertaald door Jana Beranová. Amsterdam, De Bezige Bij, 2008

woensdag 14 juli 2010

Ze zwaait


NACHTBUS



Met de nachtbus in de file
der helazen.

Ik moet mee tot het eindpunt,
daar wacht mijn lief vergeefs.

Ik kerf met mijn stiletto
een haiku in een damesdij.

Weinig letters dus want pijn
is niets voor mij.

Ze zwaait, ze lacht, ze sopt
ze laat me waaien.

Mijn lieve lief
ik moet terug met de eerste bus.


© Harry Vaandrager


Uit: Harry Vaandrager Wat telt is van niets gemaakt, Amsterdam, Nijgh & Van Ditmar, 2010

dinsdag 13 juli 2010

Lekkende kraan


UIT DE GESCHIEDENIS VAN DE HEILIGSCHENNIS


voor de derde maal zei ik
ik aanvaard dit leven niet
en gooi mij οp het aardse werk
waarvan er meer is
dan ooit ik schuifel door het huis
sla hier en daar een spijker in de muur
draai een lekkende kraan aan
trek de gοrdijnen 's avonds toe
mijn vrienden van een ander gilde
bellen me voortdurend zeggen er is iets aan de hand
misschien moeten we eens praten bij een glaasje rode wijn
je stond dit leven zο na je hebt zoveel gezien
je bent tot in jeruzalem geweest
was thuis bij de νikingen bekoorde de slaven
eerst nam ik de telefoon 's ochtends niet meer οp
daarna betaalde ik mijn telefοοnaansluiting niet meer
ik probeerde standvastig te zijn als een rots
verbrandde het telefoonboek
zodra het lente is en het zomerwerk begint
verlaat ik de stad
ik zal deze kerk niet bouwen


Eugenijus Ališanka



In: Eugenijus Ališanka Uit het archief van ongeschreven brieven, Leuven (B.), Uitgeverij P, 2010
- bloemlezing, uit het Litouws vertaald door Jo Govaerts

Teruggetrokken


HET GELUK WEET NIETS VAN MIJ


Het geluk weet niets van mij:
het woont, denk ik, teruggetrokken op het land.
Niemand vertelt het geluk ooit over
het nut van telefoonboeken. Of over regenjassen,
het lover van geboomte, of de liefde.
Niets weet het, helemaal niets. (Het meisje
tegenover me in de trein slaapt
zonder te hebben gezegd waar ze er uit moet.)

Kent het geluk de reeën met gespitst oor
die ik gezien heb langs het spoor?


© Hanz Mirck



Uit: Hanz Mirck Het geluk weet niets van mij Amsterdam, Vassallucci, 2002

zondag 11 juli 2010

Uw kameraad


CONCREET VOORSTEL!



Ik ben,
zoals u weet,
in ambtelijke zaken geen licht.

Administratieve kwaliteiten heb ik niet,
ik dicht.
Maar als je het mij vraagt,
zou je de hele kudde
ambtenaren, kantoorklerken,
gewoon bij de kraag moeten vatten

en door elkaar schudden.
Goed schudden, er even bij blijven,

eentje apart nemen
en zeggen:
'Schrijven!'
'Hoor eens, kameraad, schrijf gerust een rapport,
maar hou het in godsnaam kort!'



Vladimir Majakovski



Gedicht van Majakovski (1893-1930) uit 1922, in:
De meisjes van Zanzibar - Zesentwintig Russische gedichten vertaald door Leidse slavisten met Karel van het Reve. Maastricht, Gerards & Schreurs, 1988

vrijdag 9 juli 2010

In luchtdicht glas



HIËROGLYFEN


Laat dit geen strand zijn
als de tijd moet waaien; dan tot piramide

met ruim verborgen sterrenschachten
achter alle dichte deuren zwijgend zand.

Laat wat geschreven staat gebeiteld zijn
in tekens van putten en steen.
En waar geen gang naar leidt; wij twee

tot eerste mensen gewikkeld.

Laat tot het laatste water wegdampt
ons het tikken van de kevers tellen

Onvindbaar νoor wοrmen en rovers
veen en vloed.

Laat ze ons vinden zwart van dorst
het zout van de wimpers blazen het gewicht
van onze pekelharten niet exact kunnen bepalen
maar weten:
dit is uniek νοοr tοen en daar.

Laat ons dan door kronen en munten omringd
in luchtdicht glas de tijd ontglipt
in linnen en lamplicht
bewaard blijven.

© Marjolijn van Heemstra


Uit: Marjolijn van Heemstra Als Mozes had doorgevraagd, Amsterdam, Thomas Rap, 2010

donderdag 8 juli 2010

Chocolade-ogen





ALGERIJE


Als ik nog een dochter had
noemde ik haar Algerije,
en dan ontdeden jullie je van je koloniale pijnen
en noemden mij 'Abοe Aldjir'.
's Ochtends, bij het opslaan van haar chocoladeogen
zei ik dan: 'Kijk, Afrika wordt wakker',
en ze streelde het blond οp het hoofd van haar zusje
en wist zeker dat ze het goud οpnieuw had ontdekt.
De korrels οp het strand waren haar zandbak,
en in de voetafdruk van de Fransen die daarvandaan waren gevlucht
verstopte ze de dadels die uit de bomen vielen.
'Algerije,' zou ik haar toeroepen met mijn handen οm de balkonrand geklemd,
'Algerije, kom naar huis, en kijk hoe ik de muur van het oosten verf
met de kwast van de zon.'



Ronny Someck


Uit: Ronny Someck Blues van de derde zoen (bloemlezing), Maastricht, Azul Press, 2010.
Uit het Hebreeuws vertaald door Hilde Pach.

- illustratie uit betrokken bloemlezing © beeldend werk: Ronny Someck -

Dagwaarde


MEETINSTRUMENTEN


Personenweegschaal


de weegschaal op het roze kleed
de schildpad die je wereld draagt

je wacht tot de wijzer stilstaat

getallenleer vult haarlaknevellicht je gedachten
ΒMI = het gewicht in kilogram/het kwadraat van de lengte

in meters

je leest de waarde van de dag af


*

het idee dat je werkelijk gelukkig zult zijn wanneer je
lichter bent
het idee dat het nastreven van schoonheid een morele
plicht is
het idee dat succes een keuze is
het idee dat voor 'goed in je vel zitten' een bepaalde

maximumvelgrootte geldt
deze ideeën drinken samen thee op een terras,
ze schikken hun slanke glanzende gladde lange bruine

blote benen
volmaakt tevreden achteroverleunend
heffen ze hun gezichten naar de morgenzon


*


je voeten droomden vannacht
over gras en pootjebaden
meten hieraan de weegschaal af

stappen afgemeten οp het kleed



Floor Buschenhenke



Uit: Floor Buschenhenke Eiland op sterk water, Amsterdam, Atlas, 2009

woensdag 7 juli 2010

Aanmelding


DIERENWINKELS

(SKLEPY ZOOLOGICZNE)


Interneringskamp
uit mijn kindertijd.

Cavia's. Papegaaien. Kanaries.
Ziekelijke geur van onvrijheid.
Zaagsel van gebeurtenissen.

Thuis spuugde ik de depressie uit.
De poes Antigone liet zich niet meer zien.
Muizenvallen onder Verdun
en daarna het vervolg helemaal tot aan
Auschwitz.

Ik wist niet waarmee dat zou eindigen
toen ik me aanmeldde bij het leven.
Als vrijwilliger.


Ewa Lipska


- vertaald uit het Pools door Ad van Rijsewijk, voor Poetry International juni 2010 -

Sklepy Zoologiczne oorspr. gepublic. in 2001 (Krakow, Wydawnictwo Literackie)

Fanfare


Er was mijn oma, de moeder van mijn moeder, die me vertelde dat mijn
vader, toen hij de eerste keer op bezoek kwam, een boek onder zijn arm
had. Nadat hij zich had voorgesteld, ging hij op de bank zitten lezen.

Er was mijn vader die me leerde duiken en onder water zwemmen.
Na het duiken en zwemmen kreeg ik nootjes met chocola erom,
waar ik een beetje bibberend, natte haren, handdoek omgeslagen,
van at. Ik zag hoe hij keek naar de duikplank, de lucht, naar de grond
en naar mij. Ik merkte hoe hij zocht naar iets om te zeggen.
'Zijn de snoepjes lekker?' vroeg hij. Door zijn onhandigheid heen
voelde ik wie hij was.

Er was een man die op de begrafenis van mijn vader vertelde dat toen
mijn vader en hij zestien waren, ze op hun rug waren gaan liggen.
Het was mijn vaders idee. Alle lichten moesten uit en ze spraken,
in het geluid van een ruisende kachel, over het heelal.

Er was mijn vader die, toen ik in een weekend bij hem was, aanbood
om voor te lezen. Ik wist dat dit erop zou neerkomen dat hij doorging
met waar hij de hele dag al mee bezig was geweest maar dan hardop,
zodat het leek of het voor mij was. Ik wilde dat niet. Het zou eruitzien
alsof wij samen waren en daar kon ik niet tegen, dat het er dan wel
zo uitzag maar dat het niet zo was.

Er was mijn vader die als kind een keer met zijn trommel achter de fanfare
aanliep. Hij marcheerde en trommelde vol overgave mee. Opeens zag
hij zichzelf lopen, zag dat mensen hem zagen, schaamde zich, en bleef in
schaamte staan terwijl de fanfare verder liep.


© Tjitske Jansen



Uit: Tjitske Jansen Koerikoeloem, Amsterdam, Podium, 2007

Schaduw


TWEE MANNEN IN EEN LANDSCHAP



Voor een goeie vriend maak ik hier
een weg tussen twee rijen bomen,
zo te zien populieren. Er komen
twee mannen aan. Het is zomer-
avond op dit papier.

De vraag is: hoe waar kan dit zijn.
Je twijfelt al of je daar loopt.
Maar wat niet bestaanbaar zou zijn
kan niet gedacht worden ook.
Neem aan dat jullie het zijn,
vader en zoon.

Vullen we verder aan:
Brabants land van toen,
paarden, een oude schuur,
wollig van mos, een geur
van warm rijp gras; daar gaan
ze samen doorheen, langzaam
pratend met elkaar.
Misschien kun jij ze verstaan.

Twintig jaar geleden,
ze hebben dus alle tijd:
niets gaat meer voorbij
in dat verplaatste heden.
Loop achter ze en luister
naar hun bedachtzaam spreken.
In hun andere dimensie
is er misschien een teken
voor jou dat ik hier niet zie.

Maar vergeef ze als het niet komt,
als ze niet uit kunnen spreken
de woorden die ontbreken
aan jouw veertig jaar leven.
(Vader.
Hoor je.
Waarom.)

Mannen praten niet zo,
niet zo vaak althans.
Misschien gaat het over de krant
of iets op de radio
van geen enkel belang.
Maar luister, tussen de woorden
zeggen de norse stiltes
wat jij al zo lang wil horen.
Luister dan.

De rode zon hangt laag
waar ze vandaan kwamen.
Tussen de lage huizen
vallen hun schaduwen samen.



Willem van Toorn



Uit: Willem van Toorn Gedichten 1960-1997, Amsterdam, Querido, 2001

Leeggegeten tafel



WAAROVER IK SCHRIJF



Over het eten, de nasmaak.
Achteraf over gasten die ongevraagd
of een kleine eeuw te laat kwamen.
Over de wens van de makreel: uitgeknepen citroen.
Van alle vissen schrijf ik vooral over de bot,

Ik schrijf over de overvloed.
Over het vasten en waarom de brassers het uitgevonden hebben.
Over de voedingswaarde van de korsten van de tafel van de rijken.
Over het vet en de drek en het zout en het gebrek.
Hoe de geest galbitter werd
en de buik krankzinnig
zal ik – midden in de rijstebrijberg –
leerrijk beschrijven.

Ik schrijf over de borst.
Over Ilsebell zwanger (de trek in augurken)
zal ik schrijven zolang het duurt.
Over de laatste hap gedeeld,
het uur met een vriend
bij brood, kaas, noten en wijn.
(We praatten met keelgeluiden over jan en alleman
en over het gevreet, dat niets anders is dan angst.)

Ik schrijf over de honger, zoals hij beschreven
werd en op schrift verspreid.
Over kruid (toen Vasco da Gama en ik
de peper goedkoper maakten)
wil ik onderweg naar Calcutta schrijven.

Vlees: rauw en gekookt,
wordt slap, vezelt, krimpt en vergaat.
De dagelijkse brij,
wat er verder nog werd voorgekauwd: gedateerde geschiedenis,
de slachtpartijen bij Tannenberg Wittstock Kolin,
wat overblijft schrijf ik op:
botten, hulzen, ingewanden, worst.

Over de walging bij het zien van een vol bord,
over de goede smaak,
over de melk (hoe ze kwarkig wordt),
over de raap, de kool, de overwinning van de aardappel
schrijf ik morgen
of nadat de resten van gisteren
versteend van vandaag zijn.

Waarover ik schrijf: over het ei.
Verdriet en vet, verterende liefde, spijker en strik,
ruzie om het haar en het woord in de soep te veel.
Diepvrieskisten, wat er met ze gebeurde
toen de stroom wegbleef.
Over ons allemaal rond de leeggegeten tafel
zal ik schrijven;
ook over jou en mij en de graat in de keel.


© Günter Grass


- uit het Duits vertaald door Jan Gielkens -

Uit: Günter Grass Oogst, Gedichten 1954-2004, bloemlezing. Amsterdam, J.M.Meulenhoff, 2007.


Ook in: 500 Gedichten die iedereen gelezen moet hebben - de canon van de Europese poëzie, samenst. Ilja Leonard Pfeijffer en Gert Jan de Vries, Amsterdam, Meulenhoff, 2008

dinsdag 6 juli 2010

Bij de dood van Jan Blokker (1927-2010)



'Geluk is

een ramp.
Je wordt
er zo lui
van.'



- Tom Lanoye in Kartonnen Dozen (roman, 1991, Bert Bakker/Prometheus)

Ook verkrijgbaar als free card van Leesmij.nu,
"dé hangplek voor jongeren en hun boeken"

De breuk


ONDER DE ROTSPUNT

(Under Bergfallet)




Je woont onder een rotspunt.
En dat weet je.
Maar je zaait je akker in
en loopt rustig over je erf
en laat je kinderen spelen
en gaat slapen
alsof het niets is.

Het komt voor,
dat je op een zomeravond,
leunend op je zeis
even je ogen langs
de rotswand laat gaan
daar waar men zegt
dat de breuk
moet zitten,
en het komt voor
dat je wakker ligt
luisterend naar
vallend gesteente
in de nacht.

En komt de lawine,
komt hij niet onverwachts.
Maar je gaat aan de slag en ruimt
dat groene lapje
onder de rots
- bij leven en welzijn.



©
Olav H. Hauge


Uit: Olav H. Hauge Het blauwe land, bloemlezing (samenst. en vertal. uit het Noors: Erica Weeda), Tetralex, 2002

maandag 5 juli 2010

Waterraam




Leidse Muurgedichten: Gerrit Achterberg Kleine ode aan het water
(pand Rijnkade 8, Leiden)


- klik op beeld voor leesbare tekst -

Tas


TOEN ZWEGEN DE BIJEN


Een oude man
stierf onverwachts
alleen in de tuin bij een koningskaars.
Daar lag hij tot in het donker,
toen zwegen
de bijen.

Een mooie dood, nietwaar
dokter, zegt
de vrouw in het zwart
die net als vroeger
iedere zaterdag
naar de tuin komt
met in haar tas
eten voor twee.


©
Miroslav Holub


Uit: Miroslav Holub De geboorte van Sisyphus, samengesteld en uit het Tsjechisch
vertaald door Jana Beranová. Amsterdam, De Bezige Bij, 2008

Inkt van niks



TOT BESLUIT


Ik ken de droefenis van copyrettes,
van holle mannen met vergeelde kranten,
bebrilde moeders met verhuisberichten,
de geur van briefpapieren, bankafschriften,
belastingformulieren, huurcontracten,
die inkt van niks die zegt dat we bestaan.

En ik zag Vinexwijken, pril en doods,
waar mensen roemloos mensen willen lijken,
de straat haast vlekkeloos een straat nabootst.

Wie kopiëren ze? Wie kopieer
ikzelf? Vader, moeder, wereld, dna,
daar sta je met je stralend eigen naam,

je hoofd vol snugger afgekeken hoop
op rust, promotie, kroost en bankbiljetten.
En ik, die keffend in mijn canto's woon,

had ik maar iets nieuws, iets nieuws te zeggen.
Licht. Hemel. Liefde. Ziekte. Dood.
Ik ken de droefenis van copyrettes.


©
Menno Wigman


Uit: Menno Wigman Dit is mijn dag, Amsterdam, Prometheus, 2004

zondag 4 juli 2010

Aan een punaise



DAGELIJKSE VOORVALLEN



Ze zei hem: «Neem de sleutel mee - en als je
thuiskomt, eender wanneer,
doe open en kom binnen. Je vindt me hier.» Vele jaren
gingen voorbij. Toen hij opendeed:
het eerste dat hij aankeek, in de spiegel aan de kleerkast,
daar, vlak voor de voordeur,
was hij zélf, merkbaar verouderd, met z'n grauwe plunjezak.
Zo dus ook hier
alleen híj zelf aan het wachten op zichzelf? Daarnaast,
aan de muur,
met een punaise vastgeprikt, een blaadje: «Wacht op mij.
Ben voor een tijdje in de tuin.»
Hij nam z'n pet,
stak het briefje in z'n zak
en ging weer weg.
De duimspijker bleef achter aan de wand, hij glinsterde
als een insect,
versloten in zijn eigen leven, op een gouden,
warme middag.


Yánnis Rítsos


- vertaling: Guido Demoen -


Uit: Yánnis Rítsos Romiosýni en andere gedichten, moderne Griekse poëzie.
Kortrijk (B.)/Ithaca-Altea (Sp.), Point Editions Int. nr. 69, tweetalige uitgave Grieks-Nederlands, 2005

Ik oefen je voet


ZOLANG GERUSTHEID DUURT



Het is vol in dat donker en warm.
Een ragfijn gedoe van botjes en spieren.
Jij bent het, terwijl je niet denkt daar.
Je bent het vanzelf. Daar denk ik steeds aan.

Ik denk altijd aan jou. En dat mijn vingers
hier in de zon om je gebruikte huid
steeds weer moeten leren wat ze weten, het vanzelf
sprekende leven tussen je voetzool en je wreef.

Ik heb een hoofd dat gerust is zolang gerustheid duurt.
Ik oefen hebben waar de tijd tussen komt.
Ik oefen je voet en hoe die na zijn verdwijning
de tweede maal verloren zal raken

in details deze keer, algemeenheden, al die gedachten
die ik de werkelijkheid zal aandoen
als een jas omdat het stervenskoud is
en waaruit geen grond is af te leiden en te maken.


Esther Jansma


Uit: Esther Jansma Alles is nieuw, Amsterdam, de Arbeiderpers, 2005

Halve prijs (Rotterdam, Le Grand Départ 2)




Het lijkt een modern gedicht van Paul van Ostaijen (1896-1928), maar "EDDY MERCKX" - een groot kampioen - is slechts een collage van willekeurige krantenkoppen uit de jaren zeventig van de vorige eeuw. Gerangschikt door Daniël van Ryssel, lange tijd redactielid van het onvolprezen letterentijdschrift Yang.


Uit: "Koerszakboekje" - wielergedichten, een uitgave van Curieus, niet in de handel verkrijgbaar, drukwerk dat enige jaren geleden circuleerde onder publiek bij de Ronde van Vlaanderen en andere Belgische wielerwedstrijden.
In de omgeving van de stad Gent voor een habbekrats ook nog steeds verkrijgbaar als koers-affiche.

Vandaag - na de start in Rotterdam - bereikt de Tourkaravaan Brussel, niet ver van de omgeving waar held-in-ruste Merckx woont.


Met dank aan
www.2cycle.be

Afdruk


OPEN DAG RUIMTEVAARTCENTRUM


Broeikasgas laat een vingerafdruk
achter op het licht.

De ijle toppen zachtjes tikkend

op een spons van zon
de sterrennagel, witgloeiende knokkel
heb ik er later bij bedacht

en geschrapt. Met licht,
gas, de afdruk van onzichtbaar
op onzichtbaar was alles gezegd.


Marjolijn van Heemstra



Bron: Marjolijn van Heemstra Als Mozes had doorgevraagd, Amsterdam, Thomas Rap, 2010

Vals


VADERS INTERLAND


Mijn vader heeft het voetballen uitgevonden -
de televisie kan er nog van leren -
maar ze luisteren nooit.

En wat erger is: de andere landen spelen vals.
Pas als Nederland heeft gewonnen
zegt vader dat het mooi en eerlijk was.

Ik vind het zoenen leuk, al kussen ze
alleen spelers van de eigen ploeg.
Of kun je maar maximaal met zijn elven vrijen?



© Ted van Lieshout


Uit: Ted van Lieshout Van, Als & Och Amsterdam,Leopold, 1995

zaterdag 3 juli 2010

Kilo's uren


TELEFUNKEN



Na jaren zwoegen werd ik kleurenblind,
sloeg vonken uit, kreeg klappen, gaf de geest.
Nu sta ik vaal en uitgepraat op straat
en moet steeds denken aan dat lege masker

dat mij zo schaamteloos heeft aangestaard.
Nagepraat. Aanbeden. Stukgemaakt.

De zak. Dat hij niet zag hoe levensecht
ik de tijd uit zijn ogen at. De zak.

Ik gaf hem Hitchcock, borsten, rampen, sikhs.
Ik gaf hem ogen. Oorlog. Noorderlicht.

Maar ik kon gaan. En hij kijkt weer tv.
Straks word ik opgehaald en sterven kilo’s

dode uren op de stortplaats met mij mee.



©
Menno Wigman


Uit: Menno Wigman Dit is mijn dag, Amsterdam, Prometheus, 2004

Ook bijna een gedicht

De drie Dixie Chicks: Not Ready (To Make Nice)




Voor andere versie, originele clip, zie ook Down South:

http://rotterdampoetrylakes2.blogspot.com/2010/07/down-south.html