zaterdag 16 oktober 2010

Verdamping


BITTERE THEE

“Bitter lijden komt door bittere thee”
- Shen Jianshi



ik zoek je overal, maar kan je niet vinden
misschien heeft de zware sneeuw je sporen bedekt

de eerste keer dat ik je zag
zei je: ga zitten, ga zitten
toen ik naar je opkeek
zei je: neem toch wat thee
toen ik je nakeek
zei je: ik ben zo terug

zacht strijk ik over de versleten stenen tafel
ik kijk hoe de slappe thee sterk wordt, scherp, bitter
de gedroogde bloesems geuren, ontvouwen en bloeien
als de sneeuwbloesems op de zware weg waarlangs ik kwam
en jij ging, ik hou de hete thee goed vast en laat hem
langzaam mijn hele lichaam verwarmen

rondom wordt het donker en koud, je blijft almaar langer weg
in eenzaamheid doop ik mijn plompe hand in de lauwe thee
en schrijf een transparant ‘liefde’op de koude stenen tafel
zwijgend zie ik hoe deze bitterzuivere ‘liefde’
gelijkmatig verdampt door mijn hete vinger
en oplost in de donkere, koude lucht rondom

daarna schrijf ik het nog een keer
en nog een keer
de schrijfwijze van elke 'liefde' is anders
zo ook de verdamping
maar er blijft volop thee
en ik zie jou niet terug

misschien ben je al lang geleden teruggekomen
misschien ben je helemaal niet weggegaan
misschien ben je hier naast mij
en besefte ik niet, bedacht ik niet
besefte, bedacht ik al die tijd niet dat jij
misschien al die tijd in mijn hand was:

een kop lauwe thee
brengt mij in de donkere kou aan de kook


Luo Qing


Luo Qing (Lo Ch’ing), geboren in 1948 in de provincie Hunan van het vasteland van China, vluchtte met zijn ouders in 1949 met de Nationalisten naar het eiland Taiwan. In 1996 was hij te gast bij Poetry International Rotterdam.





*


RUG NAAR DE KERK


In Rotterdam
is het vrij normaal
om meeuwen en duiven samen te zien eten
daar is niets surreëels aan

In Rotterdam
worden meeuwen en duiven
het vaakst gevoed door
zwervers
– zo heb ik met eigen ogen aanschouwd

Met hun rug naar de kerk
zitten ze op een bank aan de rand van een plein
en voeren ze die witte engelen
brood en friet

En ik die langs kwam lopen
wilde ze ook heel graag voeren
maar was bang hen te storen
en dat een meeuw of een duif
mij, een vreemde buitenlander, een vinger zou afhappen

Vervolgens vond het volgende plaats:
sluw en steels rondkijkend
gooide ik een munt van één euro
rinkelend
in het ijzeren bakje van een zwerver


Yi Sha (1966, China)





© vertaling uit het Chinees: Silvia Marijnissen -


Voor meer Chinese poëzie in vertaling en achtergronden, zie ook:
http://www.silviamarijnissen.nl/category/poezie

Ivoren kam



HET LICHT




Mijn gezicht is bleek, er is geen licht in deze stad,
ik steek mijn haar op met een ivoren kam,

ivoor is het ooglid van mijn kind en het halsje,
ivoor is de sneeuw in de parken
ze worden gemeden
behalve door dichters,

mijn gezicht is bleek van heimwee, er is geen licht in deze stad
geen ster te zien, verguld of bestreken met ivoor,
geen vis zwemt in de rivier de Moskva,
de kraaien schreeuwen van kou,
ik steek mijn haar op met een ivoren kam.

Kind als ik je weer in mijn armen houd
laat ik mijn haar hangen
kleuren mijn wangen zich bloesemiger dan rode anjers
voer ik je het sap van lila passievruchten,
tot die tijd leg ik de rug van mijn hand over mijn ogen.

© Carla Bogaards



Uit: Carla Bogaards God bewogen, Amsterdam, Meulenhoff, 1997

woensdag 13 oktober 2010

Tweemaal


Geloof mij
ik bad dat
die nacht
tweemaal zolang
mocht duren



SAPPHO
(ca. 630 - ca. 580/570 v. Chr.)


Uit: Sappho van Lesbos Eros ontwortelt mijn hart: gedichten en fragmenten - uit het oud-Grieks vertaald door Aart Wildeboer en Pierre Suasso de Lima de Prado. Amsterdam, Ambo, 2000

dinsdag 12 oktober 2010

Monument


ANSICHTEN




De Vrijlandtstraat te Pernis (huizen).
De Grootestraat te Goor (huizen en winkels).
De Twentse Bank naast het monument voor de gevallenen.
Veerdam Ameland vanuit de lucht.
Brug bij Sluis 11.
Kleuterschool. Hotel. Gekanaliseerde beek.
Ooit schaamden we ons niet voor de werkelijkheid
die we hadden gemaakt. Ongegeneerd gefotografeerd
en erop vertrouwend dat de wereld overal anders was,
stuurde men zwart-wit ansichten van de ene plaats
naar de andere.
Achterop karig beschreven.
Groeten van …
Gefeliciteerd.
Via deze kernachtige communicatie
vulde zich het beeld van ons land.
Een land van zachte grijstinten
en ordelijke lijnen.




© Rouke van der Hoek



Uit: Rouke van der Hoek Bodemdaling, Amsterdam/Antwerpen, Atlas, 2005


Weggedacht



HET VEERHUIS



Wie heeft niet gedroomd er ooit te wonen,
hier in dit nooit bewoonde huis?
Er was een gaan, er was een komen,
De kaartjesverkoper alleen was er thuis

Maar ook hij moest het pand 's nachts verlaten.
Deed hij die rood-witte luiken dan dicht?
Alleen het water bleef dag en nacht praten,
eb en vloed kwamen langs, souverein, onverplicht.

Aan de overkant stond onder statige bomen
zo'n heel oud café, waar men veel langer wacht
dan men zich had voorgenomen.
Waterstaat heeft het weggedacht.

Ook de Veerdienst ging heen. Er kwam een nieuw bootje.
Het doet dienst, het vervoert, je koopt kaartjes aan boord.
Het dobbert geducht, 't kan tegen een stootje.
Maar och, van een pont heeft het nimmer gehoord.

Het Veerhuis bleef staan, onbewoond, onbezet,
maar aanweziger dan de hoogste flat.

En als het weer in gebruik wordt genomen
zal het water niet sneller of langzamer stromen.

Maar wij, we komen er graag om te staren,
te eten, te drinken, denkbeeldig te varen.

Wie hier zit zwerft én voelt zich thuis,
ver van de wereld, weg van huis.
Wie verlangt er
naar meer?

Het heen-en-weer
ging hier voorgoed voor anker.



© Jan Eijkelboom


Uit: J. Eijkelboom Tot zo ver - De meeste gedichten, Amsterdam/ Antwerpen, Arbeiderspers, 2002

De zee als handkom


FEEST VAN HET DIEPTEPUNT
(A mélypont ünnepélye)


In de bloedige warmte van de kotten,
wie durft nog te lezen?
En wie durft
in het splinterveld van de ondergaande zon,
tijdens de vloed van de hemel en
de eb van de aarde nog
op reis te gaan, waar ook heen?

Wie durft
met de ogen dicht stil te houden op het dieptepunt,
daar
waar zich altijd nog weer
een laatste wuiven voordoet,
een dak,
een beeldschoon gelaat of desnoods een hand,
een hoofdknik, handgebaar?

Wie durft zich met een
gerust hart weg te laten zinken in
de droom die over het bittere leed der kinderjaren heenspoelt
en de zee als een
handkom water naar je gezicht tilt?


János Pilinszky (1921-1981)



© Oorspr. gepublic. in János Pilinszky Szálkák (Splinters), Budapest, 1972.

Hier uit: Krater - uit het Hongaars vertaald met een nawoord door Erika Dedinszky - Vianen, Kwadraat, 1984.

Ook - tweetalig - te zien en te lezen als Muurgedicht in Leiden, op de hoek Lijsterstraat/Rijnsburgerweg 144 (Hongaars) resp. ertegenover in het Nederlands op de zijmuur van het pand Rijnsburgerweg 146.

Zie voorts:
http://www.muurgedichten.nl/pilinszkynl.html



- met dank aan Á.

maandag 11 oktober 2010

Alles meenemen!



HOE TE ZOENEN OP STRAATHOEKEN


Laat op de avond laat het zijn of vroeg
in nanacht, licht liefst ver –
al leent ook paarlemoeren dageraad
aan dit publieke werk subliem cachet.

Het zij een zwijgen van koralen
vergaan van dorst in lafenis –
van wakend ontslapen bevinding wellicht
doe dus vooral de ogen dicht.

Men neme niet de tijd
die schenkt zich wijd en wijd –
in deze zachte voorportalen
heerst onafzienbaar innigheid.

Men neme afscheid evenmin
al is de hoek er om uiteen te gaan –
de weg is geen verwijdering.
men neme alles mee, alleen.


© Anneke Brassinga



Uit: Anneke Brassinga Verschiet, Amsterdam, de Bezige Bij, 2001

De smaak van zwart



Hoe het zwart afschrapen,
de smaak van het zwart,
de klank van het zwart,
de zwartheid van zwart?

Hoe het zwart raspen,
zijn voedsel, zijn deeg,
totdat de specerij van het wit
in zijn kieren is doorgedrongen?

Hoe het zwart overstromen
met een visie in staat het te belopen
en op zijn bodem iets anders te vinden
dan het spoor van de dood?

Hoe in het zwart andere kleuren vinden,
blauwzwart, roodzwart, liefdezwart, zelfmoordzwart,
of in zijn ingewand eenvoudig verkruimelen
de kleur van het leven van de mens?


©
Roberto Juarroz


Uit: Roberto Juarroz Verticale poëzie - uit het Spaans vertaald door Mariolein Sabarte Belacortu - Sliedrecht, Wagner & Van Santen, 2003

Doordat je gaat



FOTO MET MIJ


Zo zat je vaak. Je hand knijpt in de leuning
tot het bot, alsof je zoekt naar het gevoel
dat in je eigen arm ontstaat. Je grondvesten
een stoel, die jou natuurlijk niet begrijpt.

Ik til een glas tot halverwege, dat ik al
was het leeg niet eens kon legen. Een paradox
weegt in mijn lijf, zodat ik niets meer goed kan
maken en niet praten en maar zitten blijf.

Je kijkt verwoed naar voren. Het is blind
in je ogen, het is de zon die verkeerd staat.
Naar binnen toe ben je bang. Voorgevoel. Vrouw
naast man. Stoel naast stoel. Je lacht te laat.

Ik droom ervan. Een hand waarin je hart slaat
houdt me tegen. Blijf, blijf. Pulseren wordt
mijn enige bewegen. Je blijft doordat je gaat.



© Benno Barnard



Uit: Benno Barnard Het meer in mij Amsterdam/Antwerpen, Arbeiderspers, 1986

Sprookje



Omdat het bos
aan de mensen doodgaat
vluchten de sprookjes,
weet de klos niet
wie hij moet prikken,
kunnen de handen van het meisje,
die de vader heeft afgehakt,
geen enkele boom vastpakken,
blijft de derde wens ongezegd.

Niets is meer van Koning Lijsterbaard.
De kinderen kunnen niet meer verdwalen.
Geen getal zeven betekent meer dan zeven precies.

Omdat aan de mensen het bos stierf
lopen de sprookjes te voet naar de stad
en slecht af.


© Günter Grass


- uit het Duits vertaald door Jan Gielkens -


In: Günter Grass Oogst, Gedichten 1954-2004, bloemlezing. Amsterdam, J.M.Meulenhoff, 2007

vrijdag 8 oktober 2010

Nooit meer weg te moeten


GLORIE



Het is weer helemaal genieten. Zo
zou het altijd moeten zijn: licht
en vredig dus, alsof alles ineens
voor altijd en nooit weer is. Geen lengte
van dagen, geen gevoel van
weg te moeten en te huilen. Nooit
gaat meer iets voorbij.



© Tom van Deel


Uit: T. van Deel Gedichten 1969-1986. Amsterdam, Querido, 1988

Honger van jou


PARADIJSVOGELS



Fluisterend aroma van
kamperfoelie en fayalobi
en mijn hart dat op barsten staat
en jouw vingers die zich verliezen
in mijn onaangeraakte diepten
en mijn handen die zich verbranden
aan die honger van jou

streel mij liefste streel mij
hoor hoe de slagregen nadert
voel hoe zijn doorbloede echo
ons uiteindelijk bevrijdt

kleine kreunende tak
van de shimambikiboom
meegesleurd door de waterval

en jij die me nam
meenam naar het aards paradijs


© Iris Van de Casteele



Uit: Iris Van de Casteele Paradijsvogels, Brussel, De Distel, 2002

donderdag 7 oktober 2010

Zullen we doen alsof


MOOIE SCHOENEN


we plakken grote monden dicht
we hoeven niet verplicht te groeten met een rechterhand

zullen we doen alsof we alles begrijpen?

we pijnigen het hoofd
we komen niets aan de weet

we wuiven elkaar koelte toe
we blijven kleine wezens

we meten vrijwillig onze voeten op
we trekken mooie schoenen aan

we groeien in het leven



©
Elmar Kuiper


Uit: Voetschrift van verleiding - schoengedichten/ Fuszschrift der Verführung - Schuhgedichte (red. Kasper Peters en Rense Sinkgraven). Dichters en fotografen vertellen over schoonheid, erotiek en elegantie van de schoen. Groningen, uitg. Passage, 2007

woensdag 6 oktober 2010

Nageur



VOLMAAKT



In vers gras vrijen
om later
veel later
in de dood nog even
na te geuren
als hooi


© Jana Beranová


Uit: Jana Beranová Kiskassend gedicht, Breda, De Geus, 1996

Flarden uitzicht


RETOURBAGAGE




De afdeling kleine graven op het kerkhof.
Wij die lang leven lopen deze stil voorbij,
zoals rijken de armenbuurt voorbijlopen.

Hier liggen ze, Zosia, Jacek en Dominik,
vroegtijdig aan de zon, de maan ontnomen,
aan de rondgang van het jaar, de wolken.

In hun retourbagage hebben ze niet veel verzameld.
Flarden van uitzichten,
in een niet al te menigvuldig meervoud.
Een handvol lucht met een vlinder die voorbijvliegt.
Een lepeltje bittere kennis, met de smaak van medicijn.

Kleine ongehoorzaamheden
waarvan er eentje dodelijk was.
Een vrolijke ren de bal achterna, over de weg.
Het geluk van glijden op nog breekbaar ijs.

Hij hier en zij ernaast, en de hele rij:
voor ze bij de deurknop konden komen,
een horloge kapotmaken,
hun eerste ruitje breken.

Małgorzatka: vier jaar,
waarvan twee liggend en kijkend naar het plafond.

Rafaël: een maand later zou hij vijf zijn geworden,
en Zuzia: vlak voor de kerstdagen
met hun waas van adem in de vorst.

Maar wat kun je dan zeggen over één dag leven,
één minuut, seconde:
donker, dan een lampflits en weer donker?

KÓSMOS MAKRÓS
CHRÓNOS PARÁDOKSOS
Alleen het stenen Grieks heeft hiervoor woorden.


© Wíslawa Szymborska



Uit: Wíslawa Szymborska Het moment (Chwila), Amsterdam, Meulenhoff, 2003.
- uit het Pools vertaald door Gerard Rasch -

dinsdag 5 oktober 2010

Niks vergeten



TAS



Liep ik met mijn grote tas
alle boeken, niks vergeten
te zeulen in die nieuwe school.
Waar moest ik naar toe?

De jongens en meisjes uit de vijfde
stonden gewoon bij elkaar.
Zou ik later ook met jongens
praten en lachen en staan?

Stonden ze bij mijn fiets te vrijen
durfde ik niks te zeggen.
Wachten tot ze klaar waren
mijn zware tas op de grond.


© Remco Ekkers




Uit: Remco Ekkers, Praten met een reiger, Den Haag, Leopold, 1986

maandag 4 oktober 2010

Cirkels


AFWEZIGHEID



Jouw Afwezigheid bloeit.
Boven mij cirkelt
een onbemand verkenningsvliegtuig.

De mixer klopt schuim van wolken.
De epische geur van koolrozen
waarvan alleen confituren overbleven.

Vanaf een vogelvlucht een liefdeslied.
Jij vertrouwt mij aan het leven toe
ik jou aan de Hof van Eden.


© Ewa Lipska


Uit: Ewa Lipska Splinter - uit het Pools vertaald door Ad van Rijsewijk - Breda, De Geus, 2007

Naakte lip



SLAPEND MEISJE IN DE TREIN



de trein slaapt nog niet
de avond slaapt niet
het meisje niet (ik)

over de goudzoekende akkers
de hoge snuisterij van de bomen
de kieviten roepend met naakte lip

waar voert de trein me heen?
naar de liefde die komt als een zieke duif?
de tak die gebroken tegen het raam tikt?
naar het tochten van mijn gordijnen?

de trein waar voert de trein

of ben ik al thuis
als het jurkje dat ineens in het gras ploft
en de jongen met de lieve hondenkop

de trein de trein waar voert de trein
naar de natte appelnacht
die danst over de elastieken brug
en dan de dag op nieuwe rode schoenen!



© Jabik Veenbaas



Uit: Jabik Veenbaas De zon, het smalle bed, mijn lichaam - Utrecht, De Contrabas, 2009

Afvalkleurig


LIEVELINGSDIEREN


Tussen de stenen hollen de platte,
brede pissebedden omlaag naar het donker. Vergeten
toen het nog koud was te kijken: hoe overwintert
een dier dat zo lijkt op herinnering,
zo afvalkleurig, met zijn hoofd naar binnen
en doodstil bij de minste aanraking.

Ik weet een kind dat van ze houdt, het streelt
hun dadelijk verstijvende stofjassen,
draagt ze tussen twee handen de kamer door.
O! zachte pootjes hebben ze, mag ik ze niet
houden in een kistje met onderaan glas?
Daar kijk ik de hele tijd naar, daar zing ik dan voor.

©
Eva Gerlach


Uit: Eva Gerlach De kracht van verlamming, Amsterdam, De Arbeiderspers, 1988

Modellen


DE DAMESKAPPER
(II)


De watergolfslag van zijn ambities
liet hem niet onberoerd
In de weekenden reisde hij
met modellen door het land

altijd met vrouwen bezig

Verzilverd, gediplomeerd, gefotografeerd
keerde hij terug en liet dit andere
gewicht inlijsten

Uit al deze lijsten, verkreukeld en vernietigd,
herken ik nog altijd mijn moeder en andere vrouwen.


© Hans van de Waarsenburg



Uit: Hans van de Waarsenburg "Avondlicht", e-book, selected poems
een keuze uit de gedichten

Bron:
http://www.e-books.com.mk/
[Blesok Publishing, Macedonia]

Hoe alles wat ik nog te zeggen had


LEVENSLOOP


Voor bijna alles heb ik mij geschaamd.
Mijn nek, mijn haar, mijn handschrift en mijn naam,
de schooltas die ik van mijn moeder kreeg,
mijn vader die zich in een blazer hees,

het huis waar ik voor vriendschap heb bedankt.
Maar nu mijn vader aan vijf slangen hangt,

zijn mond steeds heser over afscheid spreekt,
nu hurkt mijn schaamte in een hoek. Hij stierf

zoals hij in zijn Opel reed: beheerst,
correct, zijn ogen dapper op de weg.

Geen zin in dom geworstel met de dood.
Hoe alles wat ik nog te zeggen had

onder de wielen van de tijd wegstoof.



© Menno Wigman


Uit: Menno Wigman Dit is mijn dag, Amsterdam, Prometheus, 2004

Mijn schacht



ik heb een mijnschacht in mijn keel

ik val omlaag vanuit mijn kamer
zit als een pad
gevangen in een bel van steen

het is hier stil
zo stil dat ik mijn dromen hoor
ritselen als dode blad’ren

ik gil

ik heb een mijnschacht in mijn keel
een tong van scherp gesmeed metaal
en lagen gitzwart erts voor jaren

ik hak met felle korte slagen


©
Eva Cox


Uit: Eva Cox Pritt.stift.lippe, Haarlem, uitg. Holland, 2004

Sterker dan


DODE HOND





Ik heb de hond laten sterven - daar lag ze
en ik dacht: waar gaat ze nu heen waar
zal ze blijven. Om de dood te begrijpen.

Het lichaam wordt wel gezien als een nest
het tijdelijk verblijf van een onzichtbare
vogel - een afgezant van de eeuwigheid.

Zo zie ik het niet. En toch toen de hond stierf
wat gebeurde er toch dat ik wist dat ze stierf
alsof haar lichaam door iets werd verlaten.

Ik kan niet anders zien dan dat die dode hond
nog leeft en om mij vraagt, zo sterk is

de herinnering, sterker dan ik.

Maar wat van mij hield is weg, ik graaf een gat
leg wat er overbleef daarin en gooi het dicht.

De hond is nergens meer, iedere dag.


 
 
© Rutger Kopland




Uit: Rutger Kopland Verzamelde Gedichten (3e dr.), Amsterdam, Van Oorschot, 2010

zondag 3 oktober 2010

Minder erg


Drowning is not so pityful

As the attempt to rise.


- Emily Dickinson (1830-1886)

Korsten


ARBORETUM IN OKTOBER



Zo ver weg zijn wij nog niet, wij staan
verstrooid in mooi dood blad
en kijken naar hun silhouet.

Die oude man is hij, zij voert
de vogels van het park de
korsten van hun dagelijks brood.

Als bomen na een zomerbrand,
zo overvol van doorzicht, staan
ze steeds vaker stil bij bloem,

gazon, kort en kortstondig, en
bij de boom die toen geplant,
die elk jaar breder, hoger.

Het wordt al koud, zegt hij, tot hier
zijn we dan toch gekomen. Kom,

zegt zij, even nog, wij werden god
zij dank niet in de knop gebroken.


© Hester Knibbe



  Uit: Hester Knibbe Een hemd van vlees Baarn, De Prom, 1994

zaterdag 2 oktober 2010

Waterpas


VIERDE KWARTET





1




reis die naar het uitzicht verlangt
uiteindelijk tegen de buffer beland
aan zee waar de zee gedurig verzandt.

zilvermeeuwen vliegen tegen het blinken
te schreeuwen. hand boven de ogen. uit
de kleren en tot de ogen onder water
is het een en al bewegen wat ginder water-
pas lijkt: een streep, traag een schuivend punt.

dan landinwaarts liggend drogend rugvel
de blik geroerd door zoveel duin of zand
van een toevallige passant.



2




op de kustlijn: elk spoor bewogen en verwatert.
duinwaarts leert zand van zee en stroomt
iedere afdruk mul vol en weg. wrakhout

teruggeworpen, door honden opgehaald,
voor het weer aanspoelen moet ligt het
weer verlaten. welke graten zijn via
de zuurkraam gestrand? (vergat het meisje
haar badtas maar!) holte van de hartschelp

door zand betrokken, schedel door zon geleegd.
maar men wil zich verliezen, vervloeien, toch?
vergat het meisje haar badtas maar!



3




jukbeen, hand die van sorbet kersen lepelt,
hoe de bruine huid, knieschijf, schaduwlippen:
zo bekend, zo onbereikbaar, al voorbij!

langs volle terrassen flanerend, avances,
idylle, alfa romeo: dat betekent toch even
vaak weer breuk, verlies en traan? -
o, wuiven der wieren, plankton, zweven,
bloemdieren, zichzelf vertakkend leven!

wie durft zich in zee te werpen om als drinkend
eiland te vergaan? – twee pitten in een asbak
lipstick op mondstuk zilver lepel in ijsglas rust.




4




tenen stoelen gaan op stapels, tenten vouwen,
een vrouw kleedt en maakt zich op: zon
bedreigt de zee het water staat op gloeien

: leeg wijnglas zo in het zicht
geplaatst dat het hart ervan over-
loopt. – bedrog! afrekenen! kelner
sluit het terras. men zoekt zijn dag-
retour en vindt twee pitten in de jas.

terwijl de rug rood verbrand ontspringt
de spoorlijn en laat achter. geblindeerd
wordt een zon door een muur van zee.




© Huub Beurskens







Oorspr. in Raster #11, 1979. Naderhand opgenomen in:
Huub Beurskens Vergat het meisje haar badtas maar 
Amsterdam, Meulenhoff, 1980

vrijdag 1 oktober 2010

Wat ze bewaren



ONDERAANZICHT, BOVENAANZICHT


Zware, verregende paarden, de hoeven diep
in de klei. En spreeuwen.

Maar nergens mensen.
Kijk wat ze sloopten. En wat ze bewaren:
roestige wagens en automaten.
Het blauw van de hemel vertilt zich eraan.

De toekomst is naar de archieven op weg.
Ons brein is te klein, zelfs ons eigen bestaan
puilt eruit.

Over de huizen te kijken, de dans te zien
van de daken, de zee daarachter, beneden
iemand die rent om een trein nog te halen.

Het licht, uit grijnzende auto’s gelekt, verliest
zich in bouwpuin en koude machines.






© Juliën Holtrigter




Uit: Juliën Holtrigter Het feest van de schemer,
Amsterdam, De Harmonie, 2009

donderdag 30 september 2010

Banket



Telefoonseks. Trek je je slipje uit?

Hou je de hoorn erbij dat ik het hoor?
Kun je je benen zo opendoen dat ik hoor
dat je nat bent?

Je hebt een lange buik, aan weerszijden waarvan
wij aan tafel zitten, jij met je hoofd, ik van tussen
je benen komend met ook een hoofd.
Banket. In je navel zout voor de radijsjes.

Mijn verbeelding is zo groot als mijn gemis.
Het zou elkaar kunnen vullen. Zoiets als een glas
waarvan je drinkt en dat even vol blijft.
Het staat op een lege tafel
op een schilderij in een leeg huis.


© Herman de Coninck



Laatste gedicht uit:
Herman de Coninck [1944-1997] Geef me nu eindelijk wat ik altijd al had - de mooiste gedichten (bloemlezing), gekozen en ingeleid door Kristien Hemmerechts.
Amsterdam/Antwerpen, De Arbeiderspers, 2009

Niet genoeg

Het kan niet, maar het moet
Het is te veel, maar niet genoeg


- Péter Kántor

Kanon


TOULON



Geluid dat uit de foto's stijgt
Kale plekken binnen het hoofdgordijn
Wie er allemaal verdwenen zijn
Tegen de lijmstokken van de dood gevaren

Roekeloos, as, verstrooid verleden
Stomme film zonder gebaren

Naar de dood richt ik elk grijs kanon
In de haven van Toulon.



© Hans van de Waarsenburg


Uit: Hans van de Waarsenburg De dorst der havensteden, Amsterdam, J.M. Meulenhoff, 1990

Ontcijferen


schrijf je wel eens de laatste lippen om te verwoorden?

ja, ik ontcijfer een kus van bemodderde rozen


- Gerrit Kouwenaar, in: Totaal witte kamer (2002)

zaterdag 25 september 2010

Lachende kroonluchters


SCHADUW EN LICHT



1

Wat avondjapons onthulden
deed kroonluchters lachen of huilen.
Wat ochtendjurken verrieden
was wat vroeg daglicht verdroeg.
Maar al wat op bloesjesdag
rakelings aan je voorbijging!
Nee, niet aan je voorbij, het bleef
een lente lang als een schaduw
van bloeiende meisjes bij.


2

Een lente lang als een schaduw
van breekbare benen die lengen
en rakelings blijven opdagen.
Wat ochtend koeltjes onthulde
als straatlantarens uithuilen.
Wat avond luchtig verried –
al wat geen daglicht kan velen
en in de schaduw wil schuilen
en één schaduw wil strelen



©
Stefaan van den Bremt


Uit: Stefaan van den Bremt A, Tielt (B.), Lannoo, 2005

donderdag 23 september 2010

Schitterend



MASTERCLASS


Hij sprak
en de hemden van boetelingen
vielen op de grond, bezwangerd.
Het was de keizersnede van de gedachte,
pluchen poppetjes werden geboren, juichend.
Het was het profiel van eenieder,
geknipt uit zwart papier.
Lieveheersbeestjes kropen van onder onze nagels.
Je kon het bazuingeschal horen bij Jericho
en het gesis van onze genen.
Het was schitterend, zoals hij sprak.
Ik kan me alleen niet meer herinneren
waarover.

©
Miroslav Holub


- vertaling: Jana Beranová -


Uit: Miroslav Holub De geboorte van Sisyphus, samengesteld en uit het Tsjechisch vertaald door Jana Beranová. Amsterdam, De Bezige Bij, 2008

woensdag 22 september 2010

Onontdekt



Tederheid is het binnenste

van iets doorgesnedens,
het midden van een romp, merg van een bot
of melk van bloemenstelen.

Gemaakt voor eenheid en daarin
als alles dat volmaakt is, onontdekt,
treedt zij pas voelbaar aan het licht
als de toegang afgesneden is naar haar object.



© Elly de Waard



Uit: Elly de Waard Afstand, Amsterdam, De Harmonie, 1978

dinsdag 21 september 2010

Glazen bekkens



Omdat je niet grieks bent
kunnen je ogen delfisch orakelen
hoor ik bucolische muziek
een heel hoge mondharmonica in plaats van een fluit

maar meer dan dit

men moet zo zonder gestalte zijn
om lief te kunnen hebben
zo niemand en zo bewoond door leven
duizendpootleven en halfgodbestaan
dat men kan zeggen jij met een klank van glazen bekkens

bloemkoopmannen hebben droevige gezichten
zij hebben haren van kuilgras
en ogen van magere aarde
maar zij hebben hun bossen rozen als waaiers ontvouwd
en je naam van je heupen gelezen

ik heb een dag lang de dood op handen gedragen
ik heb een dag lang de kou van alaska betast
ik heb een nacht lang een jong dier zien doodgaan
ik heb een nacht lang je ogen gezien blinkend met een
blijdschap als water

ik weet allang niet meer wie je was
een vogelroep
of de komeet van halley
of
het eiland sicilië
maar ik leefde zo dood als kamers in spiegels
luister ik rinkel als bellen

de lichtrode weerschijn van onder je borsten
begrijp ik niet
de vertraagde val van je heupen door de ruimte
begrijp ik niet
je mond en je ogen zijn onherkenbaar
maar ik bespeel je en jij noemt mij
de bank van monto carlo

men wijst mij aan ik ben in de maan de kinderen roepen
mij maanman na
maar ik vaardig proclamaties uit
in een koninklijk meervoud

wij

zijn

de spiegels

der zon



© Hans Andreus



Oorspr. in De taal der dieren, Amsterdam, Bezige Bij (1953) -
ook in: Hans Andreus Verzamelde gedichten, Amsterdam, Bert Bakker, 1984

Haast nog niet


EEN HERFST



Men is vandaag ontzettend onsterfelijk
het is eindelijk de echte heldere herfst
die er haast nog niet is

de bladeren vergelen, nog betrekkelijk groen
de wind is nog blauw, wijst geen enkele richting
de grond ligt nog onder het gras

men rookt de zwarte sigaar van de dokter
men raakt bezweet door het werpen met darts
men drinkt zijn zevende glas

in een ligstoel later men stippelt
onder het genot van dit tijdstip
een reis uit

de reis voor de komende heldere winter
en men vindt met de pink weer die heldere weg
naar dat denkbeeldige eindpunt -



 

©  Gerrit Kouwenaar






Uit: Gerrit Kouwenaar Vallende stilte - een keuze uit eigen werk,
Amsterdam, Querido, 2008

Herfstleugen




All I have is a voice

To undo the folded lie
The romantic lie in the brain


- W.H. Auden, September

maandag 20 september 2010

Wimpers


Je gezicht, sluimrend van tederheid

zichtbaar, tastbaar, binnen mij.
O lief, lief, lief, zegt het, zeg ik
en de lippen beven even
en de ogen, met de wimpers,
gaan even dicht. 



© Vasalis



Uit: M.Vasalis Vergezichten en gezichten Amsterdam, Van Oorschot, 1954

Gewatteerde huid


EEN OGENBLIK, EEN MAN SLAAPT




Het opstaan, het baden en voortdurend
het gaan van jou. Het is laat
en ik zeg dat ik plaats maak,
er is geen tijd om te rekken

als tijd. Met lange nagels
kras ik zigzag over de lakens
en een ooglid trilt. Er is een ogenblik.
De man ontwaakt. Hoe val ik

in het licht? Je draait me in de leegte
van een bed. Terwijl: binnen de randen
van een ronde handspiegel zoek

ik de meest gunstige uitsnede
van mijn met vlees gewatteerde,
droge huid. Zo zag ik eruit.



© Maria Barnas



Sonnet van Maria Barnas in Tirade, 1996/1

Zoet, ingeblikt


KOORDDANSEN




Altijd op zoek naar een navelstreng
nu de eerste niet langer bestaat,
balanceer ik op de ragdunne draad
van blik tot blik, tot het ogenblik
dat ik opnieuw jij
en jij ik.

Een keten weer opeens
hangen we boven het land.
Geen afstand meer. In dit verband
past het heelal met gemak
in één hand.

Ik snoep je lieve woordjes.
Je tovert zoentjes uit je zak.
Ik slik ze, pik ze, blik ze in
voor later.

Wanneer het strak gespannen snoer
halverwege de acrobatentoer
ombuigt tot valstrik,
val ik.



© Hagar Peeters



Uit: Hagar Peeters Koffers zeelucht. Amsterdam, De Bezige Bij, 2003
(dichtbundel bekroond met de J.C. Bloemprijs)

zondag 19 september 2010

Schepen


ALLEEN MAAR STEM




op deze plek ben ik alleen maar stem.
ik roep u soms, zoals des avonds schepen
het land aanroepen met hun vage seinen
en die mij horen kunnen mij niet duiden,
en die antwoorden kan ik niet verstaan
en die mij zoeken met hun torenlichten
vinden een ander, elke keer een ander
want wat ik ben is wat in mij verandert.



© Bert Voeten



Uit: Bert Voeten Gedichten 1938-1992 Amsterdam, De Bezige Bij, 2001

Boerenmaagden



LANDJUWEEL


met een broodkorst als corsage gaat
de blijde zwerver door het wijde land
hij wuift naar de koeien in de weiden
naar het bloeiende koren hem terzijde
terwijl leeuweriken eten uit zijn hand

's avonds stralend staan de boerenmaagden
aan de dorpspomp en brengen hem hun groet
zij kussen zijn bezwete konen zelfs bedaagde
maagden vlijen warm hun harten aan zijn voet
omdat hun oude moeders zeggen dat het moet

laat in het hooi prevelt de zwerver zijn gebeden
en leest wat lezenswaardigs in het oude boek
terwijl pooiers en hoeren strompelen door de steden
hun gore ratten rennen radeloos van hoek naar hoek
strekt hij verzadigd zijn gelooide leden



© Lucebert


Uit: Lucebert Verzamelde gedichten, Amsterdam, De Bezige Bij, 2002

zaterdag 18 september 2010

Nog een uur



BRUIDSBEDE




Och, laat me kort
mijn krans nog dragen,
scheur niet al mijn sluier,
mijn witte sluier, kapot!
Nog schitteren de lichten
en gloeien de rozen -
och liefste, laat me een uur
nog dansen in het wit!

Ja, laat me een uur
nog licht en vrolijk
van arm tot arm gaan
- ik eindig in de jouwe!
Een uur nog kun je me
jong en vrij laten zijn
deze laatste avond
nu de nacht al van jou is!



© Halldis Moren Vesaas (1907-1995)


- uit het Noors vertaald door Janke Klok -


Oorspr. in: Morgonen (De ochtend, 1930).
Hier overgenomen uit Kruispunt, internationaal poëzienummer, juni 2001.



Brurebønn




Å lat meg bere kransen
enno ei lita stund,
og riv kje enno sløret,
mitt kvite slør, i sund!
Enn strålar alle lamper bjart
og alle roser glør -
å kjære, lat meg danse enn
ein time i mitt slør!

Ja unn meg enn ein time
å førast lett og blidt
frå bryst til bryst i dansen
- eg stoggar snart ved ditt!
Ein time kan du unne meg
å vera ung og fri
av denne siste kvelden
når natta all er di!

© Halldis Moren Vesaas

In een doosje


GEHEIM GEDICHT



Vannacht heb ik een zoen begraven.
Hij lag dertien maanden tussen ons in
en jij had al een paar keer gevraagd:
wat ligt daar nou toch steeds.

Toen je eindelijk sliep, drukte ik
de zoen met mijn lippen in een doosje
vol watten en liep naar de tuin. Daar
groef ik een graf van twee monden diep

onder de beuk. De duizend zoenen
die volgend jaar rood en zoet uit de takken
komen waaien, zijn allemaal voor jou.


© Ingmar Heytze


Uit: Ingmar Heytze Schaduwboekhouding, Amsterdam, Podium, 2005

Hier



Ergens moet hier een mens zijn.




Gennadi Ajgi (Sovjet-Unie/Rusland, 1934-2006)








Schone regels, fragment van een gedicht op Rotterdamse vuilniswagen -

vrijdag 17 september 2010

Sleutels


SONNET
XLIV


Weet dat ik jou bemin en niet bemin
gezien de twee manieren van het leven,
het woord is als een vleugel van de stilte,
het vuur is voor de helft van kou vervuld.

'k Bemin jou om 't begin van het beminnen
om het oneindige te herbeginnen
en nooit met jou beminnen op te houden:
en dus bemin ik jou nog altijd niet.

'k Bemin je en bemin je niet alsof
ik in mijn handen sleutels van geluk
en van onzeker geluk zou houden.

Twee levens heeft mijn liefde je te geven.
'k bemin je dus als ik je niet bemin
en als ik je bemin, bemin ik je.


©
Pablo Neruda


Uit: Pablo Neruda Honderd liefdessonnetten - uit het Spaans vertaald door Catharina Blaauwendraad - Amsterdam, Prometheus, 2003.

donderdag 16 september 2010

Vlinders



MEISJE




Zij ontbloot haar borst als een wonde,
alsof het pijn doet bloot te zijn,
zoals een kind een vlinder in zijn hand
laat zien, bang dat hij weg zal vliegen.

Toch is haar lichaam nergens zo gesloten
als aan haar tepels die ontsteld
van schaamte zouden willen vluchten,
als vlinders uit een kinderhand.

Haar handen kennen niet de weelde
van een beminde vrouw die in haar schoot
haar vingers rusten laat omdat zij moe
gestreeld zijn en haar lippen stilgekust.

Zij raakt verward in kou en warmte,
voelt niet de zekerheid van 't licht
en de verwantschap met haar schaduw.
Haar schoot is in zichzelf gekeerd en bang.


© Adriaan Morriën




Uit: Adriaan Morriën Verzamelde gedichten, Amsterdam, Van Oorschot, 1993

zondag 12 september 2010

Wreed


UITGEWEZEN




Er klonk uit zijn geboortehuis
muziek. Hij hoorde het op straat:
hij stond er en wist zich geen raad.

Hij woonde er pas nog, maar men wees
er hem de deur.
Geen mens vergeet
zolang hij ademhaalt het oord
van zijn geluk.
Muziek is wreed
voor wie niet toegelaten wordt.



© Adriaan Roland Holst



Uit: A. Roland Holst Voorlopig, Amsterdam, Van Oorschot, 1976

Naar huis


FEEST



Ik moest de Hema in. Voor vruchtentaart.
Goed en goedkoop. Want junior verjaart.
Als je nou kijkt wat daar los loopt aan vrouw
dan wil je wel naar huis. Naar die van jou.



© Anton Korteweg


Uit: Anton Korteweg Voor de goede orde, Amsterdam, Meulenhoff, 1988

Palmbos


LISBON REVISITED
(1926)


Niets hecht mij aan niets.
Ik wil vijftig dingen tegelijk.
Ik hunker met een drang van honger naar vlees
Naar iets, ik weet niet wat -
Begrensderwijze door het onbegrensde...
Ik slaap onrustig, en ik leef in het onrustig dromen
Van wie onrustig slaapt, half dromend.
Alle abstracte en noodzakelijke deuren heeft men voor mij dichtgedaan.
Gordijnen getrokken voor alle hypothesen die ik van de straat zou kunnen zien.
In de gevonden steeg bestaat het nummer niet dat mij gegeven was.

Ik ontwaakte voor hetzelfde leven waarvoor ik was ingeslapen.
Zelfs mijn gedroomde legers werden overwonnen.
Zelfs mijn dromen voelden onwaar in het dromen.
Zelfs het slechts verlangde leven staat me tegen - zelfs dat leven...

Ik begrijp op onsamenhangende momenten;
Ik schrijf in tussenpozen van vermoeidheid;
En een weerzin van mijn eigen weerzin werpt me op het strand.

Ik weet niet welk lot of welke toekomst mijn stuurloze wanhoop past;
Noch welke eilanden van het onmogelijke zuiden wachten op mijn schipbreuk;
Op welke palmbossen van literatuur mij althans één vers zullen geven.


© Fernando Pessoa


Uit: Álvaro de Campos (Fernando Pessoa) Poesías/Gedichten 1913-1922. Amsterdam, De Arbeiderspers, 2006 - uit het Portugees vertaald door August Willemsen.

Méér poëzie van Pessoa/ Álvaro de Campos/ Alberto Caeiro/ Ricardo Reis op:
http://www.pessoa.nl/gedichten.htm

zaterdag 11 september 2010

Vergeten


NOVEMBER



Er hangen nog twee blaren
aan mijn esdoorn. Duizend andere zijn
rood geworden, alvorens dood.
Vergeten te kijken.

Vergeten gelukkig te zijn.
Nochtans had ik een tuin
waarin een stoel, en die stoel
had mij, en ik had een hand

en die hand had een glas
en mijn mond had meningen.
Alles had.
Alles had ons.



© Herman de Coninck



Uit: Herman de Coninck De Gedichten, Amsterdam/Antwerpen, Arbeiderspers, 1998

Niet waar


TESTAMENT


Wanneer ze je zeggen

dat ik niet gevangen zit,
geloof ze niet.

Ze zullen het moeten toegeven,
vroeg of laat.
Wanneer ze je zeggen
dat ze mij hebben vrijgelaten,
geloof ze niet.
Ze zullen moeten toegeven
dat het niet waar is,
vroeg of laat.
Wanneer ze je zeggen
dat ik de partij heb verraden,
geloof ze niet.
Ze zullen moeten toegeven
dat ik haar trouw was,
vroeg of laat.
Wanneer ze je zeggen
dat ik in Frankrijk zit,
geloof ze niet.
Geloof ze niet wanneer ze je
mijn valse papieren laten zien,
geloof ze niet.
Geloof ze niet wanneer ze je
de foto van mijn dode lichaam laten zien,
geloof ze niet.
Geloof ze niet wanneer ze je zeggen

dat de maan de maan is,
als ze je zeggen dat de maan een maan is,
dat dit mijn stem is op een bandrecorder,
dat dit mijn handtekening is op een stuk papier,
als ze zeggen dat een boom een boom is,
geloof ze niet,

geloof
niets van wat ze je zeggen
niets van wat ze je zweren
niets van wat ze je laten zien,
geloof ze niet.


En wanneer ten slotte

die dag komt
waarop ze je vragen langs te komen
om het lijk te herkennen
en je ziet mij daar
en een stem zegt tegen je
we hebben hem gedood
hij ontsnapte tijdens de marteling
hij is dood,
wanneer ze je zeggen
dat ik
volledig volkomen volmaakt
dood ben,
geloof ze niet,
geloof ze niet,
geloof ze niet.




©
Ariel Dorfman



Uit: Ariel Dorfman Verdwijnen - vertaling Eric Gerzon - Amsterdam, De Populier, 1985

Vernietiging van een herinnering


IK WAS EEN HEMD



Voor de laatste maal was ik een hemd
van mijn overleden vader.
Het hemd ruikt naar zweet, ik herinner me
dat zweet van toen ik kind was,
al die jaren
waste ik zijn hemden en onderbroeken,
ik droogde ze
bij de ijzeren stoof in het atelier,
hij trok ze
ongestreken aan.

Van alle lichamen in de wereld,
van dieren en mensen,
verspreidde er maar één dit zweet.
Ik adem het
voor de laatste maal in. Door dit hemd te wassen
vernietig ik het
voor altijd.

Nu
zijn er van hem nog alleen zijn schilderijen,
die naar verf ruiken.



© Anna Świrszczyńska


Uit: De mooiste van Świrszczyńska, bloemlezing. Samengesteld en uit het Pools vertaald door Jo Govaerts en Karol Lesman. Tielt (B.)-Amsterdam, Lannoo/Atlas, 2006.


Piorę koszulę


Ostatni raz piorę koszulę
mojego ojca, który umarł.
Koszulę czuć potem, pamiętam
ten pot od dziecka,
tyle lat
prałam mu koszule i kalesony,
suszyłam
przy piecyku żelaznym w pracowni,
kładł je
bez prasowania.

Ze wszystkich ciał na świecie,
zwierzęcych, ludzkich,
tylko jedno wydzielało ten pot.
Wdycham go
po raz ostatni. Piorąc tę koszulę
niszczę go
na zawsze.

Teraz
pozostaną po nim już tylko obrazy,
które czuć farbą.

- Anna Świrszczyńska

Op de uitkijk


DREAMTIME





Er is geen begin en het einde is zoek.


Moge het sterven sereen zijn
toch zet het zich voort
in het bloedbad van een geboorte,
de geboorte van iemand anders dan,
dat valt niet te ontkennen.

Maar in het leven is ons gegeven
te doen alsof er geen dood was,
niet met de kop in het zand
maar juist op de uitkijk
naar weer een ander land,
een te bevaren kust.

En onderweg vermaan je nog een kind
dat zegt dat het zich dood verveelt:
ga in gods naam wat doen.
En het kind roept: maar ik bèn er toch?


Liefst zijn ook wij ons van geen kwaad bewust.





© Jan Eijkelboom



Uit: J. Eijkelboom (1926-2008) Heden voelen mijn voeten zich goed, Amsterdam/ Antwerpen, De Arbeiderspers, 2002

Letters opschroeven


PAPA'S HUIS


Lege kamers geven onze namen terug
en kaatsen ook de woorden van de wand.
Maar in het behang staan littekens
van voltooid verleden, waarin een vader was.
Zijn letters worden bewaard; ik schroef ze
later op mijn eigen deur. Mam gaat voortaan
wonen achter haar eigen naam. Morgen
slaan wij nieuwe wonden in een ander huis
en roepen dapper verse muren vol.


©
Ted van Lieshout


Uit: Ted van Lieshout Als ik geen naam had kwam ik in de Noordzee uit
Amsterdam,Leopold, 1987

Nine-eleven



Uit: New York, stad van het verdwijnen - reisverhaal uit 1975, van Cees Nooteboom.
Vandaag als fragment afgedrukt in De Volkskrant.

- klik op beeld voor leesbare tekst -

Op de bok


ELEGIE




De schillenboer gaat door het dorp
en haalt de groenteresten op.

Het is zomer en zijn kar
rijdt afvalgeurig rond.

Ik ben geen stronkje en geen schil,
mag naast hem zitten op de bok.

Het duurt uren, dagen, maanden,
straks is de herfst alweer voorbij,
de winter komt en ook het groen.

Het is al laat, ik groei maar door,
thuis is iedereen ongerust, ik ben
niet de weg kwijt maar het doel.


© Wiel Kusters



[1954], december 1999


Met dank aan de Maastricht International Poetry Nights 2000

donderdag 9 september 2010

Kookkunst


HELE DURE OCTOPUS


Hij ontleedt de octopus
en zegt: 'Morgen strijk ik je blouse'
ik lig in de zon die eindelijk
op mijn plek in de zetel is neergestreken
ik ben bang van dode octopus.


De zon verlaat mijn linkerflank
mijn geliefde zet een bord op mijn schoot
een angstaanjagende kluwen staart me aan
ik open het raam en bekogel vadsige meeuwen
met tentakels
ze schreeuwen
uitgelaten en nietsvermoedend
ontwarren ze de kluwen
drie meeuwen stikken
twee meeuwen hangen zich op.

Mijn geliefde smakt
luid en huilt
ontroerd door zijn kookkunst
teleurgesteld door de fletse smaak
van een hele dure octopus.


© Delphine Lecompte


Uit: Delphine Lecompte De dieren in mij, Utrecht/Leeuwarden, De Contrabas, 2009

zondag 5 september 2010

Zout


LACRIMA



In het huilen kun je
niet emigreren,
en heel lang kun je
je niet camoufleren
achter een kleurloze sluier.

Ik houd je in mijn armen,
ik geef je mijn warmte,
luister naar regen
die valt uit je ogen,
zomaar van zelf.

Ziezo, die tranen
bevloeien de aarde,
maar ze zijn zout
en waar ze gevallen zijn,
groeit niets.


©
Pia Tafdrup


Uit: Pia Tafdrup De koninginnepoort (bloemlezing uit haar werk), uit het Deens vertaald door Jytte Kronig. Sliedrecht, Wagner & Van Santen, 2006.

Tafdrup was in 2008 een van de deelnemers aan de Maastricht International Poetry Nights.
De achtste edtie van het tweejaarlijkse MIPN-festival vindt eind volgende maand plaats op 28, 29 en 30 oktober. Plaats van handeling: Theater La Bonbonnière, Achter de Comedie 1, Maastricht.

Eregast dit jaar is de Nederlandse dichter Willem van Toorn.

Getwitter



DE MUS


Tjielp tjielp - tjielp tjielp tjielp
tjielp tjielp tjielp - tjielp tjielp
tjielp tjielp tjielp tjielp tjielp tjielp
tjielp tjielp tjielp

Tjielp
etc.


©
Jan Hanlo



Oerversie van een Tweet-tweetvers, uit 1949, opgenomen in:
Jan Hanlo Verzamelde Gedichten, Amsterdam, G.A. van Oorschot, [1958, 1970] deze ed. 2006

Ook als Leids Muurgedicht (pand Nieuwe Rijn 107)
http://www.muurgedichten.nl/hanlo.html

zaterdag 4 september 2010

Scherven zonlicht




DRAAK


Raak me niet aan
ik ben ontstaan
voor iemand
zonder evenbeeld

Geen ander
kan mij aan

Laat staan
smeltende dames
boven de vijftig
voorzien van
olifantswreef

Al zijn al uw benen
natuurlijk nog prachtig.



© Tjitse Hofman



*



En ze loopt op hoge hakken
door de straten van de stad
kent de alledaagse ogen
in het kielzog van haar benen
en trapt sierlijk met haar voeten
scherven zonlicht voor zich uit

Niet op zolen die je slepen
naar het einde van je hart
of op schoenen die je licht
over je laatste adem tillen
maar in laarzen die zo glimmen
dat het nooit meer donker wordt



©
Ton Peters


Twee gedichten uit Voetschrift van verleiding - schoengedichten/ Fuszschrift der Verführung - Schuhgedichte (red. Kasper Peters en Rense Sinkgraven). Dichters vertellen over schoonheid,
erotiek en elegantie van de schoen. Groningen, uitg. Passage, 2007.

Omslagfoto boek: Jan Kruize

Geheim


AARDE





Zoals ze leefden zo liggen ze hier
ook begraven, dicht op elkaar, bijna
hand in hand.

Spandiensten verleent men elkaar
tot op de rand van de dood.

Blinde paarden draven erheen,
met koetsen maar zonder koetsiers.
Het is het geheim van de hemel.

Zo hoog komen de mussen niet,
waar de zwaluwen buitelen, tuimelen
door de geweldige ruimte.



© Juliën Holtrigter



Uit: Juliën Holtrigter Omwegen Zoetermeer, Mozaïek/Boekencentrum, 2001

vrijdag 3 september 2010

Nachtlicht



HET DODE PUNT



Toen je 's morgens
tegen het dode punt stootte
floot de trein op de zwarte regenboog van de brug.

Vandaag wil ik je alleen zeggen
dat het nachtlampje in jouw kamer
promoveerde tot de graad van ster.



© Ewa Lipska


Uit: Ewa Lipska Splinter - uit het Pools vertaald door Ad van Rijsewijk - Breda, De Geus, 2007.

Oorspr. gepublic. in Drzazga [2006, Kraków, Wydawnictwo Literackie Sp.]

donderdag 2 september 2010

Schoenzolen


FLIRTATION


De ganse stad zwicht in mijn vuist
en om de hemel niet te schenden
moet ik mij fluist'rend tot u wenden
in woorden hondervoud gekuist

Wij zweven in de kleurenwand
van berstensmooi zeepbelgedroom
Ik manoeuvreer - en gij laat loom
alle verantwoording aan kant

Wanneer wij op een klip vergaan
zal ik u trouweloos verlaten
Ik kan uw liefde niet bestaan

en derailleer in eigen baan
zodra daar weerkeren de straten,
mijn pauperhart, mijn schoenzoolgaten


© Anna Blaman


In: Anna Blaman - over zichzelf en anderen. Verhalen, poëzie, artikelen en lezingen. Amsterdam, Meulenhoff, 1963

woensdag 1 september 2010

Luchtdruk


TEGEN DE HERFST



Kijk, een wesp is een gat in de lucht
ter grootte van een wesp
gevuld met wesp

niet met lucht. Cruciaal:
meer wespen > hogere luchtdruk > zomers weer.

Daarom: laat je niet slaan, blijf, help
de lucht onder druk te houden

opdat ons systeem niet bezwijkt.
Maar geen ziel die dat begrijpt.

Met dunne stemmen nemen ze afscheid:

Go wesp, wesp

moge het lied van je vleugels
je ver vergezellen.



© Rouke van der Hoek



Uit: Rouke van der Hoek Het magnetische noorden, gedichten Amsterdam/Antwerpen, Atlas, 2001