maandag 2 mei 2011

Doorzichtige vleugels


XXV



Ik zie je in de vensterruit: je haar gekapt als een helm, de wallen onder je
ogen. Het wachten groeit ορ je schouder als een bochel, barst na enige
tijd en verspreidt een wolk van libellen in het rond. De dοοrzichtige
vleugels spartelen οp je gezicht.
  De roerloze acacia's onder de zomerzon. Je steekt je hand uit naar het
glas water. De druppels rollen over de vloer als kralen. Het lawaai ervan
verpulvert de stilte. Het poeder gaat liggen οp de meubels. Dan stelt het
tafereel zich weer samen.


© Doina Ioanid




- uit het Roemeens vertaald door Jan H. Mysjkin -



Uit: Doina Ioanid Het juffertje van marsepein, Rotterdam, Douane, 2011 - met vertaling en nawoord van Jan Mysjkin

Kinderzitje


LEVEN





Leven - doorgaans komt het me ongelegen,
maar iedere morgen moet ik het toch weer.
Was er maar tussen slaap en dood zijn in
een minder alledaags en zeurend zeer.


*



PETRUS

 

Nadat de haan tot drie keer had gekraaid,
kwam Petrus, kreeg de sleutels, opende het hek,
ging op de rotsgrond schapen weiden.
En wij maar distels grazen, wachtend op de Heer.


*


DANKBAAR


Een lieve vrouw, een mooie baan, een prachtig huis.
'k Dank U hartgrondig voor die gunstbewijzen.
Ook voor mijn snelle fiets, met inbegrip
van niet te demonteren kinderzit.



© Anton Korteweg





Uit: Anton Korteweg Voor mannen is 't niet erg - veertig jaar dichterschap in veertig kwatrijnen, Amsterdam, Meulenhoff, 2011

zondag 1 mei 2011

Nicht gewuszt


NA DE ZELFMOORD VAN EEN SCHOLIERE






Ik heb het niet geweten
jij hebt het niet geweten
hij zij het wij jullie zij
hebben het niet geweten

Ik heb het niet kunnen weten
ik heb het niet willen weten
ik heb het niet aan zien komen
ik heb het laten gaan
ik heb het niet kunnen tegenhouden

Ik heb ook maar twee ogen
ik heb ook maar twee handen
ik heb ook maar één telefoon
ik kan niet overal zijn
ik ben niet altijd bereikbaar

Ik geloof in christus zegt men
hij had jullie kunnen helpen zegt men
als ik jij hij zij het wij jullie zij
christus zijn geworden
dan hoeft men niet meer
zegt men te zeggen.



© Dorothee Sölle



Dorothee Sölle (1929-2003) was een Duitse theologe en hoogleraar in New York die meer dan veertig boeken schreef. Zij was aanhanger van de god-is-doodgedachte en geloofde dat geloof en politiek niet te scheiden zijn.

zaterdag 30 april 2011

Zachte woorden



'Kom terug.'
Als ik die woorden eens zó zacht kon zeggen
dat niemand ze kon horen, dat niemand zelfs kon denken
dat ik ze dacht...

en als iemand dan terug zou zeggen
of desnoods alleen maar terug zou denken
op een ochtend:
'Ja.'


© Toon Tellegen



Uit: Toon Tellegen Over liefde en over niets anders, Amsterdam, Querido, 1997

Vrij


VLAG

Een vlaggenmast houdt
vlaggen vast.
Een windvlaag vindt dat
ongepast.

Maar als de vlag
gestreken wordt,
is er geen windvlaag meer
die mort.

Dan wappert fier en vrij
de wind:
er is geen vlag die hem
nog bindt.


© Wiel Kusters


Uit: Wiel Kusters Velerhande gedichten, Amsterdam, Em. Querido, 1997

donderdag 28 april 2011

Kleine gebreken


BEHOUDEN HUIS


In dat huis kwamen ze zich telkens weer tegen
's avonds bij lamplicht gebogen over veranderlijk
leven en alledaags spreken waarin vooral
de plotse hiaten hen raakten. En 's morgens


stapten ze in het raadsel hun lichaam, toch nog
verbaasd vanwege de kleine stroeve gebreken
die ze er aantroffen. Buiten heerste het grote

gestage waarin roestig vee vanzelfsprekend
groei tussen de stenen wegvrat terwijl bomen
de zonnestand weergaven tot er


tussen de wolken een vuur ontbrandde
dat rafelde in een steeds zwarter zwart en wind
zich langs dakgoten haastte het licht


achterna dat richting een zee
dreef die ze kenden van kaarten, niet zagen
omdat ze te dicht bij het grazen verbleven. 



© Hester Knibbe




Uit: Hester Knibbe Het hebben van schaduw, Amsterdam/Antwerpen, de Arbeiderspers, april 2011

vrijdag 22 april 2011

Ongeneeslijk verklaard


DE BASISWOORDENSCHAT




Als je niet elke dag mijn naam schrijft,
o, moge je hand geplet worden in de schroef van de zinnen!
Verstijfd, de mond
waarmee je de woorden krabbelt!
Gegeseld het woord
die de klemmen opent voor de wolven
tussen jou en ons!

En mogen ze voor altijd ongeneeslijk zijn, je wonden,
die je wast met mijn tranen,
in een vat vervoerd naar de stad!
En moge je gezicht
voor eeuwig bezoedeld zijn in de ramen,
als je niet alle dagen mijn naam kerft
in de kan van de liefde!

O, maar als je in je slaap niet mijn naam schrijft
met zachte en verfijnde letters,
zoals in het begin,
dan zal ik ze op je lippen naaien,
diep, met catgut.*


© Linda Maria Baros


- uit het Frans vertaald door Jan H. Mysjkin -


In: Revolver nr. 138, 2008



*Catgut is een taai materiaal dat vooral in het verleden werd gebruikt in de chirurgie voor het hechten van (mond)wonden, in de muziek voor het maken van snaren en bij tennis voor de bespanning van wedstrijdrackets. Catgut wordt gemaakt van de darmen van dieren (niet van katten, zoals de naam suggereert, maar meestal van schapen). De stof wordt langzaam door het lichaam opgelost, na vijf dagen is een groot deel van de sterkte en spankracht verloren.
Oplosbare hechtingen hebben het voordeel dat geen 'draadjes' hoeven te worden verwijderd wanneer een wond is genezen. Nieuwere, duurzamere materialen waaronder operatielijm hebben deze traditionele toepassingen inmiddels verdrongen: ook om weefselreacties en vaak infecties te voorkomen

dinsdag 19 april 2011

Naar binnen


BEMINNEN



Zeer strekt het zich uit naar binnen.
Want zo ver gaat beminnen:

een wijd open land met ginds een man,
een vrouw die naar de einder staart
waaraan een man, een vrouw, een engel.
Het einde verwatert, verdampt, verdwijnt
naarmate je nadert.

Zijn vinger die naar binnen glijdt
vindt instemming. Hij deelt zich uit:
ogen, mond, tong, penis, zaad.
Met hart en ziel raapt zij hem op
en legt hem neer in goede aarde.

Want het grenst nooit.
Ook al slaat de klok ons hard om de oren,
het streeft en het loont.
En heel soms merk je dat er licht brandt
in een huis waar niemand woont.


© Ivo van Strijtem



Uit: Ivo van Strijtem De mooie Ierse, Amsterdam/Antwerpen, uitgeverij Atlas, 2002

maandag 18 april 2011

In geval van nood


RAMEN OF DEUREN




het verschil tussen ramen en deuren
is zo duidelijk en groot
dat ik als ik moest kiezen
het wel wist en met een raam
al heel blij was

een deur is zo plotseling
onverhoeds sta je daar
van top tot teen binnen of buiten
een open deur staat slordig
en een dichte deur is dicht

terwijl ramen ach
denk eens aan ramen en wat je
daarvan maken kunt en wat je
daaraan toe kunt voegen
luiken bijvoorbeeld
vensterbanken bloemen jaloezieën
of gordijnen of spionnetjes

je kunt binnen zijn
en toch naar buiten kijken
zien zonder je te laten zien
met alleen maar een raam in je kamer
zou je veilig zijn terwijl je
als de nood aan de man komt
altijd nog zo’n raam kunt gebruiken
als deur



© Mischa de Vreede


Uit: Mischa de Vreede In plaats van praten Amsterdam, Arbeiderspers, 1985

zondag 17 april 2011

Onderrug


Je komt op me zitten
met je rug naar me

toe
je buigt achterover,
in je ruggengraat
buigt een adder mee:
de twee kuiltjes in je onderrug
zijn ogen.

Ik hou me aan je adder vast.

Het beest en ik.

Hoe dieper we elkaar aankijken
des te beter voelen we
hoe we elkaar zijn

verloren.


© Peter Verhelst





Uit: Peter Verhelst Zoo van het denken, Amsterdam,
Prometheus, maart 2011

Struik (Palmpasen)


DE INTOCHT VAN CHRISTUS IN MAASTRICHT




 Bij aankomst op het station prijkte een bord


Ten strengste verboden
Maastricht te betreden op een ezeltje


en ook niet op sandalen


of in een T-shirt of bermudabroek
merk Zeemeermin!


Jezus! De Messias loopt bij voorkeur op sandalen
over de wateren!
Hij draagt bij voorkeur Zeemeermin! In de woestijn vooral
Het zit Hem als gegoten!


Dus de Stationsstraat nauwelijks uit
was Hij, de Mensenzoon, al gearresteerd
op zijn – Hop! Hop! - ezeltje
door Reviaanse Flikken


En opgesloten in de Dodencel
onder het Gouvernementgebouw
dat Sanhedrin van hypocriet Maastricht


Zijn vonnis: Kruisiging
Tijdstip: Goede Vrijdag
Plaats: Kalvarie


Die dodencel was overcrowded
o.a. zat Hem daar kwijlend aan te staren
die benigne woudreus met het syndroom van down
van Palestijnse afkomst
Bar-Abbas…
Een struikrover, want… hij had een struik geroofd!



Alsook Maria Magdalena, een callgirl met syfilis
eens het stiekeme liefje van de Gouverneur
Pontius Pilatus de Twaalfde
Maar nu in ongenade
De wereld was nog onbekend met het middel Salversan

Zij stond erop Jezus te pijpen
een cadeautje voor zijn laatste uur
die Barmhartige Samaritaanse!

"Ach, doe maar, sweetheart, doe maar
wat doet het er ook toe…

Was wel na afloop van mijn zaadontlading
je lieftallige Facebook-lipstick-mondje
in onschuld, wil je?

want jij, Magdalena
zult met mij zijn in het Paradijs…

en jij, Bar-Abbas
wordt daar dan Prins Carnaval

in een kostuum, sneeuwwit
merk: Thabor

Zowaar ik Jezus Christus heet
van eeuwigheid tot eeuwigheid…

De Groeten aan James Ensor!"
 
 

© Manuel Kneepkens

 
- ongepubliceerd, Palmzondag april 2011 -

dinsdag 12 april 2011

Dodepop


STANDBEELD



Een lichaam, blind van slaap,
staat in mijn armen op.
Ik voel hoe zwaar het gaat.
Dodepop.
Ik ben een eeuwigheid te laat.
Waar is je harteklop?

De dikke nacht houdt ons bijeen
en maakt ons met elkaar compact.
'Om Godswil laat mij niet meer los;
mijn benen zijn geknakt,'
fluister je aan mijn borst.

Het is of ik de aarde tors.
En langzaam kruipt het mos
over ons standbeeld heen.



© Gerrit Achterberg





Uit: Gerrit Achterberg Verzamelde Gedichten Amsterdam, Em. Querido, 2000 

Nergens heen


DE JAS



Maar eerst is er een oude jas. Nu hangt hij
aan de kapstok, binnenkort wordt hij
verbannen naar het hok.

En eerst is er een avond waarop ik aarzel
naar buiten te gaan. Buiten is het koud.
In gedachten trek ik voor het eerst

die oude jas aan. Ik ben alleen op straat.
Wie had dat durven hopen. Ik kijk
in de ruiten en zie

voor het eerst mijn vader in deze stad lopen.
'Waar ga je heen?' 'Nergens heen.'
'Dan gaan we dezelfde kant op.'




© Wim Brands



Uit: Wim Brands De schoenen van de buurman Amsterdam, Podium, 1999

vrijdag 8 april 2011

Ongeschikt


DAT ZOU NIET GOED ZIJN

(To nie byłoby dobre)


Als ik alleen ben
ben ik bang om me
te snel om te draaien.

Wat zich achter mijn rug bevindt
zou wel eens niet op tijd
een vorm kunnen aannemen
die geschikt is voor
mijn mensenogen.

En dat zou niet goed zijn.


© Anna Świrszczyńska



Uit: De mooiste van Świrszczyńska, bloemlezing. Samengesteld en uit het Pools vertaald door
Jo Govaerts en Karol Lesman. Tielt (B.)-Amsterdam, Lannoo/Atlas, 2006

donderdag 7 april 2011

Knie


VOORBIJ, VOORBIJ


 

Naakt lig je naast me en ik hoef niet eens -
je kan wel merken dat ik ouder word.
Kwam daar een jaar of twintig terug eens om!
Zag ik je knie, hij stond al voor je klaar.




*





BIJ MOOI WEER

 

Bij mooi weer word ik in de tuin gezet.
Ik ben niet dood, hoewel ik niet beweeg.
Ze zoeken me - dat moet - nog wel eens op
en staren somber naar mijn bruine kop.





*



 ZELFHULP




Heb je niemand,
heb je nog jezelf.
Krijg je antwoord,
verberg je dan.






© Anton Korteweg




Uit: Anton Korteweg Voor mannen is 't niet erg - veertig jaar dichterschap in veertig kwatrijnen, Amsterdam, Meulenhoff, 2011

Tussen de sluizen


TWEEDE ODE




Ik hou van je. Het moet maar eens gezegd.
Ik hou van al die oude, nooit geruimde hopen
steen. Dat waaigat dat probeert een plein te
zijn. Het spraakgebrek dat Utrechts heet.

Ik hou van de Dom, die hoge hoerenkast
die mensen reduceert tot mieren. Het water
dat ruist tussen de sluizen. De kelders aan
de grachten waarin vele eeuwen huizen.

Hoor je het dreunen? Daar komen ze aan:
reclamemakers, marketeers en managers.
Het is een machtig stampen. Ze branden

je tot merk, walsen een logo van je naam,
vervalsen je geschiedenis, ze timmeren wat
krom was recht. Ze maken alles Utr-echt.
 


© Ingmar Heytze





Sonnet uit: Ingmar Heytze Utrecht voor gevorderden. De Domstad in 40 nieuwe gedichten. Amsterdam, Podium, 2011.

woensdag 6 april 2011

Nooit een lijf


AMSTELSTATION
7.1.76 / 9.15 uur





Je hebt me in de trein
opnieuw getroffen

er is geen beeld, er staat een scherm
van woorden
dat je aan het oog onttrekt

hoewel door jou gewekt en twintig jaar
geschaduwd
wist je altijd ongezien te blijven

men mocht niets meer van je weten
dat je in je brieven schreef
“Ik ben geschonden
en gebeten
maar ik leef”

je schreef
“Het sap
zal spoedig door de takken stromen”

jij overheilig wijf
je bent in alles
wat ik schrijf aanwezig

steeds het galgenaas van godgeleerden
kreeg je soms gestalte,
nooit een lijf

veel besproken en toch
onbeschreven ben je
slechts als tekstlichaam intact gebleven

men las liefde en seizoenen af
aan je gegroefde huidstructuur

winter duurde eeuwen;
kou vrat je niet aan

wat strijd om het bestaan was
werd de kunst van overleven

nog zijn de tijden guur en wij
al voor de oerschreeuw aangetast

nu ik je aanraak met mijn ogen
zie ik weer
de glans van donker woordglazuur



©  H.C. ten Berge


in: Ons poëtisch dichtersland, Amsterdam, Vroom & Dreesmann, 1988

Afvalligen


Zeg aan de kinderen dat wij niet deugen.


Wij tatoeëren de varkens van China,
Beplakken plafonds met de pantsers van kevers,
Wij maken machines die stront produceren
En proppen een pot vol met schelpen van mossels,

Klaar. Het is kunst want wij noemen het kunst.

Wij aanbidden de pisbak Duchamp, de verroeste
Spijkers met koppen van Uecker, de dolksteek
Fontana, wij gaan op de knieën voor schoonheid
Van afval. Afvalligen zijn we. Van wie dan?
Geen kwast observeert ons verleden frontaal.


© Leonard Nolens



Negende gedicht uit titelafdeling
in: Leonard Nolens Zeg aan de kinderen dat wij niet deugen Amsterdam, Em. Querido, 2011

zaterdag 2 april 2011

Gebeurtenissen


GOD





We liepen de stad in.
Er was een wielerkoers.
Achterin de groep hing een renner die had gelogen,
Zijn vrouw geslagen, zijn hond gedrogeerd
En een poging tot zelfmoord had gedaan.
Niemand sloeg acht op de koploper,
Men wachtte op de man achterin,
Die bij elke doorkomst een daverend applaus kreeg.
Een kenner met een bierblikje in de hand
Een een pet van IJsboerke op het gezwollen hoofd fluisterde
Dat de gevallen held een aanzienlijk hoger startgeld had gekregen
Dan de vedetten.
Na afloop werd hij, stralend van vreemde opwinding,
Door mooie vrouwen gekust
En terwijl de winnaar als een geslagen hond afdroop,
Werd hem onder luid gejuich
Een enorme beker met fleurige linten overhandigd
Als prijs voor 'de strijdlustigste renner'.
Even later was iedereen weg
En zag de plek er, als in een desolate droom,
Onheilspellend uit.
Toch hadden de gebeurtenissen ons met vreugde vervuld
En gingen we hoopvol gestemd
Op zoek naar een café.


© Alex Roeka


In: fragm. nr. 3 A. Roeka Drieluik van het wielerseizoen, uit De Muur nr. 24, Amsterdam, L. J. Veen, maart 2009  

Wielrennen is niet alleen een sport, maar ook "een literair genre". Ontdekte althans Herman Chevrolet, auteur van het recent verschenen Het Feest Van List En Bedrog, die enkele jaren geleden slechts één ambitie had: winnen van de Ronde van Lefkas, een legendarische wedstrijd op een Grieks eiland waar regelmatig slangen over het parcours kruipen.

Morgen, met start in Brugge (B.), een nieuwe aflevering van een mythische eendagskoers: de 95ste Ronde van Vlaanderen.

donderdag 31 maart 2011

Lusttuin


ROODMAANVOGEL


Hij heeft zijn kooi achter het Nachtdierenpaviljoen
terzijde van de braamstruiken langs de spoorlijn
naar Utrecht
De bulk van dierentuinbezoekers komt daar niet

Bovendien woekert er een enorme rododendron
in z'n volière. En daarachter is het pure donker
van z'n nachthok

waarin Hij zich te allen tijde kan verschuilen
(wat Hij ook doet... )
Hij, Zijne Majesteit Schuwheid
oogverblindender
dan Pauw & Paradijsvogel tezamen!

Het is alsof een rilling over de verliefde lippen
van wijlen de laatste Sjah van Perzië
diep zuchtend
overgaat
in een rilling
over de perzikschoot van Farah Dibah
Sjah's
vruchtbaarste Sheherazade
(ooit, toen Iran nog een seculiere staat was... )


zo intens is het Perzisch miniatuur-
rood
van het pronkkleed van de Roodmaanvogel

O, de boze Sprookjeswereld van alledag
bestaat heel even niet voor eenieder
die een Roodmaanvogel ziet / of hoort...

Diens hals: één vlam van Passie
diens snavel:
louter Liefde…


maar Hij, zo diep achterin in de Tuin der Lusten
als Hij er op zekere nacht vandoor gaat
naar Tibet of Nepal… wie zal 't merken?

En hoe moet dat dan met ons?

Naar Rotterdam keert hij nooit meer terug!



© Manuel Kneepkens


Uit: Manuel Kneepkens Een vrolijk dierenalfabet, gedichten en illustraties. Rotterdam, Douane, 2009

woensdag 30 maart 2011

Juk van vreugde


BIJ GEBOORTE
(I)





Als opgebaard leven ligt daar de boreling.
Wie met hem te doen heeft, benijdt hem.

Nog nauwelijks het niets ontrukt
drukt hem al het juk van de vreugde

De pose naast de teddybeer
die opzichtig voor zijn beste vriend doorgaat.

De bezoekers koeren;
een hogere vorm van ademen.




© Hagar Peeters


Uit: Hagar Peeters Wasdom Amsterdam, De Bezige Bij, 2011

dinsdag 29 maart 2011

Hindernissen



DERTIG SECONDEN VOOR HET BESTORMEN VAN DE TEPEL





We hadden dertig seconden voor het bestormen van de tepel,
het was een heuvel
achter aan de hindernisbaan van de rekrutenbasis.
Daarboven de gestreken hemelkraag, gesteven door de wolken,
en het kaki van het zand zou, in een andere omgeving, uit een
natuurgedicht afkomstig zijn.
Maar wat kon natuur of een gedicht je schelen
met twee veldflessen klotsend op je heup,
een uzi in je hand
en een schep tegen je ruggengraat.
Dus propten we onze dagdromen in de tepels
van de secretaresse die altijd achteroverlag
in de jeep van de commandant
en dachten we aan Gauguin die niet wist of hij zijn kip
moest opeten of schilderen.


Daar, bij de heuvel, hadden we zo'n honger.




© Ronny Someck




Uit: Ronny Someck Blues van de derde zoen (bloemlezing), Maastricht, Azul Press, 2010
- uit het Hebreeuws vertaald door Hilde Pach

maandag 28 maart 2011

Klaagtaal


BEZOEK AAN HET GEBOORTEHUIS VAN C.B.


Hier werd mijn jonge vriend geboren!
Met schroom deed ik de voordeur van het
slot. Het huis stond leeg. Rollend pluisstof.
Zonder woorden was toen mijn gebed.

Om mij heen werden de muren broos.

Buitenlucht scheen er doorheen. Stemmen
fluisterden mij verzen in. Klaagtaal
over tijd die te beginnen stond:

eeuwen waar mijn vriend geen weet van had.



© Chrétien Breukers



Uit: Chrétien Breukers Gysbert Japicx bezoekt het Drielandenpunt, Leeuwarden,
Friese Pers Boekerij, 2009

zaterdag 26 maart 2011

Schuilplaats


ZO AL DEZE WEGEN NAAR EEN CENTRUM LEIDEN



Zo al deze wegen naar een centrum leiden
een mijnenveld van gerechtigheid
vinden wij onze route achteruitwaarts.

Het blikveld mag breed zijn, de geur
zwaar van warm gehouden planten en het
geluid dat ons omringt knerpend en schril,

nog zullen we verlangen naar een schuilplaats
een scheefgezakt monument, een landgoed
waar onze klamme handen drogen kunnen.

Genegenheid, meer dan een mens verdragen kan
ligt aan onze moegelopen voeten
en verschrikt deinzen wij terug.


© Erik Lindner



Uit: Erik Lindner Tramontane, Amsterdam, Perdu, 1996

maandag 21 maart 2011

Lente


vandaag is de wereld in winter gekleed


een vogel vliegt verdrietig door het sneeuwen
en buiten wacht de kou

ik ben vergeten om de herfst te huilen
ik heb niet gejuicht in de lente
mijn plezier om de zomer niet uitgebuit

misschien is de aarde wel omgerold
is de poolgrens verlegd
toen ik sliep

alles wat waar is is anders geworden

wie ben ik nog?



© Mischa de Vreede





Uit: Mischa de Vreede Met huid en hand, Amsterdam, u. m. Holland (Windroosreeks), 1959

Het weke


[...]



In het helmgras lag een bronzen masker,
aan een kant zonbeschenen. De ogen, neus
en mond intact, het weke weggenomen.
Uit de hemel neergestort naar waar het
eens gaaf van voor het drama was.
Daar staan de reünisten in het duinzand
opgesteld. Hun namen zijn verdwenen.
Uit zeegebied afkomstig, en een werd vliegenier,
en altijd wind in haren, sjaals en een enkele
rok waar benen onder waren.


© Emma Crebolder




Uit: Emma Crebolder Vergeten Amsterdam, Nieuw Amsterdam, 2010

Weerloos


DE MORGEN BEN JIJ





De lucht is vol rozen
de rozen zijn weerloos
weerloos je handen je ogen
roos van je mond
de morgen ben jij
weerloze roos van de morgen
wond van de rozen



© Ingrid Jonker



Uit: Ingrid Jonker Ik herhaal je - vert. Gerrit Komrij - Amsterdam, Podium, 2000

zondag 20 maart 2011

Seizoenen


DE BINNENPLAATS





Op de binnenplaats waar het gekoer van duiven
zich al te gemakkelijk voorspellen liet,
hoorde ik een fluiten, dat, zich losmakend
van de zeurende ijsregen om ons heen,
lente vermoeden deed.

Wij keken op. De vogel hield zijn bek.

Evenmin als wij geloofde hij, die gekooid
en eenzaam de seizoenen door elkaar had gehaald,
in de omkeerbaarheid van de tijd, al had
zijn fluiten ons afscheid even vertraagd.



© Eddy van Vliet


Uit: Eddy van Vliet De binnenplaats, Amsterdam, De Bezige Bij, 1987

vrijdag 18 maart 2011

Onbevaren


'S NACHTS
 
Ik ben zo vaak ontwaakt omdat ik dacht
Dat er een schip zeilt door de koele nacht;
Het zoekt de zeeën op, vaart naar een strand
Waarnaar in mij een warm verlangen brandt.
Dat ergens, in een onbevaren oord,
Een helrood noorderlicht onmerkbaar gloort.
Dat nu een vreemde vrouw, op liefde uit,
Het witte warme kussen in haar armen sluit.
Dat iemand die mij dierbaar was als vriend,
Nu ver in zee een donker einde vindt.
Dat moeder, die mij niet meer kent en dwaalt,
Misschien nu in haar slaap mijn naam herhaalt.


© Hermann Hesse




Gedicht van Hermann Hesse (1877-1962, Duitsland/Zwitserland) - hertaald door Koen Stassijns - in:

Half engel half mens - 100 moedergedichten uit de wereldliteratuur, samengebracht door
Koen Stassijns en Ivo van Strijtem (bloemlezing). Tielt (B.), Lannoo, 2010

woensdag 16 maart 2011

Touw


MOEILIJKE DAGEN



'Er zijn van die dagen dat alles
tegenzit,' dacht de zeven maal
verkrachte jonkvrouw
vastgebonden in de woestijn.

Ze had geen kut meer
over en haar bevrijder, de koene
ridder maakte i.p.v. het touw
z'n broek los.


© Riekus Waskowsky



Uit: Riekus Waskowsky Verzamelde gedichten, Amsterdam, Bert Bakker, 1985

LIEFDE VAN EEN KWARTIER



Ze kijkt hem aan terwijl zijn handen haar zieke dochter betasten en
ze ziet dat hij ook hij verliefd op haar zou kunnen worden,
net als zij nu op hem.

Ze zouden in dit vakantieoord blijven wonen en zij zou
de administratie van zijn niet zo drukke praktijk liefdevol
verwaarlozen.

Het is een geruststellende gedachte, ze ziet dat ook hij
het een geruststellende gedachte vindt, nu, dit moment,
met aan de andere kant van de deur zijn vrouw, haar man

en tussen hen in zijn handen, zijn bril, zijn schoenen,
haar ringen, haar opgestoken haar, haar borsten.



© Wim Brands



Nieuw gedicht van Wim Brands op DeContrabas.com

dinsdag 15 maart 2011

Bonnetje


DUMP DEN MANN!




Er is in Duitsland nu een crèche voor mannen
Die niet de stad in willen met hun vrouw
Ze krijgen bier, een maaltijd en knowhow
Of kunnen bij een voetbalmatch ontspannen

Een goed idee, al lijkt het me wat triest
Wanneer je vrouw het bonnetje verliest...


© Quirien van Haelen, 'snelsonnet'



In Duitsland kunnen winkelende vrouwen hun sputterende partners in een crèche achterlaten. Manlief wordt voorzien van een naamplaatje, twee biertjes, een warme maaltijd, spelcomputers en een groot tv-scherm waarop voetbalwedstrijden te zien zijn. Ook kunnen de mannen cursussen doe-het-zelf volgen. De vrouwen krijgen een bonnetje waarmee ze aan het einde van de dag hun echtgenoot kunnen ophalen.

Vlees van hem


NIET, NIET

Die in de zandbak zegt
zo vaak ik aan je denk je naam
en raakt mij aan en legt
schepje en zandvorm neer en doet
alsof zij tegen wind en weer mij roept.

Ik riep terug, niet jou
want in de donkere kast
waar ik je opgesloten houd,
zou je mij toch niet horen
hoe ik ook tegen angst en afstand in
roepen en roepen zou

maar alles wat ik wil
nu dood je haastig ronddraait en verkleint.
Lichaam, doe hem weer pijn.
Vlees van hem, hou zijn botten vast.
Zaad, lig niet in hem stil.
Haar op zijn hoofd dat aan
mij denkt, ga niet verloren.


©
Eva Gerlach


Uit: Eva Gerlach De kracht van verlamming, Amsterdam, de Arbeiderspers, 1988

maandag 14 maart 2011

Brave golven



MAN VLOEKEND TEGEN DE ZEE


Iemand
klom zomaar op de rots
en vloekte tegen de zee.

Stom water, stom bezwangerd water,
slijmerige afdruk van de hemel,
fladderende draaikont tussen zon en maan,
pietluttige schelpenteller,
vloeiende brullende stier
de rotsen bevruchtend met zijn bloed,
zelfmoordend zwaard
versplinterend op iedere kaap,
hydra die de nacht afslacht,
zoutnevels van stilte briesend,
vergeefs en vergeefs
de trillende vleugels spreidend,
Gorgo die haar eigen lijf opvreet,

water, absurde platte schedel van water –

Zo vloekte hij een poos tegen de zee
die zijn sporen in het zand likte
als een geslagen hond.

Daarna klom hij omlaag
en streelde
de kleine immense onstuimige spiegelende zee.
Ziezo, braaf water, zei hij –
en ging zijns weegs.


©
Miroslav Holub


Uit: Miroslav Holub De geboorte van Sisyphus, samengesteld en uit het Tsjechisch
vertaald door Jana Beranová. Amsterdam, De Bezige Bij, 2008

zondag 13 maart 2011

De plaats



REIMERSWAAL



Een, die zichzelf niet meer bezit,
is aan de mist geschonken.
Klokken zij mee verdronken
en luiden dit
ononderbroken.
Maar niemand weet of ziet
de plaats, waar alles ligt gezonken.


©
Gerrit Achterberg



Uit: Gerrit Achterberg Verzamelde Gedichten, Amsterdam, Querido, 2000

zaterdag 12 maart 2011

In het land van de rijzende zon (1)


Diep onder water,
zacht zijn vinnen bewegend,
een karper, die droomt.


- Kyoroku (1655-1715)





Des zomers een stroom
doorwaden; in het midden
nog een keer omzien.


- Shiki (1867-1902)



Uit: J. van Tooren Japans Gedicht - de mooiste haiku, senryū en tanka, Amsterdam, Meulenhoff, 1985

In het land van de rijzende zon (2)



Sterker en sterker

verlang ik naar de streken
die ik achterliet;
en ik wilde zijn als gij;
o golven die steeds terugkeert.



*



O vergeet mij niet!
al ging onze weg uiteen
zo ver als wolken,
wacht totdat ik wederkeer
als de maan langs de hemel.


- Ariwara no Narihira (825-880)





Uit: J. van Tooren Japans Gedicht - de mooiste haiku, senryū en tanka, Amsterdam, Meulenhoff, 1985

vrijdag 11 maart 2011

Aanbod





Fragment uit de afdeling "Stad" van Frans Budé in zijn bundel Bestendig Verblijf (Amsterdam, 2009).
In handschrift van de dichter, ten behoeve van www.Schrijfversinfo.nl

dinsdag 8 maart 2011

De ware reiziger


VAARWEL


Al ga ik zeer ver weg, wil mij getroost beminnen,
het is geen ander ik dat op een steven staat
om onder feller licht een leven te beginnen
met dromen die gaan bloeien voor een nieuw gelaat.

Mijn ogen blijven thuis; bij u blijven mijn handen.
Naast u is rust genoeg voor hen, zelfs avontuur;
want beter dan wie ook weet ik dat vreemde landen
niets anders voor ons zijn dan de oude, blinde muur

Dus zeg ik u tot ziens, oprecht, daar zal ik keren.
Bewaar dit huis terwijl ik elders zwerven moet
Waarom, ik weet het niet. Misschien om eens te leren
dat gij die achterblijft de ware reizen doet.


© Karel Jonckheere


Uit: Karel Jonckheere Poëtische inventaris, Amsterdam/Brussel, Paris-Manteau, 1972


- met dank aan M.C.

zondag 6 maart 2011

Broekzoom


VOORWAARDE


Voorwaarde was dat hij iets meenam
als hij terugkwam
een souvenir een symbool een bewijs
een goedmakertje voor zijn weggaan

Tour Eiffel aan een kettinkje
een indianenveer een pelsmuts een potscherf
een ruwe diamant woestijnzand in een broekzoom
of een vreemd lied op zijn lippen

alleen dan liet men hem node
had hij dat goed begrepen?
node gaan

hij beloofde het grif
alles om van hen af te zijn
kon nog net voorkomen een afscheidsfeestje
uitgewuifd door vrienden en familie
hoempaorkest of wat ze verder verzonnen

in het diepst van de nacht ging hij op weg
brood niet mee en zonder kompas
zomaar lopen dag sterren dag aarde
dag adem dag stilte voorgoed


© Remco Campert


Uit: Remco Campert Een oud geluid Amsterdam/Rotterdam, De Bezige Bij-Poetry International,
Gedichtendagbundel, januari 2011

Lankmoedige dagen


EEN MEISJE




Ze wacht.
Nee, denkt ze, ik wacht niet,
ik dans.

Ze danst,
ze danst met lange, ranke passen,
langzaam en aandachtig,
ze houdt haar ogen dicht,

ze danst door deuren en door ramen
en door lange lankmoedige dagen -
hout, glas en uren vallen in splinters rond haar neer -

en telkens als ze niet meer kan
en bijna, bijna valt,
denkt ze: Ik?
ik val niet, ik dans.



© Toon Tellegen



Uit: Toon Tellegen Kruis en munt, Amsterdam-Rotterdam, Em. Querido/Poetry International, 2000
 
- verschenen t.g.v. de eerste Gedichtendag, januari 2000

zaterdag 5 maart 2011

Lijnen



ONTHAND


Buiten is van papier en potlood, de hand
is weg. Er wandelen stripfiguren, maar
het wit drukt overal doorheen. Ik was de hand
achter de kantlijn.

Er breken stripfiguren door de lijnen,
in en uit. Hun verhaal duwt, bonkt,
tegen de slapen. Als een ballon waarin
tekst groeit en zich opblaast.

Binnen is van papier en potlood,
Een hand tekent een gang om in te
verdwijnen. Met stripfiguren ren ik,
langs genummerde deuren het wit in.


©
Erik Spil


Gepublic. in: Meander afl. 410, 6 maart 2011

Volmaakt



GEOGRAFISCH



Tussen oorlog van met zijn tweeën
en ontberingen van alleen zijn
moet de volmaakte omgang liggen.


©
Elly de Waard



Uit: Elly de Waard Afstand, Amsterdam, De Harmonie, 1978

Confetti van glas


CARNAVAL





Ver weg in een ándere wereld vond het plaats
                                                                    dit carnaval
het ezeltje dwaalde door de verlaten straten
waar niemand ademde
gestorven kinderen stegen aldoor ten hemel
kwamen even terug om hun vliegers op te halen
                                                          die ze vergeten waren
er viel sneeuw confetti van glas
verwondde de harten
een wouw geknield
verdraaide haar ogen als een dode
er kwamen alleen colonnes soldaten voorbij links-twee
links-twee met ijskoude tanden

's Avonds kwam de maan op
carnavalesk
vol haat
men bond haar vast en gooide haar in zee
met messen doorstoken

Ver weg in een ándere wereld vond het plaats
                                                                    dit carnaval



© Miltos Sachtouris




Uit: Miltos Sachtouris (1909-2005) Het hoofd van de dichter, tweetalige uitgave - uit het Grieks vertaald door Bernadette Wildenburg en Jan Veenstra - Groningen, Styx Publications, 1993

vrijdag 4 maart 2011

Gemaskerd


CARNAVALSAVOND

(BPAΔY AΠOKPIAΣ)


In de duistere cel
snakte ik naar een boom, naar iets levends.
Op de beschimmelde muren verzonk mijn blik
in wanhopige afscheidsgroeten, in namen van terechtgestelden
die met het pleisterwerk neerstortten
als opnieuw gedood onder het gelach en het harmonicaspel
van de onwetende gemaskerden die buiten op straat langsliepen.
Nog altijd had ik niet begrepen dat de natuur begon bij mij
en dat de bewakers mij niets konden afnemen.


© Titos Patríkios


- uit het Grieks vertaald door Hero Hokwerda -

Uit: Aanslag op het zwijgen - zes Griekse dichters (op Poetry International, Rotterdam), tweetalige verzamelbundel. Groningen, Chimaira Publishing, 2002

Rugnummers


DE SCHILDPADDENRACE


Wordt de plank opgetild, komt het invasieleger in beweging.
Desert Storm avant la lettre in de dierentuin.
Dertig kleine tankjes, rugnummers op het schild gekalkt,
beginnen aan een etappe van vier meter,
naar de streep in het zand waarachter
slablaadjes lokkend liggen uitgestald.
Met de vrienden van straat en school
gokken op het winnend nummer.
Maar vooral kijken hoe ze
adembenemend traag
naar alle kanten uitwaaieren.
Herkennen: het tempo waarin je eigen jonge dagen varen
- maandenlange reis tussen ochtend en avond -
en ook geen idee waar het heen moet.
Toch snel van elkaar verwijderd raken
alsof

(drang tot diversiteit
die de schepping eigen is)
het uiteenvallen van de levenslopen
zich al aankondigt.
Daarna limonade.


©
Rouke van der Hoek



Uit: Rouke van der Hoek Bodemdaling, Amsterdam, Atlas, 2005


illustratie:
Hanne Wetzer, uit:
Eindhoven Dichtstad IV

donderdag 3 maart 2011

Lettergrepen



ONZE VOET VAN OORLOG




Wanneer wij de trap oplopen om middernacht
uit onze kleren te schudden, uit onze taal
en al te verwante bewegingen, dan weten wij
dat het bed waakt en wacht en wij,
moe en stoffig van zoveel dagelijkse revoluties,
er toch zullen in stappen op onze oude voeten
van oorlog en schimmelende wellust.


Soms bedrijven wij dan de almaar luiere liefde
als in een winterslaap, want wij hamsteren
onze driften en lieve woordjes niet meer,
verstoppen ons onder de grond van jaren
die ons een voor een hebben uitgegraven.


Maar meestal doen wij niets en wachten
op het vergeten dat wij naast elkaar liggen
begraven in dit bed, dit kilste, stilste
slagveld van lijfgeur en paringsdans,
van vroeggestorven warmtes, want nu
is het koud en voelen wij de trouwe nacht
als een loopgraaf onder de lakens.



*



Gegroet, meisje dat ik nog moet,
meisje ooit en nooit meer hier,
veel te hijgend verwoord, paars
en ijselijk word jij weer het december
van mijn verbeelding en groeit nu
mijn lettergrepen uit, jij laatste dag

van een jaar zonder ringen.



©  Y.M. Dangre


Twee gedichten uit: Y.M. Dangre Meisje dat ik nog moet, De Bezige Bij Antwerpen/WPG-uitgevers België, januari 2011


De oplage van Y.M. Dangre's  (1987) eerste dichtbundel Meisje dat ik nog moet was eind februari jl. in amper vier weken uitverkocht: een zeldzaamheid in de wereld van de poëzie, zeker voor een debuut.

woensdag 2 maart 2011

Kuifje


TROPICAL BEACH




Oplettendheid bracht de vogel.
Hier ligt het geluste in aftel,
het aas van de vissende bomen.
Voor vogelhoofdboothuis een kano
al omgekeerd op een plankje.
De vogel het nut van de snavel.
De snavel het nut van de vogel.

De zin van kleurige wieken
naar de tak van de vissende bomen.
Droom standen vol notige zaden.
Het kuifje dat even omhoog komt
om de mens in zich te onderdrukken.




© Tonnus Oosterhoff



Uit: Tonnus Oosterhoff  Hersentumor, Amsterdam, De Bezige Bij, 2005