maandag 9 mei 2011

Mensen zoals die


ZELFGEBAKKEN MAÏSTAART
 


Moeder had niets te maken
met dit alles.
Ze namen haar mee
omdat zij onze moeder was.
Zij wist niet wat er gaande was
niets
maar dan ook werkelijk niets.


Stel je haar voor.
Stel je haar verbazing voor,
meer nog dan de pijn.
Zij kon niet vermoeden
dat mensen
zoals die
gewoon bestaan
in deze wereld.


Het wordt alweer twee en een half jaar
en nog komt zij niet terug.
Zij kwamen de keuken binnen
en de ketel bleef op het vuur staan.
Toen vader thuis kwam
trof hij de ketel aan
droog
en nog steeds op het vuur.
Haar schort was er niet.


Stel je voor hoe zij naar ze moet hebben gekeken,
twee en een half jaar lang,
hoe zij naar hen moet kijken,
stel je de blinddoek voor die daarna
twee en een half jaar lang
haar ogen
bedekt
en diezelfde mannen
die niet moesten bestaan
en die opnieuw
dichterbij komen.


Zij was mijn lieve moeder.
Ik hoop dat zij niet terugkomt.


© Ariel Dorfman


- vertaling Eric Gerzon -

 
Uit: Vrijheid hoe maak je het? Amnesty International poëziebundel (samenst. Daan Bronkhorst).
 Breda, De Geus, oktober 1997

zondag 8 mei 2011

Zij


HET PROBLEEM KLEUR TE BESCHRIJVEN


Als ik eens zei - terwijl ik me zomers
De plotse rode vlek van de kardinaal
In de kale grijze winterbossen herinner -

Als ik eens zei, rood lint aan de strohoed met opgeslagen rand
Van het meisje met getuite lippen
Dat een ruwharig schoothondje koost
Op Renoirs schilderij -

Als ik eens vuur zei, als ik opwellend bloed uit een snee zei -

Of klaproos-sproeten in de naar teergras geurende zomerlucht
Op een door de wind belaagde helling buiten Fano -

Als ik eens zei, haar ene rode oorring trekt haar zijige oorlel uit,

Als ze de toekomst uit een pak gevallen bladeren voorspelt
Tot het goed uitkomt -

Roodgestifte tepel, mond -

(Hoe zou je niet van een vrouw kunnen houden
Die je bedriegt met de tarot?)

Rood, zei ik. Plotseling, rood.


© Robert Hass


- vertaling uit het Engels: H. C. ten Berge -


Oorspr. gepublic. in  Time And Materials (2007), hier uit:
Robert Hass Een verhaal over het lichaam, een keuze uit het werk van deze Amerikaanse dichter (1941, San Francisco) met vertaling en nawoord door Hans ten Berge. Amsterdam, Meulenhoff, 2010

Over erger


VERLOOP





Vijf jaar rijdt mijn moeder op haar fiets
met houten banden door het land. Zij vraagt om brood
dat nergens is en krijgt het niet. Het is
vijf jaar winter en zij ligt bevroren in
haar bedding, niets beweegt in haar. Daarna

ik. Strekkend tegen beter
weten, op een dorre plaats en buiten
adem uitgedragen. Stom, met regelmaat
geslagen, luister ik
naar verhalen over erger. Later

dochters die de oorlog alle dagen
zonder schrik bekijken. Vrouw wiegt haar
lichaam heen en weer op het trottoir,
druipend hoofd geschild als een stuk fruit.
Tijd voor Power Rangers. Oorlog uit.


© Eva Gerlach



Gedicht uit 1996, geschreven in opdracht van Het Nationaal Comité 4 en 5 mei

Geluiden


Als het zo nauw niet luistert

met die klanken als we dachten
mogen dan ook deze erin
of klinken die te erg naar mens:
de hopeloze schreeuw van de zwerver
in de doodlopende steeg,
het ratelen van de tank
die boven de keien van het plein
dat de naam van een heilige draagt
zijn kanonsloop traag naar jou toe draait
terwijl je geen kant meer op kunt?


© Willem van Toorn



Uit: Willem van Toorn De hofreis, Amsterdam, Querido, 2009

Koffieservies



DE TAAL VAN MIJN MOEDER






Ik heb mijn moeder in geen twintig jaar gezien
Zij stierf gewillig van honger
Ze zeggen dat ze iedere ochtend
haar hoofddoek afdeed  
en zeven keer op de grond sloeg
en de hemel en de Tiran vervloekte
Ik leefde in de grot
waar in schaduwen de dwangarbeider leest
en op de wanden het bestiarium van de toekomst schildert
Ik heb mijn moeder in geen twintig jaar gezien
Ze liet mij een Chinees koffieservies na
waarvan een voor een de kopjes breken
en ik ben er niet rouwig om zo lelijk zijn ze
Maar daardoor houd ik nog meer van koffie
Vandaag, als ik alleen ben
doe ik de stem van mijn moeder na
of liever zij praat in mijn mond
met vloeken, obsceniteiten en scheldtirades
de onvindbare rozenkrans van haar verkleinwoorden
de hele mensheid bedreigd door haar woorden
Ik heb mijn moeder in geen twintig jaar gezien
maar ik ben de laatste mens
die nog haar taal spreekt


© Abdellatif Laâbi


- vertaling: Bart Vonck -


Uit: Abdellatif Laâbi (1942 Fes, Marokko) Het continent van de gave Leuven, Uitgeverij P, 2007.

De dichter Laâbi bracht na arrestatie, marteling en veroordeling wegens "crimes of opinion" bijna de volledige jaren '70 door in de gevangenis. Vanwege zijn werk als schrijver en zijn politieke en sociale opvattingen was hij na vervroegde vrijlating gedwongen in ballingschap te gaan. Abdellatif Laâbi leeft en werkt tegenwoordig in Frankrijk.

zaterdag 7 mei 2011

Lippen



Soms is zo

veel zo ver weg
dat de wind in de
roos mij ontvalt en ik
met mijn laatste gelaat
uitgelegd lig in de kwikzilveren
bedding van uw van halleluja schuimende
lippen, waartussen ik hopeloos de weg kwijt
raak als uw eigen licht mij de duisternis in maant

en ik merk dat
onder de schaduw uwer
vleugelen geen terugkeer is:
niet in het u believen niet in
het u gerieven, want schuld aan
het vlees en doem in de van verdriet
doorknaagde ogen die in tweespalt staan
gestanst tussen erotomaan vergrijp en het vlammend
zwaard der gerechtigheid dat mij nimmer tot u toe zal laten -

bewaar me niettemin de blonde glimlach van mijn kind.



© Henk van der Waal


Uit: Henk van der Waal Schuldsanering, Amsterdam, Querido, 2000

Jaloers



LAAT ONS



Vergeet ons
en onze generatie
leef als mensen
vergeet ons

wij waren jaloers
op planten en stenen
jaloers op honden

was ik maar een rat
zei ik toen tegen haar

was ik maar niet
kon ik maar inslapen
en na de oorlog wakker worden
zei ze met haar ogen dicht

vergeet ons
vraag niet naar onze jeugd
laat ons


© Tadeusz Różewicz





- uit het Pools vertaald door Karol Lesman -


Uit: Tadeusz Różewicz De rest is zwijgen - vert. en red. Karol Lesman. Breda, De Geus, 2003

Rug


INKTVLEKKEN




Dagboeken zijn als levens, data, dag in dag
uit. Blauwe, strakke hemels, regen. Als het aan mij lag
zou ik zeggen: laat men de dagboeken voltooien,
handschriften, thema’s doen er niet toe. Gooien

we de mens voor leegoogige, gladgeschoren leeuwen
die om het bestaan van een dagboek slechts geeuwen,
dan zijn we niet die betere, verre vriend of goede buur,
al kleden we ons naar de tijd en betalen we zuivere huur.

Er zijn slechte buren geweest. Het theeservies
van de mens wiens dagboek als een raam
werd dichtgeklapt – glasgerinkel, inktvlekken – staat vies
op andermans aanrecht. Maak het nu beter, was het af en breng het terug.

Maar alleen de doden mogen vergeven en zij kunnen niet spreken.
Hun buren zijn andere doden, eindelijk veilig, zij hebben geen mond
of een kaarsrechte rug.




© Rogi Wieg



Gedicht uit 1997, geschreven in opdracht van het Nationaal Comité 4 en 5 mei

Situatie



OP DE STOEPRAND




Je vraagt je af of God (als Hij
het is geweest) toen Hij
de wereld schiep wel aan de
omstandigheden heeft gedacht.
Niet de heersende omstandiugheden
natuurlijk, die waren er nog niet -
vanuit het niets sloegen ze toe
als blauwwieren grepen ze in
Zijn Werk (als het het Zijne was)
om zich heen.

Omstandigheden. Altijd. Overal.
Je kunt geen straat in lopen of daar
zijn ze, samendrommend en elkaar
verdringend op de stoeprand. Geen
situatie denkbaar of ze staan er al
met eindeloze ach-en-wee's omheen.
Zo leef je steeds met het gevoel:
er is hier net een ongeluk
gebeurd.



© Koos van Zomeren



Uit: Koos van Zomeren Ik heet welkom, Amsterdam, de Arbeiderspers, 2007

vrijdag 6 mei 2011

Gestapeld


ERFENIS




Ooit was de wereld in zwart en wit
en van dat verre vroeger bleven beelden
bewaard vol bergen aangeharkte mensen
die vier poten hadden gekregen van de dood,
en uitgewoonde ogen. Ze zagen niet eens
dat ze bloot waren en op elkaar gestapeld,

schaamden zich niet voor hun onverschilligheid,
maalden niet om manieren, bekommerden zich
niet om wie thuis wachtte op een teken van leven.

Ik huilde van schrik; ik erfde hun tranen,
want er moet íemand om ze blijven geven,
nu de wereld in kleur is en in mij ging bestaan.




© Ted van Lieshout



Gedicht uit 1997, geschreven in opdracht van Het Nationaal Comité 4 en 5 mei.

Voor meer poëzie over de meidagen zie het archief Gedichten voor 4 mei van het nationaal comité op:
http://www.4en5mei.nl/herdenken/herdenking_organiseren/gedichten

donderdag 5 mei 2011

Voor alle vensters bloemen



Muurgedicht van Hans Lodeizen in Leiden, Haarlemmerstraat 78.


Voor meer Leidse Muurgedichten, zie:

http://www.muurgedichten.nl/


(linksonder op homepage, klikken op 'zoeken naar dichter/straat/taal')

woensdag 4 mei 2011

Mijn adem hapert


OM ZELF TE PROBEREN




Je kunt gaan zitten in een kamer groot genoeg voor je armen en benen,
je kunt afscheid nemen en dan buig je je hoofd, kin op de borst,
je duwt je lichaam naar beneden en nog verder tot je past.


Je tast de wanden af op zoek naar licht. Er is geen licht, natuurlijk niet.
Er is ook geen muziek. Geen plaats om heen en weer te lopen
geen ramen om open te doen, uit te gaan hangen


om mensen te zien of vrienden te groeten, om help help te roepen
naar wie daar ook langsloopt, wie daar ook fietst. Er is alleen
de ruimte die je inneemt, verder niets. Dus je wacht.


Het is benauwd hier, kun je zeggen. Mijn adem hapert, er drukt iets
op mijn longen. Het wordt koud. Is dit proberen afgelopen,
dit leren al geschiedenis? Kan nu het licht weer aan?


Je kunt ver klinken en oud. Er komt geen antwoord meer.
Je kunt hardop beschrijven hoe dat is.
Je kunt jezelf niet goed verstaan.




© Ester Naomi Perquin



E. N. Perquin, Rotterdams stadsdichter, in Bevrijdingsfestivalkrant mei 2011

Zulke woorden


ALS EEN SOLDAAT STERVEN GAAT




Bij de brancard op de grond
zat ik naast hem geknield
ik kuste zijn jack
ik zei: je bent mooi
je kunt nog zoveel geluk brengen
je weet zelf niet hoeveel geluk
je blijft leven mijn mooie
mijn dappere.

Hij glimlachte en luisterde
zijn oogleden werden zwaar
hij wist niet dat men zulke woorden
tegen een soldaat zegt
alleen als hij sterven gaat.


© Anna Świrszczyńska 


Uit: De mooiste van Świrszczyńska, bloemlezing. Samengesteld en uit het Pools vertaald door
Jo Govaerts en Karol Lesman. Tielt (B.)-Amsterdam, Lannoo/Atlas, 2006.


Gdy żołnierz kona


Przy noszach na podłodze
uklękłam obok niego
całowałam jego kurtkę
mówiłam: jesteś piękny
możesz dać tyle szczęścia
sam nie wiesz ile szczęścia
będziesz żyć mój piękny
mój dzielny.


Uśmiechał się i słuchał
ciążyły mu powieki
nie wiedział że takie słowa
mówi się żołnierzowi
tylko kiedy kona.
 
- Anna Świrszczyńska

Onteigend


DAG VAN DE DODEN





Het is weer voorjaar, dag van de doden
maar het sneeuwde toen deze woorden zich schreven

zij schreven vandaag, maar nu zij zich spreken
sneeuwt het nog steeds op een doodstille stad

vandaag hoort de woorden de stilte bezweren
alsof de tijd ooit te stillen was

zij noemen zich bij onteigende namen
zij willen wat doodzwijgt verstaanbaar maken

en roepen omlaag en omhoog in een gat
en spellen de sneeuw die maar niet wil smelten

op voorjaarsbloemen en monumenten
op vuilnisbelten en vazen met as

de witte stilte wordt gaandeweg grijzer
en wat de woorden ook willen ontzwijgen
de doden zijn dood, de bladzij is zwart –


© Gerrit Kouwenaar
 
 
Gedicht uit 1996, speciaal geschreven voor Het Nationaal Comité 4 en 5 mei

dinsdag 3 mei 2011

Vijand


DOMOREN EN DROMERS




De grote roergangers van deze tijd,
alle rimpels met zich dragend van de levenszee,
vrezen geen verzet van de domoren van het verstand:
´wie denkt, denkt vroeg of laat wel met ons mee´.

Maar wie met onvervalste wijsheid van een ongeschoolde
en van droom en drift doortrilde hand
de hemel aansnijdt om zijn naam te kerven
in de regenbogen -
die beschouwt de gangster aan het roer als vijand.



© Hans Verhagen



Uit: Hans Verhagen Eeuwige Vlam, verzamelde gedichten 1958-2003. Amsterdam, Nijgh & Van Ditmar, 2003

Volgekruist, met naamlozen


NAMEN



Noem de namen. Fluister, schreeuw
al luistert bijna niemand meer.
De velden blijven volgekruist
tot aan de horizon;
onder dezelfde noemer
één voor één verwoord.

Wie noemt de naamlozen?
Na veertig, vijftig, zestig jaar
nog altijd geen bericht,
geen landkaart uit te vaardigen
met tekens bij de kuilen,
geen handvol eigen grond
waarin zij zijn bewaard –

Het boek blijft open. Fluister,
schreeuw – en luister naar de stilte
waarin alle namen zijn gehoord.




© Louise Broekhuysen


Gedicht uit 1996, geschreven in opdracht van Het Nationaal Comité 4 en 5 mei

Het kamp in ons


DE MAN VAN PAP
*


- Ryszard Kapuściński -



OK,
dan heeft hij het aangedikt
dan heeft hij poëzie van feiten
soep van water gemaakt
is hij niet geweest
want niet bestaand,
heeft hij niet gesproken
want al dood.
En?

Heeft hij gedroomd
van plassende hondjes
op keizerlijke schoenen
van guerillastrijders
van baarden en barden
van loopgraven dicht
van gevangenissen open.
En?

Maar hij dichtte ook:
"Jij schrijft over de man in het kamp
ik schrijf over het kamp in de man
voor jou is prikkeldraad buiten
voor mij schuurt het in elk van ons."

Dat kon hij
het beeld boven het cliché
denk je echt dat er een verschil is

het zijn twee kanten van
dezelfde pijn.


© Mark Blaisse




Uit: Mark Blaisse Gestapeld steen, gedichten - Amsterdam, Panarea Publishing, 2010

* Ryszard Kapuściński (1932-2007) was een Poolse journalist, schrijver en dichter. Hij werkte voor het Poolse nationale persagentschap PAP. Zijn werk, op de grens van literatuur en journalistiek, en zijn reportages uit oorlogsgebieden in Afrika en Midden-Amerika vormden een voorbeeld voor velen: vooral door Kapuściński's aandacht voor het menselijke aspect bij ingrijpende, historische gebeurtenissen.

Trein


VERBAASD




Wetende en toch steeds weer verbaasd
dat het vertrek van de trein die naast
je staat je stilstaand rijden doet.

Dat uit het fototoestel dat de vader
achterliet, hoe hard de grimas ook een lach
betracht, geen vogeltje vliegt.

Dat het verwijderen van een tegel,
jaren geleden in de tuin gelegd, toont
hoeveel leven zich aan het oog onttrekt.

Wetende en toch steeds weer verbaasd
dat zelfs wie dagelijks de dood voorspelt
nooit aan het eigen graf staat.



© Eddy van Vliet



Uit: Eddy van Vliet (1942-2002) Verzamelde gedichten, Amsterdam, De Bezige Bij, 2007

maandag 2 mei 2011

Doorzichtige vleugels


XXV



Ik zie je in de vensterruit: je haar gekapt als een helm, de wallen onder je
ogen. Het wachten groeit ορ je schouder als een bochel, barst na enige
tijd en verspreidt een wolk van libellen in het rond. De dοοrzichtige
vleugels spartelen οp je gezicht.
  De roerloze acacia's onder de zomerzon. Je steekt je hand uit naar het
glas water. De druppels rollen over de vloer als kralen. Het lawaai ervan
verpulvert de stilte. Het poeder gaat liggen οp de meubels. Dan stelt het
tafereel zich weer samen.


© Doina Ioanid




- uit het Roemeens vertaald door Jan H. Mysjkin -



Uit: Doina Ioanid Het juffertje van marsepein, Rotterdam, Douane, 2011 - met vertaling en nawoord van Jan Mysjkin

Kinderzitje


LEVEN





Leven - doorgaans komt het me ongelegen,
maar iedere morgen moet ik het toch weer.
Was er maar tussen slaap en dood zijn in
een minder alledaags en zeurend zeer.


*



PETRUS

 

Nadat de haan tot drie keer had gekraaid,
kwam Petrus, kreeg de sleutels, opende het hek,
ging op de rotsgrond schapen weiden.
En wij maar distels grazen, wachtend op de Heer.


*


DANKBAAR


Een lieve vrouw, een mooie baan, een prachtig huis.
'k Dank U hartgrondig voor die gunstbewijzen.
Ook voor mijn snelle fiets, met inbegrip
van niet te demonteren kinderzit.



© Anton Korteweg





Uit: Anton Korteweg Voor mannen is 't niet erg - veertig jaar dichterschap in veertig kwatrijnen, Amsterdam, Meulenhoff, 2011

zondag 1 mei 2011

Nicht gewuszt


NA DE ZELFMOORD VAN EEN SCHOLIERE






Ik heb het niet geweten
jij hebt het niet geweten
hij zij het wij jullie zij
hebben het niet geweten

Ik heb het niet kunnen weten
ik heb het niet willen weten
ik heb het niet aan zien komen
ik heb het laten gaan
ik heb het niet kunnen tegenhouden

Ik heb ook maar twee ogen
ik heb ook maar twee handen
ik heb ook maar één telefoon
ik kan niet overal zijn
ik ben niet altijd bereikbaar

Ik geloof in christus zegt men
hij had jullie kunnen helpen zegt men
als ik jij hij zij het wij jullie zij
christus zijn geworden
dan hoeft men niet meer
zegt men te zeggen.



© Dorothee Sölle



Dorothee Sölle (1929-2003) was een Duitse theologe en hoogleraar in New York die meer dan veertig boeken schreef. Zij was aanhanger van de god-is-doodgedachte en geloofde dat geloof en politiek niet te scheiden zijn.

zaterdag 30 april 2011

Zachte woorden



'Kom terug.'
Als ik die woorden eens zó zacht kon zeggen
dat niemand ze kon horen, dat niemand zelfs kon denken
dat ik ze dacht...

en als iemand dan terug zou zeggen
of desnoods alleen maar terug zou denken
op een ochtend:
'Ja.'


© Toon Tellegen



Uit: Toon Tellegen Over liefde en over niets anders, Amsterdam, Querido, 1997

Vrij


VLAG

Een vlaggenmast houdt
vlaggen vast.
Een windvlaag vindt dat
ongepast.

Maar als de vlag
gestreken wordt,
is er geen windvlaag meer
die mort.

Dan wappert fier en vrij
de wind:
er is geen vlag die hem
nog bindt.


© Wiel Kusters


Uit: Wiel Kusters Velerhande gedichten, Amsterdam, Em. Querido, 1997

donderdag 28 april 2011

Kleine gebreken


BEHOUDEN HUIS


In dat huis kwamen ze zich telkens weer tegen
's avonds bij lamplicht gebogen over veranderlijk
leven en alledaags spreken waarin vooral
de plotse hiaten hen raakten. En 's morgens


stapten ze in het raadsel hun lichaam, toch nog
verbaasd vanwege de kleine stroeve gebreken
die ze er aantroffen. Buiten heerste het grote

gestage waarin roestig vee vanzelfsprekend
groei tussen de stenen wegvrat terwijl bomen
de zonnestand weergaven tot er


tussen de wolken een vuur ontbrandde
dat rafelde in een steeds zwarter zwart en wind
zich langs dakgoten haastte het licht


achterna dat richting een zee
dreef die ze kenden van kaarten, niet zagen
omdat ze te dicht bij het grazen verbleven. 



© Hester Knibbe




Uit: Hester Knibbe Het hebben van schaduw, Amsterdam/Antwerpen, de Arbeiderspers, april 2011

vrijdag 22 april 2011

Ongeneeslijk verklaard


DE BASISWOORDENSCHAT




Als je niet elke dag mijn naam schrijft,
o, moge je hand geplet worden in de schroef van de zinnen!
Verstijfd, de mond
waarmee je de woorden krabbelt!
Gegeseld het woord
die de klemmen opent voor de wolven
tussen jou en ons!

En mogen ze voor altijd ongeneeslijk zijn, je wonden,
die je wast met mijn tranen,
in een vat vervoerd naar de stad!
En moge je gezicht
voor eeuwig bezoedeld zijn in de ramen,
als je niet alle dagen mijn naam kerft
in de kan van de liefde!

O, maar als je in je slaap niet mijn naam schrijft
met zachte en verfijnde letters,
zoals in het begin,
dan zal ik ze op je lippen naaien,
diep, met catgut.*


© Linda Maria Baros


- uit het Frans vertaald door Jan H. Mysjkin -


In: Revolver nr. 138, 2008



*Catgut is een taai materiaal dat vooral in het verleden werd gebruikt in de chirurgie voor het hechten van (mond)wonden, in de muziek voor het maken van snaren en bij tennis voor de bespanning van wedstrijdrackets. Catgut wordt gemaakt van de darmen van dieren (niet van katten, zoals de naam suggereert, maar meestal van schapen). De stof wordt langzaam door het lichaam opgelost, na vijf dagen is een groot deel van de sterkte en spankracht verloren.
Oplosbare hechtingen hebben het voordeel dat geen 'draadjes' hoeven te worden verwijderd wanneer een wond is genezen. Nieuwere, duurzamere materialen waaronder operatielijm hebben deze traditionele toepassingen inmiddels verdrongen: ook om weefselreacties en vaak infecties te voorkomen

dinsdag 19 april 2011

Naar binnen


BEMINNEN



Zeer strekt het zich uit naar binnen.
Want zo ver gaat beminnen:

een wijd open land met ginds een man,
een vrouw die naar de einder staart
waaraan een man, een vrouw, een engel.
Het einde verwatert, verdampt, verdwijnt
naarmate je nadert.

Zijn vinger die naar binnen glijdt
vindt instemming. Hij deelt zich uit:
ogen, mond, tong, penis, zaad.
Met hart en ziel raapt zij hem op
en legt hem neer in goede aarde.

Want het grenst nooit.
Ook al slaat de klok ons hard om de oren,
het streeft en het loont.
En heel soms merk je dat er licht brandt
in een huis waar niemand woont.


© Ivo van Strijtem



Uit: Ivo van Strijtem De mooie Ierse, Amsterdam/Antwerpen, uitgeverij Atlas, 2002

maandag 18 april 2011

In geval van nood


RAMEN OF DEUREN




het verschil tussen ramen en deuren
is zo duidelijk en groot
dat ik als ik moest kiezen
het wel wist en met een raam
al heel blij was

een deur is zo plotseling
onverhoeds sta je daar
van top tot teen binnen of buiten
een open deur staat slordig
en een dichte deur is dicht

terwijl ramen ach
denk eens aan ramen en wat je
daarvan maken kunt en wat je
daaraan toe kunt voegen
luiken bijvoorbeeld
vensterbanken bloemen jaloezieën
of gordijnen of spionnetjes

je kunt binnen zijn
en toch naar buiten kijken
zien zonder je te laten zien
met alleen maar een raam in je kamer
zou je veilig zijn terwijl je
als de nood aan de man komt
altijd nog zo’n raam kunt gebruiken
als deur



© Mischa de Vreede


Uit: Mischa de Vreede In plaats van praten Amsterdam, Arbeiderspers, 1985

zondag 17 april 2011

Onderrug


Je komt op me zitten
met je rug naar me

toe
je buigt achterover,
in je ruggengraat
buigt een adder mee:
de twee kuiltjes in je onderrug
zijn ogen.

Ik hou me aan je adder vast.

Het beest en ik.

Hoe dieper we elkaar aankijken
des te beter voelen we
hoe we elkaar zijn

verloren.


© Peter Verhelst





Uit: Peter Verhelst Zoo van het denken, Amsterdam,
Prometheus, maart 2011

Struik (Palmpasen)


DE INTOCHT VAN CHRISTUS IN MAASTRICHT




 Bij aankomst op het station prijkte een bord


Ten strengste verboden
Maastricht te betreden op een ezeltje


en ook niet op sandalen


of in een T-shirt of bermudabroek
merk Zeemeermin!


Jezus! De Messias loopt bij voorkeur op sandalen
over de wateren!
Hij draagt bij voorkeur Zeemeermin! In de woestijn vooral
Het zit Hem als gegoten!


Dus de Stationsstraat nauwelijks uit
was Hij, de Mensenzoon, al gearresteerd
op zijn – Hop! Hop! - ezeltje
door Reviaanse Flikken


En opgesloten in de Dodencel
onder het Gouvernementgebouw
dat Sanhedrin van hypocriet Maastricht


Zijn vonnis: Kruisiging
Tijdstip: Goede Vrijdag
Plaats: Kalvarie


Die dodencel was overcrowded
o.a. zat Hem daar kwijlend aan te staren
die benigne woudreus met het syndroom van down
van Palestijnse afkomst
Bar-Abbas…
Een struikrover, want… hij had een struik geroofd!



Alsook Maria Magdalena, een callgirl met syfilis
eens het stiekeme liefje van de Gouverneur
Pontius Pilatus de Twaalfde
Maar nu in ongenade
De wereld was nog onbekend met het middel Salversan

Zij stond erop Jezus te pijpen
een cadeautje voor zijn laatste uur
die Barmhartige Samaritaanse!

"Ach, doe maar, sweetheart, doe maar
wat doet het er ook toe…

Was wel na afloop van mijn zaadontlading
je lieftallige Facebook-lipstick-mondje
in onschuld, wil je?

want jij, Magdalena
zult met mij zijn in het Paradijs…

en jij, Bar-Abbas
wordt daar dan Prins Carnaval

in een kostuum, sneeuwwit
merk: Thabor

Zowaar ik Jezus Christus heet
van eeuwigheid tot eeuwigheid…

De Groeten aan James Ensor!"
 
 

© Manuel Kneepkens

 
- ongepubliceerd, Palmzondag april 2011 -

dinsdag 12 april 2011

Dodepop


STANDBEELD



Een lichaam, blind van slaap,
staat in mijn armen op.
Ik voel hoe zwaar het gaat.
Dodepop.
Ik ben een eeuwigheid te laat.
Waar is je harteklop?

De dikke nacht houdt ons bijeen
en maakt ons met elkaar compact.
'Om Godswil laat mij niet meer los;
mijn benen zijn geknakt,'
fluister je aan mijn borst.

Het is of ik de aarde tors.
En langzaam kruipt het mos
over ons standbeeld heen.



© Gerrit Achterberg





Uit: Gerrit Achterberg Verzamelde Gedichten Amsterdam, Em. Querido, 2000 

Nergens heen


DE JAS



Maar eerst is er een oude jas. Nu hangt hij
aan de kapstok, binnenkort wordt hij
verbannen naar het hok.

En eerst is er een avond waarop ik aarzel
naar buiten te gaan. Buiten is het koud.
In gedachten trek ik voor het eerst

die oude jas aan. Ik ben alleen op straat.
Wie had dat durven hopen. Ik kijk
in de ruiten en zie

voor het eerst mijn vader in deze stad lopen.
'Waar ga je heen?' 'Nergens heen.'
'Dan gaan we dezelfde kant op.'




© Wim Brands



Uit: Wim Brands De schoenen van de buurman Amsterdam, Podium, 1999

vrijdag 8 april 2011

Ongeschikt


DAT ZOU NIET GOED ZIJN

(To nie byłoby dobre)


Als ik alleen ben
ben ik bang om me
te snel om te draaien.

Wat zich achter mijn rug bevindt
zou wel eens niet op tijd
een vorm kunnen aannemen
die geschikt is voor
mijn mensenogen.

En dat zou niet goed zijn.


© Anna Świrszczyńska



Uit: De mooiste van Świrszczyńska, bloemlezing. Samengesteld en uit het Pools vertaald door
Jo Govaerts en Karol Lesman. Tielt (B.)-Amsterdam, Lannoo/Atlas, 2006

donderdag 7 april 2011

Knie


VOORBIJ, VOORBIJ


 

Naakt lig je naast me en ik hoef niet eens -
je kan wel merken dat ik ouder word.
Kwam daar een jaar of twintig terug eens om!
Zag ik je knie, hij stond al voor je klaar.




*





BIJ MOOI WEER

 

Bij mooi weer word ik in de tuin gezet.
Ik ben niet dood, hoewel ik niet beweeg.
Ze zoeken me - dat moet - nog wel eens op
en staren somber naar mijn bruine kop.





*



 ZELFHULP




Heb je niemand,
heb je nog jezelf.
Krijg je antwoord,
verberg je dan.






© Anton Korteweg




Uit: Anton Korteweg Voor mannen is 't niet erg - veertig jaar dichterschap in veertig kwatrijnen, Amsterdam, Meulenhoff, 2011

Tussen de sluizen


TWEEDE ODE




Ik hou van je. Het moet maar eens gezegd.
Ik hou van al die oude, nooit geruimde hopen
steen. Dat waaigat dat probeert een plein te
zijn. Het spraakgebrek dat Utrechts heet.

Ik hou van de Dom, die hoge hoerenkast
die mensen reduceert tot mieren. Het water
dat ruist tussen de sluizen. De kelders aan
de grachten waarin vele eeuwen huizen.

Hoor je het dreunen? Daar komen ze aan:
reclamemakers, marketeers en managers.
Het is een machtig stampen. Ze branden

je tot merk, walsen een logo van je naam,
vervalsen je geschiedenis, ze timmeren wat
krom was recht. Ze maken alles Utr-echt.
 


© Ingmar Heytze





Sonnet uit: Ingmar Heytze Utrecht voor gevorderden. De Domstad in 40 nieuwe gedichten. Amsterdam, Podium, 2011.

woensdag 6 april 2011

Nooit een lijf


AMSTELSTATION
7.1.76 / 9.15 uur





Je hebt me in de trein
opnieuw getroffen

er is geen beeld, er staat een scherm
van woorden
dat je aan het oog onttrekt

hoewel door jou gewekt en twintig jaar
geschaduwd
wist je altijd ongezien te blijven

men mocht niets meer van je weten
dat je in je brieven schreef
“Ik ben geschonden
en gebeten
maar ik leef”

je schreef
“Het sap
zal spoedig door de takken stromen”

jij overheilig wijf
je bent in alles
wat ik schrijf aanwezig

steeds het galgenaas van godgeleerden
kreeg je soms gestalte,
nooit een lijf

veel besproken en toch
onbeschreven ben je
slechts als tekstlichaam intact gebleven

men las liefde en seizoenen af
aan je gegroefde huidstructuur

winter duurde eeuwen;
kou vrat je niet aan

wat strijd om het bestaan was
werd de kunst van overleven

nog zijn de tijden guur en wij
al voor de oerschreeuw aangetast

nu ik je aanraak met mijn ogen
zie ik weer
de glans van donker woordglazuur



©  H.C. ten Berge


in: Ons poëtisch dichtersland, Amsterdam, Vroom & Dreesmann, 1988

Afvalligen


Zeg aan de kinderen dat wij niet deugen.


Wij tatoeëren de varkens van China,
Beplakken plafonds met de pantsers van kevers,
Wij maken machines die stront produceren
En proppen een pot vol met schelpen van mossels,

Klaar. Het is kunst want wij noemen het kunst.

Wij aanbidden de pisbak Duchamp, de verroeste
Spijkers met koppen van Uecker, de dolksteek
Fontana, wij gaan op de knieën voor schoonheid
Van afval. Afvalligen zijn we. Van wie dan?
Geen kwast observeert ons verleden frontaal.


© Leonard Nolens



Negende gedicht uit titelafdeling
in: Leonard Nolens Zeg aan de kinderen dat wij niet deugen Amsterdam, Em. Querido, 2011

zaterdag 2 april 2011

Gebeurtenissen


GOD





We liepen de stad in.
Er was een wielerkoers.
Achterin de groep hing een renner die had gelogen,
Zijn vrouw geslagen, zijn hond gedrogeerd
En een poging tot zelfmoord had gedaan.
Niemand sloeg acht op de koploper,
Men wachtte op de man achterin,
Die bij elke doorkomst een daverend applaus kreeg.
Een kenner met een bierblikje in de hand
Een een pet van IJsboerke op het gezwollen hoofd fluisterde
Dat de gevallen held een aanzienlijk hoger startgeld had gekregen
Dan de vedetten.
Na afloop werd hij, stralend van vreemde opwinding,
Door mooie vrouwen gekust
En terwijl de winnaar als een geslagen hond afdroop,
Werd hem onder luid gejuich
Een enorme beker met fleurige linten overhandigd
Als prijs voor 'de strijdlustigste renner'.
Even later was iedereen weg
En zag de plek er, als in een desolate droom,
Onheilspellend uit.
Toch hadden de gebeurtenissen ons met vreugde vervuld
En gingen we hoopvol gestemd
Op zoek naar een café.


© Alex Roeka


In: fragm. nr. 3 A. Roeka Drieluik van het wielerseizoen, uit De Muur nr. 24, Amsterdam, L. J. Veen, maart 2009  

Wielrennen is niet alleen een sport, maar ook "een literair genre". Ontdekte althans Herman Chevrolet, auteur van het recent verschenen Het Feest Van List En Bedrog, die enkele jaren geleden slechts één ambitie had: winnen van de Ronde van Lefkas, een legendarische wedstrijd op een Grieks eiland waar regelmatig slangen over het parcours kruipen.

Morgen, met start in Brugge (B.), een nieuwe aflevering van een mythische eendagskoers: de 95ste Ronde van Vlaanderen.

donderdag 31 maart 2011

Lusttuin


ROODMAANVOGEL


Hij heeft zijn kooi achter het Nachtdierenpaviljoen
terzijde van de braamstruiken langs de spoorlijn
naar Utrecht
De bulk van dierentuinbezoekers komt daar niet

Bovendien woekert er een enorme rododendron
in z'n volière. En daarachter is het pure donker
van z'n nachthok

waarin Hij zich te allen tijde kan verschuilen
(wat Hij ook doet... )
Hij, Zijne Majesteit Schuwheid
oogverblindender
dan Pauw & Paradijsvogel tezamen!

Het is alsof een rilling over de verliefde lippen
van wijlen de laatste Sjah van Perzië
diep zuchtend
overgaat
in een rilling
over de perzikschoot van Farah Dibah
Sjah's
vruchtbaarste Sheherazade
(ooit, toen Iran nog een seculiere staat was... )


zo intens is het Perzisch miniatuur-
rood
van het pronkkleed van de Roodmaanvogel

O, de boze Sprookjeswereld van alledag
bestaat heel even niet voor eenieder
die een Roodmaanvogel ziet / of hoort...

Diens hals: één vlam van Passie
diens snavel:
louter Liefde…


maar Hij, zo diep achterin in de Tuin der Lusten
als Hij er op zekere nacht vandoor gaat
naar Tibet of Nepal… wie zal 't merken?

En hoe moet dat dan met ons?

Naar Rotterdam keert hij nooit meer terug!



© Manuel Kneepkens


Uit: Manuel Kneepkens Een vrolijk dierenalfabet, gedichten en illustraties. Rotterdam, Douane, 2009

woensdag 30 maart 2011

Juk van vreugde


BIJ GEBOORTE
(I)





Als opgebaard leven ligt daar de boreling.
Wie met hem te doen heeft, benijdt hem.

Nog nauwelijks het niets ontrukt
drukt hem al het juk van de vreugde

De pose naast de teddybeer
die opzichtig voor zijn beste vriend doorgaat.

De bezoekers koeren;
een hogere vorm van ademen.




© Hagar Peeters


Uit: Hagar Peeters Wasdom Amsterdam, De Bezige Bij, 2011