zaterdag 17 september 2011
Blije zoon
DE MOEDER
Ik ben niet, ik ben niet dan in uw aarde.
Toen gij schreeuwde en uw vel beefde
Vatten mijn beenderen vuur.
(Mijn moeder, gevangen in haar vel,
Verandert naar de maat der jaren.
Haar oog is licht, ontsnapt aan de drift
Der jaren door mij aan te zien en mij
Haar blijde zoon te noemen.
Zij was geen stenen bed, geen dierenkoorts,
Haar gewrichten waren jonge katten,
Maar onvergeeflijk blijft mijn huid voor haar
En onbeweeglijk zijn de krekels in mijn stem.
'Je bent mij ontgroeid,' zegt zij traag mijn
Vaders voeten wassend, en zij zwijgt
als een vrouw zonder mond.)
Toen uw vel schreeuwde vatten mijn beenderen vuur.
Gij legde mij neder, nooit kan ik dit beeld herdragen,
Ik was de genode maar de dodende gast.
En nu, later, mannelijk word ik u vreemd.
Gij ziet mij naar u komen, gij denkt: 'Hij is
De zomer, hij maakt mijn vlees en houdt
De honden in mij wakker.'
Terwijl gij elke dag te sterven staat, niet met mij
Samen, ben ik niet, ben ik niet dan in uw aarde.
In mij vergaat uw leven wentelend, gij keert
Niet naar mij terug. Van u herstel ik niet.
© Hugo Claus
Uit: Hugo Claus De Oostakkerse gedichten Amsterdam, De Bezige Bij, 1955.
Ook in: Claus Gedichten 1948-1993, Amsterdam, De Bezige Bij, 1994
Voetsporen
IN HET HUIS VAN JE VADER
De kat die toe mag kijken als we vrijen
die Tom heet, net als vroeger, de paraplu
die niet de paraplu is waarmee jij
onder de douche het vieze weer naspeelde
de handen die je niet meer bij je middel
eenzame voetsporen op het plafond
© Krijn Peter Hesselink
Uit: Krijn Peter Hesselink Stil alarm, Amsterdam, Nieuw Amsterdam, 2009
vrijdag 16 september 2011
Nacht van de Poëzie
DE KARGADOORSLAM #5
ontvang me
mag ik je foetus zijn
en smelten in je lieve
warme lichaam
om daar mezelf te kunnen zijn
veilig bij je in de schoot geworpen
gevoed door jouw mond
met je verstrengeld liggen
mijn leven lang ongeboren blijven
je intens beleven
en als dat niet kan
mag ik dan tenminste,
verdomme tenminste
een avond bij je
onder de lakens kruipen
© Daniël Vis
het is niet erg
als er 800 paarden stuiven
over de oude gracht
opgejaagd door vandalen
van die vandalen die niet weten
dat daar een belofte
over de schepping sprak
© Daniël Vis
Twee gedichten van Daniël Vis (1988), die morgen werk van de jonggestorven Vlaamse geestverwant Jotie T’ Hooft (1956 – 1977) zal voordragen tijdens de 30ste Nacht van de Poëzie
in de Utrechtse Stadsschouwburg.
De line-up voor deze jubileumeditie: Jana Beranová, Chrétien Breukers, Ellen Deckwitz, Jules Deelder, Bob Fosko, Koen Goudeseune, Jo Govaerts, Hester Knibbe, Gerrit Komrij, Kees van Kooten (leest voor uit Billy Collins), Lieke Marsman, Martin Reints, K. Schippers, Rob Schouten, Vrouwkje Tuinman, Maud Vanhauwaert en Stijn Vranken. Daarnaast draagt Hadeych Minis gedichten van M. Vasalis voor, Daniël Vis werk van Jotie T’ Hooft en Herman Finkers van Willem Wilmink.
Presentatie: Ingmar Heytze en Jeroen van Merwijk.
Gevestigde namen en aanstormend dichttalent: denkers, woordkunstenaars en taalgoochelaars zullen de nachtelijke duisternis verlichten. Waarna tot zondagmorgen in de vroege uurtjes nog de Slam Night volgt, georganiseerd door het Poëziecircus: een wedstrijd met ruim twintig elkaar dichterlijk beconcurrerende slam-poets.
Muzikale optredens zijn er van o.a. Mondo Leone, Zapp4 en Reinbert de Leeuw.
Meer informatie over programma en deelnemers staat op:
http://www.stadsschouwburg-utrecht.nl/voorstellingen/5170/
woensdag 14 september 2011
Als een zalm
WANNEER ALLES DIEP VAN BINNEN PIJN DOET
Wanneer alles diep van binnen pijn doet
En je alleen, tegenover je eigen beeld,
Ziet dat het vervormd is door ontbrekende spiegels
Wanneer de dingen voor je schaduw wijken
Wanneer je woord dat van een ander lijkt
En je hartslag uit je lichaam vlucht
Wanneer je handen ver van je weg zijn
En je de afdruk van je voeten niet herkent
Wanneer je het gezicht dat nadert bent vergeten
Wanneer je niets meer waarneemt dan dode buitenkant
Ga dan
Als de zalm
Tegen de stroom in
Met alle razernij van je woede
Wanhoop niet
Het water zal de stenen breken
© Michèle Najlis
Van Michèle Najlis [1946, Nicaragua] verschenen begin jaren negentig de bundels Caminos De La Estrella Polar en Cantos de Ifigenia. De Nederlandse vertaling van bovenstaand gedicht uit het Spaans is van onbekende herkomst.
Zie ook Margaret Randall's Sandino's Daughters Revisited - Feminism in Nicaragua (USA, 1994).
dinsdag 13 september 2011
Kuil
mag ik hier een gat graven
mag ik de grond omspitten
om een kuil te maken
mag ik hier liggen gaan
dat ik voor altijd bij de aarde
zal zijn, mij er eens
herbergen kan gaan
© Leo Herberghs
fragm. uit: Hij, de langzaamste van allen - nieuwe dichtbundel van Leo Herberghs (1924).
Verschijnt op 30 september as. in Utrecht, bij uitgeverij De Contrabas
Devotie
ZONDER DAT IK HET VROEG WAS JE ZO GOED
[Sem que eu pedisse, fizeste-me a graça]
Zonder dat ik het vroeg, was je zo goed
mijn lid zich te doen lengen.
Zonder dat ik het verwachtte, lag je op je knieën
in devote houding.
Wat geschiedde is niet slechts geschiedenis.
Voor altijd én een dag
ontvangt mijn penis de kus van devotie van je mond.
Nu ben je er niet, noch weet ik waar je bent,
in absolute onmacht tot gebaar of boodschap.
Ik zie je niet ik hoor je niet ik druk je niet tegen mij aan,
alleen je mond is hier, aanwezig, in aanbidding.
In aanbidding.
Nooit had ik gedacht dat ik een god tussen mijn dijen had.
© Carlos Drummond de Andrade
- uit het Portugees vertaald door August Willemsen -
Uit: C. Drummond de Andrade (Brazilië, 1902-1987) De liefde, natuurlijk / O Amor Natural [gedichten]. Amsterdam-Antwerpen, De Arbeiderspers, 1992
Munt
FLES IN ZEE
Drie rotsen, een paar armzalige dennen en een verlaten kerkje
en daarboven
begint hetzelfde landschap opnieuw als een kopie;
drie rotsen in de vorm van een poort, roestig,
een paar armzalige dennen, zwart en geel,
een vierkant huisje begraven onder kalk;
en daarboven begint hetzelfde landschap
nog vele malen trapsgewijs opnieuw
tot aan de horizon tot aan de schemerende hemel.
Hier hebben wij de boot verankerd om onze gebroken riemen te herstellen
om water te drinken en te slapen.
De zee die ons verbitterde is diep en niet te peilen
en strekt zich uit in eindeloze sereniteit.
Hier tussen de steentjes hebben wij een munt gevonden
daar hebben wij om gespeeld.
De jongste won en hij verdween.
Wij gingen weer aan boord met de gebroken riemen.
© Yórgos Seféris
Gedicht Mποτíλια στò πέλαγο [botília stò pélagos, lett. fles in volle zee] uit:
Yórgos Seféris Gedichten, uit het Grieks vertaald door M. Blijstra-van der Meulen.
Amsterdam, De Bezige Bij, 1965
maandag 12 september 2011
Pianospeler
ONTMOETING
De stad hing grijze straten uit, suiker
briesjes aan de spoorlijn, een nacht.
In de lampbol van verre flat: man,
wachtend voor miezerige bietenfabriek.
Ik gooide mijn fiets aan de kant, wankel
en herkende een stem uit een ander vroeger.
Hij gaf mij een hand, zei dat hij het was:
eerste pianospeler, sad septembersong.
© Albertina Soepboer
Uit: Albertina Soepboer De fjoerbidders - uit het Fries vertaald door Jabik Veenbaas.
Leeuwarden, Bornmeer, 2003
zondag 11 september 2011
In violet
...
's nachts...
de meisjes...
heel de nacht lang zullen zij zingen
over de liefde tussen jou en de bruid
in violet gewaad.
Word wakker en haast je, haal snel je vrienden,
nog jong en ongetrouwd, zodat wij minder slaap
zullen zien dan de nachtegaal die luid zingt
met heldere stem.
- Sappho
versfragm. 30 uit: Sapfo Gedichten - vertaald door Mieke de Vos, met een nawoord
van Doeschka Meijsing, Amsterdam, Athenaeum-Polak & Van Gennep, 2011
Vliegende machines
ALTIJD
voor Toon Tellegen
Er zijn heel tedere machines nodig
om op een mooie dag naar nergens te vliegen.
Propellers, buizen, bouten zijn er nodig,
het vallend blad van een plataan,
misschien het oorsmeer van een kind
en veel van het onmogelijke mooiste.
Er moet, heel opgewekt, een witte merel zingen,
een voorjaarsochtend in een schrikkeljaar.
Dit alles is beslist vereist
voor wie naar nergens wenst te vliegen
want nergens is een plek met pech
en als niet alles fout kan gaan,
dan is er niets dat lukken zal.
De tederste machines zijn er nodig
om op een mooie dag naar nergens te vliegen.
© Luuk Gruwez
Uit: Luuk Gruwez Garderobe (bloemlezing)
Amsterdam/Antwerpen, De Arbeiderspers, 2010
Kerven
TEGEN DE GROEI
Zij glijden van mijn schoot
de wereld in, met roeiboten,
trompetten. Stuifzand en
hapering. Hun stemmen
schieten weg, lichaam te
groot voor mijn versmalde
arm komt te nabij. Zij worden
te intieme vrienden. Sinds zij
groeiden ga ik op verdoofde
voeten door een grijs en windstil
land. De hete messen van
verlies kerven in elke hand.
© Anna Enquist
Uit: Anna Enquist Soldatenliederen Amsterdam, De Arbeiderspers, 1991
Totdat het licht werd
EEN VLIEGTUIG VAN LUCHTBLAUW PAPIER
Vader, voor jou is dit vliegtuig van luchtblauw papier,
voor jou die met wijdopen ogen niet zag
hoe groot hij wel was met die dwaasheid van God.
Hoe gek je was, hoe idioot je de dood speelt,
nog steeds, vermomd als een man in een donker
kostuum, een piloot van Panamarenko.
Je kist kwam over, hing boven mijn hoofd, bijna stil,
gedragen door luchtlagen, leegte.
Tussen vodden van wolken danste de maan.
Totdat het licht werd, bleef je daar zweven.
© Juliën Holtrigter
Uit: Juliën Holtrigter Het verlangen te verdwalen Amsterdam, De Harmonie, 2004
zaterdag 10 september 2011
Tegen het hek
OP STRAAT, OP EEN TRANSFORMATORHUISJE
Op straat, op een transformatorhuisje:
ik zoek zieke, dode vogels,
dank u wel
ik woon in de Knollendamstraat.
In de krant: als een zebra gaat liggen
sterft hij.
In bed, ik zie weer mijn grootvader
vlak voor hij sterft. Het was
in het voorjaar, de paarden
gingen van stal en hij leunde
tegen het hek. Ik hoorde hem:
geef me mijn bril, het worden stippen.
© Wim Brands
Uit: Wim Brands De schoenen van de buurman Amsterdam, Podium, 1999
Kras
OOGSTEEN
Het was nu. Schrikdraad stond
rond de tuinen der zonde, er moest nog
gehinkeld tussen de lijnen, een scherf geschopt
naar de vakken van morgen, op het plein gebuut bij de linde.
Achter de poort lag het wijde. Het was
nu. Zij verruilde haar stuiters voor stuivers
en zocht naar oogsteen en ziel. Vond toen
haar lichaam, wat daarmee te doen.
En het werd om te blozen zo warm in haar zomer
het werd om te blozen zo warm in oktober: het werd
nu. Op de stoepen verschenen lijnen en vakken
getrokken met krijt, op de pleinen stonden de linden buutvrij
en kinderen schopten scherven opzij, holden naar morgen, vonden
een oogsteen, haalden de stroom van het schrikdraad.
En het werd om te blozen zo koud in november.
Het is nu. Gisteren staat met een blos
achter glas en morgen is een mooie formule
die zich nog moet bewijzen: het is nu. Zij kent
de blink van een oogsteen en de kras erin, zij vertrouwt
alsnog op haar hakken, dat die haar dragen
naar einde en aanvang van alle beweging.
© Hester Knibbe
Uit: Hester Knibbe Oogsteen - een keuze uit de gedichten 1982-2008,
Amsterdam/Antwerpen, De Arbeiderspers, 2009
vrijdag 9 september 2011
Water van lakens
SONNET VAN HET BED
wanneer de ochtend zacht het labyrinth
van slaap begraaft onder bedauwd licht
van de stad (haar catacomben, gedicht
door meeuwenschreeuw) verschijnt het kind
bij het bed waarin het is volbracht
door ons, in duizelend sterrenuur,
met maanscheuten, die walmende nacht:
roof uit de droom, geschenk aan de duur.
het ruikt zijn oorsprong, plonst in water
van lakens, wollen golven, doorwaadt er
kussenbranding, doorzwemt het ledikant
dat ooit als oerzee dampende het strand
likte, het ongeziene, verbrande land
dat de gast wacht die uit zee kwam, later.
© Harry Mulisch
Uit: Harry Mulisch De wijn is drinkbaar dank zij het glas, Amsterdam, De Bezige Bij, 1986 (2e dr.)
donderdag 8 september 2011
Bruine benen
DUBBELGANGER
Het is zomer en ik lig
met andere jongens in het gras
op mijn buik zodat ik ruik
hoe vroeger alles anders was
of moet ik zeggen dat ik rook
hoe later alles eender wordt?
er is een meisje bij dat zit
met bruine benen in het gras
zij lacht beweegt zodat iets wits
soms even zichtbaar wordt
of moet ik zeggen dat het zwart
voor ogen mijn verlangen was?
het gras staat vol met klavertjes
het gras ruikt naar geluk
zolang het niet gemaaid was
want dan rook het naar geruk
of moet ik zeggen dat de geur
weemoedig en opstandig is?
ik was er nu ik ben er toen
er is geen prikkeldraad geen heg
een open veldje veertien jaar
het gras staat hoog je ziet me niet
of moet ik zeggen dat ik lieg
dat ik me met mezelf bedrieg?
© Wiel Kusters
Uit: Wiel Kusters Als kind moest ik een walvis eten, Amsterdam, Querido, 2002
woensdag 7 september 2011
Kaartspel
HET ZEEPAARDJE - het zeperdje
Harten
het als Beau monde innig verstrengeld
als zeeanemonen
aan boord van de Titanic op het voordek staan
Schoppen
het sonoor zuchten en steunen in sonar
van potvissen:
“Atlantis, Uw Koninkrijk Kome!”
Ruiten
het zingen van sproetige zeemeerminnen
richting Cyprus
(Ooit suisden Odysseus’ oren van die zang…)
Maar waar is de Klaver?
Vraag het
aan ons nationaal Zeepaardje
zo fris groengeel
gestreept & sepia
Hoor, hoe zij hinnikt, dodelijk
voor de leegte van haar ruif:
Hoor, hoe zij hinnikt, dodelijk
voor de leegte van haar ruif:
Kunduz! Kunduz!
Femina Sapiens
per a-
buis!
Aan Jolande Sap
© Manuel Kneepkens
- ongepubliceerd -
zaterdag 3 september 2011
Haagse Museumnag
Zo'n veertig musea, bibliotheken en andere instellingen zetten zich dit weekeinde schrap voor de traditionele Haagse Museumnacht. Voor cultuur, poëzie, schilderijen, schrijvers, foto's, film, muziek, boeken, voorstellingen, exposities en bijzondere acts kunnen bezoekers vanaf vanavond tot zondagochtend terecht op tientallen - vaak historische - plekken in de hofstad: van het Bel Air Hotel tot het Openbaar Vervoer Museum en van Meermanno | Huis van het Boek tot het museum Beelden aan Zee in Scheveningen.
Bij Het Letterkundig Museum, samen met de Koninklijke Bibliotheek en Het Nationaal Archief om de hoek bij NS-station Den Haag Centraal, kunnen letterenliefhebbers tussen rapklanken door naar een speciale Nagbrakâhsstraat: voor het laten zetten van een literaire tatoeage in de tattooshop of voor wie niet van plakplaatjes houdt, voor het maken van je eigen film in de plaatselijke bioscoop.
Het volledige programma, ook voor niet-literaire nagbrakâhs, staat op:
http://www.museumnachtdenhaag.nl/
donderdag 1 september 2011
Vingertoppen
VRAAG EN ANTWOORD
Ik streelde haar; haar huid
smeekte mijn vingers: ga niet weg.
Ik ging niet weg, ik wilde 't telkens horen,
dit spreken van haar huid tegen mijn vingertoppen,
het antwoord geven en tevredenstellen,
zoals een moeder kinderen sust, een man
een vrouw zegt dat zij slapen moet,
terwijl zij in het donker ligt te wachten,
met grote ogen luistert
of hij het nog eens zeggen zal,
een laatste maal, omdat zij dan pas slapen kan,
wegglijden uit zijn gedachten, haar geduld
dat ongeduld geworden is.
© Adriaan Morriën
Uit: Adriaan Morriën Verzamelde gedichten, Amsterdam, Van Oorschot, 1993
woensdag 31 augustus 2011
Uitgang
ALGERIJE UIT DE LUCHT
wolken werpen schaduwen
wadi's lijken woonwijken
blauwe ogen, blauwe mannen
zout op rug, zijde terug
zandheuvels schrijven geschiedenis
die waait met alle winden
godverlaten golven, doodlopende weg
waar miljoenen zochten
naar de uitgang
noch Oost
noch West
vooruit
achteruit
zinloos draaien
te warm om zelfs maar te hopen
op schatten
water voor olie
zoek niet verder
hier is alles niets
dorst al dat lest
slalom door duinen,
een advertentie
in het vliegtuigblaadje
kom naar grijs Oostenrijk!
© Mark Blaisse
Uit: Mark Blaisse Gestapeld steen, gedichten - Amsterdam, Panarea Publishing, 2010
Haar buik
OCHTENDTHEE
[Oggendtee]
terwijl zij thee zet vloeit iets vreemd
bekends langs de binnenkant van haar dijen. als inkt.
na jaren bloedt ze weer.
ze staat perplex
alsof een hele kersentuin in haar keel
opstaat. geluk sijpelt overal in door. haar lijf
duwt luiken open naar appels
naar koelte wasemend van vogels
krekels en snikhete verten
alsof een kinderlach weer overloopt in bad
ze voelt haar wangen weerloos
worden. innig blozend van een dagelijkse
verwantschap. alsof haar buik jong
en sterk opzwelt om de schoonheid die ze was
haar hals koesterend in zo veel licht
ze draagt de thee naar de veranda
de lucht is koel op dit ochtenduur
de stad ligt erbij als een volgelopen stuwmeer
hij zet zich naast haar neer. rustig roert hij
zijn thee. daar zitten ze dan. met zo veel verleden
zoveel verlies. voor hun houdbaarheidsdatum zo
zeldzaam zorgvuldig ná aan elkaar
© Antjie Krog
- vertaling uit het Zuid-Afrikaans: Robert Dorsman en Jan van der Haar -
Een fraai overzicht van het werk van Antjie Krog [1952, Kroonstad] bevat het tweetalige Kleur komt nooit alleen - met
gedichten in het Zuid-Afrkaans en Nederlands, vertaald door Robert Dorsman (Amsterdam, Podium, 2002). Voor méér
Zuid-Afrikaans/Nederlands in druk: zie o.a. ook Gerrit Komrij's bloemlezing en vertaling van de gedichten van
Ingrid Jonker [1933-1965] in Ik herhaal je (Amsterdam, Podium, 2000).
- Met dank aan Lyrikline.org
dinsdag 30 augustus 2011
Samen apart
LIFE ON MARS
Was zo graag samen
gevallen
maar iedereen viel
apart
Was zo graag samen gevallen
maar iedereen viel apart
alleen
wij
Was zo graag samengevallen
maar iedereen viel apart
alleen wij
sprongen naar de sterren.
© Peter Verhelst
Uit: Peter Verhelst Nieuwe sterrenbeelden, Amsterdam, Prometheus, 2008
Broers
Dokter Mengele verdrinkt bij het strand van São Paolo
Handen doorklieven de zee
als een bijl die een hoofd afhakt
hartslag
miljoenenmars
dan valt het hart stil
het leger trekt zich terug
en je bent alleen
In de vloedlijn
gaat een jongen rechtop staan
Hij deint uit voor
je ogen
valt dan in tweeën uiteen
Samen staan ze daar,
de broers,
en wijzen naar jou
© Gerður Kristný
- vertaling: Roald van Elswijk -
Werk van Gerður Kristný (1970, IJsland) is onder andere vertaald in het Duits, Engels, Fins en Nederlands. Ze is de auteur van o.a. Ísfrétt (1994) en Launkofi (2000). Haar recentste dichtbundel Höggstaður ('zwakke plek') verscheen in 2007.
Kristný nam eind oktober 2010 deel aan de Maastricht International Poetry Nights en twee jaar eerder al aan het Poetry International festival in Rotterdam.
Vingerglas
KOPSTEM SCHAT DIEPTE
Een vorkje prikken naast het gebak. Amusant
mocht het zijn, dat voorgerecht op sprakeloos.
Het kwik tussen de toppen van bomen, in fijn
vingerglas. Er ligt overeenkomen tot corvee.
Denk je aan je hoge hakken? Vijzelt een omloop
het puntental. De alomtegenwoordige thermoskan.
Zacht schudden voor het stamijn, afgeknipt de
oogleden. Wie zegt heeft dat verre antwoord.
© Marc Kregting
Uit: Marc Kregting Kopstem/Stopnaald - gedichten, verhalen. Amsterdam, uitgeverij Prometheus, 1997
maandag 29 augustus 2011
Lichtzinnig
MIDDEN IN VELE BEZIGHEDEN
Midden in vele bezigheden
die geen uitstel dulden
ben ik vergeten
dat een mens ook moet
sterven
lichtzinnig
verzuimde ik die plicht
of vervulde hem
oppervlakkig
vanaf morgen
wordt alles anders
begin ik met zorgvuldig sterven
verstandig optimistisch
zonder tijdverlies
© Tadeusz Różewicz
- uit het Pools vertaald door Karol Lesman -
Uit: Karol Lesman (red.) Heb medelijden, tijd - Poolse poëzie van de twintigste eeuw.
Leiden, Plantage, 2003
Traporgel
Een trekje aan de zoveelste
filtersigaret dooft het licht
in de longen van het traporgeltje.
Zijn borstkas piept
als je er muziek uithaalt.
Ademhalen is niet meer dan
op harmonische wijze
de druk onder je voeten verplaatsen.
© Theo Verhaar
Uit: Theo Verhaar Alle gedichten, verzameld werk - met een nawoord door Rob Schouten,
Amsterdam, De Harmonie, 2011
Door dromen beschut
DE STAD
De stad is overstelpt door plekken die
je mij ontnam. Vol gemeenschappelijke
voetstappen, vol gemeenschappelijk lachen.
Zij werden door dromen beschut en desnoods
greep de liefde naar het geweer om hen te beschermen.
Vertel mijn benen hoe zij moeten
ontlopen wat hun toebehoorde.
Vertel het hun. Zij willen niet geloven
dat de theaters zijn afgebrand, in de restaurants
de pest is uitgebroken, de terrassen in de lucht
zijn opgegaan, de hotels werden gesloten,
de binnenplaats is afgebroken.
Zoals ik door het buigen van mijn hoofd
aan de regen denk te ontkomen,
zal ik vergeten wat mij is ontnomen.
© Eddy van Vliet
Uit: Eddy van Vliet De toekomstige dief, Amsterdam, De Bezige Bij, 1991
zondag 28 augustus 2011
Ondertekening
GEEN ETEN OP TAFEL
Geen eten op tafel,
geen schoenen aan zijn voeten.
Een arme man,
hij ondertekent verdragen zonder ze te lezen.
Hij ondertekent een contract zonder het te lezen,
hij ondertekent brieven zonder ze te lezen.
Hij ondertekent het uitroepen
van het einde van slavernij en armoede.
Zonder te lezen wat de briefschrijver,
een arme man, geschreven heeft.
Zonder te lezen wat de verdragenschrijver,
een arme man, geschreven heeft.
© Nachoem Wijnberg
Gedicht in Zanzibar, poëzietijdschrift, Amsterdam, oktober 2000
zaterdag 27 augustus 2011
Aan de oever
Fragment uit 'Ansichtkaart', in: Ik schrijf je neer, bloemlezing met de beste, ontroerendste en mooiste gedichten van Hugo Claus (1929-2008). Kaart van uitgever De Bezige Bij ter gelegenheid van de verschijning van dit boek. Amsterdam, januari 2002
Dag pauwoog
DOCHTER
Ze duwt prikkeldraad opzij,
haar vingers bloeden,
ze ziet wit, ze heeft het koud
voorbij het prikkeldraad zijn struiken
kaal nog en met doornen,
'Loop daaromheen!' stemmen jagen haar op
ze loopt erdoorheen
en rozen vangen aan met bloeien, geuren,
schuchtere rozen overal
voorbij de struiken schijnt de zon, ze gaat daar zitten,
er is daar mos en er zijn daar vlinders,
dagpauwogen, nachtpauwogen, pijlstaarten, vossen
ze leunt achterover, ze is mijn dochter,
ze kijkt niet om,
ze wil nergens in veranderen.
© Toon Tellegen
Uit: Toon Tellegen Hemels en vergeefs, Amsterdam, Querido, 2008
vrijdag 26 augustus 2011
In haar fietstas
ESSENTIE VAN HET MISSEN
Ik mis de linkshandige, schitterend
spiegelbeeld naast mij aan tafel, ik mis
haar tot brakens toe dagelijks. Het is
de kern van gemis, het missen zelf,
zegt men. Dat zal ik, met gestrekte
hals, fijntjes ontkennen. Dat zal ik
schuimbekkend tegenspreken. De tijd
is een ruimte, je bent altijd bij haar,
zegt men. Ik kijk in de lege spiegel.
Geleerde onzin, schandalige troost.
Ze reed weg met mijn goud, mijn geluk
in haar fietstas, hief haar smalle hand
en verdween tussen de weiden. De kern
van gemis laat mij koud, geen wijsgerige
held gaat mij helpen. Ik mis
het vlees, het linkshandige lichaam.
© Anna Enquist
Uit: Anna Enquist De tussentijd Amsterdam/Antwerpen, De Arbeiderspers, 2004
Voor als hij terugkeert
EEN VADER
Beland op zoiets als een eiland alleen
zoekt ze zich iemand. Neemt dan
bijvoorbeeld de man die van zee komt,
ontvangt en bedient hem en als hij dan
gaat, richt ze een hier voor hem in voor
als hij terugkeert, als ze weer wil. Wachten
maakt deel van haar lijf uit voortaan en
denken hoe was hij, wier aan zijn voeten
in zijn handen een net - Hij is het! Zo
worden goden gevonden door vrouwen, zij
bouwen een altaar, brengen hun zonen,
dochters erheen en zeggen: je vader.
© Hester Knibbe
Uit: Hester Knibbe Bedrieglijke dagen Amsterdam-Antwerpen, de Arbeiderspers, 2008
Gelakte vuist
PERZISCHE ZOMER - Teheran, juni 2009
Groen trekt de massa naast zwart
slierten over het dampende asfalt
stokken raken willekeurig
brillen, gezichten, ruggen
recht door het geweld naar de horizon
van Qom
grootmoeders slaan hun Vuitton
aan rafels,
de Ray Ban verraadt hun woede
sluier scheef, haren bloot
scanderen zij nee
de vuist gelakt gebald
wapen bij onmacht
of juist niet
zegt dat revolutie mannenwerk is
© Mark Blaisse
Uit: Mark Blaisse Gestapeld steen, gedichten - Amsterdam, Panarea Publishing, 2010
Geen idee
DAT WAT ERVOOR WAS
Wie het heeft geweten, van het begin af aan,
weet niemand precies.Van degenen
die er iets mee te maken hebben,
die het gedaan hebben,
kan haast niemand het zich herinneren.
Hoewel zij het niet hebben meegemaakt,
kunnen anderen het niet vergeten.
De minsten is het gegeven om
'Geen idee' te zeggen.
Sommige onderzoekers leven ervan.
Dat niemand het kan begrijpen
zal wel zo blijven.
Er moeten er zijn
die het niet meer kunnen horen.
De een of de ander
bestrijdt het gewoonweg.
De meesten denken dat
het voorbij is. Slechts zelden
fluistert een zwakke stem
iemand in zijn oor
dat er geen eind aan komt.
© Hans Magnus Enzensberger
- uit het Duits vertaald door Martin Mooij -
In: H. M. Enzensberger Verdediging van de wolven, een keuze uit de gedichten 1957-1999
- vert. M. Mooij - Amsterdam, De Bezige Bij, 2002
Zeep
DEK ME TOE
Zeg me dat het tijd is, zeg me dat ik moe
ben, geef niet toe aan verzet,
geef me een washand, de beer die ik ken,
wijs me mijn bed, dek me toe,
ruik naar zeep, vertel mij hoe
prinsessen slapen als bij wonder
en verdwijn maar, ga niet te
ver, stop mij onder, dek me toe,
laat mij alleen, strooi in mijn ogen
geen zand, breng geen lied ten
gehore, verzoen mij niet met de nacht,
doe wat ik doe, dek me toe.
© Paul Bogaert
Uit: Paul Bogaert Welcome hygiëne Amsterdam-Antwerpen, Meulenhoff/Manteau, 1996
Schemer

Ik zei toen hij mij zijlings passeerde
Als een maan onder de duisterende schemer
Lillend in zijn loop vermoeid
Van billen als golvende baren:
'Wee mij! Zijn broek te openen
Want hij omsluit ivoor.'
© Ibn al-Hadjdjadj [941/942-1001]
Uit: Schoon in elk oog is wat het bemint - de mooiste klassieke Arabische liefdesgedichten,
samenst. en vert. Hafid Bouazza, Amsterdam, Bert Bakker, 2000
samenst. en vert. Hafid Bouazza, Amsterdam, Bert Bakker, 2000
Labels:
dichterswit,
Hafid Bouazza,
Ibn al-Hadjdjadj
donderdag 25 augustus 2011
Troepen
DE EERSTE LENTEDAG
op het plein werd nog gevoetbald
aan open ramen werd muziek geoefend
er was iets zuiders in de straat
de deuren stonden op een kier
we brachten brieven naar de post
blij en opgewonden als kinderen
de avond voor de schoolreis
elders kwamen de troepen
weer in beweging
© Miriam Van hee
Uit: Miriam Van hee De bramenpluk Amsterdam, De Bezige Bij, 2002
Labels:
dichterswit,
EK2008-WK2010,
Miriam Van hee
In schoonschrift
ANTON
Links een tenger en goudblond godinnetje,
keurde me geen blik waardig.
Maar het deed me niets: sinds elf september
ligt een Arabier nu eenmaal slecht
in de markt. Rechts
een stelletje: zij, reuzin, pokdalige kop,
paarsfluwelen avondjurk, ik vond het
wel wat hebben. Dus toen haar vriend even verdween
raakten we in gesprek; ze werkte, vertelde ze,
voor een castingbureau; die middag had ze,
voor een nieuwe Nederlandse dramaserie,
NSB'ers gecast.
Ach, mijn joodse verloofde en ik,
zienderogen worden we ouder en dikker samen,
scheppen steeds meer behagen in eten
en slapen. Toen haar vriend weer opdook
kuste hij haar blote schouder en keek mij
ondertussen strak aan. De slanke blondine
links van mij, zag ik nu, had op de achterkant van haar nek,
over de volle breedte, een tatoeage:
Anton
stond er,
in schoonschrift, tussen
twee hartjes in.
© Mustafa Stitou
Uit: Mustafa Stitou Varkensroze ansichten, Amsterdam, De Bezige Bij, 2003
Mijn oorlog
AAN ZEE
Een Irokees aan zee, een vreemd bepluimde vogelmens
maar op de terrassen, zorgvuldig achter glas
gezeten
bekreunde zich geen Duitser om mij
mijn hele oorlog was allang vergeten
Ik was zomaar een witte indiaan, een Karl May
en niemand zag het blinkend mes
tussen mijn tanden
de revolver verbeten op mijn eigen slaap gericht
"Ober, waar is Mevrouw Cassandra?"
"Pootje baden met de kinderen, kleurling!"
© Manuel Kneepkens
Uit: Manuel Kneepkens Tuin van Eetlust, Amsterdam, De Bezige Bij, 1976
De dichter-jurist en voormalig stadspolitcus Manuel Kneepkens is ook columnist bij de Nederlandse Vereniging van Gemeenten. Zie voor zijn jongste column De moskeeloze gemeente (Madurodam):
http://www.vngmagazine.nl/weblog/3089/de-moskeeloze-gemeente
Méér 'zeegedichten' zijn te vinden op:
http://www.waterwereld.nu/zeegedichten.php
Vlees
Honger
wordt overal anders gespeld.
Hier wordt de tafel gedekt.
Mes en vork worden recht gelegd.
Vlees op haar bord
voelt geen heimwee
naar het bot.
Het wordt week.
© Theo Verhaar
Uit: Theo Verhaar Alle gedichten, verzameld werk, Amsterdam, De Harmonie, 2011
woensdag 24 augustus 2011
Niet aanwezig
Ik kan dus niet meer komen bij je huid
en jij kunt niet meer komen waar ik ben.
Er is een haast hier die ons af-, wegsluit
en er is een wereld waar ik aan wen,
denk ik, maar jij leeft niet, ik ook niet, en
ik hoor niets meer, niet het minste geluid
dat doordringt en waarachter ik ons ken.
Ach, andere, wij komen er niet uit.
Nog steeds de harde ziekte in het lijf,
een plant, een oergroei naar wat is geweest.
Ik ben niet aanwezig waar ik verblijf.
Jij ook niet? Lichamen geven de geest
aan elkaar door. Mij troost niet wat ik schrijf.
Jou die mij zonder mij te lezen leest?
© Hans Andreus
Oorspr. in De sonnetten van de kleine waanzin ('s-Gravenhage, 1957), hier uit:
Hans Andreus Verzamelde gedichten, Amsterdam, Bert Bakker, 1984
dinsdag 23 augustus 2011
Wit duister
BARBAARSE ODEN II
[BAPBAPEΣ ΩΔEΣ]
Kijk mij daar weer aan de rand van de werkelijkheid
veertig kilometer van Réthymno
met de enkels in de Libische Zee.
Ik scharrel rond
tussen de wasemende rotsen die
meedogenloos de zon vermalen.
Mijn hand strijkt langs je haar dat weeft
aan 't witte duister
van de dag. (De anemonen
een reeks felle bezwaarschriften
van de eeuwigheid, krijgen telkens
nul op het rekest.)
Mijn hand strijkt langs je borst die
in 't genot is van de zee. Je duister
lichaam maakt onlosmakelijk deel uit
van de waarheid.
© Násos Vayenás
Uit: Násos Vayenás Barbaarse Oden – vertaling uit het Nieuwgrieks en inleiding:
Marko Fondse en Hero Hokwerda. Groningen, Styx, 1997
Weerloos
SCHETS VAN EEN ZOOGDIER ZONDER PLAN
Ik was koortsig op zoek
naar een plan om te ontsnappen
aan armoede en West-Vlaamse bevelen
en toen ben ik per ongeluk beland
in deze bar die genoemd is naar
de dochter van de vorige eigenaar
ze is vertrappeld door een wild paard
haar naam was Tiffany.
Naast mij zit een ex-kok die
lenzen en een pacemaker draagt
dat kan ik niet zien
hij heeft het mij verteld
met gespleten tong en een Slavisch accent.
Hij leidt me af en
uren verglijden als
zandkorrels door een verstopte zeef
mijn bloedbaan registreert vermouth
en misogynie vermomd als smartlappen.
Plannen worden mij voor de voeten gesmeten
maar er hangt chantage aan en
een vleugje seks met knaagdieren
de bar spuwt mij uit.
Op de drempel van een gesloten wasserette
beeft een ondefinieerbaar zoogdier met geperforeerde oren
ik leg mijn jas over het onredelijk weerloze schepsel en
neem het beven over.
© Delphine Lecompte
Uit: Delphine Lecompte De dieren in mij, Utrecht/Leeuwarden, De Contrabas, 2009
maandag 22 augustus 2011
Gered
AAN ZEE, SEPTEMBER 1949
een paar wolken een mooi lichaam
de wereld rolt sneller waar is
het oog der mensen? ik zie het niet
waar is het groot geluk? op aarde.
ik heb aan jou gedacht: in de zachte
wind heb ik je neergelegd in de zee
heb ik je hoofd gered en je stille
lijk dreef naar het strand soepel
bewegelijk de zee werd eenzaam.
© Hans Lodeizen
Uit: Hans Lodeizen Verzamelde gedichten, Amsterdam, Van Oorschot, 1996/2007 (2e dr.)
Abonneren op:
Posts (Atom)

