vrijdag 18 april 2008
Voor onder water
VUILSTORT
Een terp van dode dingen tergt de lucht.
Niets is zichzelf. Veel jichtig huisraad. Vocht,
zwart vocht dat uit een koelkast welt. Voorgoed
kapot, versjacherd, mensenhanden moe
tijgt me een stad van afval tegemoet.
En ik kijk en ik kijk. En als ik loop
verlies ik haar, ik voel een baard, mijn jas
verrafelt waar ik sta en alle wolken
jagen Greenwich achterna.
Dan gaat het snel: er drijft een dorpskerk door
het water, wier en vis bevolkt de Dam,
nat, grijs, week, dacht je randstad, zag je zee.
Om wat ik van de tijd, van Holland weet
schrijf ik voor wie dit onder water leest.
© Menno Wigman
Uit: De wereld bij avond, Poetry International / Prometheus, 2006
woensdag 16 april 2008
Tussen de boeken, rood gekaft

(voor Harrie Geelen)
Vannacht bevond ik mij op het terras van de tennisclub Heesberg
en ook zij was daar, de goudblonde langbenige
die wij gymnasiasten, vol verlangen, Helena noemden
Vriendschap, Liefde waren zoals in een droom behoort…
Alleen… nu dronken wij Champagne Brut
niet langer ranja of grenadine
Gymnasiasten
uit de jaren vijftig bleken plotseling Goden
Athanatoi met tennisrackets!
En zie, het blonde haar van Troje’s First Lady
was nog even glanzend lang als vroeger
en ook dezelfde lach kleurde haar wangen
Tussen onze Homerusboeken, rood gekaft
schitterden de heuvels van het Krijtland
als onze toekomst, oneindig jade
Hoe was 't mogelijk, na zoveel jaren Carboontijdperk
verenigd in de droom op de Olympus
van de tennisclub Heesberg
met Menelaos’ echtgenote, Paris’ concubine
en roetvingerig Heerlen al zolang verlaten…
O, Mijnstad van mijn ruggenmerg
Zwart Troje
aan een mergelgele zee

MANUEL KNEEPKENS
[uit: Manuel Kneepkens Vrouwen/Rotterdammers.
Rotterdam, Douane, 2008]
maandag 14 april 2008
Een taal die men niet spreekt
Er is een taal die alles laat
zoals het is - maar niemand
kan hem spreken.
Lieveling blijft lieveling
in deze taal en leeuwerikje
leeuwerikje.
Of ijs of spanrups of
de Dom van Keulen, niets heeft
iets van deze taal te vrezen.
Natuurlijk, kogel blijft
in deze taal een kogel, hij
heeft geen wonden, lest
geen dorst, lenigt
geen verdriet. Maar wat
doet het ertoe:
er is geen woord voor in deze
taal, niemand kan hem spreken.
KOOS VAN ZOMEREN
[uit: Koos van Zomeren Ik heet welkom. Amsterdam,
de Arbeiderspers, 2007]
Wachten op de barbaren
IN AFWACHTING VAN DE BARBAREN *
- Waar wachten wij op bijeengekomen op de agora?
Op de barbaren die vandaag komen.
- Waarom wordt in de Senaat niets gedaan?
Zitten de Senatoren daar zonder wetten te maken?
Omdat de barbaren vandaag zullen komen.
Waarom zouden de Senatoren dan nog wetgeven?
Dat zullen de barbaren doen wanneer ze zijn gekomen.
- Waarom is onze keizer zo vroeg opgestaan
en zit hij bij de grootste poort van de stad
op zijn troon, plechtig, de kroon op het hoofd?
Omdat de barbaren vandaag zullen komen.
De keizer wacht om hun aanvoerder te ontvangen.
Houdt zelfs een oorkonde klaar
Die hij hem geven wil. Daarop schreef hij
veel titels, erenamen voor hem neer.
- Waarom verschenen onze twee consuls vandaag
en de praetoren in hun rode, geborduurde toga’s;
waarom dragen ze armbanden met al die amethisten
en ringen met prachtige, vonkende smaragden;
waarom torsen ze vandaag kostbare staven
met zilver en goud fraai geciseleerd?
Omdat de barbaren vandaag zullen komen
en zulke dingen verblinden de barbaren.
- Waarom komen niet als altijd de waardige retoren
om redevoeringen te houden, het hunne te zeggen?
Omdat de barbaren vandaag zullen komen,
hun mishaagt woordomhaal, welsprekendheid.
- Waarom begint er nu opeens die onrust
en die verwarring (Wat werden de gezichten ernstig).
Waarom lopen snel straten en pleinen leeg,
en keert ieder naar huis, verzonken in gedachten?
Omdat de nacht viel en de barbaren niet kwamen.
Enkele lieden, net binnen uit de grensstreek,
zeiden dat er geen barbaren meer zijn.
Wat moet er nu van ons worden, zonder barbaren.
Die mensen waren tenminste een oplossing.
KONSTANTÍNOS KAVÁFIS (29 april 1863 - 29 april 1933)
[Uit: K. P. Kaváfis Gedichten. Amsterdam, 1984, 1e ed.,
uitg. Bert Bakker, vert. Hans Warren en Mario Molegraaf]
* Het woord barbaar, dat tegenwoordig ruw/onbeschaafd/onderontwikkeld betekent, is afkomstig van het Griekse Barbaros, Barbarikon - het als grappig opgevatte geluid dat de barbaroi (βαρβαροι) maakten als ze in Griekse oren 'beschaafd' wilden spreken.
De Grieken, en in navolging van hen met de aanduiding barbarus de Romeinen, noemden ieder volk barbaren als ze het niet konden verstaan of als een cultuur vreemd overkwam. Daarmee werd in de oudheid niét bedoeld dat deze volkeren onbeschaafd waren, integendeel. Een volk kon ‘vreemd’ resp. onverstaanbaar zijn voor Grieken, maar toch beschaafd.
zaterdag 12 april 2008
Nog niet
De mooiste zee
is de zee die we nog niet gezien hebben.
is het kind dat nog niet geboren is.
is de dag die we nog niet beleefd hebben.
En het mooiste woord dat ik je wil zeggen
is het woord dat ik nog niet gezegd heb.
24 Eylül 1945
henüz gidilmemis olanidir.
henüz büyümedi.
En güzel günlerimiz:
henüz yasamadiklarimiz.
henüz söylememis oldugum sözdär.
[uit: De mooiste van Hikmet, vert. Perihan Eydemir en Joris Iven, Tielt/Amsterdam, Lannoo-Atlas, 2003]
J. Eijkelboom (2), het laatste gedicht
(ongepubliceerd)
Wie taalt er nog naar de tijd
Dat men morrend stond te wachten
Tot de paardenkrachten weer
Gretig hun gang konden gaan
Ergens ver weg
Tot het stil staat
Wat doen we met het uur dat overblijft
Nu we niet meer hoeven te wachten
Eer we ongeremd naar Dordt of
Dordtwijk mogen?
Filosofen wie wil het verklaren
Deze dichtregels van Jan Eijkelboom zijn onlangs in Dordrecht al aangebracht in het hekwerk langs het loop- en fietspad van de nieuwe VN-tunnel, onder de spoorweg Breda-Rotterdam die daar over de Laan der Verenigde Naties loopt. De tunnel en ook Eijkelbooms gedicht moeten in de loop van 2008 nog officieel worden ‘ingewijd’.
Dordrecht eert daarmee Eijkelboom (1926-2008) op een tweede plek met het werk van de dichter, na een van Eijkelbooms beroemdste regels Wat Blijft Komt Nooit Terug die op de kadestenen bij het Damiatebolwerk staat gegraveerd.
Ook in de tegelwanden van de tunnel in de Laan der Verenigde Naties, en in het hek tussen het fietspad en de weg, worden nu enkele dichtregels van Jan Eijkelboom geplaatst. In grote kapitalen van vormgever René Knip is in het voorbijrijden te lezen: "Hier baant de laan zich onder 't spoor een weg". In het metalen hek tussen de weg en het fietspad zijn twee langere regels verwerkt in wat kleinere letters, deels in spiegelschrift.
Bijna zes jaar geleden verschenen Eijkelbooms laatste officiële publicaties: de verzamelbundel Tot zo ver - de meeste gedichten
en Heden voelen mijn voeten zich goed (2002).
Zijn laatste gedicht schreef Jan Eijkelboom in 2006.
Hij deed er zo'n zes weken over om het te maken en vervolgens nog weer enige tijd om het netjes op te schrijven in een boekje van een vriend, de antiekhandelaar Arie Bijl.
De dichter vocht toen al tegen het verlies van coherentie en uitval van cruciale lichaamsfuncties, die bloedvataandoeningen hem de laatste jaren met name in de hersenen hadden bezorgd.
Ongeveer drie weken voor zijn overlijden, eind februari, kreeg Jan Eijkelboom een toeval, een TIA. Bij een Transient Ischaemic Attack ontvangt een gedeelte van de hersenen – tijdelijk - te weinig bloedtoevoer. Daardoor werken sommige hersengedeelten korte tijd minder goed of helemaal niet. Als een ‘voorbijgaande doorbloedingsstoornis’ langer aanhoudt of wanneer uitvalverschijnselen blijven bestaan spreken artsen van een beroerte.
Eijkelboom werd na de nieuwe doorbloedingsstoornis opgenomen in het Albert Schweitzerziekenhuis. Omdat hij ook kampte met incontinentie en al geruime tijd met een rollator moest lopen, werd hij na de jongste hersenaandoening overgebracht naar het verpleeghuis Crabbehoff. Daar leek alles eerst goed te gaan. Maar vervolgens kwam een fatale longontsteking. Die velde ‘de Eijk’, enkele uren voor zijn 82ste verjaardag.
Het was een tweede epileptische aanval - de eerste was jaren daarvoor – die Eijkelboom eerder al zijn 'werkgeheugen' had ontnomen.
Jan Eijkelboom – die geen rijbewijs had - heeft enkele dagen voor zijn dood nog een laatste tocht kunnen maken over het Eiland van Dordrecht. Bij een monumentale zitbank die hij onderweg tegenkwam maakte hij zich nog boos over ‘deze historische verwaarlozing’.
De man die dichter vergezelde en rondreed was de bevriende antiquair Bijl.
- met dank aan Gert van Engelen
donderdag 10 april 2008
Wat Blijft Komt Nooit Terug

Tuin Dordrechts Museum
Als ik gestorven ben
zal in de tuin van dit museum
boven het warrig bladerengedruis
een merel net zo helder zingen
op net zo’n late voorjaarsdag.
En ik, ik zal er niet meer zijn
om door dit zingen te vergeten
dat ik moet sterven mettertijd.
Maar aan de andere kant zal ik
–je weet maar nooit–
veel langer leven dan die vogel.
En als ik toch onder de zoden lig
dan zal mijn zoon nog eens
een merel net zo horen klinken
op net zo’n late voorjaarsdag.
En hij zal weten wie ik was
en ach, een vogel weet van niets.
Maar aan de andre kant alweer:
als merels aan hun vader konden denken,
wellicht dat ze dan krasten als een raaf.
JAN EIJKELBOOM (1926-2008)
[uit: J. Eijkelboom Wat blijft komt nooit terug.
Amsterdam, de Arbeiderspers, 1979]
Vlak voordat hij 82 jaar zou zijn geworden overleed eind februari jl. de Nederlandse dichter, schrijver, vertaler en journalist Jan Eijkelboom. Begin vorige maand is Eijkelboom - in alle stilte - in besloten kring in Dordrecht gecremeerd. Behalve een bescheiden overlijdensannonce van zijn Amsterdamse uitgever werd aan de dood van de dichter - tot veler verbazing - publiek officieel weinig ruchtbaarheid gegeven. Er zou "geen geld" zijn voor een bijeenkomst waarop vrienden, lezers en belangstellenden op meer persoonlijke wijze afscheid konden nemen van de innemende schrijver. Mede op initiatief van de gemeente Dordrecht vindt zaterdag alsnog een speciale herdenkingsbijeenkomst plaats voor Eijkelboom, die bij leven nog in dienst was als stadsdichter, de eerste in Nederland.
Noteer: zaterdag 12 april as., van 15 tot 17 uur, in de tuin van het Dordts Museum.
Eijkelboom wijdde er ooit een fraai gedicht aan.
Het Dordrechts Museum bevindt zich op loopafstand van de plaats waar een van de beroemdste dichtregels van Eijkelboom (Wat blijft komt nooit terug) in de kademuur staat gegraveerd:
op de plek waar drie wateren bijelkaar komen, het Dordtse Damiatebolwerk.
Zeg het aan geen mens
VOOR EEN DAG VAN MORGEN
Wanneer ik morgen doodga,
vertel dan aan de bomen
hoeveel ik van je hield.
Vertel het aan de wind,
die in de bomen klimt
of uit de takken valt,
hoeveel ik van je hield.
Vertel het aan een kind
dat jong genoeg is om het te begrijpen.
Vertel het aan een dier,
misschien alleen door het aan te kijken.
Vertel het aan de huizen van steen,
vertel het aan de stad
hoe lief ik je had.
Maar zeg het aan geen mens,
ze zouden je niet geloven.
Ze zouden niet willen geloven dat
alleen maar een man
alleen maar een vrouw
dat een mens een mens zo liefhad
als ik jou.
© Hans Andreus
oorspr. gepubliceerd in: Al ben ik een reiziger (1959),
later opgenomen in: Verzamelde Gedichten - samenstelling en tekstverzorging: G. Borgers, J. van der Vegt en W.A.M. de Vroomen. Amsterdam, uitgeverij Bert Bakker, 1984.
Het werk van Hans Andreus (1926-1977), pseudoniem van Johan Wilhelm van der Zant, wordt gerekend tot de 'experimentele' dichtkunst van De Vijftigers, waartoe onder anderen ook Lucebert, Bert Schierbeek en Remco Campert behoorden.
Behalve poëzie en ook proza schreef Andreus echter een groot aantal kinderboeken. Die vormen zelfs het grootste deel van het oeuvre van deze Nederlandse dichter. Zijn kinderverhalen zijn fantasierijk, lichtvoetig, met speels taalgebruik, en veel gevoel voor klank en ritme. Andreus' kinderboekenwerk is een aantal malen bekroond. Zo behaalde de versjesbundel 'De Rommeltuin' in 1971 een Zilveren Griffel en werd 'Meester Pompelmoes en de mompelpoes' in 1969 door de boekpromotie-organisatie CPNB onderscheiden als Kinderboek van het Jaar, voorloper van de latere Gouden Griffel.
Venetië

Hoe een ruimte te vullen, die verdwenen is, in water
Verzonken. Kerkhof van verdwenen balken en barken.
Een middenrif dat zich als een oud zeemanslijf aan de lagune
Kluistert. Spreek me niet aan. Haar lieflijk beeld is om te
Rusten, tegen haar te rusten, klotsend in wiegenmaat. En hoe
Venetiaanse sirenen okselvlug in het vooronder verdwijnen.
[Uit: Hans van de Waarsenburg De niet bestaande ruimten van het Arsenale, 2008]
Zij spreidt haar armen, maar wil niemand tot haar
Laten komen. Waarom zou ze? Vrijstaande, eenogig
Gekruisigde. Haar weefsel is vreemd, als de grove
Beharing en het vuur dat aan haar kleeft. Zij is
Christina, de zwarte vrouw die iedere dag sterft.
We moeten haar gedenken, overal waar haar sluiert.
(fragment uit Piazza di San Marco)
De wind waait om je haren, pilaren verbergen de jaren
Van dat ouder worden en hoe alles kon gebeuren in een
Steen dat van hoger hoogte, je hoofd zo strak hield.
Roze keerde je een wang. Daar zit je dan, terwijl het
Volk gaapt, schraapt en jij weer kind werd, kind was
Meisje met de lieve, kleine borsten, en ik, verlegen ik.
(fragment uit De niet bestaande ruimten van het Arsenale)

DE NIET BESTAANDE RUIMTEN VAN HET ARSENALE
Amsterdam, 2008.
JÖRG REMÉ: tekeningen en aquarellen
HANS VAN DE WAARSENBURG: gedichten
Met een inleidend essay van RUDI FUCHS.
Jörg Remé (Danzig, 1941) woont en werkt in Amsterdam en Venetië.
De uitgave verschijnt as. zaterdag.
Presentatie: 17.00 uur, zaterdag 12 april, boekhandel De Tribune, Maastricht. Prijs 38.50 euro.
Voor de liefhebbers van poëzie - en mooi verzorgd grafisch drukwerk - is de ontmoeting met lezers en belangstellenden in Maastricht in feite een dubbelpresentatie. Want tegelijk met de Venetiaanse gedichten wordt een tweede boekwerk van dichter Hans van de Waarsenburg officieel ten doop gehouden: een luxe uitgave van zijn gedicht Het Oneindige Lied, in drie talen, met beeldwerk van andermaal Jörg Remé.
Canto Ostinato: Het oneindige lied · Canto interminable · The unending song is een gedicht, geïnspireerd door een muziekstuk van Simeon ter Holt, met vertalingen in het Spaans en Engels van Pura López Colomé en Peter Boreas.
De tekst is geïllustreerd met twee etsen van Jörg Remé, die door de schilder zijn ingekleurd. Remé heeft ook de tekening voor het omslag gemaakt. Gezet uit de Dante corps 14 met Bembo Titling en gedrukt op handgeschept Fabriano Umbria-papier. Omvang 21 bladzijden, formaat 25×16 cm. De gesigneerde oplage van 60 exemplaren is ingenaaid met een stofomslag van grijs Magnani Firenze, prijs: € 125.
Het oneindige lied wordt uitgegeven door In de Bonnefant (Bonnefant Press) te Banholt, van de Rotterdamse bibliofiel, graficus en kwaliteitsdrukker Hans van Eijk.
dinsdag 8 april 2008
Gaaf maar broos
Zo meen ik dat ook jij bent
zoals de koelte 's nachts langs lelies
en langs rozen
als wit koraal en parels diep in zee
zoals wat schoon is rustig schuilt
maar straalt wanneer ik schouwen wil
zo meen ik dat ook jij bent
als melk
als leem
en 't bleke rood van vaal gesteent
of porselein
zoals wat ver is en gering
en lang vergeten voor het oud is
zoals een waskaars en een koekoek
en een oud boek en een glimlach
en wat onverwacht en zacht is en het eerste
en wat schuchter en verlangend en vrijgevig
gaaf maar broos is
zo meen ik dat ook jij bent
JAN HANLO
Uit: Jan Hanlo (1912-1969) Verzamelde Gedichten, Amsterdam, G.A. van Oorschot, [1958, 1970] deze ed. 2006
maandag 7 april 2008
Toekomstig wielergedicht
"Willie Verhegghe kan misschien ooit nog eens een gedicht over Devolder schrijven maar op dit ogenblik, kijkers, is het belangrijker dat onze held de 17 seconden voorsprong behoudt waarmee hij zojuist ontsnapt is..."
VRT-wielerverslaggever Michel Wuyts ("Ze komen, verdomme!"), op zondag 6 april jl. voor de Belgische televisie.
Wuyts, oud-schooldirecteur, is een begaafd commentator, altijd op zoek naar de ziel van de moderne wielrenner en nooit te beroerd de toeschouwer of luisteraar te laten delen in de laatste intieme nieuwtjes uit het peloton.
"Hij moet volgende maand opnieuw papa worden hè..." of "Pozzato heeft thuis al een Ferrari voor de deur staan, maar van een tweede gaat het op deze manier niet meer komen." Of: "...dat met dat laatste meisje als verloofde is misgelopen, vertelde me vanmorgen zijn moeder, dus hij kan zich nu volledig overgeven aan deze etappe en in de bergen eens flink het gas opendraaien." Of: "Het is vandaag wel wat al te veel erg..." Of: "Er is nu minstens nog een half mirakel nodig, want in het peloton heeft niemand nog voldoende jus in de benen. Het vaatje is leeg." Of: "Anders doen we hier zware poker vanachter een donkere zonnebril, en zitten we gewoon gezever te verkopen."
Andere favoriete uitdrukkingen van Wuyts, in bijna elke zin een getalenteerd oud-onderwijzer: "Met deze kop heeft hij voor zijn ploeg nog net op tijd de meubelen gered", "José, gij zijt inne gelukszak", "...nu is hij op het rooster gelegd door de rest, hij is al gekookt en gebraden beste kijkers".
Stijn Devolder won zondag jl. de 92e editie van de Ronde van Vlaanderen, de Belgische Hoogmis van het wielrennen. Na een solo van meer dan 25 km had de Belgische kampioen aan de eindstreep in Meerbeke nog veertien seconden over.
zondag 6 april 2008
Begeerte
IK OPEN HET RAAM EN LAAT HET NAJAAR BINNEN
(De gelatene)
Ik open 't raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatste te beminnen.
Er was in 't leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onverganklijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden,
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
Jacques Bloem (1887-1966)
Zelf kan ik nooit meer sterven
HOOGLIED
In de verte ben ik al bij je,
toch wil ik steeds naar je toe,
tegen je aan gaan staan,
bij je naar binnengaan.
En ook dat is nog niet genoeg.
Door je heen wil ik gaan,
mij omkeren en dan
je prachtige hoofd
half naar mij omgedraaid
op je prachtige rug zien staan.
Ingres heeft dat geschilderd
en die is toch al tijden lang dood.
Zelf kan ik nooit meer sterven
en jij blijft voor eeuwig mooi bloot.
Jan Eijkelboom (1926 - 2008)
Uit: J. Eijkelboom Wat blijft komt nooit terug, Amsterdam, De Arbeiderspers, 1979
zaterdag 5 april 2008
Ronde van Vlaanderen (zondag)

De première van 1913
[winnaar Paul Leman]
Het landschap plooit zich naar geweld
van wind en wielen: twaalf uren lang
fietsen bestofte mannen door stad en dorp,
hun adem stoot de stilte open,
over het stuur de lamgeslagen koppen.
Niemand had dit hier ooit gezien
een sliert van gebogen mannen op metaal,
de flikkering van tanden in de zon.
En uren zwoegen onder de wolken
die als hanen dreigen.
Een epos is geboren, eeuwen later
herleeft Sparta aan de Noordzee.
De zee die met renners spot
en zout naar hun ogen blaast.
Gent ziet een hand de lucht ingaan.
In de verte komt de Grote Oorlog aangerold;
de razernij die wiel en benen breekt.
WILLIE VERHEGGHE
Uit: Willie Verhegghe Renners sterven niet – Ronde van Vlaanderen, gedichten.
Balegem/Gent Pinguin-Poëziecentrum, 2004.
Met dank aan Paul de Cloedt, foto-impressie
vrijdag 4 april 2008
donderdag 3 april 2008
Bang dat zij wakker wordt
Wintergedicht
Door godvergeten vermotregend land
van gehucht naar gehucht, hand
in koude hand, dat gevoel hoop ik
met niemand meer te delen. Als
het niet hoeft.
Maar als ik haar nu vond
in het natte gras, of ergens
in het geploegde land, wat
zou ik doen, wat zou ik.
Ik weet wel dat iedereen dood
moet gaan, maar toch zou ik
haar koude mond weer zoenen,
haar lichaam toedekken, haar
haar strelen en weer bang zijn
dat zij wakker werd.
Rutger Kopland
uit: Rutger Kopland Geluk is gevaarlijk. Amsterdam, Muntinga, 1999/2005 (4e dr.)
Een geval van serendipiteit
Tegenover Arie
Ik dacht aan mijn geboortejaar
en toen zag ik een stuiver
liggen, op zondagmorgen, de brug
naar de stad, schuin tegenover
de kroeg die door de jongens Arie
werd genoemd - de kop van Wilhelmina
geslagen in 1947
bijna goed.
Dat is sterk dacht ik, en als
ik dat gedacht heb moet ik hem
hebben opgeraapt, en als ik
hem heb opgeraapt moet ik hem
hebben meegenomen, en als ik
hem heb meegenomen moet ik hem
kunnen vinden en als ik hem
niet kan vinden, heb ik
die stuiver dan wel zien
liggen, toen op die morgen
daar op die plek?
Gedenk de dingen die je
kwijtraakt door te zoeken.
KOOS VAN ZOMEREN
[uit: Koos van Zomeren Ik heet welkom. Amsterdam,
de Arbeiderspers, 2007]
Koos van Zomeren (1946) debuteerde in 1965 met gedichten:
De wielerkoers van Hank.
Ruim veertig jaar en vijftig boeken verder verscheen in 2007 zijn tweede poëziebundel.
woensdag 2 april 2008
Waarom de wereld niet in ons hoofd past
KRUIM
Wat heel is, kunnen wij niet zien, het is
te groot, het past ons niet en niet
in onze hoofden
maar wat aan mootjes, haksel is, verkiezeld,
kruim, gepureerd, verstoven of ontbonden -
al het verdeelde zit voorgoed in ons.
Eva Gerlach
Kruim van Eva Gerlach verscheen oorspronkelijk bij uitgeverij Herik (Landgraaf, 1997), als bundeltje van 12 gedichten, een grafisch kleinood met prenten van Co Westerik.
Later werd de cyclus opgenomen in Gerlach’s gedichtenbundel Niets bestendiger - Amsterdam, Arbeiderspers, 1999.
Waardig
SOSTENUTO
Raak met je hand de hemel aan.
Neem het stof van de sterren af.
Klim op de hoogste tak. Zing.
Bedek met je hand de stad.
Verf de duisternis groen. Of oranje.
Drink het water van de zee tot de laatste teug.
Buig het leven zoals rondtrekkende worstelaars
het ijzer buigen op het marktplein.
Begin het heelal van voren af aan – eerst met leem
en met slijk.
Steek dezelfde rivier twéémaal over.
Maak vuur van ijzer. Steen van sneeuw.
Zeg mij dat niets onmogelijk is.
Zeg mij dat niets onmogelijk is.
Násos Vayenás
Uit: Násos Vayenás De knieën van Roxani (1981).
In: Biografie en andere gedichten – vertal. Marko Fondse en Hero Hokwerda. Amsterdam, Het Griekse Eiland, 1990.
dinsdag 1 april 2008
'Kindervers', een come-back
Schrijver Wiel Kusters was in de jaren tachtig, begin jaren negentig een begenadigd maker van 'kindergedichten'. Met illustrator Joep Bertrams oogstte hij veel lof voor de kwaliteit van achtereenvolgens Salamanders vangen, Het veterdiploma en Een beroemde drummer. De eerste bundel werd in 1986 voor het tekenwerk meteen bekroond met een Zilveren Penseel.
In NRC Handelsblad van 28 maart jl. verbrak de dichter-essayist en hoogleraar, na bijna veertien jaar, het zwijgen. "Geïnspireerd door zijn vierjarige kleinzoon schrijft Kusters tegenwoordig weer af en toe een kindergedicht," aldus het Cultureel Supplement van de krant.
Het kan niet lang meer duren of daar komt een nieuwe bundel van. Bij Querido waarschijnlijk.
Kusters houdt zelf overigens niet van een onderscheid tussen 'kinderpoëzie' en verzen voor volwassenen.
Een gedicht moet geschreven zijn voor alle leeftijden, vindt hij, zonder zulke grenzen.
Hoor hoe Annie M.G. Schmidt - of misschien wel Pierre Kemp - hier tussen de regels meeluistert:
OP DE BOERDERIJ
Eerst ga ik het varken wassen
dan ga ik de kippen kammen
en het bruine paard verrassen
met lekkere bruine boterhammen
Ik ga een heel klein lam optillen
ik ga de grijze ezel strijken
ik moet de dooie vos nog villen
en eens naar de mestvaalt kijken
Dan moet ik de pauw verschonen
en de grijze duif opvouwen
misschien daarna de egel klonen
en de muis laten miauwen
Tenslotte de konijnen lappen
en de boze buldog blussen
dan nog uit mijn klompen stappen
en eindelijk eindelijk jou gaan kussen
(Wiel Kusters)

