donderdag 19 juni 2008

Een gebouw



SCHROEFJES


Tussen zijn jonge vingers worden de schroefjes blauw
en drijft er een wit wolkje voor
en daar een rode vogel door.
Vijf schroefjes samen zijn reeds een gebouw.

© Pierre Kemp


Uit: Adriaan Morriën Pierre Kemp - een bloemlezing
uit zijn kleine liederen, Amsterdam, G. A. van Oorschot, 1967

Wereldzaak


CARRIÈRE


Ik ben niet met een ballon gekomen.
Ik werd niet op een schip gebracht,
maar plotseling werd ik vernomen
ergens in de dag of in de nacht.
Ik ben maar in het klein begonnen
en nu beheer ik een wereld-zaak.
Ik schiet gratis naar vierkante zonnen
en luister of ik ze raak.


Pierre Kemp (1886-1967)



Uit: Adriaan Morriën Pierre Kemp - een bloemlezing
uit zijn kleine liederen, Amsterdam, G. A. van Oorschot, 1967

Altijd wat



OUDE FIETS



Je kwam één keer per week. Ik denk niet
dat je vriend het wist, of iets vermoedde.

Er was altijd wat met je fiets; lekke band,
ketting gebroken, achterlicht kapot.

Ik repareerde wat ik kon, ik was vrij
handig toen, terwijl jij stond te douchen.

Dan reed je terug. Ik zag je in de stad
vannacht, voor het eerst sinds maanden,

je had een nieuwe fiets. Er reed een jongen
naast je. Jullie achterlichten werkten goed.


© Ingmar Heytze


in: Illuster nr. 50, februari 2008, alumni-magazine van de Universiteit Utrecht

woensdag 18 juni 2008

De belofte van de zon


DE ZON




De zon hield haar belofte, 's morgens vroeg
Drong ze mijn kamer binnen,
Een schuine baan, geel als saffraan,
Viel van het raam tot aan de divan.
Met warme oker overgoot ze
Het bos daarginds, de huizen van het dorp,
Mijn bed, het kussen dat nog vochtig was,
Het stukje muur achter de boekenplank.


© Boris Pasternak (1890 - 1960)




Dit gedicht over saffraanlicht herinnerde zich Olga Ivinskaja - de geliefde van Nobelprijswinnaar Pasternak - toen ze hem zag liggen op zijn doodsbed, op 31 mei 1960.

Als je er geweest bent


foto Niels Roode


OVER DE BOSSEN BIJ HOOGHALEN


Over de bossen bij Hooghalen – dat is ook iets waar je
niet over schrijven kan,
tenminste niet als je er geweest bent.

(Over de kracht van weemoed.)



GERRIT KROL



in: Gerrit Krol Polaroid, gedichten 1955-1976, Amsterdam, Querido, 1976

Tussen sparren en lariksen in de heidebossen van
Hooghalen (Dr.) zijn het Herinneringscentrum Westerbork
en de Radiosterrenwacht gevestigd.

Onder een houten doek


Da capo


Treed binnen allerzwartste
met je gezandstraalde ziel
gerangschikte tranen
treed binnen en brul als een dame

Schreeuw onder een houten doek
opnieuw cadenza na cadenza
sterf in een lijf dat niet van jou is
zing tot bloedens toe

Ik wacht

Beuk open de rode zaal
ik heb haar schoon en stil gemaakt
en smeek je wees mijn opera
da capo

Kus dit lege hart


© RAMSEY NASR




* Da Capo = Italiaanse muziekterm, lett.: 'Vanaf het begin'.
Openingsgedicht van de schrijver-acteur Ramsey Nasr in zijn bundel Onhandig Bloesemend, Amsterdam, De Bezige Bij, 2004.

Het gedicht Da Capo maakt deel uit van de Poëzieroute in Gent (B.). De tekst ervan is aangebracht op een arduinen plaat in de Schouwburgstraat, aan de voorgevel van De Koninklijke Opera Gent, voorheen het Grand Théâtre.

Kort verhaal


DICHTGROEIENDE WEG

Het verhaal over deze weg kan kort zijn.
We kunnen het wel lang maken, wel blijven
praten tegen de tijd en tegen de tijd, maar
geen enkel verhaal is dat ene, waarin we
ergens vandaan gingen en ergens aankwamen.

Laat ons eens praten over de dingen, waarover
we dat niet konden en nooit zullen kunnen:
We hebben het huis verlaten, en keren terug,
maar onderweg groeit het gras de weg dicht.

En zo is het niet, ook dit verhaal doodt
de tijd niet, er is een ander verhaal,
maar dat is oneindig veel korter.


© Rutger Kopland


uit: Rutger Kopland Geduldig gereedschap, Amsterdam,
Van Oorschot (1993)

Draaikolk



BIJ EEN KAART VAN NEDERLAND


als zuiden beneden wordt en water wind
want immers blauw, blijkt net zo echt

dat je kijkt: een zonbeschenen
helling. betekenis te vondeling gelegd

laaglands grote meer een kloof hier scherp omrand
steden woonden in de wand, wegen weggelaten

smelten eilanden tot verre vogels van beschouwen
keren terug naar land waaruit ze verdwenen

duiveland een ei, gebarsten aan de bergvoet, waar,
verdraaid, de zee kolkt, ongemerkt in de gaten


© Niels Roode




*




VROEGE EXPERIMENTEN


kijken hoe suiker mijmert onder draaikolk
in theeglas. hutten en vlotten, daar schuiven
soms stoelen op sloten met koud volk.

zware bosatlas, schakering tussen groen
en zee, dat was wel duidelijk, daar heersen
vaak vlekken met onleesbaar verre tekens.

en letters: omgekeerde lego uit de curverbak
en maar bouwen aan woorden. zelfs het prefab
maanlandschap bracht geen uitkomst en je kunt
toch geen ridder op de maan zetten.

lego op parket, vroeger,
vroeger ruimen we later wel op.


© Niels Roode

Zoveel ineens -1



An, 1969


Ik herinner me vooral mij. Hoe ik ineens één
vrouw had, in plaats van nu eens deze dan die.
En hoe we nu moesten, in plaats van ooit eens zouden,
van elkaar houden.

Ik zat in de kroeg te vertellen hoe mooi je wel was
en hoe verlegen en toch brutaal, tot vriendinnen
zeiden: ga dan thuis maar beminnen -
en hoe ik dan toch nog een laatste glas.

Ik weet nog hoe je soms achter je knieën zat te zwijgen
hoeveel vrouwen je allemaal alleen
voor mij wou zijn, als ik er maar was.
En dat ik nog te jong was om zoveel ineens te krijgen.



© Herman de Coninck (1944-1997)



Uit: Herman de Coninck Schoolslag, Amsterdam/Antwerpen, Arbeiderspers (1994)

Zoveel ineens -2


An, 1971


Verliezen lukte beter: daar heb ik ternauwernood
één dichtbundel over gedaan. Ik won
de Prijs van de Vlaamse Provinciën met jouw dood.
Ik herinner me vooral dat ik mijn bril niet vinden kon.

Die lag naast de auto op de grond. Eerst vond
ik hem, het was een nieuwe, dan jou.
Dank zij die bril kan ik je nog steeds zien.
Na een eeuwigheid, misschien

een minuut of twee, wees een vrouw naar het gras:
kijk, een kindje. Oja, dat hadden we ook. Snel mond
op mond. Tom gillend als vermoord. Dat leek me gezond.

Pas toen besefte ik hoe stil het voordien was.
Ik dacht: zal ik eens proberen te huilen?
Het lukte. Dat kwam de volgende dagen goed van pas.


© Herman de Coninck


Uit: Herman de Coninck Schoolslag, Amsterdam/Antwerpen, Arbeiderspers (1994)

IJs met chocolade


La Marioneta


God ik was vergeten voor een ogenblik dat ik slechts een lappenpop ben aan wie u wat leven schonk,
mogelijk zou ik niet alles zeggen wat ik denk, maar ik zou zeker denken wat ik zeg.

Ik zou waarden geven aan de zaken, niet voor hun materiële inhoud, wel voor wat ze betekenen.
Ik zou minder slapen, meer dromen, ik begrijp dat iedere minuut dat we onze ogen sluiten 60 seconden zonder licht zijn.

Ik zou lopen als de meesten halt houden, wakker zijn als de meesten slapen.
Ik zou luisteren als de meesten spreken omdat ik zou genieten van een goed ijsje met chocolade.

Als God me nog wat bestaan zou toestaan, zou ik eenvoudig gekleed zijn, zou ik mijn buik oprichten naar de zon,
niet enkel het lichaam ook mijn ziel.

Mijn God, als ik een hart had, schreef ik mijn haat onder het ijs, in de hoop dat de zon die zou doen smelten,

Schilderde ik met een droom van Van Gogh over de sterren een droom van Benedetti en een lied van Serrat,
Het zou een serenade zijn die ik de maan aanbood.

Ik zou de rozen besproeien met mijn tranen, om de pijn te voelen van hun doornen,
en de vleesgeworden kus van hun blaadjes...

Mijn God, als ik nog een beetje bestaan had...

Liet ik geen dag voorbij gaan om de mensen te zeggen dat ik van ze hou, dat ik hun liefheb.

Ik zou tot iedere vrouw of man praten alsof ze mijn favorieten waren,
en leren verliefd te worden op de liefde.

De mensen zou ik bewijzen hoe ze zich vergissen als
ze de liefde laten als ze ouder worden,
zonder te weten dat je ouder wordt als je de liefde vergeet.

Aan een kind zou ik vleugels geven, maar ik zou ze alleen laten hangen als het er mee leert vliegen.

De ouderen zou ik aantonen dat dood hun ouderdom niet bereikt, behalve het geheugen.

Veel zaken heb ik geleerd van u, mensen
ik heb geleerd dat iedereen wil leven op de top van de berg,
zonder te weten dat het ware geluk zich in een vorm van een opstijgende vlucht bevindt.

Ik heb geleerd als een baby de vinger van zijn vader vastpakt de pasgeborene deze vinger nooit meer los zal laten.

Ik heb geleerd dat ik alleen recht heb op de mensen neer te kijken
om ze te helpen.

Het zijn vele zaken die ik van u geleerd heb
maar ik zal er me niet meer van kunnen bedienen,
omdat ik ze in deze koffer meeneem
omdat ik jammer genoeg zal sterven.


Gabriel García Márquez



Gabriel García Márquez (1927), journalist en schrijver uit Colombia, kreeg in 1982 de Nobelprijs. Bovenstaand gedicht De Marionet is, zonder deze titel, ook vaak in omloop met enkele titelvarianten: de beginregel of slechts een aantal Spaanse woorden daaruit - Si por un instante... (Dios se olvidara)

Wantrouwende handen



MOEDERS

Men herkent ze van ver en van vroeger: altijd in rep en roer,
Altijd dat vertrouwde rumoer. Of wij het niet te koud hebben
misschien, dat onze jas wat hoger moet geknoopt, dat wij
die slechte vrienden beter kunnen mijden. Et cetera,

et cetera. Zij zijn van overdosissen voorzichtigheid vervuld,
van levenslang et cetera, stupide stuwingen in buik en boezem.
Fluorescente details, eeuwenoud van eenvoud: spermavlekken die zij
stil, met dromerige ogen uit de lakens van hun zonen wassen,

meisjes die zij halsoverkop uit de vrouwen moeten wissen
die zij tussentijds geworden zijn. Het kan in goede moeders
allemachtig sneeuwen, voornamelijk wanneer geen mens
het al verwacht, begin november, zodra de doden victorie kraaien.

Zij geven kleuters sjaals en wollen wanten mee. Bananen.
Iets dappers tegen tranen. En van hun eigen moeders die hun meer
en meer ontglippen, worden zij de laatste moeders. Tot zij
de handen wantrouwen die hen niet langer vasthouden kunnen.

November wordt het niet, november valt. Als avond.
Lucht verplaatst zijn diepste rood in bladeren van beuk en eik.
En wegens alles wat zij niet meer kunnen houden, houdt hij op:
hun wereld vol et cetera, et cetera en totterdood.

© Luuk Gruwez

Uit: Luuk Gruwez, Lagerwal, Amsterdam/Antwerpen, De Arbeiderspers, 2008

Waterleven



De idioot in het bad



Met opgetrokken schouders, toegeknepen ogen,
haast dravend en vaak hakend in de mat,
lelijk en onbeholpen aan zusters arm gebogen,
gaat elke week de idioot naar 't bad.

De damp, die van het warme water slaat
maakt hem geruster: witte stoom...
En bij elk kledingstuk, dat van hem afgaat,
bevangt hem meer en meer een oud vertrouwde droom.

De zuster laat hem in het water glijden,
hij vouwt zijn dunne armen op zijn borst,
hij zucht, als bij het lessen van zijn eerste dorst
en om zijn mond gloort langzaamaan een groot verblijden.

Zijn zorgelijk gezicht is leeg en mooi geworden,
zijn dunne voeten staan rechtop als bleke bloemen,
zijn lange, bleke benen, die reeds licht verdorden
komen als berkenstammen door het groen opdoemen.

Hij is in dit groen water nog als ongeboren,
hij weet nog niet, dat sommige vruchten nimmer rijpen,
hij heeft de wijsheid van het lichaam niet verloren
en hoeft de dingen van de geest niet te begrijpen.

En elke keer, dat hij uit 't bad gehaald wordt,
en stevig met een handdoek drooggewreven
en in zijn stijve, harde kleren wordt gesjord
stribbelt hij tegen en dan huilt hij even.

En elke week wordt hij opnieuw geboren
en wreed gescheiden van het veilig water leven,
en elke week is hem het lot beschoren
opnieuw een bange idioot te zijn gebleven.





© VASALIS



Uit: M.Vasalis Parken en woestijnen (oorspr. 1940, Stols), herdr. Amsterdam, Van Oorschot, 1991

dinsdag 17 juni 2008

Harde koppen - voetbalvers (12)



MAARHEEZER BOYS
, 1939



Katoenen kous, elastiek
om de kuit, de doelman
met gekrulde mondhoek
liggend in het gras

de bal vast
als ongegeneerd bezit.
Een jongen, geen vader nog
van tennisspelers, in geen opzicht

een spelbreker.
Gloeiende hitte, dondert niks
ze spelen God en de vrouwen
buitenspel, de beurzen leger

dan ooit, de knieën puntig
en vooruit.
Achter hun harde koppen
staan de meisjes.


©
Gerry van der Linden


- in opdracht geschreven voor: Zeg eens bal - poëzie voor hart en knie,
bloemlezing van 'voetbalgedichten' [samenst. en red. Ben Herbergs – illustr. Len Munnik],
Rotterdam, uitg. Bèta Imaginations, 2000.


Naderhand ook opgenomen in de Hard Gras-voetbalscheurkalender 2008.

GERRY VAN DER LINDEN schrijft gedichten, verhalen en romans. Op jonge leeftijd debuteerde ze met de dichtbundel De Aantekening (De Bezige Bij, 1978). Tot nog toe schreef zij zeven dichtbundels, een novelle en twee romans. Haar laatste publicatie is de dichtbundel Glazen jas (Nieuw Amsterdam, 2007). Van der Linden nam deel aan poëziefestivals in onder andere Turkije, Indonesië en Nederland.

Drie van haar gedichten zijn opgenomen in de bloemlezing Poëzie van de 20ste en 21ste eeuw van Gerrit Komrij, de 'canon' van de Nederlandse dichtkunst. Gerry van der Linden publiceert met regelmaat nieuw werk in het literaire tijdschrift Hollands Maandblad en leest voor en jureert in radioprogamma's, zoals het VPRO-radioprogramma De Avonden.
Werk van haar is vertaald in o.a. het Frans, Engels, Turks en Sloveens.

Zie ook http://www.gerryvanderlinden.nl/

Tussen de palen - voetbalvers (11)



NOOIT MEER MULO K.


Je voetbalde op de stenen van de Wal,
Meestal met geschaafde benen en korst
Van vorige wedstrijden. Je voetbalde
Op een stoppelveld, buiten de stad en
Jatte na afloop knollen. De doelen
Bestonden uit stapels kleren. De bal
Was een aanfluiting van verveld rubber.
En we waren allemaal scheidsrechter.

De beste voetballers van de Wal mochten
Altijd kiezen en kozen mij altijd als
Laatste, als keeper. Moest ik duiken
Dan sprong ik omhoog. Moest ik springen
Dan dook ik gaten in de lucht. Zelden
Had ik de bal klem. Bijna nooit smaakte
Ik het zoet van de overwinning. Gallig
Slikte ik de nederlaag en vloekte schuldig.

En toen was daar de dag, dat mijn vader
Vertelde dat hij me lid had gemaakt
Van de blauwgelen, van de Rooms –
Katholieke Voetbalvereniging MULO.
Erger kon niet, vonden mijn vrienden.
Ik zweeg en trok trots het blauwgele
Voetbaltenue aan. Vanaf nu zou alles
Anders worden, dat wist ik zeker.

De tweedehands voetbalschoenen
Pasten precies. Stralend fietste ik
Naar het hobbelige veld, waar later
De Gebroeders Van de Kerkhof hun
Eerste triomfen zouden vieren. Scoren
Wilde ik, corners nemen en pienanties.
Gejuich in de oren en applaus, kortom
Met Uiterste Leeuwemoed Opwaarts.

Van jou maak ik de Witte Panter van
MULO K, zei de sjofel geklede trainer.
Hij trok aan mijn blonde haren en wees
Naar het doel. Ik haalde mijn schouders
Op en staarde naar de blauwe lucht.
Klein en nietig stond ik tussen de palen.
Een leren bal knalde tegen mijn buik.
Naar adem happend, neerwaarts.


De trainer schold me uit en vloekte,
Terwijl het doelpunten regende. Ik
Rilde van woede toen ik werd
Uitgelachen, na een vergeefse snoekduik
Waarbij ik met mijn hoofd tegen de
Doelpaal terechtkwam. Met een blauwe
Bult op mijn kop en pijn op mijn borst
Liep ik met de fiets in de hand naar huis.


Dat noppen slijten op de straatstenen
Besefte ik toen niet. In de kapsalon
Van mijn vader trok ik krassen in de
Vloer. Hij duwde me naar het magazijn
En haalde uit. Nooit meer MULO K,
Dacht ik, toen ik me omkleedde en
Kwaad kleren en schoenen in een hoek
Smeet. Nooit meer MULO K.


© Hans van de Waarsenburg



- in opdracht geschreven voor Zeg eens bal - poëzie voor hart en knie,
bloemlezing van 'voetbalgedichten' [samenst. en red. Ben Herbergs – illustr. Len Munnik],
Rotterdam, uitg. Bèta Imaginations, 2000


Met Uiterste Leeuwemoed Opwaarts (MULO) is een amateurvoetbalvereniging in Helmond

Gaan liggen in de avond



AAN EEN VIJVER



Geluk was een dag aan een vijver
in gras met bomen
tot in de hemel omkringd

ik was er het kind van god en
mijn grootvader—beiden stierven
geluk is gevaarlijk

de vijver is gaan liggen in de avond
zo spiegelglad dat hemel, bomen en gras
zich herhalen onder de aarde

angst en heimwee, beide vragen mij
terug



© Rutger Kopland


Uit: Rutger Kopland Geluk is gevaarlijk, Amsterdam, Muntinga, 1999.

maandag 16 juni 2008

Lang meegevlogen


Spreeuwen in het stadsmoeras


Bij toverslag
luidruchtig opgevlogen; kwetterzieke
spreeuwen
zwermen
tussen beuken en kastanjes,
jagen de verschrikte
zangers uit de hagen,
suizen pijlsnel
naar omlaag -

Scheervlucht over het riet,
wind van duizend vleugelslagen.
Duizend zenuwlijders vliegen onberispelijk door het zomeravondlicht.

Onzichtbare signalen, oorverdovend
overleg;
een slingerend lint vanuit de lucht
opeens weer neergestreken -
Glans van parels in de rietkraag;
diep gebogen wiegen stengels
het gewicht van duizend rusteloze spreeuwen

Lang gekeken, meegevlogen -

Op een ochtend
alles weg.



© H. C. TEN BERGE



Uit: H.C. ten Berge Oesters & gestoofde pot.
Amsterdam, Meulenhoff, 2001

Van alles twee



ZOMERAVOND


Zomeravond. We hebben woorden en tijd.
Behaaglijk is het om van mening en geslacht
te verschillen, waarna alleen nog van geslacht,
een verschil van dag en nacht, waarna nacht.

Laat je strelen, kom.
Ik hou ervan je lichaam te verdelen
in van alles twee, zoals ik deze zomer
de zee verdeelde toen ik schoolslag zwom.


©
Herman de Coninck


Uit: Herman de Coninck Schoolslag. Amsterdam, Arbeiderspers, 1994.

Er is op je gerekend



RITUEEL



Ik houd het kleine ritueel in ere,
opdat je elk moment terug kunt keren.

Iedere dag, wanneer het avond wordt,
maak ik de tafel klaar: een extra bord,

bestek, je eigen stoel, een kaars, een glas,
alsof je enkel opgehouden was.

Ik hoor (hoe kon ik denken dat hetgene
waardoor ik ben, voor altijd was verdwenen?),

ik hoor, alsof de woning nog bestond,
het grind, de klink, het aanslaan van de hond,

en je komt binnen op het ogenblik
dat ik de lamp ontsteek, de bloemen schik.

Ik hoop alleen dat ik dan rustig blijf
en haast niet opziend van mijn stil bedrijf

de woorden vind, als was het vanzelfsprekend:
Schuif aan; tast toe: er is op je gerekend.



© Jean Pierre Rawie



Uit: Jean Pierre Rawie Verzamelde Verzen, Amsterdam, Bert Bakker, 2004

Hoor het wiel


Veerhuis, Neer


Hoor het ratelen van het wiel –

waar is de veerman nu, de stoom
die uit zijn kleren dampt, zijn lijk-
bleek aangezicht? Zo haastig
is de vraag niet: er wacht een

stroom daar, geen gladgestreken water

Het licht dat staat valt later
drijft van angst naar schroom


© Frans Budé

Uit: Hans Berghuis / Frans Budé De Maas en andere sproken. Maastricht, Het Gonst, 1990.
Beide dichters volgden voor deze publicatie de loop van de rivier de Maas.
Bibliofiele uitgave in cassette, zes exemplaren van de oplage van in totaal 100 stuks - gebrocheerd resp. in gebonden linnen met stofomslag - werden van schilderingen voorzien door Frans Budé.