woensdag 24 december 2008

Of er iets is, vraagt ze


POLSKIE TANGO


De houten uitbouw van het dorpscafé.
Daarbinnen de gietijzeren kachel, die
Vuur ademt, was droogt, sterren droomt.
Daar zingt zij tango’s. Haar stem krast

Uit de grijze groeven van de grammofoon.
Of er iets is, vraagt ze en likt zijn oorlel.
Hij kust haar vingers en houdt haar als in
Een Polskie Tango zo vast, dat lijven zich

Hechten, haar kuitbeen oplicht, zich bloot
Geeft. Peperwodka’s worden besteld. Mijn
God, de tango is geen mars voor oorlog.
Dit is voetstaps sluipend gaan, in ongrijpbare

Tijd. Dit is lieflijk falset zingen in donkere
Glazen. Dit is een stil zetten van jaren,
Omdat de doden nog leven. In het dorpscafé
Een glas drinken, luisteren naar haar,

Die dronkaards kust, troost biedt, steels
Een knopen gulp aait. Waar tranen zoutkristallen
Worden. De hand aan het gemoed slaat.
Zwarte Madonna, mag ik deze dans van U?

© Hans van de Waarsenburg


POLSKI TANGO

Der hölzerne Vorbau der Dorfkneipe.
Drinnen der gusseiserne Ofen, der
Feuer atmet, Wäsche trocknet, Sterne träumt.
Dort singt sie Tangos. Ihre Stimme kratzt

Aus den grauen Gravuren des Grammophons.
Ob etwas sei, fragt sie und leckt sein Ohrläppchen.
Er küsst ihre Finger und hält sie wie in
Einem Polski Tango so fest, dass Leiber

Verschmelzen, ihr Wadenbein sich hebt, sich
Entblößt. Pfefferwodkas werden bestellt. Mein
Gott, der Tango ist kein Marsch in den Krieg.
Dies ist schrittweiser Schleichgang, in unfassbarer

Zeit. Dies ist lieblicher Falsettgesang in dunklen
Gläsern. Dies ist ein Anhalten der Jahre, denn
Die Toten leben noch. In der Dorfkneipe ein
Gläschen trinken, ihr zuhören,

Die Betrunkene küsst, Trost spendend, heimlich
Mit warmen Fingern im Schritt. Wo Tränen Salzkristalle
Werden. Die Hand ans Gemüt sich legt.
Schwarze Madonna, darf ich um diesen Tanz bitten?


Uit: Hans van de Waarsenburg So treibt die Insel/ Zo drijft het eiland, tweetalige keuze uit zijn gedichten, in het Duits vertaald door Marinus Pütz, met een voorwoord door Cees Nooteboom.
Verlag Ralf Liebe, Weilerswist-Köln, 2008

dinsdag 23 december 2008

Epitaaf

OP HET MARMER VAN JE BILLEN
(No mármore de tua bunda)



Op het marmer van je billen heb ik mijn grafschrift gegrift.
Nu wij uit elkaar gaan, behoort mij mijn dood niet meer toe.
Jij nam die mee.


Carlos Drummond de Andrade (1902-1987)


uit: C. Drummond de Andrade De liefde, natuurlijk - vert. uit het Portugees door August Willemsen – Amsterdam/Antwerpen, Arbeiderspers, 1992

zondag 21 december 2008

Een raam in de elleboog


DE HEMEL legt zijn blauw papier over
je luchtige jurk: een bijna doorzichtig
begeren. Jij balanceert de zomer
met je hand in je nek, in je elleboogholte
slaat een raam open. Misschien kwam de liefde
daar doorheen gevlogen en hing de tijd
aan de wilgen. Ik neem je portret
van de muur, leg het in mijn woorden.
Het glas is van buiten beslagen,
van binnen.


Jürgen Nendza



DER HIMMEL legt sein blaues Papier über
dein luftiges Kleid: ein fast transparentes
Begehren. Du wiegst den Sommer
mit der Hand im Nacken, in deiner Armbeuge
öffnet sich ein Fenster: Vielleicht kam die Liebe
da durchgeflogen und hing die Zeit
an den Nagel. Ich nehme dein Bild
von der Wand, lege es in meine Worte.
Das Glas ist von auszen beschlagen,
von innen.


Uit: Jürgen Nendza Flugtöne/Vlieggeluid - vertaling Ard Posthuma - gedichten in het Duits en het Nederlands, met een nawoord van Alexander von Bormann. Maastricht International Poetry Series 2008, uitgave i.s.m. Verlag Ralph Liebe, Weilerswist/Köln

Decemberkaart




KERSTMENU


Fiks gekruid prijken ze, oudoom Haas
& oudtante Patrijs
op het kerstdiner. Verre familie van weleer

Bloed-
verwanten, aangeschoten, bij bosjes
in de ochtendmist

Onsterfelijken
plots onderhevig
aan de zwaartekracht
en lang zo o n s t e r f e l ij k niet meer!

December. Ze noemen je Monsieur
Chablis
Je ontkurkt een
premier cru
gooit knoestig lijkjes van oude liefdes
op het vuur…

O, met voorheen hun gave lendenen
een
Goed Gesprek
nu
, op dit late uur!

Maar de Dames gaan in vlammen op
December
De Dood moet op het spek gebonden

(de fazant) (de haas) (het hert) (het everzwijn)

En het ijsdessert :

een Mensenzoon
geboren

in bittere koude

uit een Maagd

Gelukkig Kerstfeest !
Bonne Année





© Manuel Kneepkens

donderdag 11 december 2008

Papierzak of slaaplamp?

Het schaap heeft slaap
en de koe is moe
Het paard kijkt
over het prikkeldraad
en denkt het is al laat

woensdag 3 december 2008

Aanhalingstekens


JONG LANDSCHAP
(met Van Ostaijen - citaat)




Wakker worden in de asbak

Oksels en leer
De smaak van sokken

Rondjes lopen onder tandenpoetsglas
Alles wat ik zie

Is uitzicht met ruitenwissers

Gebroken groen, huiskamerkoeien
Ruilverkaveling en spellingvereenvoudiging

De typische cakedoosvorm van het dijkdorp

Drie keer achter elkaar
Zegt iets
Ik wil naar buiten

Mijn hart springt op
De was smelt in mijn oren

Dan regent het aanhalingstekens

"Buiten”: een glazen baksteen
In een transparante muur

"Over de randen van mijn handen
tasten mijn handen
naar mijn andere handen
onophoudelijk”



© K. Michel




Uit: K. Michel Waterstudies, Amsterdam, Meulenhoff, 1999

maandag 1 december 2008

Meestal onder de tafel


VADER


We zijn vele jaren en enkele maanden verder.
Ik ben nu die man, die jij geweest had
Kunnen zijn, levend. Hetzelfde buikje,
Golfslag op het nauwelijks kalende hoofd,
Dat voortdurende zwijgen, de voeten op tafel
En altijd tranende ogen. Je glas. Ouder.

Waar we ook waren, was er afstand, was er
Nurkse koppigheid. Je schopte je oudste zoon,
Waar je hem raken kon: enkels, kuiten, schenen.
Meestal onder de tafel of in de kerk.
Onzichtbare pijniging tot de soep sprak.
Dat soepele slurpen begon.



© Hans van de Waarsenburg





VATER

Wir sind viele Jahre und einige Monate weiter.
Ich bin nun der Mann, der du hättest gewesen
Sein können, lebend. Dasselbe Bäuchlein,
Wellenschlag auf dem kaum kahl werdenden Kopf,
Das anhaltende Schweigen, die Füße auf dem Tisch
Und immer tränende Augen. Dein Glas. Älter.

Wo auch immer wir waren, es gab einen Abstand, es gab
Mürrische Sturheit.Du hattest deinen ältesten Sohn getreten,
Wo immer du ihn treffen konntest: Knöchel, Waden, Schienbein.
Meistens unter dem Tisch oder in der Kirche.
Unsichtbare Peinigung bis die Suppe sprach.
Das flüssige Schlürfen begann.






"...schaamteloze grootspraak en retoriek..."
"...iemand die een luide toon niet uit de weg gaat..."

- Cees Nooteboom ('En bij mij is dat een compliment') op het achterplat over het werk van dichter Van de Waarsenburg


uit: Hans van de Waarsenburg So treibt die Insel/ Zo drijft het eiland, tweetalige keuze uit zijn gedichten, in het Duits vertaald door Marinus Pütz. Met een voorwoord door Cees Nooteboom. Verlag Ralf Liebe, Weilerswist-Köln, 2008

zondag 30 november 2008

Het latwerk van een woord



LIEFDESWOORD




liefde is zo'n dun woord
voor wat drieëentwintíg jaar tussen man
en vrouw ligt – dun armzalig woord

kijk hoe weerloos begint de letter l
(zonder de steun van alleen)
kijk hoe ijl klieft de ie
hoe achter het ruisen van l en f
(twee rietstengels snipperend in de wind met i)
hoe moeizaam tand-en-lip door f zijn overgave
terugschakelt naar tand-en-tong
in de dompelende dofdode d
en terugvalt
terugvalt
naar ontronde, onteerde, ontroerde [ə]

lief-[də]
liefde

tussen de ruisende fricatieνen
flikkert geen beschadiging
geen afranseling van dromen
geen bronstig hert in dorre streken
geen dolk begraaft zich in een rug

liefde is zo'n pover woord
voor wat wij hier hebben
wij hijgen door dezelfde strot
wij teren aan dezelfde klier
we bestaan niet apart van elkaar
we schijten samen

en om alles te bekronen
is het latwerk van het woord liefde
geen aanduiding
dat we elkaar tot bloedens toe bevechten
en bevelen en elkaar al bloedende
te gronde verachten en beminnen


© Antjie Krog

Uit: Antjie Krog Kleur komt nooit alleen - uit het Zuid-Afrikaans vertaald door Robert Dorsman - Amsterdam, Podium, 2002

Als er al een afscheid is




OVER DE VELDEN

(voor Seamus Heaney)*




Over de velden, voorbij het midden
Van het leven, de schimmen van de paden.
Het verlopen van het zure middaglicht.
Met een veer in de keel en zicht op

Traag tuimelen. Over de velden schrijdt
Het woord zo langzaam, dat de klank
Verdwijnt, oplost in de nevel boven
Stoppelvelden. En de wandelaar? Hij

Tuurt over de velden naar tanende
Horizon. Probeert uit zijn schaduw te
Stappen, terwijl het donkert rondom
Het hoofd. De doden ritselen tussen

Herfstbladeren of rusten op de takken
Van het verleden. Als er al een afscheid is,
Laat het dan nog duren en breng ‘hout
Naar de bossen en turf naar de venen’.



© Hans van de Waarsenburg


* Geschreven na een gezamenlijke wandeling en een bezoek aan Thoor Ballylee, Gort, Co. Galway.



ÜBER DIE FELDER

Über die Felder, vorbei an der Mitte
Des Lebens, den Schatten der Pfade.
Der Verlauf des sauren Mittagslichts.
Mit einer Feder im Hals und Blick auf

Träges Taumeln. Über die Felder schreitet
Das Wort so langsam, dass der Klang
Verschwindet, sich auflöst im Nebel über
Stoppelfeldern. Und der Wanderer? Er

Starrt über die Felder auf den sinkenden
Horizont. Versucht, aus seinem Schatten zu
Treten, während es dämmert um
Den Kopf. Die Toten rascheln zwischen

Herbstblättern oder ruhen auf den Zweigen
Der Vergangenheit. Wenn es schon einen Abschied gibt,
Dann lass ihn noch dauern und trage "Holz
In die Wälder und Torf ins Moor."




Uit: Hans van de Waarsenburg So treibt die Insel/ Zo drijft het eiland, tweetalige keuze uit zijn gedichten, in het Duits vertaald door Marinus Pütz. Met een voorwoord door Cees Nooteboom. Verlag Ralf Liebe, Weilerswist-Köln, 2008


Oorspr. verschenen als slotgedicht - en later op affiche -  in Hans van de Waarsenburg Beschrijvingen van het Meer, Rotterdam, Bèta Imaginations, 2000

dinsdag 25 november 2008

Groeven


DE PIJNBOOM EN HET HIJGEN



Elke ochtend zijn de groeven in de stam vers,
dierlijker

Overdag moet het zich ingegraven hebben,
houdt het zich opgerold onder ons schuil
tegen het licht, klauwtjes over de borst gevouwen

In het avondlicht zwelt een roze wolk

We lossen elkaar af bij de vuren

Voor wie van ons
opent het rekt het
stulpt het zich
zacht jammerend uit -





© Peter Verhelst




Openingsgedicht uit:
Peter Verhelst Nieuwe sterrenbeelden,
Amsterdam, Prometheus, 2008.

 
 
Omslag: het schilderij Paolo en Francesca van Ary Scheffer (1795-1858). Dit liefdespaar is in Dantes Goddelijke Komedie symbool voor de onmogelijke liefde die maar niet bekomen kan van de werveldwind die hun passie is.

vrijdag 21 november 2008

Het geheim heeft maar één naam



ODE AAN DE VREUGDE



Liefde, als er geen hoop meer is:
alleen dat is liefde.

Lanceer een nieuwe radiosonde,
als tien al zijn neergestort,
neem tweehonderd konijnen

als honderd al zijn doodgegaan:
alleen dat is wetenschap.

Je vraagt naar het geheim.
Het heeft maar één naam:
opnieuw.

Op het laatst
draagt de hond in zijn bek
zijn beeld in het water,
nagelen mensen de nieuwe maan,

ik hou van jou.

Als kariatiden
torsen we op geheven armen

de granieten tijd

en verslagen
zullen we altijd winnen


© Miroslav Holub


Uit: Miroslav Holub De geboorte van Sisyphus - een keuze uit de gedichten en andere
teksten 1958-1998, samengesteld en uit het Tsjechisch vertaald door Jana Beranová,
Amsterdam, De Bezige Bij 2008

donderdag 13 november 2008

Polders, duinen


VOGELGIDS





Dit boek vertelt wat mensen in ze zagen:
kneu, tapuit, paapje, wielewaal.
Voorouders wijzend, roepend op het veld
tot het juiste woord langs vliegt, ze knikken,

namen zijn gedeeld gevoel.

Pinksterfeest na pinksterfeest: klauwier,
hop, smelleken, wouw, smient, dodaars.
IJsvogel, buik vooruit, als vlam biddend
boven blijde gerimpelde koppen.

Daarom vogels kleuriger afgebeeld dan het grauw
gescharrel buiten, makkelijke prooi zo
voor de vrienden van blz. 96 en verder:
havik, sperwer, valk, valser geschminkt

dan Judas in het passiespel.

De vogelgids heeft mij ver gebracht. Polders.
Duinen. Limburg. Ontmoetingen. Liefde.
Soms zie ik nog iets vliegen dat op
een bladzij uit de vogelgids lijkt.


 
© Rouke van der Hoek


 
Uit: Rouke van der Hoek Het magnetische noorden Amsterdam/Antwerpen, Atlas, 2001

woensdag 12 november 2008

Ontdooi mij


STAAND
*




Versteend sta ik op deze aarde
met lange rok en omslagdoek
die hij strak rond mijn borsten
speldde, omdat dat van de wereld
moet. Zo ben ik opgevoed.

Mijn ogen hebben iris noch pupil.
Dus kijk ik maar naar binnen, wil
al wat buiten voorvalt binnen horen.

Van wat ik waarneem ligt rondom
mijn mond een lach bevroren,
die daar maar vriezen blijft. Ontdooi me,
tooi me met een hoed van bloemen
en lange stengels in m'n lijf.


© Hester Knibbe


*) Gedicht bij vaas in de vorm van een staand meisje, Lokri (Zuid-Italië), midden zesde eeuw v. Chr.




Uit: Hester Knibbe Een bittere navel Baarn, De Prom, 1997

maandag 10 november 2008

Ontzet


KNOPENDOOS



Ze stonden recht als gasvlammen
op zolder rond de koude haard.
Beneden knapten nog graven open.
Op de trap verdrong zich dat het kraakte.
Verwarde stemmen: ‘Knopendoos!
Kijk in de knopendoos!’ Dat werd geroepen.
Een kinderlichaam door groei ontzet
lag onbeweeglijk in zijn bed.


© Tonnus Oosterhoff


Uit: Tonnus Oosterhoff  Boerentijger, Amsterdam, De Bezige Bij, 1990

zondag 12 oktober 2008

Ziekte


VOOR JAN ARENDS




Voor mij
is angst
een
ziekte

daardoor
ben ik
nergens
bang voor

maar wel
bijna
overal
ziek van



© Ingmar Heytze



Uit: Ingmar Heytze De Allesvrezer, Utrecht, Kwadraat, 1997

woensdag 1 oktober 2008

Omkijken


EEN GESPREK




"Waar zullen wij afscheid nemen?
"In de regen"
"Zullen wij schuilen?"
"Nee!"
"Hoe zullen wij ons voelen?"
"Ziek, vals en verlegen."
"Wat zullen wij zeggen?"
"Wij zullen het niet weten."
"Wat zullen wij denken? "
"Was het maar gisteren, morgen of nooit."
"Zal een van ons gelijk hebben?"
"Geen van ons zal gelijk hebben."
"Zullen wij elk een andere kant op gaan?"
"Wij zullen elk een andere kant op gaan."
"Zullen wij omkijken?"
"Een van ons zal omkijken. Stilstaan, aarzelen en omkijken."

Zo spraken ze tegen elkaar, telkens weer
opnieuw.
Maar zij vroegen nimmer wie. Wie
zou omkijken. Wie.




© Toon Tellegen



Uit: Toon Tellegen Mijn winter, Amsterdam, Querido, 1987

maandag 29 september 2008

Bed met gele lakens



DE STRANDJURK OPLICHTEN


Voorzichtig. Omzeil de verrukking, dat zinkt toch maar als reumatiek
het gebeente in. We heffen aanvankelijk de jurk tot op de heupen slechts.
De maan fonkelt maanlicht op je naakte dijen. ‘Een waarheid,’ fluister ik
‘herhaalt zich niet’ & ‘je trekt mij als het trekken van de maan.’ Stilte.


Het droge zand schelpt je nog omstandig haar nee maar de weerstand
in de scène is een kronkeling van eerdere acteurs, het ritmische breken
van de bruisende golfslag wil al dat springtij van ons, een hoogwit ruisen,
het kabaal, namelijk, van de stilte beukend op het witte, mensvreemde strand.


“De verbeelding zet zich door het vel heen aan het vlees.”
Een verstrengeling van lichaam vindt plaats meestal 's nachts,
de verstilde klomp van het rozige hunkeren, het sensuele
verrimpelt delicaat het strakke dagkleed van de verwensing.


Ik giet je huid & lippen in de kom met ontbijtgranen. Dat bed, dat daar
met de gele lakens, dat lees ik je in als de lopende code van ons verlangen.


© Dirk Vekemans

in: De Gids, augustus 2008.

zaterdag 20 september 2008

Opzien


Biechten aan de muis van zijn hand.
Hij sputtert broodpap. Wat hem voedt
wordt geklauter langs de boordknoop.
Verdonkeremaant de guppen van deze
week. De vilder is ouder en meer moe
dan menig hoornvlies op zijn plank.
Dat wil hij ook. Niet als kluizenaar,
dat zou onvoldoende zijn. Hij zoekt
een diepere slaap. Thesaurus in het
onderdek. Opzien tegen magere jaren.


© Marc Kregting



Uit: Marc Kregting Kopstem/Stopnaald - gedichten, verhalen. Amsterdam, Prometheus, 1997

donderdag 11 september 2008

Hoe machteloos lief




STERFBED


Mijn vader sterft; als ik zijn hand vasthoud,
voel ik de botten door zijn huid heen steken.
Ik zoek naar woorden, maar hij kan niet spreken
en is bij elke ademtocht benauwd.

Dus schud ik kussens en verschik de deken,
waar hij met krachteloze hand in klauwt;
ik blijf zijn kind, al word ik eeuwen oud,
en blijf als kind voor eeuwig in gebreke.

Wij volgen één voor één hetzelfde pad,
en worden met dezelfde maat gemeten;
ik zie mijzelf nu bij zijn bed gezeten

zoals hij bij zijn eigen vader zat:
straks is hij weg, en heeft hij nooit geweten
hoe machteloos ik hem heb liefgehad.


Jean Pierre Rawie

Uit: Jean Pierre Rawie Verzamelde Verzen, Amsterdam, uitgeverij Bert Bakker, 2004.
Oorspr. in: Onmogelijk geluk (1992).

maandag 1 september 2008

Waar het kwaad niet kan komen


KLEINE PASTORALE




In D. heerst de rust van een nacht op het land.
De inwoners slapen. De schoorstenen stomen
hun zweetlucht naar buiten, het blaffen der honden
verstomt. De lijven draaien zich nog eens om,
hun kleine lusten steken de kop in dromen.

In dit dorp, waar het kwaad niet kan komen,
rust zacht de hand, luiert de pols op de rand van
het bed, sluipt de weemoedige wesp langs
het laken omhoog, bevuilen de luizen
de eens zo blanke agenda.

Lazarus lepelt de wacht zijn eieren uit,
totdat hij zich wakker zal braken.
Aan de muur een verouderde kaart van Europa.





© Juliën Holtrigter



Uit: Juliën Holtrigter Omwegen Zoetermeer, Mozaïek/Boekencentrum, 2001