woensdag 18 februari 2009

De omheining over



JE HEBT MIJ UITGEBEEND


Je hebt me uitgebeend
heel zοrgvuldig
me bijgeschreven.
in je universum
als een wond
een perfecte prothese
een vervloekte noodzaak
je hebt mijn aderen οmgeleid
zodat ze zich zouden legen
in de jouwe
zonder terugweg
in jou ademt een enkele long
de andere, voorzover ik weet
bestaat nauwelijks
Vandaag ben ik vroeg opgestaan
heb met zacht poeder en koud water
mijn glοeiend lichaam gekoesterd
de boter zal ik niet slaan
de ceintuur zal ik niet omdoen

IK GA WEG
naar het zuiden, de omheining over


Paula Tavares


Uit: Liefde kon maar beter naamloos zijn – 150 dichteressen voor Amnesty International. Samenst. Daan Bronkhorst, 2000, Breda, De Geus.

Paula Tavares (1952) is een schrijfster en dichter uit Angola.

Laagste toetsen



ADIEU
I

Aan mijzelf


Dit zijn, ’t zij zo, de laatste noten
die ik ga,
wil,
kan
spelen
in ’t laatste leven dat ik leef,
op de laagste toetsen van mijn ribbenkast.
Een kast hard als een safe,
waaruit ik de gekste centen heb verbrast,
waarin ik de duurste spinnewebben heb verpulverd.
Het stof is aan mijn knekels blijven hangen.
Het zal met mij begraven worden.
De wormen zullen het niet eten,
’t gif is alleen voor mij bestemd.
Ik kan, ik kon het weten
dat elk mooi lied zich met een einde tooit,
zoals elk eind zich tooit met een gebed na ’t eten,
en dat dit einde, nu of nooit,
begin moet heten.


Gaston Burssens


Uit: Gaston Burssens Alles is mogelijk in een gedicht - Verzamelde verzen 1914-1965.
Antwerpen-Amsterdam, Meulenhoff/Manteau, 2005.

Poem of the Week in de Engelse vertaling van John Stevens Wade
(uit: Anthology, 1982) op:

www.poetryinternationalweb.org

Schommel


BREEDUIT IN DE SPEELTUIN LIGT DE TIJD




Breeduit in de speeltuin ligt de tijd
onzichtbaar als een wolk waaruit
het angelus van kinderstemmen klinkt.

Handen slaan op onbestaande ballen,
monden happen in doorzichtig vlees.
De tijd, geduldig, laat zich sarren

als wolk van een hond
in wiens grijs een oude wijze
wrede godheid woont.

Hij likt het bloed van knieën en kiezels.
Tussen de tanden kraakt zijn zand.

Ik neem het meisje bij de hand
en leer haar schommelen
boven zijn afgrond.



© Johan de Boose



Uit: Johan de Boose De moed om te falen, gedichten. Gent (B.), PoëzieCentrum, 2001

dinsdag 17 februari 2009

Veel gedaan



RAFELS



Toen ving een roodbruine stam nog
de ochtendzon op, puur cederhout
van caran d'ache.

Later fladderden er raven
tussen de al even gerafelde takken
van de lariks.

Een schicht: de schaduw
van één zwaluw schoot
door de zomer.

En in het sprookjesbos
is plotseling de stinkzwam
dwingend aanwezig.

Doodgaan behoort tot het zeer weinige
dat niet zou mogen. Toch
wordt het veel gedaan.

© Jan Eijkelboom


'Rafels' werd in 2001 door Poetry International onderscheiden met de Gedichtendagprijs.

Uit: J. Eijkelboom Het arsenaal, Amsterdam, De Arbeiderspers, 2000.
Ook in: Tot zo ver - De meeste gedichten, Amsterdam, Arbeiderspers, 2002.

Waar de rookbergen staan




DE TERUGKEER




Mijn vaderstad, hoe zal ik ze vinden?
De zwermen bommenwerpers achterna
Kom ik naar huis.
Waar ligt ze toch? Waar de ontzettende
Rookbergen staan.
Daar in de vuurgloed,
Dat is ze.
Mijn vaderstad, hoe zal ze me ontvangen?
Voor mij komen de bommenwerpers. Dodelijke zwermen
Melden u mijn terugkeer. Vuurzeeën
Lopen voor de zoon uit.



© Bertolt Brecht


Uit: De mooiste van Brecht - samengebracht door Koen Stassijns en Ivo van Strijtem. Tielt/ Amsterdam, Lannoo-Atlas, 1998.

Augsburg, hoofdstad van Schwaben (Beieren) en geboortestad van Brecht, werd na 1942 tenminste tien keer door de geallieerden gebombardeerd. De stad was een van de belangrijkste plaatsen van de nazi-bewapeningsindustrie, met vliegtuigproducent Messerschmitt AG en de Maschinenfabrik Augsburg-Nürnberg (MAN), die de motoren voor o.a. de Duitse duikboten leverde. De oorlogsindustrie rond Augsburg werd draaiend gehouden door dwangarbeid van duizenden gevangenen uit Dachau, als tewerkgestelden in een zogeheten 'buitenkamp' (Außenlager).

Voor wat ze nog bezit


MATROESJKA IN DE ARBAT


Oud is ze en mijn moeder niet.
Geknield op straat, maar slordiger
en ziek bidt ze voor wat ze nog bezit. Ze heeft

geen man meer en haar zoon is
dood, schrik ik: hij had zijn moeder wel
voorzien van brood, een dochter

kreeg ze niet. Nu ligt ze hier en
schokt en snikt en buigt zich vuil
voor waar ze in gelooft: een prentje
dat van doen heeft met een kind, een kruis, een beter

thuis voor straks. Onder de vodden woont
de moeder die ze is, die koestert
wat ze niet bezit en daarin schuilt

het kind dat ze eens was, dat naar
de liefde van haar vader dingt; het wil
geknuffeld en op schoot. Dat mag

al binnenkort, dat zie je zo.



© Hester Knibbe


Uit: Hester Knibbe De buigzaamheid van steen, Amsterdam/Antwerpen, De Arbeiderspers, 2005.

Viervoeter



GELEGENHEIDSGEDICHT

(Prigodnica)


In de namiddag werd het duidelijk
Dat hij zijn benen ging afsnijden.

Lachend en een beetje zenuwachtig,
Met een mes - alleen voor hem - stomp.

Hij sneed door merg en been -
Rechts.

Al niet meer lachend, zenuwachtig -
Links.

Zij verlamd, hij een viervoeter
Met lamme benen.
Wat dan nog, als we er allebei
Om kunnen lachen.




© Maja Vidmar




- vertaling: Robert Stallaerts -

- met dank aan Maastricht International Poetry Nights (editie 2004)


Maja Vidmar (1961, Slovenië) debuteerde in 1984 met Razdalje telesa (Vervreemding van het lichaam). Een keuze uit haar poëzie werd in 1999 in Oostenrijk gepubliceerd als Liebhaftige Gedichte en in Kroatië onder de titel Akt.

Even eeuwig



AFFAIRE



1


Weet je nog
hoe we allemaal dansten en lachten
op dat grote feest in die tuin
die geurde naar pas gewassen gras
het was een heldere sterrennacht
simpel, zoals je het zegt
we waren jong als de muziek
even bestonden we voor eeuwig


2


De shawl die ik voor je kocht
van roze en groene shantoeng
de shawl die je zo mooi vond
en die je altijd zou dragen
die liet je later, gekust door een ander
in een hotelkamer achter


© Remco Campert


Uit: Remco Campert Nieuwe herinneringen (gedichten). Amsterdam, Bezige Bij, 2007.

Onder een dun, wit laken


MONROE's LOUNGE
— Augustus, 1962



"Ah Life, they've cheated you!"
- Marilyn Monroe


Stills in sober zwart-wit
laten nog iets van haar befaamde pose zien

als Kennedy's
Birthday‑
present
Maar zij zingt dan eigenlijk al over de Dood


Plaatsvervangend
voor al die andere Grote Liefdesparen

in de Geschiedenis

Orpheus & Eurídice
Abelard & Helοïse
Mrs Simpsοn & de Prins van Wales...


(O, non-stop-Nachtvoorstelling

in Plato's
Cinema...)


En toen dan monteerde ik
mijn eigen doodsschreeuw
οp haar

een naakt
onder een dun, wit laken

in een mοrtuarium
in LA

Some Like It Hot!


Manuel Kneepkens


Uit: Manuel Kneepkens Het Dolfijnenkostuum, Rotterdam, Donker, 2003.


"De Lezeres" - ill. M. Kneepkens (2010)

Begin



De ware geboorteplaats is die
waar men voor het eerst een
begrijpende blik op zichzelf
sloeg: mijn eerste vaderland
zijn de boeken geweest.


Marguerite Yourcenar

Reusachtig



DAT ONSTUITBARE



Houden ze zich aan elkaar overeind?
Hoe dan dat onstuitbare te duiden
van hoe zij voortgaan, voetje voor voetje
weliswaar, maar vastberaden.

Al wordt dat weer gelogenstraft
door haar verdwaalde halve lach
waarnaast zijn fonkelnieuw gebit
het zonlicht evenaart.

Hij heeft nog alles voor haar over:
haar tasje bungelt
aan zijn reusachtige hand.


© J.Eijkelboom


Uit: J. Eijkelboom Heden voelen mijn voeten zich goed, Amsterdam, Arbeiderspers, 2002.

maandag 16 februari 2009

Kerf


ALLES BLIJFT



Daar stond een muur die ik heb aangeraakt.

De muur werd afgebroken. Van het puin


werd verderop een fundament gemaakt.


Ik plantte een fruitboom in mijn oude tuin.


Die werd geasfalteerd. Vijf meter diep


Houdt zich een wortelstronk nog grommend koest.


Vijf eeuwen lang desnoods. De Spaanse griep


Landt ooit op Mars omdat ik heb gehoest.


Er was een vriend aan wie ik heb geschreven,


Een rots waar ik mijn naam in heb gekerfd.


Je bent een deel van alles bij je leven


En alles blijft bestaan wanneer je sterft.




© Gerrit Komrij


Uit: Gerrit Komrij Alle gedichten tot gisteren Amsterdam, De Arbeiderspers, 1999

Alles smelt



NOOD



Moeder had een bevroren god
in haar geërfde ijskast,
bewaarde hem daar
voor de dagen van nood,
de snikhete zomerdagen.
Wie zomaar van hem at, wachtte
vreselijke straf. Het was
aangrijpend te horen hoe Vader
hem in zijn vloeken ontzag:
Nu is het tijd, de hoogste tijd,
de tijd van nood is aangebroken hier.
Het is snikheet. Het is zo warm geworden,
alles smelt. Ook
de ijskast.


© Amir Afrassiabi


Uit: Voetsporen, nieuw werk van zes dichters. Met een introductie door Remco Ekkers en Astrid Roemer. Rotterdam, Dunya, 2000.

A. Afrassiabi (1934, Isfahan, Iran) woont sinds 1986 in Nederland. In Teheran was hij architect. Hij heeft vier dichtbundels (in het Perzisch) op zijn naam staan. In 2005 verscheen bij uitgeverij Bornmeer zijn eerste volledige bundel gedichten in het Nederlands, Ballingschaap.

Roeibootje


DE SLAAPWANDELAAR



's Nachts werd hij wakker
midden op een ophaalbrug
die bezig was omhoog te gaan.
Dan rolde hij vanzelf zijn bed weer in.

Of hij bevond zich op zijn kop
in een karretje op de achtbaan
waaruit hij zich liet vallen
om tussen de veren te belanden.

Eén keer viel hij
in een roeibootje in slaap
dat losraakte van de wal.
Het bleek zijn eigen bed
dat terugdreef naar zijn kamer.

Eenmaal in het graf
wentelde hij zich tevreden om:
's morgens zou alles toch weer
bij het oude zijn.



© Hagar Peeters



Uit: Hagar Peeters Genoeg gedicht over de liefde vandaag. Amsterdam, Podium, 1999

zondag 15 februari 2009

Briket in zilverpapier



SLIKKERVEER




Hier hoorde mijn moeder in negentien vijf
het drinkwater aan komen ruisen
door de net aangelegde buizen.

Hier zag ik tegen de ochtendzon
mijn grootvader thuiskomen van de Noord
die hij heen-en-terug was overgezwommen
om zijn zestigste verjaardag te vieren.

Hier hoorde ik als jongen
een uiteenvallende briket ritselen
in het fornuis en dacht:
het klinkt als zilverpapier
dat terug tracht te komen
uit zijn verfrommeling.

Ik borg dat op voor later -
voor nu.



© Jan Eijkelboom

Uit: J. Eijkelboom Hora incerta, Amsterdam, De Arbeiderspers, 1993.

Ik was een ander



NIEMAND WEET WIE IK ZAL ZIJN WIE IK WAS



niemand weet wie ik zal zijn wie ik was

u overschat mij
ik ben radeloos ik was een ander

geef mij touwen bind mij vast
dood mij niet
ik ben onschuldig ik ben de vijand


© Armando


Uit: Armando Verzamelde gedichten. Bezorging en nawoord Trudie Favié.
Amsterdam, Bezige Bij, 1999.

Alsof ik


ELKE DAG



Elke dag begint opnieuw,
met zon en regen, dauw en dag,
en die trilling aan mijn kieuw,
alsof ik nog in water lag.


- Hubert Van Herreweghen -

zaterdag 14 februari 2009

Zonder lamp



DE LEZER


Ik zat de hele nacht en las een boek,
Ik zat en las alsof ik in een boek was
Vol neerslachtige pagina’s.

Het was herfst en vallende sterren
Bedekten de verschrompelde vormen
Gehurkt in het maanlicht.

Geen lamp brandde er toen ik las,
Een stem mompelde, “Alles
Valt terug tot kou,

Zelfs de naar muskus ruikende muscadines,
De meloenen, de vermiljoenen peren
In de bladerloze tuin.”

De neerslachtige pagina’s kenden geen opdruk
Dan het spoor van brandende sterren
In de bevroren hemel.

Wallace Stevens


- vertaling Joris Lenstra -


The Reader/De lezer uit: Wallace Stevens Collected Poetry and Prose, sel. and ed. Frank Kermode and Joan Richardson.
New York, Library of America, 1997.

Koel



LAMPASAS SQUARE *



stilte van hitte
blauw dat niet beweegt
wolken die niet echoën
duisternis die vasthoudt
eindeloos ventilator-gedraai

(* Texas)


© John Hejduk


Uit: John Hejduk Dutch grey / Hollands grijs - vertaald door Leo Herberghs, met een nawoord van Peter Schobben. Oude Tonge, Huis Clos, 2001

vrijdag 13 februari 2009

Wie hier nog komt



Alles staat nog op zijn plaats en de storm
Wacht. Het haardvuur van jong laurierhout
Is eindelijk gaan branden en de stad zwijgt.

Nu zou hij moeten opstaan uit zijn zetel om
Regels te voegen, dicht bij de dodentroon,
Waar kruipdier taal aanslagen beraamt.

Alles staat nog op zijn plaats en de storm
Wacht en ik – windoog – prevel gebeden.
Om haar te behoeden, die zo dierbaar is.


Hans van de Waarsenburg





Zojuist verschenen:

Hans van de Waarsenburg Wie hier nog komt, Amsterdam, Wereldbibliotheek, februari 2009.



Hans van de Waarsenburg (Helmond, 1943) debuteerde in 1965 als dichter. Sindsdien bouwde hij aan een zeer omvangrijk oeuvre van meer dan vijftig titels. Zijn bundel De vergrijzing (1972) werd bekroond met de Jan Campertprijs voor poëzie.

In Wie hier nog komt verdiept Van de Waarsenburg, aldus zijn uitgever Wereldbibliotheek, "de vaste thema’s en motieven die zijn werk kenmerken: Herinneringen aan gedroomde landschappen uit zijn jeugd en een toenemend besef van vergankelijkheid".

Van de Waarsenburg schrijft naast poëzie ook kinderboeken. Verder maakte hij radioprogramma's over literatuur en beeldende kunst en werkte hij als literair recensent. Sinds 1997 is hij tevens voorzitter van het tweejaarlijkse festival The Maastricht International Poetry Nights.

Werk van hem is vertaald in o.a. het Duits, Engels, Spaans/Mexicaans en enkele Slavische talen. Van zijn gedichten zijn er ook vele bibliofiel uitgegeven.