maandag 11 oktober 2010

De smaak van zwart



Hoe het zwart afschrapen,
de smaak van het zwart,
de klank van het zwart,
de zwartheid van zwart?

Hoe het zwart raspen,
zijn voedsel, zijn deeg,
totdat de specerij van het wit
in zijn kieren is doorgedrongen?

Hoe het zwart overstromen
met een visie in staat het te belopen
en op zijn bodem iets anders te vinden
dan het spoor van de dood?

Hoe in het zwart andere kleuren vinden,
blauwzwart, roodzwart, liefdezwart, zelfmoordzwart,
of in zijn ingewand eenvoudig verkruimelen
de kleur van het leven van de mens?


©
Roberto Juarroz


Uit: Roberto Juarroz Verticale poëzie - uit het Spaans vertaald door Mariolein Sabarte Belacortu - Sliedrecht, Wagner & Van Santen, 2003

Doordat je gaat



FOTO MET MIJ


Zo zat je vaak. Je hand knijpt in de leuning
tot het bot, alsof je zoekt naar het gevoel
dat in je eigen arm ontstaat. Je grondvesten
een stoel, die jou natuurlijk niet begrijpt.

Ik til een glas tot halverwege, dat ik al
was het leeg niet eens kon legen. Een paradox
weegt in mijn lijf, zodat ik niets meer goed kan
maken en niet praten en maar zitten blijf.

Je kijkt verwoed naar voren. Het is blind
in je ogen, het is de zon die verkeerd staat.
Naar binnen toe ben je bang. Voorgevoel. Vrouw
naast man. Stoel naast stoel. Je lacht te laat.

Ik droom ervan. Een hand waarin je hart slaat
houdt me tegen. Blijf, blijf. Pulseren wordt
mijn enige bewegen. Je blijft doordat je gaat.



© Benno Barnard



Uit: Benno Barnard Het meer in mij Amsterdam/Antwerpen, Arbeiderspers, 1986

Sprookje



Omdat het bos
aan de mensen doodgaat
vluchten de sprookjes,
weet de klos niet
wie hij moet prikken,
kunnen de handen van het meisje,
die de vader heeft afgehakt,
geen enkele boom vastpakken,
blijft de derde wens ongezegd.

Niets is meer van Koning Lijsterbaard.
De kinderen kunnen niet meer verdwalen.
Geen getal zeven betekent meer dan zeven precies.

Omdat aan de mensen het bos stierf
lopen de sprookjes te voet naar de stad
en slecht af.


© Günter Grass


- uit het Duits vertaald door Jan Gielkens -


In: Günter Grass Oogst, Gedichten 1954-2004, bloemlezing. Amsterdam, J.M.Meulenhoff, 2007

vrijdag 8 oktober 2010

Nooit meer weg te moeten


GLORIE



Het is weer helemaal genieten. Zo
zou het altijd moeten zijn: licht
en vredig dus, alsof alles ineens
voor altijd en nooit weer is. Geen lengte
van dagen, geen gevoel van
weg te moeten en te huilen. Nooit
gaat meer iets voorbij.



© Tom van Deel


Uit: T. van Deel Gedichten 1969-1986. Amsterdam, Querido, 1988

Honger van jou


PARADIJSVOGELS



Fluisterend aroma van
kamperfoelie en fayalobi
en mijn hart dat op barsten staat
en jouw vingers die zich verliezen
in mijn onaangeraakte diepten
en mijn handen die zich verbranden
aan die honger van jou

streel mij liefste streel mij
hoor hoe de slagregen nadert
voel hoe zijn doorbloede echo
ons uiteindelijk bevrijdt

kleine kreunende tak
van de shimambikiboom
meegesleurd door de waterval

en jij die me nam
meenam naar het aards paradijs


© Iris Van de Casteele



Uit: Iris Van de Casteele Paradijsvogels, Brussel, De Distel, 2002

donderdag 7 oktober 2010

Zullen we doen alsof


MOOIE SCHOENEN


we plakken grote monden dicht
we hoeven niet verplicht te groeten met een rechterhand

zullen we doen alsof we alles begrijpen?

we pijnigen het hoofd
we komen niets aan de weet

we wuiven elkaar koelte toe
we blijven kleine wezens

we meten vrijwillig onze voeten op
we trekken mooie schoenen aan

we groeien in het leven



©
Elmar Kuiper


Uit: Voetschrift van verleiding - schoengedichten/ Fuszschrift der Verführung - Schuhgedichte (red. Kasper Peters en Rense Sinkgraven). Dichters en fotografen vertellen over schoonheid, erotiek en elegantie van de schoen. Groningen, uitg. Passage, 2007

woensdag 6 oktober 2010

Nageur



VOLMAAKT



In vers gras vrijen
om later
veel later
in de dood nog even
na te geuren
als hooi


© Jana Beranová


Uit: Jana Beranová Kiskassend gedicht, Breda, De Geus, 1996

Flarden uitzicht


RETOURBAGAGE




De afdeling kleine graven op het kerkhof.
Wij die lang leven lopen deze stil voorbij,
zoals rijken de armenbuurt voorbijlopen.

Hier liggen ze, Zosia, Jacek en Dominik,
vroegtijdig aan de zon, de maan ontnomen,
aan de rondgang van het jaar, de wolken.

In hun retourbagage hebben ze niet veel verzameld.
Flarden van uitzichten,
in een niet al te menigvuldig meervoud.
Een handvol lucht met een vlinder die voorbijvliegt.
Een lepeltje bittere kennis, met de smaak van medicijn.

Kleine ongehoorzaamheden
waarvan er eentje dodelijk was.
Een vrolijke ren de bal achterna, over de weg.
Het geluk van glijden op nog breekbaar ijs.

Hij hier en zij ernaast, en de hele rij:
voor ze bij de deurknop konden komen,
een horloge kapotmaken,
hun eerste ruitje breken.

Małgorzatka: vier jaar,
waarvan twee liggend en kijkend naar het plafond.

Rafaël: een maand later zou hij vijf zijn geworden,
en Zuzia: vlak voor de kerstdagen
met hun waas van adem in de vorst.

Maar wat kun je dan zeggen over één dag leven,
één minuut, seconde:
donker, dan een lampflits en weer donker?

KÓSMOS MAKRÓS
CHRÓNOS PARÁDOKSOS
Alleen het stenen Grieks heeft hiervoor woorden.


© Wíslawa Szymborska



Uit: Wíslawa Szymborska Het moment (Chwila), Amsterdam, Meulenhoff, 2003.
- uit het Pools vertaald door Gerard Rasch -

dinsdag 5 oktober 2010

Niks vergeten



TAS



Liep ik met mijn grote tas
alle boeken, niks vergeten
te zeulen in die nieuwe school.
Waar moest ik naar toe?

De jongens en meisjes uit de vijfde
stonden gewoon bij elkaar.
Zou ik later ook met jongens
praten en lachen en staan?

Stonden ze bij mijn fiets te vrijen
durfde ik niks te zeggen.
Wachten tot ze klaar waren
mijn zware tas op de grond.


© Remco Ekkers




Uit: Remco Ekkers, Praten met een reiger, Den Haag, Leopold, 1986

maandag 4 oktober 2010

Cirkels


AFWEZIGHEID



Jouw Afwezigheid bloeit.
Boven mij cirkelt
een onbemand verkenningsvliegtuig.

De mixer klopt schuim van wolken.
De epische geur van koolrozen
waarvan alleen confituren overbleven.

Vanaf een vogelvlucht een liefdeslied.
Jij vertrouwt mij aan het leven toe
ik jou aan de Hof van Eden.


© Ewa Lipska


Uit: Ewa Lipska Splinter - uit het Pools vertaald door Ad van Rijsewijk - Breda, De Geus, 2007

Naakte lip



SLAPEND MEISJE IN DE TREIN



de trein slaapt nog niet
de avond slaapt niet
het meisje niet (ik)

over de goudzoekende akkers
de hoge snuisterij van de bomen
de kieviten roepend met naakte lip

waar voert de trein me heen?
naar de liefde die komt als een zieke duif?
de tak die gebroken tegen het raam tikt?
naar het tochten van mijn gordijnen?

de trein waar voert de trein

of ben ik al thuis
als het jurkje dat ineens in het gras ploft
en de jongen met de lieve hondenkop

de trein de trein waar voert de trein
naar de natte appelnacht
die danst over de elastieken brug
en dan de dag op nieuwe rode schoenen!



© Jabik Veenbaas



Uit: Jabik Veenbaas De zon, het smalle bed, mijn lichaam - Utrecht, De Contrabas, 2009

Afvalkleurig


LIEVELINGSDIEREN


Tussen de stenen hollen de platte,
brede pissebedden omlaag naar het donker. Vergeten
toen het nog koud was te kijken: hoe overwintert
een dier dat zo lijkt op herinnering,
zo afvalkleurig, met zijn hoofd naar binnen
en doodstil bij de minste aanraking.

Ik weet een kind dat van ze houdt, het streelt
hun dadelijk verstijvende stofjassen,
draagt ze tussen twee handen de kamer door.
O! zachte pootjes hebben ze, mag ik ze niet
houden in een kistje met onderaan glas?
Daar kijk ik de hele tijd naar, daar zing ik dan voor.

©
Eva Gerlach


Uit: Eva Gerlach De kracht van verlamming, Amsterdam, De Arbeiderspers, 1988

Modellen


DE DAMESKAPPER
(II)


De watergolfslag van zijn ambities
liet hem niet onberoerd
In de weekenden reisde hij
met modellen door het land

altijd met vrouwen bezig

Verzilverd, gediplomeerd, gefotografeerd
keerde hij terug en liet dit andere
gewicht inlijsten

Uit al deze lijsten, verkreukeld en vernietigd,
herken ik nog altijd mijn moeder en andere vrouwen.


© Hans van de Waarsenburg



Uit: Hans van de Waarsenburg "Avondlicht", e-book, selected poems
een keuze uit de gedichten

Bron:
http://www.e-books.com.mk/
[Blesok Publishing, Macedonia]

Hoe alles wat ik nog te zeggen had


LEVENSLOOP


Voor bijna alles heb ik mij geschaamd.
Mijn nek, mijn haar, mijn handschrift en mijn naam,
de schooltas die ik van mijn moeder kreeg,
mijn vader die zich in een blazer hees,

het huis waar ik voor vriendschap heb bedankt.
Maar nu mijn vader aan vijf slangen hangt,

zijn mond steeds heser over afscheid spreekt,
nu hurkt mijn schaamte in een hoek. Hij stierf

zoals hij in zijn Opel reed: beheerst,
correct, zijn ogen dapper op de weg.

Geen zin in dom geworstel met de dood.
Hoe alles wat ik nog te zeggen had

onder de wielen van de tijd wegstoof.



© Menno Wigman


Uit: Menno Wigman Dit is mijn dag, Amsterdam, Prometheus, 2004

Mijn schacht



ik heb een mijnschacht in mijn keel

ik val omlaag vanuit mijn kamer
zit als een pad
gevangen in een bel van steen

het is hier stil
zo stil dat ik mijn dromen hoor
ritselen als dode blad’ren

ik gil

ik heb een mijnschacht in mijn keel
een tong van scherp gesmeed metaal
en lagen gitzwart erts voor jaren

ik hak met felle korte slagen


©
Eva Cox


Uit: Eva Cox Pritt.stift.lippe, Haarlem, uitg. Holland, 2004

Sterker dan


DODE HOND





Ik heb de hond laten sterven - daar lag ze
en ik dacht: waar gaat ze nu heen waar
zal ze blijven. Om de dood te begrijpen.

Het lichaam wordt wel gezien als een nest
het tijdelijk verblijf van een onzichtbare
vogel - een afgezant van de eeuwigheid.

Zo zie ik het niet. En toch toen de hond stierf
wat gebeurde er toch dat ik wist dat ze stierf
alsof haar lichaam door iets werd verlaten.

Ik kan niet anders zien dan dat die dode hond
nog leeft en om mij vraagt, zo sterk is

de herinnering, sterker dan ik.

Maar wat van mij hield is weg, ik graaf een gat
leg wat er overbleef daarin en gooi het dicht.

De hond is nergens meer, iedere dag.


 
 
© Rutger Kopland




Uit: Rutger Kopland Verzamelde Gedichten (3e dr.), Amsterdam, Van Oorschot, 2010

zondag 3 oktober 2010

Minder erg


Drowning is not so pityful

As the attempt to rise.


- Emily Dickinson (1830-1886)

Korsten


ARBORETUM IN OKTOBER



Zo ver weg zijn wij nog niet, wij staan
verstrooid in mooi dood blad
en kijken naar hun silhouet.

Die oude man is hij, zij voert
de vogels van het park de
korsten van hun dagelijks brood.

Als bomen na een zomerbrand,
zo overvol van doorzicht, staan
ze steeds vaker stil bij bloem,

gazon, kort en kortstondig, en
bij de boom die toen geplant,
die elk jaar breder, hoger.

Het wordt al koud, zegt hij, tot hier
zijn we dan toch gekomen. Kom,

zegt zij, even nog, wij werden god
zij dank niet in de knop gebroken.


© Hester Knibbe



  Uit: Hester Knibbe Een hemd van vlees Baarn, De Prom, 1994

zaterdag 2 oktober 2010

Waterpas


VIERDE KWARTET





1




reis die naar het uitzicht verlangt
uiteindelijk tegen de buffer beland
aan zee waar de zee gedurig verzandt.

zilvermeeuwen vliegen tegen het blinken
te schreeuwen. hand boven de ogen. uit
de kleren en tot de ogen onder water
is het een en al bewegen wat ginder water-
pas lijkt: een streep, traag een schuivend punt.

dan landinwaarts liggend drogend rugvel
de blik geroerd door zoveel duin of zand
van een toevallige passant.



2




op de kustlijn: elk spoor bewogen en verwatert.
duinwaarts leert zand van zee en stroomt
iedere afdruk mul vol en weg. wrakhout

teruggeworpen, door honden opgehaald,
voor het weer aanspoelen moet ligt het
weer verlaten. welke graten zijn via
de zuurkraam gestrand? (vergat het meisje
haar badtas maar!) holte van de hartschelp

door zand betrokken, schedel door zon geleegd.
maar men wil zich verliezen, vervloeien, toch?
vergat het meisje haar badtas maar!



3




jukbeen, hand die van sorbet kersen lepelt,
hoe de bruine huid, knieschijf, schaduwlippen:
zo bekend, zo onbereikbaar, al voorbij!

langs volle terrassen flanerend, avances,
idylle, alfa romeo: dat betekent toch even
vaak weer breuk, verlies en traan? -
o, wuiven der wieren, plankton, zweven,
bloemdieren, zichzelf vertakkend leven!

wie durft zich in zee te werpen om als drinkend
eiland te vergaan? – twee pitten in een asbak
lipstick op mondstuk zilver lepel in ijsglas rust.




4




tenen stoelen gaan op stapels, tenten vouwen,
een vrouw kleedt en maakt zich op: zon
bedreigt de zee het water staat op gloeien

: leeg wijnglas zo in het zicht
geplaatst dat het hart ervan over-
loopt. – bedrog! afrekenen! kelner
sluit het terras. men zoekt zijn dag-
retour en vindt twee pitten in de jas.

terwijl de rug rood verbrand ontspringt
de spoorlijn en laat achter. geblindeerd
wordt een zon door een muur van zee.




© Huub Beurskens







Oorspr. in Raster #11, 1979. Naderhand opgenomen in:
Huub Beurskens Vergat het meisje haar badtas maar 
Amsterdam, Meulenhoff, 1980

vrijdag 1 oktober 2010

Wat ze bewaren



ONDERAANZICHT, BOVENAANZICHT


Zware, verregende paarden, de hoeven diep
in de klei. En spreeuwen.

Maar nergens mensen.
Kijk wat ze sloopten. En wat ze bewaren:
roestige wagens en automaten.
Het blauw van de hemel vertilt zich eraan.

De toekomst is naar de archieven op weg.
Ons brein is te klein, zelfs ons eigen bestaan
puilt eruit.

Over de huizen te kijken, de dans te zien
van de daken, de zee daarachter, beneden
iemand die rent om een trein nog te halen.

Het licht, uit grijnzende auto’s gelekt, verliest
zich in bouwpuin en koude machines.






© Juliën Holtrigter




Uit: Juliën Holtrigter Het feest van de schemer,
Amsterdam, De Harmonie, 2009