woensdag 24 augustus 2011

Niet aanwezig


Ik kan dus niet meer komen bij je huid

en jij kunt niet meer komen waar ik ben.
Er is een haast hier die ons af-, wegsluit
en er is een wereld waar ik aan wen,

denk ik, maar jij leeft niet, ik ook niet, en
ik hoor niets meer, niet het minste geluid
dat doordringt en waarachter ik ons ken.
Ach, andere, wij komen er niet uit.

Nog steeds de harde ziekte in het lijf,
een plant, een oergroei naar wat is geweest.
Ik ben niet aanwezig waar ik verblijf.

Jij ook niet? Lichamen geven de geest
aan elkaar door. Mij troost niet wat ik schrijf.
Jou die mij zonder mij te lezen leest?


© Hans Andreus





Oorspr. in De sonnetten van de kleine waanzin ('s-Gravenhage, 1957), hier uit:
Hans Andreus Verzamelde gedichten, Amsterdam, Bert Bakker, 1984

dinsdag 23 augustus 2011

Wit duister


BARBAARSE ODEN  II

[BAPBAPEΣ ΩΔEΣ]


Kijk mij daar weer aan de rand van de werkelijkheid
veertig kilometer van Réthymno
met de enkels in de Libische Zee.
Ik scharrel rond

tussen de wasemende rotsen die
meedogenloos de zon vermalen.
Mijn hand strijkt langs je haar dat weeft
aan 't witte duister

van de dag. (De anemonen
een reeks felle bezwaarschriften
van de eeuwigheid, krijgen telkens
nul op het rekest.)

Mijn hand strijkt langs je borst die
in 't genot is van de zee. Je duister
lichaam maakt onlosmakelijk deel uit
van de waarheid.


© Násos Vayenás




Uit: Násos Vayenás Barbaarse Oden – vertaling uit het Nieuwgrieks en inleiding:
Marko Fondse en Hero Hokwerda. Groningen, Styx, 1997

Weerloos


SCHETS VAN EEN ZOOGDIER ZONDER PLAN




Ik was koortsig op zoek
naar een plan om te ontsnappen
aan armoede en West-Vlaamse bevelen
en toen ben ik per ongeluk beland
in deze bar die genoemd is naar
de dochter van de vorige eigenaar
ze is vertrappeld door een wild paard
haar naam was Tiffany.

Naast mij zit een ex-kok die
lenzen en een pacemaker draagt
dat kan ik niet zien
hij heeft het mij verteld
met gespleten tong en een Slavisch accent.

Hij leidt me af en
uren verglijden als
zandkorrels door een verstopte zeef
mijn bloedbaan registreert vermouth
en misogynie vermomd als smartlappen.

Plannen worden mij voor de voeten gesmeten
maar er hangt chantage aan en
een vleugje seks met knaagdieren
de bar spuwt mij uit.

Op de drempel van een gesloten wasserette
beeft een ondefinieerbaar zoogdier met geperforeerde oren
ik leg mijn jas over het onredelijk weerloze schepsel en
neem het beven over.


© Delphine Lecompte



Uit: Delphine Lecompte De dieren in mij, Utrecht/Leeuwarden, De Contrabas, 2009

maandag 22 augustus 2011

Gered



AAN ZEE, SEPTEMBER 1949



een paar wolken een mooi lichaam
de wereld rolt sneller waar is
het oog der mensen? ik zie het niet
waar is het groot geluk? op aarde.

ik heb aan jou gedacht: in de zachte
wind heb ik je neergelegd in de zee
heb ik je hoofd gered en je stille
lijk dreef naar het strand soepel

bewegelijk de zee werd eenzaam.


© Hans Lodeizen



Uit: Hans Lodeizen Verzamelde gedichten, Amsterdam, Van Oorschot, 1996/2007 (2e dr.)

Tussen schrijfmachines


NU DAN



Nooit was het stiller
dan toen ik werkte op die zaal
waar schoorsteen- en wereldbrand
opgingen in de rook van zware sigaretten,
waar telefoons en schrijfmachines
als rinkelende troffels een muur opbouwden
en het rumoer zichzelve buitensloot.

Liever geen lees- en studiezaal
waar het zo oorverdovend kucht,
waar dunne pagina's zich zuchtend omslaan
en waar de man die lacht om wat hij leest
sissend wordt neergestoken.

Nu dan een kleine kamer,
een deur op schragen als tafel,
huistempel van het onbewaakt moment
waarin het ongehoorde
zich soms zo duidelijk laat horen
dat wie daar zit en luistert
raar opkijkt van het nooit gewetene
dat hij herkent.




© J. Eijkelboom




Uit: J. Eijkelboom Kippevleugels, Amsterdam/Antwerpen, de Arbeiderspers, 1991



Jan Eijkelboom (1926-2008), voormalig adjunct-hoofdredacteur van Vrij Nederland, werkte in de jaren zeventig en tachtig o.a. als chef opiniepagina op de redactie van Het Vrije Volk aan de Rotterdamse Witte de Withstraat.
Op de vierde en vijfde verdieping van dat gebouw, tegenwoordig een politiebureau, waren niet ver van de NRC-drukkerij zo'n 150 redacteuren ondergebracht in een open, lawaaiige kantoortuin. Wie als verslaggever de hectiek van het dagelijks maken van een krant bij het schrijven van zijn of haar verhaal wilde ontvluchten was aangewezen op enkele - overbezette - 'stiltekamertjes' of op een hoek tussen de knipselmappen van het wat bedaagdere redactiearchief beneden.


Eijkelboom stoorde het lawaai op de open redactiezaal nauwelijks, ook niet overdag.
Bij voorkeur werkte hij 's avonds of  's nachts, pal achter ratelende telexen en piepende ontvangstapparatuur van internationale fotopersbureaus.
In een schamel hoekje bij de buitenlandredactie - met in de vensterbank twee eeuwig verdorde potplanten - maakte hij vanaf een roestig metalen bureau in enkele uren een volle pagina kopij persklaar: achtergrondartikelen, opiniestukken, hoofdredactionele commentaren en columns die hij met zijn potloodje nog even fijnzinnig had bijgepunt, voordat de papiermassa voorzien van koppen per ondergrondse buizenpost werd 'doorgeschoten' naar de zetterij. Als de buizenpost weer eens defect was moest een speciale loper of koerier uitkomst bieden voor transport van het laatste nieuws naar de drukkerij.

Jan Eijkelboom, altijd al de stilte en innemendheid zelve, klaagde nooit over zijn onalledaagse werkomgeving. Ook niet als het er tijdens avonduren in volume nog heftig aan toe ging - met een weliswaar grotendeels ontvolkte redactieverdieping, maar met enige tientallen zojuist hijgend binnengevallen reportageredacteuren en fotografen die met de al aanwezige colonne opgewonden sportverslaggevers op zaal  in moordtempo nog aan de slag togen voordat de krant van de komende dag weer zou 'zakken'.

De werkomstandigheden met prettige geluidshinder op de moderne redactiezaal van het Rotterdamse restant van wat ooit de grootste krant was van Nederland beschreef hij, eenmalig, in bovenstaand gedicht. 
In een column in het blad Pictura van april 1996 over het geluid van dit tekengenootschap in Dordrecht, waar hij een eigen werkkamertje had waar hij dichtte en vertaalde, meldde Eijkelboom jaren later een vreemde gewaarwording. Dat we vooral niet moesten denken dat het hem ooit gestoord had, integendeel, dat lawaai al die jaren op zijn redactie "waar ik moest werken op een zaal met zo'n dertig collega's, met dertig schrijfmachines en dertig telefoons en ook nog eens elkaar voordurend toeroepende collega's". 
De dichter: "Ik moest eerder wennen aan de stilte toen ik voor mezelf ging werken."

- met dank aan Gert van Engelen

Menu


AFSCHEIDSDINER

                                                                u kunt afruimen
de witomrande amuse gueule uit de nouvelle cuisine
van chrysanten die in de vaas op de tafel bij het raam staan
maar niet in de vaas op de tafel bij het raam staan
vegetarische stilleventjes geschetst met de zilverstift

laat met de lardeerpriem doorregen goed gevulde
wildbraad aanrukken en op een rondborstig banket
van dansend vlees zappen naar glimmend wellustig vlees
als een clip in grootbeeld kleur

serveer mij in roomboter gebakken beelden
en verzen met boulemie


©  Ilja Leonard Pfeijffer

Uit: Ilja Leonard Pfeijffer Van de vierkante man Amsterdam-Antwerpen, De Arbeiderspers, 1998

zondag 21 augustus 2011

Een beetje bijna


EEN ZWEMMER IS EEN RUITER



Zwemmen is losbandig slapen in spartelend water,
is liefhebben met elke nog bruikbare porie,
is eindeloos vrij zijn en inwendig zegevieren.

En zwemmen is de eenzaamheid betasten met vingers,
is met armen en benen aloude geheimen vertellen
aan het allesbegrijpende water.

Ik moet bekennen dat ik gek ben van het water.
Want in het water adem ik water, in het water
word ik een schepper die zijn schepping omhelst,
en in het water kan men nooit geheel alleen zijn
en toch nog eenzaam blijven.

Zwemmen is een beetje bijna heilig zijn.



© Paul Snoek


Uit: Paul Snoek Verzamelde Gedichten, ed. en nawoord Herwig Leus. Antwerpen/Amsterdam, A. Manteau-Elsevier, 1982

zaterdag 20 augustus 2011

Zonde


VERLOREN ZATERDAGMIDDAG



Ze werkt op een kantoor dat in renovaties doet.
Ze heeft een tafel, een raam, een telefoon en een
grote zwarte stoel.
Ze zit de hele dag naast een thermoskan koffie en
kijkt naar pizzeria Piccolini waar mannen met
tuinslangen stoelen schoonspuiten.
Af en toe haalt ze een kam door haar haar.
Ze werd ziek en kon een paar dagen niet komen.
Toen kwam ze terug en op een verloren
zaterdagmiddag is ze gewurgd door haar vriend.
Nog dagen later zeiden mensen uit de straat als ze
elkaar tegenkwamen:
Toch zonde hè van die meid.



© Arnon Grunberg




Uit: Arnon Grunberg De dagen van Leopold Mangelman / Brief aan M / Schoonheid en bier,
drie verhalen voor Toneelgroep Amsterdam.
Amsterdam, Rothschield en Bach, 1993

Standaard gezond


GEKKENHUIS



Het punt met het gekkenhuis is dat het mannelijk is.
Het punt met het gekkenhuis is dat het vasthoudt aan z'n geloof.
Het punt met het gekkenhuis is dat gezondheid bourgeois is.
Het punt met het gekkenhuis is dat niemand acteert.
Het punt met het gekkenhuis is dat niemand binnenkomt door gewoon aardig te zijn.
Het punt met het gekkenhuis is dat het de geest bevrijdt.
Het punt met het gekkenhuis is dat je er gewoon mag denken wat je wilt.
Het punt met het gekkenhuis is dat iedereen er binnen kan.
Er is niks bijzonders aan het gekkenhuis, mensen komen en gaan er voortdurend.
Er is niks bijzonders aan het gekkenhuis, we gaan allemaal dood.
Er is niets terminaals aan het gekkenhuis, je gaat mee met het tochtje.
Er is niks droevigs aan het gekkenhuis, geween en tandengeknars, dat is niks.
Er is niets gek aan het gekkenhuis, het is standaard gezond.
Wij zijn standaard gezond, gek door ontwerp, maar de gekken zijn bewonderenswaardiger.
Bewonderenswaardig is de mensaap, de bard, de mitochondria, de opgezwollen larynx,
Bewonderenswaardig de orchidee, de knoflook, het vuur in het gesloten boek,
Bewonderenswaardig het geschreeuw der gekwelden, de verloren stem van de nachtegaal, het gelach
in ogenschijnlijk alles wat gezond is maar naar gekte neigt
zoals zonlicht, trage regen, elke hangende druppel, de brede weg,
het vollopende oog, schaduwen, picnics, publieke vervoersmiddelen, donder.
Natuur is gekte met methode en daarom des te gekker.
Cultuur is gekte die iedereen erft.
Wetenschap is gekte die verliefd is op getallen, de ware amour fou.
Gezondheid is gekte die van minuut tot minuut verschuift, gesundheit!
Geld is gekte die je zakken vult en een zilver slakkenspoor in de tuin achterlaat.

Het punt met het gekkenhuis is beschrijf het niet.
Het punt met het gekkenhuis is verander het niet.
Het punt met het gekkenhuis is leef er
om jezelf te gewennen aan z'n smetteloze manieren
om voor altijd in het huis des Heren te verblijven
met de profeet, de dichter, de dwerg, de geleerde, het vuur. 

 

© George Szirtes 


George Szirtes (Hongarije/Groot-Brittannië) op Poetry International 2009 - vertaald door Rob Schouten.
In: Chaos & Orde, gedichten uit het archief van Poetry International, Rotterdam, juni 2011. 

vrijdag 19 augustus 2011

Meer, minder



KLAAS GUBBELS




Hoe een tafel bijvoorbeeld verandert
in een schilderij.

Het gaat om het zien zegt Klaas
meer kijken, minder schilderen.

Achteruitlopen, tot je denkt: verdomd.

Als je lang genoeg kijkt zie je
iedere tafel voor het eerst.


© Rutger Kopland


Uit: Rutger Kopland Verzamelde Gedichten (3e dr.), Amsterdam, Van Oorschot, 2010












Klaas Gubbels (1934, Rotterdam): ontwerp voor tafel, stoelen en typische koffiekannen voor Kunst op Kamers, onderwijsproject voor een scholengemeenschap te Edam in 2011.


Dag



Nou dag nu hang ik op

Als we weer iets niet weten
Hoor je het wel



Tom van Deel





- Schone regels, rondrijdend Rotterdams vuilniswagengedicht -

donderdag 18 augustus 2011

Niet lang


En wat was de liefde nu? Wat was zij?
Was zij rond? Was zij vierkant?
Was zij lang? Was zij kort?
Kan ik haar omspannen of meten?
Echt lang is zij, geloof ik, niet;
maar toch weet ik niet waar zij ophoudt.


- anoniem -

Een van de bekendste anonieme Koreaanse liefdesliederen, deze versie in:
Liefde rond, liefde vierkant - bloemlezing uit de sijo-poëzie. Zeven eeuwen Koreaanse poëzie, 
vertaald uit het Koreaans en beschreven door dr. F. Vos.
De Oosterse Bilbiotheek, Deel 7. Leiden/Amsterdam, Meulenhoff, 1978

Hitte


DE STRIJKSTOK



Uit het hardste hout gesneden, nauwelijks aangeraakt,
ook door het babbelzieke wijf niet dat hem van haar
moeder had, de bes die al jaren niet meer speelde
maar haar op- en afstreek in de schommelstoel op
de veranda deed. Waar was hij toen de Grote Oorlog

uitbrak en de veldkeukens als reizende orkesten vol
met zenuwlijders langs de kerken raasden? In zijn huis,
zijn donkere huis, waar de platanen hees van stilte
in de stapelhitte stonden te verkommeren. En toen
miljoenen op het platteland verhongerden en doofden als

één vlam? Toen was hij thuis - de mededelingloze zee van
jaren laat het bloed in hete sluiers door de sparren
vliegen, laat de stervende verlangen naar de luchtbel van
een goudvis. Slapend, glans opsparend tussen aubergine-
kleurig velours, wordt hij weer van het bos, in onverschillig

suizelende nachten, in massieve zomers van miljarden
takken. En er is geen hand die hem beveelt; geen mythe
die hem zoekt; geen snaar die hem langs onder streelt.
Water - te veel - achter de dijk; wind omsingelde de bomen;
hitte in de ogen van gezichten die al jaren zijn vergeeld.



© Peter Ghyssaert


Openingsgedicht uit: Peter Ghyssaert Ezelskaakbeen Amsterdam, Atlas, 2011

Met de bus


CÔTE D'AZUR



Brigitte, Verona, Eva, Kim, Marieke
Aurora, Mäde, Tina, Claire, Yvon
Yolanda, Nina, Daisy, Sue, Manon
Martine, Lilly, Nancy, Annemieke

Justine, Maria, Ankie, Lindsay, Lieke
Adèle, Judith, Vera, Ann, Marjon
Yvette, Denise





Het volgend jaar een busreis naar Lloret
Wellicht haal ik daar wél een heel sonnet



© Quirien van Haelen




Uit: Frits Criens en Quirien van Haelen (= Frits Criens jr.) Vader & Zoon, Dordrecht, Liverse, 2003

woensdag 17 augustus 2011

Geluk


ZOMERAVOND





Weer niets gedaan.
En weer was alles vergeefs vandaag.

Ik zocht een verre plek om onder de mensen te blijven.
Een zuivere merel heeft zich daarnet in mijn oren geknoopt
En langzaam zijn de ogen van een vrouw over me heen gegaan
Als veel lauw water 's avonds van een zomerregen.

En slapende paren, mijn ouders misschien, hebben vandaag gehoopt
Op mij, en sloom en treuzelend zijn zij uit mij opgestaan
Als kinderen 's ochtends voor ze naar beneden gaan
Om er te spelen met de wijzers van de klok.

Weer niets gedaan.
Dan dit geluk dat mij wordt aangedaan.


© Leonard Nolens




Uit: Leonard Nolens Tweedracht Amsterdam, Querido, 1996

Met mijn gezicht


AAN HET WATER




Steeds weer komt boven zij verdrinkt
in een droom. Aan haar navelstreng onder water
een steen. Aan de oever met een liefde die geen kinderen wil
een man die niet helpt. Die lacht. Die mijn gezicht heeft

Je vertelt het, je ogen vertellen het, je wimpers vechten
tegen opkomend tij. Ik koud en klein als een kiezel,
nooit groter vijand van hem met mijn gezicht
in jouw droom

die steeds bovenkomt, mij onderduwt
Blijven verdrinken, blijven lachen
terwijl ik niet lach. De steen malend

Geluidloos lied dat zinkt in mijn hoofd
Blijven roepen onder water
zonder dat er ochtend kwam


© Hanz Mirck


Uit: Hanz Mirck Wegsleepregeling van kracht, Amsterdam, Prometheus, 2006

Hulpdienst


DUIDELIJK LEESBAAR IN TE VULLEN




Geboren? (ja, neen; wat niet gewenst is
doorhalen); waarom 'ja'? (motiveren); waar,
wanneer, waarom, voor wie leeft u? met wie hebt u voeling
via uw hersenoppervlak, met wie komt u overeen
in snelheid van polsslag? hebt u familie over de grens
van uw huid? (ja, neen); waarom
'neen'? (motiveren); staat u in kοntakt
met de bloedstroom van deze tijd? (ja, neen); schrijft u brieven
aan uzelf? (ja, neen); maakt u gebruik
van de telefonische hulpdienst? (ja,
neen); voedt u
wantrouwen? waarmee? hoe komt u aan
middelen van bestaan in
ongehoorzaamheid? bent u
eigenaar van een kapitaal
aan voortdurende angst? kennis van
vreemde lichamen en talen? ordes, onderscheidingen,
brandmerken? uw staat van burgermoed? bent u van plan
kinderen te krijgen? (ja, neen); waarom
'neen'?




© Stanisław Barańczak  



Stanisław Barańczak (1946) op Poetry International 1977 - uit het Pools vertaald door Henk Proeme.
In: Chaos & Orde, gedichten uit het archief van Poetry International, Rotterdam, juni 2011

dinsdag 16 augustus 2011

Zonder tomtom





STRAAT MAG IK OVERSTEKEN




en als je vertrekt mag ik dan mee
de wereld stopt nu ik passeer
ik kan altijd blijven lopen
je weet dat ik wederkeer

zeg me straat waar gaan we heen
mijn stappen zijn niet te tellen
ik heb geen route weet jij er een

en als het pad een steppe wordt
een savanne voor mijn part
dan doen we gewoon alsof
we daar horen tot de zon opkomt



©  Sieger M.G. 




*
 


WREEF
 

Bij het splitten van het leer
zijn deel gehad
een zachte tong gekregen

geen slecht excuus voor alle goeds
een armzwaai lang
tot straks

pop schudt haar hoofd
geen stap te groot
om angst de maat te nemen

bij het splitten van het leer
met vingers nat
een warme onschuld in

geen slecht excuus voor alle goeds
vergeet het koord
en dans.





©  Maurice Buehler




Twee verzen uit Voetschrift van verleiding - schoengedichten/ Fuszschrift der Verführung - Schuhgedichte (red. Kasper Peters en Rense Sinkgraven). Dichters en fotografen vertellen over schoonheid, erotiek en elegantie van de schoen.
Tweetalig, Nederlands/Duits. Groningen, uitgeverij Passage, 2007.


© Foto's afkomstig uit betrokken uitgave


maandag 15 augustus 2011

Wie snijdt


ARY'S TUIN




Het leuke van een tuin
is dat je hem voortdurend
snoeien moet,
of snoeien, noem het
oogsten, of wat je zoal
met snijbloemen doet,
snijden, in een vaas zetten,
de stelen, in knop
waar men de bloem in ziet,
of bloem, noem het poëzie,
of gewoon verhaal, want
wie niet waagt die knoeit,
wie schrijft die snijdt,
wie snijdt die bloeit.


© Gerrit Krol



Uit: Gerrit Krol De industrie geneest alle leed - Verzamelde gedichten. Amsterdam/Antwerpen, Querido, 2009.



Zie ook: "Gerrit Krol - De zoon van de levende stad"

http://www.youtube.com/watch?v=eOoLfL7K0yk


- met dank aan Niels Roode

zondag 14 augustus 2011

Viltstift


LEGALE ACTIVITEITEN 1 & 2



1

Wakker maken aan het begin van de nacht
en om dromen vragen.

Als ze zeggen dat ze die nog niet hebben gehad
omdat je ze wakker maakte: een klap.

Als ze beginnen te huilen over hun haren naar beneden
aaien tot ze aan hun moeders denken. Dan zeggen
dat hun moeders niet meer zullen komen.

Als ze hun hoofden op hun armen laten rusten
heel lang zwijgen. Als ze dan in slaap zijn
wakker maken en om dromen vragen.

Als ze hun dromen vertellen luisteren en uitleggen
dat zulke dingen niet bestaan. Dan de orde
van de dag. Dan weer van begin af aan.


2

Op de luchtplaats laten lopen en af en toe het geluid 
van een geweerschot maken. Oefenen tot je
vlak boven hun hoofden een trage duif
in zijn vlucht kunt raken en ze
die duif laten begraven.

Of er eentje op zijn rug draaien en met viltstift
omtrekken op het matras en laten opstaan
om naar zichzelf te kijken.

Vragen of ze de omtrek niet op iemand
vinden lijken. Vragen wie dat was.


© Ester Naomi Perquin



Uit: Awater, zomer 2011 - nieuw werk van Ester Naomi Perquin (drie gedichten)

Ester Naomi Perquin werkte tijdens haar studie enige tijd in een Huis van Bewaring.