maandag 16 juli 2012

Teruggevonden



- met dank aan Het Mooiste Gedicht

zondag 15 juli 2012

Scheepje: In memoriam Rutger Kopland (1934-2012)


JUFFROUW A



Op 19 september, een nevelige
negentiende, stapte juffrouw A
aan de verkeerde kant van
haar scheepje Steeds Tevreeden
in het Meppelerdiep.


Het was al koud, zij had
de kachel niet aan kunnen krijgen,
haar oude moeder was gestorven,
alles roestte en knarste, vanuit
haar kombuis leken god en
sociale zaken niet te bereiken.
Zij ging van boord.



© Rutger Kopland


Uit: Lang leve de dood - een bloemlezing in honderd en enige gedichten door Gerrit Komrij,
Amsterdam, De Bezige Bij, 2003.
Oorspr. in: Rutger Kopland Gedichten 1966-1999, Amsterdam, Van Oorschot, 1999.



* *
Opnieuw binnen enkele dagen een groot verlies voor de Nederlandse letteren: psychiater, oud-hoogleraar en dichter Rutger Kopland is woensdag jl. na een langdurig ziekbed overleden, zo hebben zijn familie en uitgever vanmorgen bekend gemaakt. 
Kopland was een geliefd en veelvuldig gelauwerd schrijver: in 1988 ontving hij de P.C. Hooftprijs voor zijn hele oeuvre, maar een koninlijke onderscheiding weigerde hij. Hij vond zijn werk "geen bijzondere verdienste". Eind twintigste eeuw leek Kopland de gedroomde, ideale eerste Dichter des Vaderlands. Maar de dichter-medicus liet ook dit aanzoek aan zich voorbij gaan; Gerrit Komrij nam die rol van 2000 tot 2004 van hem over.
Rutger Kopland, geboren als Rudi van den Hoofdakker (Goor, 4 augustus 1934), geldt als een van de belangrijkste naoorlogse auteurs in het Nederlands taalgebied. Hij is - met afstand - de meest gelezen dichter van de laatste vijftig jaar. 

Luisteren aan de borst


DE DOKTER




De dokter keek op mij neer
ik zag zijn gezicht boven het mijne

ik zag wat hij dacht
dat ik dood kon gaan - zo keek hij
terwijl hij luisterde aan mijn borst

hij keek mij aan met een blik
- hoe kan ik dat zeggen - een blik
voorbij mijn gezicht, een blik naar iets
achter mij naar iets verwegs
alsof hij iets in de toekomst
probeerde te zien

hij keek mij aan en hij zei

hier mag u niet blijven
ze komen u halen



© Rutger Kopland



Openingsgedicht uit de cyclus Aan het grensland,
in: Rutger Kopland Toen ik dit zag, Amsterdam, Van Oorschot 2008

Landschap, ter nagedachtenis


Een van de laatste beelden van Rutger Kopland, enkele jaren na het ongeluk met een auto 
dat de dichter overkwam in 2005.

- screenshot van Facebookpagina van Bas Kwakman, directeur van Poetry International, 
op zondag, kort na Koplands overlijdensbericht -


Kopland vertelde naderhand in een NPS-documentaire dat hij na zijn ongeluk - waarbij hij, vermoedelijk door een plotselinge hartstilstand, tegen een boom reed -  voor behandeling werd opgenomen in het Gronings academisch ziekenhuis, zijn vroegere werkterrein. Daar had hij enige tijd moeten doorbrengen op een gesloten - psychiatrische - afdeling, wat hem een gevoel van isolement opleverde. "Je wilt weer naar buiten: door een deur. Een deur waarvan ik vroeger zélf de sleutel had. Maar die deur blijft telkens dicht."

Herinnering aan ex-tabaksliefhebber Kopland


BIJ HET AFKLOPPEN VAN DE AS VAN MIJN SIGARET




Indertijd liet ik mijn sigaret een hele poos branden
en wanneer ik opzij keek
bewoog in de asbak op sterven na dood
een lange grijze worm:
peuken die ik nauwlettend verzameld
en in cassettes van houtsnijwerk bewaard heb
om hun delicate lichaampjes
voor breken en uiteenvallen te behoeden.
Om de zoveel tijd open ik ze
en zie wat ik verloren heb.


(...)


© Yannis Varvéris


- uit het Grieks vertaald door Hero Hokwerda -




Fragment uit  de afdeling 'Nacht en nicotine'  in de bundel Oorlogsinvaliden (Anapiron polémou, Athene 1982). In deze vertaling [1]  hier uit het eerste van drie gedichten van Varvéris in 
het Roken-is-dodelijk-nummer van De Tweede Ronde, tijdschrift voor literatuur, herfst 2006 - Amsterdam, uitg. Mouria.





- Het zijn de dagen van de dode dichters (verzuchting op Facebook, zondag)

vrijdag 13 juli 2012

Museum



EEN LIED VOOR DE WASVROUW




In het gunstigste geval lopen de hazen
vandaag langs de wasmand. Of gaat zij
onder massagetafel en kicksenrek de vodden
lezen, de geursporen volgen?


Maakt niet uit, even lief zijn ze haar,
de bange bewoners van het mannenmuseum,
nerveus en snel als kleine knagers. Ze tekenen
glorie en verlies in vlekken, een geschenk,


een geschiedenisboek. Bloed is het minste.
Zij vernielt het krijgskundig relict achteloos
en plichtmatig. Zij strijdt nooit. Geen moeite lieverd,
geef maar. Verdrinking, vuur, hete lucht.


Zorgvuldig vouwt ze haar prooi. Wanneer
geeft ze op? Als fluweel, met die nieuwe
wasverzachter. Als nieuw. Als verse sneeuw.



© Anna Enquist



Uit: Anna Enquist Nieuws van nergens Amsterdam/Antwerpen, De Arbeiderspers, 2010

vrijdag 6 juli 2012

Maskers - bij de dood van Gerrit Komrij (1944-2012)


SCHRIKBEELD



Neem me de poëzie af
En ik ben een brievenbesteller
Een defecte toerenteller
Een man zonder toverstaf
Trek me mijn maskers af
En ik ben een gesteven minister
Een gediplomeerd redetwister
Op weg naar mijn marmeren graf 
Een sukkel in sukkeldraf 
Op weg naar het avondrood 
Op mensenliefde staat straf 
En de sukkels moeten dood



© Gerrit Komrij



Uit: Gerrit Komrij Spaans benauwd Amsterdam, De Bezige Bij, 2005.




tekening: G. Komrij door Theo Daamen






Bericht van vannacht: polemist, criticus, columnist, vertaler, schrijver, dichter en bloemlezer Gerrit Komrij is 
op 68-jarige leeftijd overleden in een Amsterdams ziekenhuis.
Komrij was een letterkundig omnivoor en een soms eenvoudig, maar vilein waarnemer. Menigeen vreesde zijn kleurrijke, dikwijls virtuoze en in ieder geval scherpe pen.
Voor duizenden was hij een gids en wegwijzer in de poëzie, onder meer door zijn bloemlezing - inmiddels een heus standaardwerk - van  meer dan 4.000 pagina's over de Nederlandse dichtkunst in de afgelopen zeven eeuwen.
Gerrit Komrij werd in 1993 onderscheiden met de P.C. Hooftprijs voor zijn beschouwend proza. Van 2000 tot 2004 was hij de eerste Nederlandse poet laureate  resp. Dichter des VaderlandsIn 1970 vormde hij de 'openingsact' van het eerste Poetry Internationalfestival in de Rotterdamse Doelen.
Komrij was niet altijd onomstreden; bij leven had hij gaandeweg ook diverse vijanden om zich heen verzameld. Wat door velen geroemd werd als "sublieme scheldstukken" beschouwden anderen als "krenkende uitvoering van allerlei privéoorlogjes". De kwaliteit van zijn dichtkunst lag soms eveneens onder vuur met kwalificaties als "niet buitengewoon, een soort rijmelarij". De brede lof in veel herdenkingsstukken na Komrij's overlijden wordt door een aantal van zijn tijdgenoten juist opgevat als "weinig kritisch, moedig en voorspelbaar" resp. "cultureel-politiek correct".  

donderdag 5 juli 2012

Buitenbad


Liet me argeloos vallen die dag in andermans leven, andermans

autorijles, boodschappenlijstjes, college, in andermans
aarzelingen, beginnende benen op dansles.

En overal wist ik de weg, ik wandelde talloze wezen
naar propere ouders en leerde een drinkende man
op de duur van zijn glas te vertrouwen,

ik stormde bont en blauw geslagen vrouwen huizen uit,
schuifelde bedelaars kastelen in, liet een kille moeder
tijdig knielen bij een kind dat viel,
was het kind dat viel.

Ik leerde een voetballer in God te geloven als in de klap
tegen de lat, een blinde alles wat hij miste
zonder vragen terug te vinden, ik was
het talent dat de schilder bezat
aan zijn licht te ontkomen.

Alleen het echt vanzelfsprekende te water gaan
van een magere zwemster, 's ochtends vroeg,
in het buitenbad tussen de bomen,
verliep uiterst krampachtig.

Boven het water bleef ze machteloos zweven terwijl ik
teruggleed, opnieuw in beweging, haar huivering
uit, de moed opgegeven, het badpak
al bijna verdwenen.




© Ester Naomi Perquin




Openingsgedicht uit Ester Naomi Perquin Celinspecties Amsterdam, Van Oorschot, 2012

dinsdag 3 juli 2012

Vlieger


In de bedding

van je heupen wil ik slapen
door de hemel van je
ogen bedekt

je voeten zijn ver en toch
behoren ze bij je als een
vlieger zijn ze opgelaten
in een zomerdag

ik woon
in een ander huis; soms
komen we elkander tegen
ik slaap altijd zonder jou
en wij zijn altijd samen.



© Hans Lodeizen



Uit: Hans Lodeizen Het innerlijk behang en andere gedichten Amsterdam, G.A.van Oorschot, 1966

maandag 2 juli 2012

In het gras


middenin de vlakte van juli

kwam ik je tegen. ik woon hier, zei je.
ik keek naar de bloemen. ja, dat zie ik, zei ik.

je was lenig; en je woorden waren zo
doorschijnend, ik kon je er helemaal
door zien.
en daar lag ik al in het gras
en wat hield ik in mijn hand?
een oortje, waarin ik het lange woord
'Lieveling' uitgoot, zonder morsen.




© Herman de Coninck


Uit: Herman de Coninck Onbegonnen werk Antwerpen, Manteau, 1984

woensdag 27 juni 2012

Gladgeschoren


BRIEVEN ONDER NUMMER




Eerst moet je leren schrijven aan een vrouw (een brief
die vreemden onder ogen komt wordt uitgespeld)
die om je regels heen haar lippen likt,
dat stukgezeten lijf van jou
schoonmaakt, oplapt.

Wat jij hiervoor ook was, schrijft ze, telt niet echt,
het was vergeefs, ik was er nog niet bij -

Dan moet je, als je haar in handen krijgt, zelf opgeruimd
en vrolijk zijn en passen in haar schone huis. Je went
aan kussens op de bank, tafelkleden, hondjes van
porselein, aan speciale schaaltjes voor de soep
en buiten roken, haar moeders gezicht,
appelgebak, de foto op de kast,
het hoofd dat naar je loert.

Wat ben je gladgeschoren, fris gedoucht en zwijgzaam zegt ze
en dan kus je haar. Nooit zeg je wat. Je jeugd alleen
zou vlekken maken op haar vloer.



 © Ester Naomi Perquin



Uit: Ester Naomi Perquin Celinspecties Amsterdam, Van Oorschot, 2012

woensdag 13 juni 2012

Hoogmoed & Bescheidenheid



Aarzel daarom niet  

Het kleine volk kan het
niet altijd blijven verliezen



W.S. Rendra (Indonesië, 1935-2009)





Schone regels, rondrijdend Rotterdams vuilniswagengedicht -

dinsdag 12 juni 2012

Kruimels


NACHTRUST



Avond. Twee tuinen verder woedt het voorjaar
  en sluipen kapers door het donker.
Ergens vechten nagels om een vacht. Gekrijs
  om kruimels liefde. Stukgebeten oren.
De krolse oorlog van een voorjaarsnacht.


Bijna vergeten hoe ik met dezelfde woede
  door het donker joeg, hoe jij nog valser
dan een kat je nagels in drie harten sloeg.
  Wat is het lang geleden en wat blijf je mooi.


Ik heb de dagen één voor één geteld
  en met de beste woorden die ik heb:
ik hou van je. In jou vind ik een bed.


En het is lente en we delen hier
  dezelfde nacht met alles wat dat zegt.



© Menno Wigman


Uit: Menno Wigman Zwart als kaviaar Amsterdam, Bert Bakker, 2001

zondag 10 juni 2012

Als het donker wordt


OPONTHOUD



We zijn modern. Het is de juiste eeuw voor liefde niet
en nergens staan nog vrouwen op de torens,
uit te kijken. De laatste ridder
stierf aan syfilis.

We zijn de wapperende vlaggen verleerd,
het fluisteren tussen de stenen,
gezang en bloemennamen.

We werpen elkaar in het passeren
haastig lichaamsdelen toe.
Alles gaat goed.

Vergrendel deze deuren als het
donker wordt. Blijf bij me.
Zet je paard op slot.


© Ester Naomi Perquin



Uit: Ester Naomi Perquin Celinspecties Amsterdam, Van Oorschot, 2012

zaterdag 9 juni 2012

Op water slaan


Mijn opa ziet de duiven in de avond. Ze koeren tegen hem

voor hij naar binnen gaat om naar het nieuws te luisteren
op de radio, het is laat, het schemerlicht maakt zacht.
Mijn opa woont op zandgrond bij het bos waar tanks
en Engelse kanonnen tussen bomen staan. Hij is
de vader van mijn moeder, zijn vrouw is doodgegaan
dus hij is steeds bedroefd en stil maar weet wel waar
wij spelen in de tuin, met stokken in een teil op water slaan.



*



Mijn opa is een brief die in het mooiste handschrift
lieve dingen zegt met de stem van mijn moeder.
Brabant is zo ver, de trein zo traag, zo duur.

Mijn moeder huilt en roept o nee, o nee in dialect
wanneer haar zuster aan de telefoon vertelt dat hij is doodgegaan.
We krijgen nieuwe kleren aan en lopen langs de baar.
Hij ligt daar wel, maar is niet dood, ik weet het zeker
ik hoor hem zingen in het koor voor hij naar het kerkhof gaat
's nachts roept hij mij of ik hem wil bevrijden.


© Ineke Holzhaus


Twee gedichten uit "Opa Overloon", in:
Ineke Holzhaus Waar je was Maastricht/Amsterdam, Azul Press, 2011

Zwenken


BIJNA NOOIT



Bijna nooit zie je een vogel in de lucht
zich bedenken, zwenken, terug.



- Judith Herzberg, op papieren tafellaken van Plint


zaterdag 2 juni 2012

Taart


ONDERTUSSEN BUITEN



Wat ik voor ons droom is nooit een kamer. Steeds een tuin,
een wild stuk land met ordeloze bomen, struikgewas,
gras dat bloeit en een verroeste barbecue.

Ik weet dat ik opnieuw een taart naar buiten draag omdat
je jarig was. Hoe oud vraag ik, wat blaas je uit
vannacht, hoe lang nog, waarnaartoe?

Je lacht, steeds lach je. Je ligt weer op het oude kleed,
eet slordig, met één hand. Een kers rolt weg,
er kleeft nog slagroom om je lippen.

Ik kruip naast je als je slaapt. Luister, zeg ik, straks niet
wakker schrikken. Buiten de omheining
springen felle lampen aan.



© Ester Naomi Perquin


Uit: Ester Naomi Perquin Celinspecties Amsterdam, Van Oorschot, 2012

woensdag 23 mei 2012

Tafel, bed, steen


FRANS VAN A.






Manieren genoeg maar daar gaat het niet om, ik heb hier
precies het juiste licht gevonden en kijk hoe de ochtend
zich in volle lengte op de ramen drukt en dan
in banen op de grond belandt.


Je kunt hier alles leren maken als je met verf bij de hand
kijkt naar de ene steen ten opzichte van de andere
steen, tafel, bed, nu precies zo
neergezet dat verwarring -


nee niet wegdrijven opgaan niet plotseling achter
het donker verdwijnen hier zijn en: stilstaan.
Kenbaar. Ik moet in je kunnen verblijven.


Als dit de enige plek is, bedacht om één ochtend
voorgoed te bewaren dan deze ochtend
die mij past. Hier duur ik lang.





© Ester Naomi Perquin



Uit: Ester Naomi Perquin Celinspecties Amsterdam, Van Oorschot, 2012


Ester Naomi Perquin werkte vier jaar als cipier in het Rotterdamse Huis van Bewaring om een studie te kunnen betalen.

vrijdag 4 mei 2012

Achter de verduistering


TOT HET SAMENVALT




Valt het oog van de moeder
op de held die zij heeft grootgebracht
ziet ze hoe oorlog hem de dossiers in sleurt
en sloopt, tot hij samenvalt met grijs haar
en een hand die zijn hart
door zijn vlees heen tracht te steunen.

Voor zijn kinderen een feestdag geknutseld.
's Avonds, achter de verduistering, streept hij
de woorden door die hem vergeten moeten
mochten vragen volgen.
Hij kijkt opzij, de spiegel in
het stokken van zijn adem tegemoet.

Op het tapijt zit altijd nog die vlek die lijkt.
Het is nooit één woord dat het leven vergelijkt
het zijn er vele, juist degene die over niets gaan.
Zo afgesproken praten wij, zijn kinderen
vloeken dan of piekeren
willen er de schuld van zijn.


© Jan Baeke


Uit: Jan Baeke Brommerdagen Amsterdam, De Bezige Bij, 2010

donderdag 3 mei 2012

Het teken


Dat schoonheid een gegeven is

gevangen in harde getallen
en wij er altijd door omgeven
ingelegd in ons oor, schelpen op het strand
het lint onder je borsten, hoe zich

zuil tot tempel verhoudt, de gulden snede
waakt onder het verbrande gezicht van de aarde
leer dit, herken het teken dat sterker is dan wij
die verwoestten - we leven altijd na een oorlog.

Het grootste van de twee delen
verhoudt zich tot het kleinste zoals
het lijnstuk zich verhoudt tot het grootste

hoor: a:b=(a+b):a

Ja, ik luister.



© Ineke Holzhaus




Uit de cyclus Elektra, in:
Ineke Holzhaus Waar je was, gedichten, Maastricht/Amsterdam, Azul Press, 2011