vrijdag 9 mei 2008

Verder naar het westen



Verder naar het westen ligt de zee.
Auto’s grommen af en aan, brommen
het watertempeest. Hoogbouw staat
er als bevroren springtij bij.
Lombok is nog niet verzonken.
Maar verzinkt. Met jou. Met mij.

Nog niet, nog niet. Eerst nieuwbouw.
Opkomst. Neergang. Rouw en troost.
Stenen die tot zand verworden.
Duizend dagen, bijna aan elkaar gelijk.
Zeven jaren op en zeven jaren af.
En verder in het westen ligt de zee.

CHRÉTIEN BREUKERS


De hekken rond de bouwterreinen op de kop van Lombok hangen vol kunstwerken, gemaakt door kunstenaars uit deze Utrechtse wijk. Willeke de Boer maakte dit beeld bij het gedicht Verder naar het westen van Chrétien Breukers.

donderdag 8 mei 2008

De beste manier waarop ik in zee ben geweest


En dan
ligt de leukste jongen van de avond naast je.
Geen camera kan een foto maken van wat jij nu ziet.
Zo totaal dichtbij is hij nu ook bij mij vraag je je af.

En dan denk je aan hoe mensen de zee in rennen, aan hoe dieren spelen met elkaar,
aan een jonge kat die zich verloor in de knopen van jouw bank, aan de mus
die in je hand lag. Shocktoestand. Nog nooit een mus van zo dichtbij gezien.

Als ik er maar niet in hoef, in die ogen,
als dat beest maar niet naar mij gaat kijken, niet op mijn krant gaat zitten,
want dan moet je weer aaien, met te bewust gestuurde handen, terwijl je denkt:
ik wil verder lezen en dat je wel nooit een goede moeder worden zult.

Dan moet je na een tijdje
dat dier weer van je krant afduwen
minuten lang niet lezen kunnen van het schuldgevoel
en van verdriet, want moeder zul je dus niet worden.

De beste manier waarop ik de zee in ben geweest,
is door ernaast te gaan liggen. Aan een zee hoef je zoiets niet te vragen.
Maar hoe doe je dat bij de leukste jongen van de avond?


© Tjitske Jansen



Uit: Tjitske Jansen Het moest maar eens gaan sneeuwen Amsterdam, Podium, 2003

woensdag 7 mei 2008

Laat de kinderen snoepen



HET KLEINE MEISJE

Bij zovelen klοpte ik aan,
wie weet, ook bij jou misschien.
Maar doden zijn onzichtbaar,
ik kan me niet laten zien.

Het is nu tien jaar geleden
dat ik in Hiróshima stierf.
Ik ben een meisje van zeven,
dode kinderen grοeien niet.

Eerst vatte mijn haar vuur,
dan verbrandden mijn ogen.
Ik werd een handvol as,
mijn bloed is vervlogen.

Ik vraag van jullie niets.
Je hoeft niet te boeten.
Een kind dat verbrandde
kan niet eens meer snoepen.

Ik klop weer bij jullie aan:
graag een handtekening, meneer.
Laat de kinderen snoepen,
dood hen nοοίt meer, nooit meer.

(1956)


Nâzim Hikmet


Uit: De mooiste van Hikmet, vert. Perihan Eydemir en Joris Iven,
Tielt/Amsterdam, Lannoo-Atlas, 2003

Ze waggelden nog even


HUNZECENTRALE

Op de horizon de elektrische centrale.
Vijf rokende pijpen. 120 meter.

Geen rook, maar water.
Geen water, maar methaan.

Vijf pluimen tegen de hemel. Vijf evenwijdige pluimen die schrijven dat de wereld volmaakt is.

Niet de wereld, maar de mens.
Niet de mens, maar zijn hand.

Zijn handen. Hij heeft er twee.

Twee handen heeft hij om uit de mouwen te steken.

Twee mouwen, maar één zonder hand.

De hand van Edu Waskowsky. Zijn laatste. De hand die hij niet schiep.

De vijde schoorsteen is van ons, zei Rob de M., directeur van het KVI.
Rob gebruikt de energie om zijn deeltjes de nodige snelheid te geven.
Om te weten wat voor deeltjes het zijn. Of er nieuwe deeltjes bij zijn gekomen.
Of hij misschien een nieuw deeltje heeft ontdekt.

Ik kan ze zien, zegt hij, vanuit mijn slaapkamerraam.
Zondagmorgen, als ik het raam uit kijk. Als de vijfde pijp rookt. Dan
kan ik zeggen, we zijn aan het werk.

Dat is nu voorbij.

25 april 1998, 's morgens kwart voor negen - kwamen ze naar beneden.
Knikkend. Bijna knielend.

Nee, niet knikkend. Ook niet bijna knielend. Voorover, languit op hun
bek.

Drie voorover, twee opzij.

Er zijn foto's van genomen.

Kun je zien wat je in het echt niet ziet.
Een glas dat breekt.
Vlak voor hij in stukken valt: een lang, laag-bij-de-gronds kanon van steen.

Je kon zien hoe ze nog even hebben gewaggeld.

Alsof niet wetend naar welke kant.


GERRIT KROL


[Uit: Geen man, want geen vrouw. Amsterdam,
Em. Querido, 2001]

dinsdag 6 mei 2008

In de straat van genade



HET LAND (Egyptisch)


De wondere wagens der zon gaan onder,
Bereiken nog - de wind wordt lichter en dit gerstig land is
laag -
De vluchtelingen, gedoken in hun nood.

Nederknielende, sparende, biddende, buigende
Zijn zij steeds ongedeerd.
Hun spaden staan, hun spannen rijden.

Maar wacht, wacht. Als een schot in de twijgen
Waarin geofferd wordt, gesmeekt, gehunkerd,
Slaat het uur der huursoldaten.

Ietwat later - vloeit de beek? en de halmen, de zachte, buigen zij?
En de stemmen, sterven zij? - schrijven de laatste bevlekte
vingers
Letters en namen van kindermoordenaars.

Weerloos is de tijd, ongenadig de aarde.

In de straat van genade. De parkiet schreeuwde
De nacht lang. Wie weet wat de wezel riep?
De parkiet schreeuwde en vijf soldaten braakten.

In de straat van genade een uil en een rat.
De dieren wankelden in hun schonken, de rechter was verschrikt
Toen zijn bebloede dochter vluchtte over de vlammende weide.

In hun korenbed liggen de boeren. Gesloten is hun biddend oog.
Hun land kraakt.
Het water vloeit er niet meer binnen.


HUGO CLAUS (1929 - 2008)


Claus zou volgens sommige bronnen twee schilderijen voor ogen hebben gehad toen hij dit gedicht schreef: 'De volkstelling in Bethlehem' resp. 'De kindermoord te Bethlehem' van Pieter Brueghel, beide uit 1566. Brueghel schilderde de taferelen als een eigentijdse oorlogsscène in een Vlaams dorp in de winter.


Oorspr. uit: Hugo Claus De Oostakkerse Gedichten, Amsterdam, De Bezige Bij, 1955.

Later in: Een engel zingend achter een pilaar - gedichten over schilderijen; geïll. bloemlezing door Anton Korteweg, m.m.v. Annemarie Vels Heijn. Den Haag, SDu Uitgeverij, 1992.

Gebulder



IN DE MICROSCOOP


Ook hier zijn maanlandschappen,
dromend, woest.
Ook hier zijn troepen
die te velde trekken.
En cellen, strijders
die hun leven geven
voor een zier.

Ook hier zijn kerkhoven,
roem en sneeuw.
En ik hoor gebulder,
oproer van immense standen.


© Miroslav Holub


Uit: Miroslav Holub Hoewel, gedichten en andere teksten 1958-1992
(samenst. en uit het Tsjechisch vert. door Jana Beranová),
Leuvense Schrijversaktie/Europees Poëziecentrum, 1992

zaterdag 3 mei 2008

4 mei


HET LIED DER ACHTTIEN DOODEN


Een cel is maar twee meter lang
en nauw twee meter breed,
wel kleiner nog is het stuk grond,
dat ik nu nog niet weet,
maar waar ik naamloos rusten zal,
mijn makkers bovendien,
wij waren achttien in getal,
geen zal den avond zien.

O lieflijkheid van licht en land,
van Holland's vrije kust,
eens door den vijand overmand
had ik geen uur meer rust.
Wat kan een man oprecht en trouw,
nog doen in zulk een tijd?
Hij kust zijn kind, hij kust zijn vrouw
en strijdt den ijdlen strijd.

Ik wist de taak die ik begon,
een taak van moeiten zwaar,
maar 't hart dat het niet laten kon
schuwt nimmer het gevaar;
het weet hoe eenmaal in dit land
de vrijheid werd geëerd,
voordat een vloek'bre schennershand
het anders heeft begeerd.

Voordat die eeden breekt en bralt
het miss'lijk stuk bestond
en Holland's landen binnenvalt
en brandschat zijnen grond;
voordat die aanspraak maakt op eer
en zulk Germaansch gerief
ons volk dwong onder zijn beheer
en plunderde als een dief.

De Rattenvanger van Berlijn
pijpt nu zijn melodie, -
zoo waar als ik straks dood zal zijn
de liefste niet meer zie
en niet meer breken zal het brood
en slapen mag met haar-
verwerp al wat hij biedt of bood
die sluwe vogelaar.

Gedenkt die deze woorden leest
mijn makkers in den nood
en die hen nastaan 't allermeest
in hunnen rampspoed groot,
gelijk ook wij hebben gedacht
aan eigen land en volk -
er daagt een dag na elken nacht,
voorbij trekt iedre wolk.

Ik zie hoe't eerste morgenlicht
door 't hooge venster draalt.
Mijn God, maak mij het sterven licht -
en zoo ik heb gefaald
gelijk een elk wel falen kan,
schenk mij dan Uw genâ,
opdat ik heenga als een man
als 'k voor de loopen sta.


Jan Campert (1902 - 1943)


Jan Campert, Nederlands letterkundige, journalist en dichter, werd gearresteerd wegens hulp aan joden c.q. mensensmokkel over de Belgische grens. Op 12 januari 1943 werd hij ter dood gebracht in het concentratiekamp Neuengamme.

Op 13 maart 1941, 's ochtends vroeg, werden achttien verzetsmensen - vijftien leden van de groep De Geuzen en drie communistische Februaristakers - uit hun cel gehaald in de Scheveningse gevangenis (het 'Oranjehotel'). Op de nabijgelegen Waalsdorpervlakte werden de achttien, verraden door een onvoorzichtigheid, terechtgesteld door een Duits vuurpeloton.
Naar aanleiding van deze gebeurtenis schreef de dichter/verzetsman J. Campert De achttien dooden, dat niet alleen tijdens de Duitse bezetting een bijzondere symbolische betekenis kreeg. Anno 2008 is het nog steeds het bekendste Nederlandse verzetsgedicht.

Camperts lied van de achttien verscheen oorspronkelijk, amper een maand na zijn dood, in het ondergrondse Vrij Nederland van 21 februari 1943.
Niet lang daarna in het voorjaar werd het uitgebracht en op ruimere schaal verspreid door de illegale uitgeverij De Bezige Bij. Als rijmprent, met een tekening van Fedde Weidema.

Het gedicht over de doodgeschoten verzetsstrijders was de eerste publicatie van De Bezige Bij, een nieuwe illegale uitgeverij die was opgericht door Geert Lubberhuizen en Charles van Blommestein. Deze twee kenden elkaar uit het Utrechtse studentenverzet. De publicaties van de Bij werden clandestien verkocht. 'De achttien dooden' voor vijf gulden per exemplaar, geen gering bedrag in de oorlogstijd. Uit de opbrengsten werd het verzetswerk van het Utrechts Kindercomité bekostigd, een groep die bestond uit studenten die zich inzetten voor het redden, op veilige adressen onderbrengen en laten onderduiken van joodse kinderen.

De Achttien Dooden zou het begin betekenen van het zich met succes doorzettende illegale uitgeversbedrijf De Bezige Bij, dat na de 'bestseller' van de rijmprent met talrijke bibliofiele en literaire uitgaven tot aan de bevrijding veel geld kon inzamelen voor het verzetswerk.

Wegens geldgebrek


ALS ER IETS OVERBLIJFT


De kaas mag van de Aldi komen;
De ketchup uit de derde rij daar links.
De margarine is van Gouda's Glorie.
En wijn is straffe kost uit oud karton.

Ik zal een muf stuk kip gaan eten
Gevuld met knoflookresten en tevredenheid.
Een laken hang ik voor het venster
Omdat het geld ontbreekt voor beter spul.

Spiritus zal branden in je mond
En daarom zing je almaar valser,
Als een hond die op zijn falie heeft gehad.

Je buik met Lidl huismerkjam bestreken
Zo lok je mieren op het tafelblad.
De vorken en de messen zijn nog vuil.

De huiswijn van Dirck III gaat in onnoembaar
Gore teugen door je doorgezopen strot.



Chrétien Breukers


Naar: Mijn beurt van Stefan Hertmans

- vrije bewerking van het voorgaande 'eetgedicht' op RotterdamPoetryLakes
(zie bericht hieronder "Koffie met kaneel", zaterdag 3 mei 2008)
Met dank aan www.decontrabas.com


Koffie met kaneel



MIJN BEURT


De kaas moet vers uit Parma komen;
De pepers rood uit Pomeriggio
De mascarpone moet geel-romig zijn
En jij moet zingen bij de wijn.

Ik zal een jonge kwartel eten,
Gestufft met mortadella en Toscaanse weed.
Je bloes hangen we voor het venster
Tegen inkijk en insecten.

Het fruit zal branden in je mond,
En wat je zingt wordt stilaan honger,
Branie, geblaf van een jachtige hond.

Je buik met peperoni ingewreven
Lig je op tafel en je beeft.
Vorken en messen zijn verdeeld.

De koffie met kaneel gaat met
Onspreekbare syllaben door je keel.


© Stefan Hertmans


Uit: Muziek voor de overtocht - gedichten 1975-2005. Amsterdam, De Bezige Bij, 2005
[oorspr. in: Francesco's paradox - Amsterdam, Meulenhoff, 1996]

Keukenprinses



KOOKLUST



Met gretige borsten staat begeerte aan het aanrecht
zoent het zaad uit tomaten, kijkt naar het zwellen
van beslag onder vochtige doek. Haar hand liefkoost
de haas van een jonge stier, zijn zoekende tong
is gemaakt voor de hare, verzaligd streelt ze
zijn ballen de pan in. Hartstocht
is een keukenprinses met aanraakbare huid,
donzig als deeg, geurig als boter, een weerloze
van bot bevrijde eend die naakt wil zijn
als een olijf in olie, een perzik op sap.
Ze wil zich ontleden op het hakblok, betast worden
door gulzige vingers en gloeiend verslonden.
Een vis zijn, zwemmend in roomsaus
gewiegd, gekend, begeerd, genoten.


Marjoleine de Vos


Uit: Marjoleine de Vos Zeehond graag - Amsterdam, Van Oorschot, 2000

vrijdag 2 mei 2008

Talkshow met trots gevogelte


PAUWEN - Witte Pauw & Pauwenman

Ze trekken samen door het land. Witte Pauw
trippelt aan een gouden halsband voor hem uit
of rust op Pauwenmans schouder, parmantig

Dan kan hij wel huilen van geluk, Pauwenman!
Bijna zo mooi is zij, Witte Pauw, als een Bach-
Sonate. Tenminste, dat vindt hij, Pauwenman

Witte Pauw & Pauwenman, zij bieden Nederland ont //
spanning !

Zie, de Zwaar Gehandicapte
die het Liefdespaar op TV aanschouwt
schurkt zich spontaan uit z’n invalidenkarretje omhoog
en maakt dan zomaar een schuchter danspasje, en dan nog een…

En dan opeens zingt de Doofstomme: “Charleston!
Charleston!
Wij dansen deN Charleston!” Als in Zelig
Woody Allens meesterfilm over de Jaren Twintig

Dank u, Witte Pauw & Pauwenman, roept de Genezene
En werpt zich ter aarde, zo devoot
als een aangepaste moslim
en kust de voeten van de Pauwenman langdurig
alsook de roze pootjes van de Witte Pauw

En zo ook doet de Blinde die plots TV kan kijken
alsook de Dodelijk Verlegene
die opeens het Parlement durft toe te spreken


Zij doen evenzo. Het is een wonder!

Geen wonder dat de soap aller soapen
Witte Vrouw & Vrouwenman
nu dagelijks te zien is op TV

Nederland gaat nog barsten van Ont
//
Spanning!



MANUEL KNEEPKENS (nog ongepubliceerd)



art impression by ERIK LOMAN

Het genot van tabak


OVER HET VERLANGEN NAAR EEN SIGARET

Ken je het verlangen naar een sigaret,
naar die gelukkige tijd dat je nog rookte?

Niemand begrijpt dit verlangen behalve ik.

Ik herinner mij iemand die altijd
als ik iets zei dat ze niet begreep
antwoordde: op zich is dit heel intrigerend.

En ik herinner mij ook dat ik dan
die uitspraak een aantal malen
in mijn hoofd moest herhalen:
op zich is dit heel intrigerend
totdat de betekenis verdampt was.

God kan ondoorgrondelijke dingen met ons doen
dankzij het feit dat hij niet bestaat

en zo kunnen ook ondoorgrondelijke dingen
worden beweerd dankzij het feit
dat ze nergens over gaan.

Sinds ik dit bedacht begrijp ik veel meer.

Het verlangen naar een sigaret is
het verlangen zelf.


Rutger Kopland


De bundel Over het verlangen naar een sigaret (2001, Amsterdam,Van Oorschot) bevat poëzie waarin tijd en vergankelijkheid in bijna elk gedicht een rol spelen.
Psychiater en tabaksliefhebber Rudi van den Hoofdakker - of misschien wel zijn nom de plume, de dichter Rutger Kopland - moest op medisch advies van collega's stoppen met roken.

Rook uw sloffen of laatste doosjes intussen snel op, nog acht weken te gaan voordat minister A. Klink - die met straffe hand waakt over onze volksgezondheid - de Nederlandse horeca volledig rookvrij zal verklaren. De omstreden maatregel gaat in op 1 juli as. Na de maaltijd een smakelijk sigaartje bij een glas of een sigaret aan tafel zal dan niet meer mogelijk zijn. Behalve bij 'pafpalen' of speciale rookzuilen, in afgezonderde ruimten - zonder bediening of serveergelegenheid - voorzien van speciale afzuiginstallatie, of op buitenterrassen. Mits die laatste gelegenheden op koudere dagen - van weer een andere minister - tenminste 'milieuvriendelijk en energie-arm' door apparatuur worden verwarmd.
Officieel wordt het verbod op 1 juli 2008 van kracht 'in verband met de gezondheid van het horeca-personeel'. Met deze motivering omzeilt minister Klink en zijn christendemocratische partij het - politieke - verwijt dat hij bezoekers van restaurants en cafés een andere moraal of 'minder schadelijk gedrag wil opleggen' en zich daardoor 'bemoeit met de persoonlijke levenssfeer en individuele keuzevrijheid' .


Ierland was het eerste Euroland met een volledig rookvrije horeca. De eerste effecten van het overheidsverbod daar zijn teleurstellend: méér Ierse jongeren - in plaats van minder, waarop was gehoopt - blijken volgens de jongste cijfers vanmorgen juist begonnen aan een nicotineverslaving. Ook in België en andere EG-landen leidt de invoering van het rookverbod nog geregeld tot onvoorziene problemen, met uitzondering van Italië.

donderdag 1 mei 2008

Voorgerecht


Afrodisia *


Wat wacht ik weer vertederd
tot de klok van thuiskomst.
Moet je mij zien, van stoot
naar sloof en andersom –
nu kinderlijk dom-blondjes lief:

Hoe was je dag, pak ik je jas
maak snel je sleutels kwijt, verberg je spullen.
Jij blijft nu hier en helemaal
tot morgenvroeg van mij alleen.

Ik denk de lakens boven al vast
in de plooi van wat er komen gaat.

Laat mij je helpen,
je verwennen, kom je?

Mijn amuse* maakt je blij.
Koken kan ik beter dan zij.

Josephine Banens




Afrodisia: lustopwekkend eten
amuse: voorgerechtje

[oorspr. op Gedichten.nl - internetpoëzie]

woensdag 30 april 2008

Losgeraakt



DROOM






Ik liep vannacht - van een optocht los-
geraakt - ineens onder een hoog en luchtig
viaduct, jong, naast mij liep een grote
vrij zware jonge man. De pijlers werden bomen
en het beton werd losse grond.
En ogenblikkelijk stonden we stil, zijn mond
boog zich half open neer, ik richtte
mijn gezicht omhoog, de zekerheid
van kussen en omhelzen was er toen
ik wakker werd en is er nog altijd.


VASALIS


Uit: Vasalis De oude kustlijn Nagelaten gedichten, Amsterdam, Van Oorschot, 2002.



De combinatie dichter/psychiater komt weinig voor in de Nederlandse letteren. Rudi van den Hoofdakker alias Rutger Kopland is een van de uitzonderingen. En Frank Koenegracht. Een eerder, interessant voorbeeld van deze combinatie is Vasalis (1909-1998).
Vasalis - eigenlijk haar gelatiniseerde meisjesnaam, pseudoniem van Margaretha Droogleever Fortuyn-Leenmans -
debuteerde in 1940 met de bundel Parken en woestijnen. Haar werk - dat ze strikt gescheiden hield van de baan als kinderpsychiater - is veelvuldig bekroond, onder andere met de Constantijn Huygensprijs (1974) en de P.C. Hooftprijs (1982).
Vasalis' nagelaten gedichten in De oude kustlijn werden, op haar verzoek, uitgegeven door haar kinderen op basis van haar eigen commentaar.

Doofstomme kamer


Niet


Niemand in huis
Zelfs ik ben niet thuis

Haar kunstbontjas op de stoel
Zij zit er niet in

Ik hoest beleefd
De kamer blijft doofstom

Er is iets geweest, maar hoe?
Ik leg de lakens toe

Ik doe het licht aan
Ik ben er nog niet

Wel haar geur
Maar dat geloof ik zelf niet



HUGO CLAUS


uit: Gedichten 1948-1993. Amsterdam, de Bezige Bij, 1994



zondag 27 april 2008

meidagen (1)


MEI 1940

Nooit daarvoor of daarna
bloeiden en geurden seringen
zo mild overvloedig.

Ook was er het zalig besef,
zorgvuldig verborgen,
van niet naar school te hoeven.

Het trage zwarte vliegtuig
dat laag over de huizen kwam
was godvergeten boeiend.

Maar weinig dagen later
trokken wij naar de stad
die smeulend lag te roesten.

De lijken waren geruimd.
Alleen die bitt're koffielucht
- de branderij verbrand -
leek moeilijk uit te roeien.

De school bleek ongedeerd.
Het rook er als voorheen
naar gymnastiek, chemie
en angst voor onvoldoendes.


J. EIJKELBOOM


[uit: J. Eijkelboom Kippevleugels. Amsterdam/Antwerpen, Arbeiderspers, 1991]

meidagen (2)


BEN ALI LIBI


Op een lijst van artiesten, in de oorlog vermoord,
staat een naam waarvan ik nog nooit had gehoord,
dus keek ik er met verwondering naar:
Ben Ali Libi. Goochelaar.

Met een lach en een smoes en een goocheldoos
en een alibi dat-ie zorgvuldig koos,
scharrelde hij de kost bij elkaar:
Ben Ali Libi, de goochelaar.

Toen vonden de vrienden van de Weduwe Rost
dat Nederland nodig moest worden verlost
van het wereldwijd joods-bosjewistisch gevaar.
Ze bedoelden natuurlijk die goochelaar.

Wie zo dikwijls een duif of een bloem had verstopt,
kon zichzelf niet verstoppen, toen er hard werd geklopt.
Er stond al een overvalwagen klaar

voor Ben Ali Libi, de goochelaar.

In 't concentratiekamp heeft hij misschien
zijn aardigste trucs nog wel eens laten zien
met een lach en een smoes, een misleidend gebaar,
Ben Ali Libi, de goochelaar.

En altijd als ik een schreeuwer zie
met een alternatief voor de democratie,
denk ik: jouw paradijs, hoeveel ruimte is daar
voor Ben Ali Libi, de goochelaar.

Voor Ben Ali Libi, de kleine schlemiel,
hij ruste in vrede, God hebbe zijn ziel.


Willem Wilmink







EEN FOTO


Van die razzia's zijn foto's:
Jonas Daniël Meijerplein,
waar de Duitse militairen
joden aan het treiteren zijn.

Een bange man met keurige schoenen,
lange jas en vlinderdas,
wordt over het plein gedreven
of het naar een veemarkt was.

Drie Duitse soldaten staan er
met een spottend lachje bij
en daar kijkt een vierde Duitser,
misschien toch beschaamd, opzij.

Stel je voor, je zag die foto
van de man met vlinderdas
en je zou opeens ontdekken
dat het je eigen vader was.

Soms moet ik er ook aan denken
hoe 't die andere zoon vergaat,
die ontdekte: kijk, mijn vader
is die lachende soldaat.


Willem Wilmink

Willem Wilmink (1936-2003) is voor de Nederlandse (jeugd)literatuur van groot belang geweest. Ook televisie, het cabaret en het Nederlandse lied hebben van zijn talenten geprofiteerd.

Bovenstaande twee gedichten verschenen in zijn laatste bundel Je moet je op het ergste voorbereiden (2003, Amsterdam, Bert Bakker).

meidagen (3)



VREDE

Komt een duif van honderd pond,
een olijfboom in zijn klauwen,
bij mijn oren met mijn mond
vol van koren zoete vrouwen,
vol van kirrende verhalen
hoe de oorlog is verdwenen
en herhaalt ze honderd malen:
alle malen zal ik wenen.

Sinds ik mij zo onverwacht
in een taxi heb gestort
dat ik in de nacht een gat
naliet dat steeds groter wordt,
sinds mijn zacht betraande schat,
droogte blozend van ellende
staan bleef, zo bleef stilstaan dat
keisteen ketste in haar lenden,
ben ik te dicht en droog van vel
om uit te zweten in gebeden,
kreukels knijpend evenwel,
en 'vrede' knarsend, 'vrede, vrede'.

Liefde is een stinkend wonder
van onthoofde wulpsigheden
als ik voort moet leven zonder
vrede, godverdomme, vrede;
want het scheurende geluid
waar ik van mijn lief mee scheidde
schrikt mij nu het bed nog uit
waar wij soms in dromen beiden
dat de oorlog van weleer
wederkeert op vilten voeten,
dat we, eigenlijk al niet meer
kunnend alles, toch weer moeten
liggen, rennen en daarnaast
gillen in elkanders oren,
zo wanhopig dat wij haast
dromen ons te kunnen horen.

Mag ik niet vloeken als het vuur
van een stad, sinds lang herbouwd,
voortrolt uit een kamermuur,
rondlaait en mij wakker houdt?
Doch het versgebraden kind,
vuurwerk wordend, is het niet
wat ik vreselijk, vreselijk vind:
het is de eeuw dat niets geschiedt,
nadat eensklaps, midden door een huis,
een toren is komen te staan van vuil,
lang vergeten keldermodder,
snel onbruikbaar wordend huisraad,
bloedrode vlammen en vlammend
rood bloed, de lucht eromheen behangen
met levende delen van dode doch
aardige mensen, de eeuwlange stilte voor-
dat het verbaasde kind in deze zuil
gewurgd wordt en reeds de armpjes
opheft.

Kom vanavond met verhalen
hoe de oorlog is verdwenen,
en herhaal ze honderd malen:
alle malen zal ik wenen.


LEO VROMAN


Leo Vroman (1915, Gouda) is in Nederland vooral bekend als dichter. Zelf ziet hij zich in de eerste plaats als man van de wetenschap (biochemicus, bloedonderzoeker). Behalve dichter, bioloog en hematoloog is Vroman ook (toneel)schrijver, tekenaar, schilder en waarschijnlijk nog meer. Moeilijk in te delen, hoort bij geen enkele stroming in de literatuur.
Vroman leeft sinds 1945 in de USA; aanvankelijk in New York, tegenwoordig in Texas.
Leo Vroman, die van joodse afkomst is, vertrok op 14 mei 1940 - de dag van het Duitse bezettersbombardement op Rotterdam - uit Nederland. Met een zeilbootje ontkwam hij naar Engeland. Vandaar reisde hij naar Nederlands-Indië. Toen de Japanners deze voormalige Hollandse kolonie binnenvielen, begon voor Vroman een tocht langs zeker zeven interneringsplaatsen, waarbij hij ook in kampen belandde buiten Indonesië (o.a. Singapore en Osaka).

Vroman en zijn vrouw, de antropologe Tineke (Georgina) Sanders, hebben sinds 1951 een Amerikaans paspoort. Toch geldt Vroman als een van Nederlands grootste levende dichters.
Via zijn vakgebied is zijn naam vereeuwigd in het zogeheten Vroman-effect, de herkenning van bepaalde bloedstollingverschijnselen.
Voor zijn poëtisch oeuvre ontving Leo Vroman in 1964 de P.C. Hooftprijs.

Bovenstaand gedicht, met de zeer bekend geworden slotstrofe, is afkomstig uit Vromans bundel Slaapwandelen (1957).

zaterdag 26 april 2008

Over het nut van een gedicht



EN VAARWEL!


Bij de miljoenen verzen op deze wereld
voegde ik maar een paar strofen.
Ze waren wellicht niet wijzer dan krekelliederen.
Dat weet ik, vergeef me.
Ik eindig al.

Het waren niet de eerste stappen
in het maanstof.
Als ze toch ooit schitterden
was het niet door hun licht.
Ik hield van deze taal.

En zij, die zwijgende lippen
tot beven kon dwingen,
zal makkelijk geliefden tot kussen aansporen
wanneer ze slenteren door het avondrode land,
als de zon langzamer ondergaat
dan in de tropen.

Poëzie was met ons vanaf alle begin.
Zoals beminnen,
zoals honger, zoals pest, zoals oorlog.
Mijn verzen waren soms
verschrikkelijk dwaas.
Maar daarvoor verontschuldig ik me niet.
Ik geloof dat het zoeken naar mooie woorden
beter is
dan doden en moorden.


Jaroslav Seifert


Titelgedicht, uit: Jaroslav Seifert En vaarwel! Bussum, Agathon, 1984
- vert. uit het Tsjechisch: Jana Beranová -

Jaroslav Seifert won in 1984 de Nobelprijs voor de Literatuur.
Van vertaalster en dichteres Jana Beranová is o.a. de tekst voor Amnesty International, die duizenden malen terecht kwam op afffiches :
Als niemand/ luistert/ naar niemand/ vallen er doden/ in plaats van/ woorden

Waar ik zat


Onder de appelboom


Ik kwam thuis, het was
een uur of acht en zeldzaam
zacht voor de tijd van het jaar,
de tuinbank stond klaar
onder de appelboom

ik ging zitten en ik zat
te kijken hoe de buurman
in zijn tuin nog aan het spitten was,
de nacht kwam uit de aarde
een blauwer wordend licht hing
in de appelboom

toen werd het langzaam weer te mooi
om waar te zijn, de dingen
van de dag verdwenen voor de geur
van hooi, er lag weer speelgoed
in het gras en verweg in het huis
lachten de kinderen in het bad
tot waar ik zat, tot
onder de appelboom

en later hoorde ik de vleugels
van ganzen in de hemel
hoorde ik hoe stil en leeg
het aan het worden was

gelukkig kwam er iemand naast mij
zitten, om precies te zijn jij
was het die naast mij kwam
onder de appelboom, zeldzaam
zacht en dichtbij
voor onze leeftijd.


RUTGER KOPLAND

[uit: Rutger Kopland Onder het vee, Amsterdam, G.A. van Oorschot, 1966 - debuutbundel]

Kopland werd verkozen tot de eerste Dichter des Vaderlands maar liet die eer aan zich voorbijgaan. Gerrit Komrij nam het van hem over, op de eerste Gedichtendag, in 2000.