vrijdag 13 februari 2009
Klink
Al die rommel in de wind. Papieren. Kranten.
Een omgeslagen boom. Een tafel. Een fototoestel.
De deurklink. De door
De dood platgelopen deur.
NÁSOS VAYENÁS
Uit: Násos Vayenás Biografie en andere gedichten – vertal. Marko Fondse en Hero Hokwerda. Amsterdam, Het Griekse Eiland, 1990.
Wanhoop
EEN HELE OPLUCHTING
Ik belde eens, na een wanhoopsnacht
vol angst en liefdespijn,
mijn beste vriend: waar of die dacht
dat mijn Jeanette kon zijn.
Ach! ik had me weer eens op hol gebracht
om niks. Om mijn ziek brein.
Want dáár klonk, slaperig, héél zacht,
Jeanette over de lijn.
Lévi Weemoedt
Uit: Lévi Weemoedt Van harte beterschap - kleine trilogie der treurigheid. Amsterdam, Bert Bakker, 1982
donderdag 12 februari 2009
Onder de zon
MOL
Dat ik woon in de aarde,
woel door de grote moeder,
kind aan huis blijf bij haar,
en dat ik het gevaar
schuw van alles onder de zon –
goed, maar moet ik niet leven
zoals ik ben, blind
en met de onrust in de poten
van een grond doordrenkt van doden?
Hans Andreus
Uit: Hans Andreus (1926-1977) Natuurgedichten en andere, Haarlem, uitg.mij Holland, 1970.
woensdag 11 februari 2009
Die ik niet kan zijn
ANDERS
Ik ben een vrouw
heel anders dan jij
ik bemin je
heel anders dan mijzelf
doe me geen pijn
omdat je anders bent
maak me geen ander
dan die ik ben
geef me de vrijheid
van jou als de ander
wees mijn andere
die ik niet kan zijn
© Wu Mei
Wu Mei (China) is een jonge dichteres die deelnam aan de studentenprotesten op het Plein van de Hemelse Vrede in Peking, in 1989
Uit: Zo'n gelukkige dag – dichters voor Amnesty International. Samenst. Daan Bronkhorst, Breda, De Geus, 2007
dinsdag 10 februari 2009
Meesterwerk
ZO KON HET ZIJN
Zo kon het zijn:
iets smerigs verlangt iets vuils voor de ochtend,
de geschilderde roos
wil in het meesterwerk.
Het kleine wil nog
iets kleiners voor onderweg,
het grote koopt in
bij de reusachtige dingen.
Je kunt je moeilijk verweren.
Je ziet de vlinder, alweer een hand groter,
je ziet hoe de bloemen de grond omwoelen,
de worm als een slang.
Dit is het gewicht
dat barst uit de schaal.
Daarin bestaan te hebben
met de tijd als haardos,
als god van een kortstondig heelal,
dat, lieve vriend, is het leven.
En het was wat het is.
© Cees Nooteboom
Uit: Cees Nooteboom Zo kon het zijn, Baarn, Atalanta Pers, 1998.
Verzamel de knechten en vertrek
HUAYNA CAPAC *
Wee jou, boodschapper, als jij liegt tegen je oude vorst.
Er bestaan geen boten zoals jij ze beschrijft,
Groter dan mijn paleis, voortgestuwd door de storm.
Deze draken waarover jij raaskalt bestaan niet,
Geharnast in brons, verblindend, met poten van zilver.
Die gebaarde krijgers van jou zijn er niet. Spoken zijn het.
Verzonnen heeft jouw geest ze, wakker of slapend,
Of misschien heeft een god ze jou gezonden om je te bedriegen:
Dit gebeurt vaker in tijden van rampspoed
Als de oude zekerheden hun omtrekken verliezen,
Deugden worden ontkend, en trouw vervaalt.
De rode pest komt niet van hen: die was er al eerder,
Ζij is geen teken, zij is geen kwade voorspelling.
Ik wil niet luisteren naar jou. Verzamel je knechten en vertrek,
Bergafwaarts, door het dal, haast je over de vlakte;
Houd je scepter tussen de vijandige stiefbroers,
Zoons van mijn kracht, Huascar en Atahualpa.
Doe de strijd staken die het rijk met bloed besmeurt,
Ζo dat de sluwe vreemdeling daar geen gebruik van maakt.
Goud, vroeg hij jou? Geef het hem: honderd lasten goud,
Duizend. Als haat dit rijk van de Zon heeft ontbonden,
Zal het goud de haat brengen in de andere helft van de wereld,
Daar waar de indringer zijn monsters in de wieg heeft.
Geef hem het goud van de Inca: het zal de gelukkigste gift zijn.
8 december 1978
© Primo Levi
* Huayna Capac, keizer der Inca's, stierf in 1527, kort na de eerste landing van Francisco Pizarro in Tumbes. Men zegt dat een van zijn gezanten aan boord van het Spaanse schip heeft gegeten, en dat Ηuayna Capac op zijn sterfbed bericht kreeg van de aankomst der vreemdelingen.
Uit: Primo Levi Op een onzeker uur (Ad ora incerta). Gedichten, vertaald door Maarten Asscher en Reinier Speelman.
Amsterdam, Meulenhoff, 1984.
Geschrapt
BERLIJN DOEMT OP
(Berlin looms)
het verdwenene kan
nog gevoeld worden
banale stutten
van roestend beton
omhullen de omtrek
uitgerekt prikkeldraad produceert
de leegte
lucht kan blauw zijn
de rook geometrisch
roomijs gelekt
van de dakspanten
de naald bewoog zich
over de middellijn
de droge bast van lindebomen spleet
aan de overkant van de straat
de vochtige schaduw
van schuiten rimpelde
as van oktober velde
de kuch van de apotheker
hoestbonbons gekocht
voor een Mark
de zwarte adelaars veegden
de boulevard schoon
het kanaal werd
een gelatinepudding
het plan was
geschrapt
© John Hejduk
Uit: John Hejduk Dutch grey / Hollands grijs - vertaald door Leo Herberghs, met een nawoord van Peter Schobben.
Oude Tonge, Huis Clos nr. 21, 2001
John Quentin Hejduk (1929-2000) was een New Yorkse avantgarde-architect, kunstenaar, schilder en bovenal bewonderaar van Vermeer, Rietveld en Mondriaan. Wallhouse nummer 2, het eerste gebouw van Hejduk in Nederland, is wel eens omschreven als "een duizelingwekkend, radicaal eerbetoon aan Mondriaan". Het bijzonder ontworpen woonhuis werd september 2001 geopend in Groningen. Over Groningen schreef Hajduk nog het gedicht Up There (Daarboven).
De meeste gedichten van de architect-kunstenaar werden pas kort voor zijn dood gepubliceerd, vooral in de verzameling Such Places as Memory: Poems 1953-1996 [1998].

John Hejduk: Ontwerp voor een zeemanskerk met dak van golven (eind jaren '90 / coll. Wim van den Bergh)
maandag 9 februari 2009
Wie zich sterk waant
CANZONIERE 311
Die nachtegaal, die zo vol tederheid
Treurt om zijn kroost of om zijn lieve gade,
Vult met zijn zoet gegorgel wijd en zijd
De hemel en de velden en de paden.
En als ik in de nacht hoor hoe hij schreit,
Dan word ook ik met zorgen overladen,
En ik beklaag mezelf omdat ik lijd,
Want ook mijn liefste is door de dood verraden.
Hoe licht wordt wie zich sterk waant overrompeld!
Ach, wie had ooit gedacht dat haar gelaat
Zo snel tot aarde en stof zou zijn verschrompeld!
Ik zie nu, wijs geworden door het kwaad
Dat me in een stroom van tranen onderdompelt,
Hoe aards geluk vergaat vóór het bestaat!
Petrarca (1304-1374)
In: Francesco Petrarca Portretten en andere gedichten, vertaald door Frans van Dooren. Amsterdam, Athenaeum-Polak & Van Gennep, 5e druk 2004
Petrarca, een van de grondleggers van het humanisme en onbetwist een van de groten van de Europese literatuur, is met name bekend als schepper van de beroemde Canzoniere.
Deze sublieme verzameling, gevoelige gedichten - vooral sonnetten, maar ook canzonen over een geïdealiseeerde liefde voor Laura - vormt het hoogtepunt van zijn veelzijdig oeuvre. Petrarca's liedboek gold eeuwenlang als toonbeeld van gratie en harmonie in de lyrische dichtkunst.
Frans van Dooren ontving in 1990 de Martinus Nijhoffprijs voor zijn vertalingen van Italiaanse klassieken, in 2003 werd hij geridderd tot Cavaliere all'Ordine al Merito della Republica Italiana. Hij vertaalde onder anderen Dante, Michelangelo, Leopardi, Machiavelli en Tasso.
Rond een uur of twaalf
CASUAL KLEDING
De gemiddelde toeriste: vijftig, 2, 3
keer gehuwd, gekleed, dit jaar, in Ferdi Plinthbower
Original Jeans. Een kans van 1 op 9
dat ze vandaag langs de ambassade wandelt
rond een uur of twaalf . De gemiddelde terrorist:
vijfentwintig, vrijgezel. Geen behoefte aan trends,
althans niet in kleding. Let echter op het einde:
mensen zijn naar voren gekomen uit gekleurde mist,
glimlachen niet op honderd miljoen schermen
en vertellen van dat telefoontje naar de omroep zojuist,
'de verantwoordelijkheid opgeëist'. Vernietiging
met een sierlijk logo, net als op de jeans van de dode vrouw.
© James Merrill
In: Zo'n gelukkige dag – dichters voor Amnesty International. Samenst. Daan Bronkhorst, Breda, De Geus, 2007
James Merrill (1926-1995) werd bekroond met onder andere de Pullitzer Prize voor poëzie. De Amerikaanse schrijver zette zich sterk in voor de emancipatie van homoseksuelen.
Sappelen om niets
DE BADKAMER
Sta ik hier te sterven tot zelfs de druppels,
laat ik dicht vandaag, alleen jij, je hand
Ze zeggen dat
TE SCHRIJVEN ZOALS MIJN GROOTOUDERS
Te schrijven zoals mijn grootouders
een telefoongesprek voerden.
Ze belden nooit, ze werden
een doodenkele keer gebeld
en konden tot aan het einde
van hun leven niet geloven
dat hun stemmen ook elders
klonken.
Hing de telefoon weer
op de plek van de koffiemolen,
zei mijn grootmoeder bijvoorbeeld
na lange tijd: ze zeggen dat ze komen
en mijn grootvader: wil je dat ik
erlangs rijd?
© Wim Brands
Uit: Wim Brands De schoenen van de buurman Amsterdam, Podium, 1999
Antiquarisch
DE ANATOMISCHE LES
Vanmorgen hebben wij in het Wilhelminagasthuis
ter gelegenheid van het jubileum van de Vara
een echte ouwe socialist ontleed.
Het was gek wat er allemaal tevoorschijn kwam:
halfvergane rode vlaggen, strijdliederen,
internationale broederschappen en sοlidariteit,
AJC een potje poepen en zes geschiedenisboeken
door P. Quack (antiquarisch).
In plaats van de hersenen vonden wij : 'Een ver-
ontrustend rapport over de afnemende belang-
stelling van de jongere generatie voor het dem. soc.'
© Riekus Waskowsky
Oorspr. in: Tant pis pour le clown, Amsterdam, Bezige Bij (1966). Later opgenomen in Riekus Waskowsky Verzamelde Gedichten -samenst. Rien Vroegindeweij en Erik van Muiswinkel.
Met Riekus Waskowsky 1932-1977, een introductie door Gerrit Komrij. Amsterdam, Bert Bakker, 1985
zondag 8 februari 2009
In hemdsmouwen
ZONDAGNAMIDDAG
Zondagnamiddag, krekels naaien de stilte.
Ik volg de spoorbaan, de brandnetels bloeien,
de bramen smaken naar niets en naar bloed.
Het dorp ligt verscholen in dichte grijzen.
Ik herken het, dit lopen: zo kwam ik thuis.
Van het nog warme huis staan de ramen wijd open.
Het bijna doorzichtige hoofd in de kamer
is van mijn vader, hij kijkt naar buiten.
In hemdsmouwen wacht hij op onweer en regen.
Zo jongen, zal hij wel zeggen, dat is lang geleden.
Wat brengt je hier, waar heb je gezeten?
Hij vraagt niets maar gebaart: hoor, het begint.
Hij loopt naar de deur, naar de stromende regen.
Hij zal zwijgen en knikken en alles vergeten.
© Juliën Holtrigter
Uit: Juliën Holtrigter Omwegen Zoetermeer, Mozaïek/Boekencentrum, 2001
Zwarte poppetjes
VERBODEN KENNIS
Alles is verboden. Εn toch mag ik
De Notenkraker heet het blad, vol
mij lachen. Εn wat verboden is.
liggen οp de grond, rechtop
staat een man met een laken aan en
vast erg. "Wie is die meneer?"
"Dat is geen meneer, dat is Mussoliıni"
zijn voeten. "Εn wat zegt hij?"
"Geef me nog een schaal negerbloed, ik
Ik wist niet wie Mussolini was.
Als roodharige vervelde ik vaak, en
Heel geruststellend was dat, immers
© Henk van Kerkwijk
Uit: Henk van Kerkwijk Lof der Onschuld, gedichten / Praise of innocence, poems. Engels-Nederlandse uitgave, Maastricht International Poetry Nights Series i.s.m. Verlag Ralf Liebe, Weilerswist (D.), 2008
zaterdag 7 februari 2009
De trappen vegen
Αls je geen wond draagt midden op je borst,
*
Leven op deze aarde van ballingschap richt me te gronde.
*
Wat zou je anders kunnen doen dan de strijd ingaan?
*
Mijn man is hindoe en ik ben mohammedaanse,
Vier korte gedichten van anonieme Afghaanse Pasjtunvrouwen die als vluchteling leven in Pakistan.
In: Liefde kon maar beter naamloos zijn – 150 dichteressen voor Amnesty International. Samenst. Daan Bronkhorst, 2000,
vrijdag 6 februari 2009
Stotterend gras
WET
of wind die willoos waait en draaien
moet, het gras dat groeit weer wordt
gemaaid of wij die groter eerst dan
krimpen rimpelen versimpelen
tot niet: steeds anders dan daarnet. Of
grilliger: je zult van A naar Z, maar dan
- zo ongeveer bij J - staat plots het lot
je in de weg en neemt je mee. Waarheen?
Dat weet het water dat in zeeën hokt.
Dat weet de wind die niet te vinden is.
Dat stottert gras dat wordt gekort.
Trouw wrak
DE ONTDEKKER
De rustigen die mij tartten te vertrekken
Heb ik om 't schip te krijgen woest beloofd
Rijkdommen fabelachtig te ontdekken,
Waarvoor ik ingestaan heb met mijn hoofd,
En eindlijk in triomftocht aangebracht.
Tot zinkens toe geladen lag mijn vloot.
Wel waren bijna al mijn mannen dood,
Maar alle havensteden bont bevlagd.
Toen moest ik knielen voor den gouden troon.
De koning boog en wilde mij een keten
Omhangen – die ik hem met wilden hoon
Ontrukt heb en een hoovling toegesmeten.
Nog heeft een vrouw mij innig vroom omhelsd,
En in haar grijze oogen zag 'k mijn vrede.
Ik neeg – maar in mij brandde toch het felst
't Vuur dat mij voortdrijft buiten rust en reede.
En haastig heb ik mij weer ingescheept,
Zeker van een ontdekking, anders grootsch,
Maar ben door onweerstaanbre drift gesleept
Naar zeeën leeg en kusten steil en doodsch.
Nimmer belijd ik mijn dwaling, mijn zwak.
Voor dezen blinden muur zal 'k blijven kruisen
Tot 't eind der wereld met mijn trouwe wrak,
Waarop drie kale masten: galgen? kruisen?
J. Slauerhoff
Uit: J. Slauerhoff Verzamelde Gedichten, 's-Gravenhage/Rotterdam, Nijgh & Van Ditmar, 6e dr., 1961.
donderdag 5 februari 2009
Al wat mooi is had hij onthouden

Hölderlin, portret, ca. 1792
ALS UIT DE VERTE
Als uit de verte, nu wij gescheiden zijn,
ik u nog kenbaar ben en 't verledene,
o gij die deel had aan mijn lijden!
wellicht iets goeds nog voor u betekent, -
zeg mij, hoe uw vriendin u verwachten zal.
Ginds in de hof, waar na een verbijsterende
en donkre tijd w’elkander vonden?
Hier aan de stroom van de heil’ge oertijd?
Dit moet ik zeggen, dat er iets goeds was in
uw blikken, toen in landstreken ver van hier
gij eenmaal vrolijk rondgezien had,
sombere, steeds in uzelf gekeerde!
Hoe, met u samen, vlogen de uren heen!
Mijn ziel verstilde onder de waarheid dat
ik zó lang zonder u geweest was.
Ja, ik beleed, dat 'k u toebehoorde.
't Is waar, zoals gij al het bekende weer
in mij terugroept, waar wat g' in brieven schrijft;
zo is 't ook mij, en ach hoelang reeds
kan ik alleen van 't verleden spreken!
Was 't lente? was het zomer? De nachtegaal
met zoete liedren leefde niet ver van ons
in 't struikgewas, en andre vogels;
heerlijk omgaf ons de geur der bomen.
De heldre paden, 't lage gras, het zand
waarop wij traden, alles werd vriendlijker
en lieflijker door 't feest van anjers,
tulpen, viooltjes en hyacinthen.
En aan de muren groende klimop, er lag
een zalig donker over de lanen, waar
wij ‘s avonds vaak of 's morgens waren,
honderduit pratend, elkaar blij aanziend.
En in mijn armen leefde de jongling op,
die, nog verlaten, kwam uit de velden die
hij voor het eerst mij wees, zwaarmoedig;
echter de namen der eedle plaatsen
en al het schone had hij onthouden, dat
ook mij aan zalig' oevers zo kostbaar is:
wat bloeit in 't eigen lieve land of
in het verborgen, van ver slechts zichtbaar,
gelijk men uit de hoogte de zee ziet, waar
men toch niet zijn wil. Stel u tevree en denk
aan haar die nóg verheugd is, daar ons
eenmaal de stralende dag toelachte,
die aanving met een liefdesverklaring en
een handdruk die verenigde. Ach, wee mij!
Het waren schone dagen, echter
treurige schemering was het einde.
Gij zijt zozeer alleen, zo verklaarde ge steeds,
ginds in de schone wereld. Geliefde! dit
weet echter gij niet...
Friedrich Hölderlin (1770 - 1843)
- vertaling Ad den Besten, in:
Friedrich Hölderlin, gedichten Baarn, Ambo 1993, 2e dr.
*
Zeven jaar later, een tweede (vaak bekritiseerde) nieuwe Nederlandse vertaling:
Als je van ver…
Als je van ver, nu we gescheiden zijn,
mij nog herkennen kunt, jij die mijn lijden
deelt, als het verleden jou
nog enig goeds te bieden heeft,
zeg eens, hoe wacht dan je vriendin op jou?
In gindse tuinen waar wij na een gruwelijke,
donkere tijd elkaar ooit vonden?
Hier bij de heilige rivieren van de aanvang.
Dat moet ik zeggen: iets goeds was er
in jouw blik, toen jij, al ver,
nog even vrolijk omkeek,
jij die steeds zweeg en somber
keek. Hoe gleden uren heen, hoe stil
was mijn ziel bij de waarheid dat
ik van jou gescheiden kon zijn?
Ja ik bekende het, ik was van jou.
Gek, hoe jij me alles wat wij wisten,
in wilt prenten en in brieven
schrijven wilt, zo ook vergaat het mij:
alles uit het verleden moet ik kwijt.
Was het lente, was het zomer? Wij hoorden hoe
de nachtegaal zoet zingend leven hield met vogels
die dichtbij in struiken huisden,
waar rondom ons de bomen geurden.
Het heldere pad, laag struikgewas en zand
waar wij op liepen, lieten heerlijker
en liefelijker bloeien de hyacinten
of de tulpen, de viooltjes en de anjers.
Aan wand en muur hing groene klimop, hing
groen het zalige donker van hoge dreven. Vaak,
‘s avonds of 's morgens, waren wij daar,
praatten voluit en keken elkaar blij aan.
In mijn armen herleefde de jongeman
die, nog verlaten, uit de velden kwam,
hij wees ze me aan met een vleugje weemoed,
maar de naam van de zeldzame plaatsen
en al wat mooi is, had hij onthouden, wat
aan zalige oevers, ook mij heel dierbaar,
in het land van herkomst bloeit
of niet zichtbaar is, vanaf een hoge uitkijk,
waar je ook de zee kan zien,
maar waar niemand zijn wil. Wees er tevreden mee en denk
aan haar die nog gelukkig is, gewoon
omdat de schitterende dag ons heeft verrast,
die met een woord van liefde of een handdruk
is begonnen en ons heeft verenigd. Ach, hoe treurig!
Het waren mooie dagen. Maar
triestig was de schemering nadien.
En dat je in de mooie wereld zo alleen was,
dat heb je liefste, altijd weer gezegd, maar
ja, je weet het niet…
Uit: Piet Thomas en Ludo Verbeek Hölderlin, de mooiste gedichten. Leuven (B.) Davidsfonds, 2000
*
WENN AUS DER FERNE…
Wenn aus der Ferne, da wir geschieden sind,
Ich dir noch kennbar bin, die Vergangenheit,
O du Theilhaber meiner Leiden!
Einiges Gute bezeichnen dir kann,
So sage, wie erwartet die Freundin dich?
In jenen Gärten, da nach entsetzlicher
Und dunkler Zeit wir uns gefunden?
Hier an den Strömen der heilgen Urwelt.
Das muss ich sagen, einiges Gutes war
In deinen Blicken, als in den Fernen du
Dich einmal fröhlich umgesehen,
Immer verschlossener Mensch, mit finstrem
Aussehn. Wie flossen Stunden dahin, wie still
War meine Seele über der Wahrheit, dass
Ich so getrennt gewesen wäre?
Ja! ich gestand es, ich war die Deine.
Wahrhaftig! wie du alles Bekannte mir
In mein Gedächtnis bringen und schreiben willst,
Mit Briefen, so ergeht es mir auch,
Dass ich Vergangenes alles sage.
War's Frühling? war es Sommer? die Nachtigall
Mit süßem Liede lebte mit Vögeln, die
Nicht ferne waren im Gebüsche
Und mit Gerüchen umgaben Bäum' uns.
Die klaren Gänge, niedres Gesträuch und Sand,
Auf dem wir traten, machten erfreulicher
Und lieblicher die Hyazinthe
Oder die Tulpe, Viole, Nelke.
Um Wänd und Mauern grünte der Efeu, grünt'
Ein selig Dunkel hoher Alleen. Oft
Des Abends, Morgens waren dort wir,
Redeten manches und sahn uns froh an.
In meinen Armen lebte der Jüngling auf,
Der, noch verlassen, aus den Gefilden kam,
Die er mir wies, mit einer Schwermut,
Aber die Namen der seltnen Orte
Und alles Schöne hatt' er behalten, das
An seligen Gestaden, auch mir sehr wert,
Im heimatlichen Lande blühet
Oder verborgen, aus hoher Aussicht,
Allwo das Meer auch einer beschauen kann,
Doch keiner sein will. Nehme vorlieb, und denk
An die, die noch vergnügt ist, darum,
Weil der entzückende Tag uns anschien,
Der mit Geständnis oder der Hände Druck
Anhub, der uns vereinet. Ach! wehe mir!
Es waren schöne Tage. Aber
Traurige Dämmerung folgte nachher.
Du seiest so allein in der schönen Welt,
Behauptest du mir immer, Geliebter! das
Weist aber du nicht…
FRIEDRICH HÖLDERLIN (1770-1843)
Leven van remedies
MUTTER COURAGE
Aan elke heer die bellen blies
in haar hoofd van waspoeder en zeep
bood zij haar mond van eeuwen aan,
haar hele ziel in ondergoed,
opdat zij niet voorbij zou gaan.
Maar debuterend in de malle troost
van kinderneuzen vol met snot,
heeft zij voor eeuwigheid geen tijd.
Het regent, maar zij blijft gezond,
gezond zoals een moeder moet
- een trage, weldoorvoede kloek,
voorgoed begraven in haar kroost.
Zo leert zij leven van recepten
en van remedies tegen zeer
dat, eer het komt, genezen wordt.
En eeuwigheid is kinderspel.
© Luuk Gruwez
Uit: Luuk Gruwez Bandeloze gedichten - een keuze uit de poëzie 1977-1990,
Amsterdam, De Arbeiderspers, 1996.
Geknoei
DE RAND VAN DE TAFEL
Half boven de rand van de tafel
het kinderhoofd met opgedroogde
waterpokken en ogen als kijkers.
Het lacht, maar aarzelend, want
net heeft dit kind krassen gezet
in een bundel die je had opengelegd
bij een wonderlijk mooie passage.
Ach, de dichter zelf zal ook
het nodige hebben geknoeid
eer hij dacht dat het af was.
© J.Eijkelboom
Uit: J. Eijkelboom Het Arsenaal, Amsterdam, De Arbeiderspers, 2000.
Ook in: Tot zo ver - De meeste gedichten, Amsterdam, Arbeiderspers, 2002.
