dinsdag 4 mei 2010

Engel



EEN MAN DACHT DAT HIJ VRIJ WAS



Een man dacht dat hij vrij was
en een engel sloeg hem neer,
de man zei dat hij vrij was
en weer sloeg de engel hem neer,

maar de man zei opnieuw dat hij vrij was
en opnieuw sloeg de engel hem neer,

toen schreeuwde de man dat hij vrij was,
dat hij altijd vrij was, dat hij nooit iets anders dan vrij zou zijn
en de engel sloeg hem tot bloedens toe neer

en schaamte en vergeefse moeite woeien op
en verspreidden zich als stof
over de grijze aarde

en de man stamelde dat hij vrij was,
dat hij dacht dat hij vrij was

en de engel vloog weg.


© Toon Tellegen


Gedicht uit 1999, met dank aan het Nationaal Comité 4 en 5 mei, uit:

De verleden tijd van vrede, dichters over 4 en 5 mei. Amsterdam, Stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek (CPNB) & Nationaal Comité 4 en 5 mei (2005).

Schaamte



WAT HEBBEN ZE MET JE GEDAAN
(Sana Ne Yaptılar)


ben je die ochtend vertrokken of een dag eerder
je liep als op de snede van een mes

οp je bleke lippen lag de kou van de tralies
in je ogen de duisternis van nauwe cellen
zodra ik je zag schaamde ik me voor mijn vrijheid

zeg maar wat je wilt drinken, koffie of thee
je bent opeens erg veranderd ik herkende je niet

je haar was lang, het hing op je schouders
het helblond bracht ons hart altijd op hol
hebben zij het geknipt of heb je het zelf gedaan
als je lachte rezen er manen in ons op
vanachter de onzichtbare bergen
ik heb vergeefs naar je oude glimlach gezocht

ben je die ochtend vertrokken of een dag eerder
je bent opeens erg veranderd ik herkende je niet

drink je thee, of wil je koffie
ik heb geen lucifers, je stak direct een sigaret op
ook je handen trillen, wat is er met jou aan de hand?

zo'n meisje was jij vroeger niet
wat hebben ze in hemelsnaam met je gedaan?

je wimpers zijn aldoor vochtig
ben je die ochtend vertrokken of een dag eerder?

je bent ineens erg veranderd ik herkende je niet



ATTILÂ ILHAN (1925-2005)

- vertaling uit het Turks: Sytske Sötemann -


Uit: Moderne Turkse Poëzie - Mehmet Emin Yildirim, Sytske Sötemann en Mehmet Çetin (samenstelling). Amsterdam, Atlas, 2010.
Oorspr. verschenen in de bundel Böyle Bir Sevmek (1977)

Koekje


BEZOEK


Koffie in de serre. Haar gezelschap,

ouders, leraar, dokter en dominee.
Ze trekken in zwartgerokte slierten

langs resten van planten. Beleefd

biedt ze een koekje aan, alstublieft.
Haar gasten kruipen in de grond.


Peter Swanborn


Uit: Peter Swanborn Tot ook ik verwaai, Amsterdam, Podium, 2009

De ongetelden



denk ik aan de doden,
de ongetelde en die met een naam.
Dan meldt de dag van nu zich
en over de schutting
roept de tuin: de kersen zijn rijp!




© Günter Grass


(fragm.) In: Günter Grass Oogst, Gedichten 1954-2004, bloemlezing. Amsterdam, J.M.Meulenhoff, 2007 - uit het Duits vertaald door Jan Gielkens -

maandag 3 mei 2010

Het graf van de herinnering


4 MEI




Nu de verse bloemen zijn gelegd,
de verwaaide woorden zijn gezegd,
de oorlogsdoden weer geteld,
de eretekens opgespeld -
nu staan de mensen op het plein
zwijgend met elkaar alleen te zijn.
Duizendkoppig staart de enkeling
in het graf van de herinnering.
De wind verstrooit een zwak gerucht
- als van een menigte die zucht.


© Hans Sleutelaar


Uit: Hans Sleutelaar Vermiste stad - Rotterdamse kwatrijnen. Amsterdam, De Bezige Bij, 2004

Het ongehoorde



ALLE DAGEN -


De oorlog wordt niet meer verklaard,
maar voortgezet. Het ongehoorde
is alledaags geworden. De held
blijft uit de gevechten weg. De zwakke
is naar de vuurlinies opgerukt.
Het uniform van de dag is het geduld,
het ereteken de armzalige ster
van de hoop boven het hart.

Het wordt verleend
als er niets meer gebeurt,
als het trommelvuur verstomt,
als de vijand onzichtbaar is geworden
en de schaduw van eeuwige bewapening
de hemel bedekt.

Het wordt verleend
voor de desertie,
voor de dapperheid tegenover de vriend;
voor het verraden van onwaardige geheimen
en het in de wind slaan
van om het even welk bevel.


Ingeborg Bachmann (1926-1973)


- Alle Tage, geschreven in 1953, vertaald uit het Duits door Anneke Brassinga -

in: Anneke Brassinga Verschiet, Amsterdam, Bezige Bij, 2001.

Tot hier


Wat heb je vandaag gekocht, vroeg ik.
Een halsuitsnijding, zei je.
Trek ze eens aan, vroeg ik.
En je trok alles uit: dat is ze
helemaal, zei je, maar met de jurk
erbij komt ze tot hier -
en toen wees je midden op mijn handen.


©
Herman de Coninck


Uit: Herman de Coninck De lenige liefde, Brugge, Desclée de Brouwer, 1969

Broodje


WARM VLEES



Warm vlees
in koelen bloede

zoekt kennis met
broodje tartaar

om samen oud mee
te worden

Uitjes geen
bezwaar


© Jules Deelder


Uit: J. A. Deelder Interbellum, gedichten. Amsterdam, Bezige Bij, 1987.

Bos



DESTIJDS




Ze zijn verdwenen, nergens te bekennen.
Ze kwamen om de doden te tellen.

Ze zijn destijds gekomen.

Zochten troost bij lotgenoten,
het wapen in verminkte hand.
Ze spanden touwen om het bos.

Ze zijn verdwenen.


© Armando


Uit: Armando Gedichten 2009 Amsterdam/Antwerpen, Augustus, 2009

zondag 2 mei 2010

Zo zal het, misschien


ANGST



Had ik moeten blijven, haar niet alleen,
de nacht op de bank? Had ik haar mee
naar huis? Is ze echt naar bed, geen val
van de trap? Had ik de deur dubbel op slot?

Wie zegt dat ze niet het gas of een kaars,

dat ze naar buiten? Naar de rivier, onder
de brug, maan en sterren koud gezelschap
voor wie dwaalt door een verdwenen stad.

Ooit, de kamer donker, word ik wakker

en weet dat zij is, in mij, een stem vreemd
en vertrouwd. Zo zal het zijn. Misschien.

Maar nog koester ik mijn angst die graag

verhult hoe liefde groeft. Bang voor de dag
waarop ik geef, en geen lichaam ontvangt.


© Peter Swanborn



Uit: Peter Swanborn Tot ook ik verwaai, Amsterdam, Podium, 2009

zaterdag 1 mei 2010

Nachtlied van dieren



WIJSJE VAN DE WIND



Waar slaapt mijn liefde, mijn liefde vannacht
sterren die wiegen in dennen en winden
sterren die wiegen en sterren op wacht

waar slaapt mijn liefde, mijn liefde vannacht?

Dennenboom donker, daggloed en nachtlied,
nachtlied van dieren en duistere winden
Waar slaapt mijn liefde, wie sust zijn verdriet

en zal ik mijn liefde, mijn liefde weer vinden?

Winterwind, leid mij door bittere nachten

tot uit het duister ik vredig kan staren
hoe hij daar sluimert, en sluimerend mijn smart

eindelijk diep in mijn hart laat bedaren!


© Ingrid Jonker


Uit: Ingrid Jonker Ik herhaal je - vert. Gerrit Komrij, met een nawoord door Henk van Woerden - Amsterdam, Podium, 2000.


WINDLIEDJIE

Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?

Denneboom donker, rooipad en naglied
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?

Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!

Dag van de Arbeid



BOURGEOIS EN PROLETARIËR



Zij schatten honend zijn waarde
Met de maat van het stomme geld
Naar den factor zijner slijtage,
Naar de jaren die hij telt.

Zij verbruiken de bloem van zijn leven
In hun harde meerwaarde-fabriek
En gunnen de rest aan de wormen
Als een vuile waardlooze kliek.

Zij hebben bittere zorgen
Om zijn godsdienst en zedelijkheid
Ze volgen hem tot in zijn woning
Met verwaande weldoenerigheid.

Zij willen hem kommandeeren
In zijn vreugde en zijn smart,
En met hun plompe pooten
Trappen ze hem op ’t hart.

En met hun domme verbazing
Kijken ze in zijn gezicht
En begrijpen niet de hoogheid
Die in zijn trekken ligt.



Dirk Troelstra (1870-1902)*


Sociaal-romantisch dichter - zoon van Jelle Troelstra, rijksontvanger der belastingen, later liberaal politicus en loco-burgemeester van Leeuwarden.
De befaamde SDAP-leider Pieter Jelles Troelstra was zijn oudere broer.

vrijdag 30 april 2010

Vaderland



AFSCHEID


Morgen vertrek ik! — Morgen, als de stralen

jou weer beschijnen, o vallei,
ben ik ver weg, de keus stond mij niet vrij,

het heimwee doet zijn best mij in te halen.

Je weet, ik hou niet van aanstellerij. De

allerhoogste liefde voor de taal en het
vaderland verbieden een banale
afscheidsgroet. Mijn vaderland ben jij.

De rust die jij me schonk door de verschieten

vanaf jouw bergen — eindeloze schoonheid,
een rust die ons ontslaat van alle zorgen —

ik zal er in de wereld van genieten;
Jouw zwijgen dat een diep begrip tentοοnspreidt.

Het ga je goed vallei. Adieu! Ik vertrek morgen.


Peider Lansel


Gedicht uit 1909 van Peider Lansel (1863-1943, Zwitserland),
- via het Duits uit het Retoromaans vertaald door Gert Jan de Vries -

in: 500 Gedichten die iedereen gelezen moet hebben - de canon van de Europese poëzie, samenst. Ilja Leonard Pfeijffer en Gert Jan de Vries. Amsterdam, Meulenhoff, 2008

donderdag 29 april 2010

Republikeins raadsel (1)





MABELGATE


Eerst sliep zij met een Onderwereld-
prins
dat bleek zwaar verboden

Toen sliep zij met een Bοvenwereld-
prins
dat bleek zwaar verboden

Nu slaapt zij
zoals voor een Prinses
betaamt

o

op een erwt!


© Elsbeth Lambermont



Vandaag, aan de vooravond van koninginnedag, verschenen:
Elsbeth Lambermont Oranje Blues, gedichten, Rotterdam, Douane, 2010.

De dichteres gaf haar debuutbundel dit motto mee:

Bij koorts nemen de ogen
de kleur blauw minder goed waar
en ziet de wereld er oranje uit

- ontleend aan de wetenschapspublicisten Hein Meijers & Simon Rozendaal in hun Groot lexicon van nutteloze feiten,

over 'dingen die u liever niet had geweten' (2006) -

woensdag 28 april 2010

In onbeschrijfelijke kleuren


"HET UUR IS GEKOMEN"

- St. Matth. XXVI 45.


Langzaam maar zeker schijnt het einde onzer ballingschap in zicht te komen, maar nog niet het einde der ellende. Het getal tyfuszieken en diarree-patiënten is nog steeds zeer groot. Op 12 april, 148 doden; 15 april, 220 doden. Duizenden zijn zwaar ziek of tot het uiterste verzwakt vlak voor de bevrijding en verder ook nog tijdens en na de bevrijding. Men hoort overal het roepen en klagen om thee en koffie. De dorst is een nog grotere kwelling dan de honger.

Daar tussendoor duizenden nieuwelingen uit alle mogelijke kampen, die reeds bevrijd zijn, en waarvan de gevangen getransporteerd worden naar nog niet bevrijde kampen.
Met vijf tot zes mensen in twee bedden, met zeven man in één kastje. Er moet nu zoveel mogelijk geholpen worden in deze ontzettende nood.
Maar beter dit, dan de voortdurende vrees voor evacuatie, die misschien voor haast allen de dood zal betekenen. Reeds sinds zondag 22 april staat het hele kamp klaar, gezakt en gepakt met ons weinige hebben en houden om aan te treden voor de evacuatie. Altijd weer nieuwe geruchten over onze afmars. Al het overbodige is reeds verbrand met grote hopen rommel.
Het is wild in het kamp en de weinige S.S.-ers weten niet meer wat te beginnen. De een beveelt iets, weer een ander herroept dit bevel. Hoeveel S.S.-ers er nog in het kamp zijn weet niemand. Alleen weten wij, dat er iedere nacht honderden vertrekken.

[...]

Op 24 april wordt voor de eerste keer geen appèl meer gehouden. Om acht uur pas deze morgen zijn de Joden vertrokken. Zij hebben er gestaan van de vorige dag 's middags tot nu toe. Waar gaan zij heen? Velen van hen zijn totaal uitgeput. Reeds 60 lijken zijn door de Russen weggebracht naar de lijkenkamer. In de nacht zijn nog 400 Joodse vrouwen aangekomen uit Kaufenring. Zij zijn onmiddellijk verder gestuurd. Om 10 uur komt het bericht dat de Joden in wagons zijn gestopt door de S.S. In het Revier alleen vandaag al 150 doden. Men weet niet meer waar zij vandaan komen. Overal op de blokstraatjes liggen lijken, die niet eens meer worden weggehaald.

[...]

Op 26 april, om 11 uur: de Joden staan nog steeds in de gesloten goederenwagons. Zij kunnen blijkbaar niet meer vervoerd worden wegens gebrek aan lokomotieven. De Russen uit het kamp hebben met gasmaskers op 700 doden tussen de andere halfdoden en stervenden moeten uithalen.

Tegen 4 uur in de namiddag komt al weer een transport nieuwelingen van buiten het kamp, geëvacueerd uit andere kampen. Bij honderden liggen zij op de grond, totaal uitgeput, hongerend en stervend op de appèlplaats. Een van de politiemannen schreeuwt: "Wie nog leeft moet zich melden." Slechts enkele armen gaan nog omhoog, de meesten kunnen zelfs dit niet meer doen!
Een van hen vertelt dat zij met 2400 mensen uit Buchenwald vertrokken waren, al 14 dagen geleden. Zij hadden geen eten of iets anders voor onderweg meegekregen. Hoevelen zijn er nog levend hier aangekomen?
Wij staan bij dit alles machteloos.

[...]

Om 12 uur 's nachts is het stil, geen schieten, geen vliegers. Onheilspellend stil. Zullen de Amerikanen weldra komen of zullen de Duitse bommen weldra vallen om ons allen te doden, zelfs nu nog?
Om 10 uur worden nationale commissies uit gevangenen van alle landen samengesteld. Het kan nu toch niet lang meer duren?
Om 11 uur een lang en aanhoudend signaal der sirenes. Wat betekent het? De pantserwagens zijn dichtbij, menen wij.
Om 2.30 uur vergadert het internationaal comité. Er zijn nog 32.000 mensen in het kamp en levensmiddelen zijn er nog voor één dag. Er zijn geen medicamenten meer, 2/3 is ziek, duizenden zijn stervend. Boven alles moet de rust en de orde bewaard worden.
Om 3.30 uur is de S.S. bezig onze Rode Kruis-pakjes te plunderen.

29 a p r i l i s d e g r o t e d a g d e r b e v r i j d i n g. Het belooft een heerlijke lentedag te worden. Een zacht windje waait door het kamp. Het zware, nachtelijk, nevelig wolkendek trekt langzaam op. De zon boort er zich doorheen en in onbeschrijfelijk schone kleuren en tinten verft zij de hemel rozerood. Het is een betoverend schouwspel, lijkend op een mooie staalkaart met de schoonste kleuren, die zich als een machtige, prachtige koepel welft over de aarde. Het is 6 uur in de morgen. Uit het commandogebouw bij de ingang waait de witte vredesvlag.
God zij geloofd en gedankt.

Het kamp wordt dus niet verdedigd, maar overgegeven.

Joh. Rothkrans*


Ooggetuigeverslag van de laatste aprildagen van 1945 door overlevende van Dachau, het oudste concentratiekamp in nazi-Duitsland, uit:
J. Rothkrans Dachau, hel en hemel - Simpelveld/Roermond IMP (1957).




* Rothkrans was een rooms-katholiek priester en kapelaan te Simpelveld, die in november 1941 na verraad in zijn parochie wegens anti-NSB-opmerkingen werd gearresteerd, langdurig verhoord, vastgezet en via een aantal Duitse gevangenissen voorjaar 1942 definitief werd verbannen naar het concentratiekamp Dachau.

De bevrijding van Dachau - Auschwitz was destijds een nog nauwelijks bekende naam - is morgen precies 65 jaar geleden.

Hekwerk in Dachau

dinsdag 27 april 2010

Schuld



GEHEIME LIEFDE

(Gizli sevda)


Je had toch ooit een vriendin
Zeven of acht jaar geleden,
Ik kwam haar gisteren tegen
Ze was blij toen ze mij zag.

Midden op straat bleven we staan
En we praatten over ditjes en datjes,
Ze was getrouwd, had kinderen
Een dochtertje en een zoon.


Ze vroeg naar jou
Ik zei, hij is niets veranderd,
Je weet wel...
Ze begreep het.


Ze was gelukkig, hield van haar man,
Ze hadden nu een eigen huis...
Alsof ze een schuld meetorste,
Deed ze de groeten aan jou.



BEHÇET NECATIGIL (1916-1979)

- vertaling: Erik-Jan Zürcher -

Uit: Moderne Turkse Poëzie - Mehmet Emin Yildirim, Sytske Sötemann en Mehmet Çetin (samenstelling).
Amsterdam, Atlas, april 2010.
Oorspr. public. in Evler (1953).



GIZLI SEVDA

Hani bir sevgilin vardi
Yedi sekiz sene önce,
Dün yolda rastladim
Sevindi beni görünce.

Sokakta ayaktistü
Konuştuk ordan burdan,
Evlenmiş, cocuklara olmuş
Bir kaz, bir oğlan.

Seni sordu
Hiç değíşmedí, dedim,
Bildiğin gibi...
Anlıyordu.

Mesutmuş, kocasini seviyormuş,
Kendilerininmiş evleri..
Bir suçlu gibi ezik,
Sana selâm söyledi.

Behçet Necatigil

zondag 25 april 2010

Zonder stok


TWEE HONDEN

Floortje


Onze hond is van de dood gestorven.
Ze moest een spuitje voor de slaap,
een tweede tegen het ontwaken.

Mam huilt en legt een bloem op haar lijk;
beslissen om iemand te laten gaan, dood,
is een soort van schuld, al is een hond

niemand. Nu hoeft ze nooit meer om te vallen
of hijgen zonder reden, of weten dat ouwe
honden sjokken moeten zonder stok.



*



TWEE HONDEN
Birgiet



De dood is me schrikken. Ik raak er
niet aan gewend. Nu is het de dochter van
onze hond die dood is, dood: het bloeden

wou niet stoppen. In haar plaats loopt
onverschillig de poes achter mam aan
die door moet. Nee, ze leert niet hoe

te blaffen. Stil streelt haar staart
langs moeders benen, een soort van trotse
troost. Triomferen is katten niet vreemd.


© Ted van Lieshout


Uit: Ted van Lieshout Van, Als & Och Amsterdam,Leopold, 1995

Nieuw uitzicht



RISICO


We weten niet wat de bergen
vandaag met ons zullen beginnen.
We hebben voedsel en drank en
stevige schoenen. En we vertrekken.

De top en niets anders verwacht ons.
Een nieuw uitzicht op de wereld. En
misschien komt een moment waarop
we niet hoger meer durven en

evenmin nog terug. Wanneer het
duister valt en de bergen rondom
dus toch ongenaakbaar en wij die
dat altijd al hebben geweten.



Marc Tritsmans


- poëziekaart van Plint, Eindhoven, 2004 -

zaterdag 24 april 2010

Iets om te aaien




KATTENVERSTAND
(Kedi Aklı)


Ik had niets meer te zeggen waar het verdriet betreft
Mijn liefde sleet bij slechte vrouwen in smerige duisternis
Ik voldeed niet, nieuwe mensen kon ik niet bereiken
Misschien bleef ik wel dood liggen ergens in een steeg

Wie kan het schelen, maar ik kon mezelf niet overtuigen
Ik pas niet bij oude ramen en bemost water
Misschien bleef ik wel dood liggen ergens in een steeg
Ik had kinderen die gewekt moesten worden zij lagen te slapen

Had ik kort of lang geleefd, had ik recht op sterven als nachten jaren
op zich lieten wachten
Zeg niet waar komt die kat vandaan, ik liet de deur immers op een kiertje
Onze handen willen iets om te aaien in hun eigen warmte
Mijn liefde sleet bij slechte vrouwen in smerige duisternis

Wat goed dat ik een kat genomen heb, ik begon te denken volgens het zwart-witte
verstand van katten
Een kat dus, die het jong wurgt als hij het als obstakel ziet voor zijn liefde
Mijn zeeën hadden zich niet teruggetrokken
Ik keerde terug naar het licht dat sterker is dan de verscheurde nacht

Men huilt om jonge poesjes onder kinderloze moeders
Zeg niet waar komt die kat vandaan, ik liet de deur immers op een kiertje
Ik had kinderen die gewekt moesten worden zij lagen te slapen
Wat deed ik dat goed, in hun slaap



Arif Damar (geb. 1925)


- uit het Turks vertaald door Hamide Doğan -

In: Moderne Turkse Poëzie - Mehmet Emin Yildirim, Sytske Sötemann en Mehmet Çetin (samenstelling). Amsterdam, Atlas, april 2010.

Bovenstaand monumentaal - tweetalig - boekwerk werd vanmiddag door de uitgeverij, vertalers en Leidse turkologen ten doop gehouden bij de nog jonge boekhandel De Balustrade in Rotterdam-Delfshaven. Met veel lekkere Turkse bakkerswaren, hapjes, drank en muziek.
Naast vertalingen van groten als Nâzim Hikmet bevat dit - tweetalig - overzicht van ruim 700 pagina's ook werk van tientallen jongere, in West-Europa minder bekende dichters uit het Turkse taalgebied.
Het is voor het eerst dat hun gedichten zo royaal en breed worden gepubliceerd in het Nederlands.

Uit schrik



KIER



Laat dit niet alles zijn, dit leven stil en donker
Als het maandelijks bloeden van de vrouwen.
Laat mij van iemand zijn, maar ook niet zo volstrekt
Dat ik verdwijn, in haar, in hem, of weg moet gaan
Omdat geen mens mijn menselijk gewicht kan tillen.
Uit schrik voor mijn gezicht schrijf ik dit op.


Altijd ben ik onderweg. Ik vind geen rust
Bij mij, ben bang als jij mijn trage stap hoort branden
Op de koude tegels in de gang naar jou.
De deur gaat open. En zoenend en stom onderzoeken je lippen
De sombere man die jou zwijgend staat aan te blaffen
Met liefdesgedichten. Geef hem je bed. Laat alle deuren

Op een kier.



Leonard Nolens




Uit: Leonard Nolens Liefdes verklaringen, Amsterdam, Em. Querido, 1990