woensdag 30 juni 2010

Grenzen



PROOI VAN VERGETELHEID


1

Jullie die vergeten raakten in de grotten van de dorst
jullie martelaren van het Morenland
op zoek naar een verleden
naar verborgenheden

in een land dat zichzelf sinds lang
vergat
jullie die wat oost en west verbond verscheurden
jullie staan het dichtst bij deze streken...


2

Jij lost op in jezelf
vlakt je ziel uit
verliest je bedoeling
tot je niet meer weet wie je bent


3

Steeds viel je samen met je namen
op avontuur binnen je enge grenzen
maar wie van ons
houdt de band met
het Morenland?


4

Jij telg uit de Atlas
doe niet zo verbrokkeld
wees niet in jezelf verdeeld.


Abderazak Sbaïti


Uit: Abderazak Sbaïti Spiegelingen van Tingis*, Amsterdam, uitgeverij El Hizjra, 2000.
Tweetalige dichtbundel (Nederlands-Arabisch).

* Tingis = Tanger

Duur dier


DAGELIJKS



Je bent een keramiek,
een duur dier, een arme
engel zonder hemd.

Ik heb je zo lief als een harp,
als een stilte op zee,
als een vrouw en de gouden god of godin
in je mens, en zo lief als een mens.

Roepen wij dan de zon
en laat het dagelijks vogelvlug
ogenblik dansen in het verdeelde huis
van ons lichaam, ons dagelijks lichaam.


Hans Andreus


Uit: Hans Andreus Vertel hoeveel ik van je hou - vijfendertig liefdesgedichten, gekozen door Menno Wigman.
Amsterdam, Prometheus/Bert Bakker, 1998

dinsdag 29 juni 2010

Blauwe mijn



GEGROET



De dag breekt aan,
Je sneeuw brengt doorregende aarde.
Beek van Incesu, gegroet.
Op het dak kwetteren de mussen boven alles uit,
In de wolken zweeft de adelaar,
Nog adembenemender.
Iemand die wacht op een vergunning
Trekt nog een knoop van zijn borst.
Beek van Incesu, gegroet.

Jonge vlaggen wapperen,
Denken aan vrede,
In de mijnen ziet het blauw van de arbeiders.
Ik denk aan alles,
Vierentwintig uur lang
En ik denk aan jou,
Donker, hartstochtelijk...
Aan jou, de grootste vrucht van de wereld
Een regel uit een lied over een liefdesverklaring,
Wordt rijp, roert zich bij mij vanbinnen,
Jouw ogen verschijnen in mijn herinnering...


Toch wordt mijn wens niet vervuld.
Of ik van wit weet of zwart,
Meer zit er voor mij niet in...
Mijn ogen zijn het lachen vergeten.
Mijn lippen het kussen.
Beek van Incesu, gegroet...



Ahmed Arif


- vertaald uit het Turks door Sytske Sötemann -

Uit: Moderne Turkse Poëzie - Mehmet Emin Yildirim, Sytske Sötemann en Mehmet Çetin (samenstelling). Amsterdam, Atlas, 2010.



MERHABA

Gün açar,
Karin νerír yağmurlu toprak.
İncesu Deresi, merhaba.
Saçakta serçeler daha çılgındır,
Bulutlarda kartal,
Daha çalimli.
Koparır göğsünden bir düğme daha,
Tezkere bekleyen biri.
İncesu Deresi, merhaba.

Genç bayraklar vardir,
Bariş düştinür,
Kuyularda işçi maνilikleri.
Ben hepsíní düşünürüm,
Yirmidört saat
Ve seni düşünürüm,
Karanlik, hirsli...
Seni, cihanların aziz meyνası
İlân-ι aşk makamından bir mısrâ,
Yeşeríp, kımıldar içimde,
Düşer aklima gözlerin...

Oysa murad alamam.
Oysa akdan-karadan
Bilírím, payım bu kadar...
Unutmuş gülmeyi gözbebeklerím.
Unutmuş dudaklarim öpmeyí.
Íncesu Deresi, merhaba...

Ahmed Arif

maandag 28 juni 2010

Reisgids


TOEN WIJ NOG JONG WAREN


Toen wij nog jong waren en de wereld nog oud was
en wij in een ver land op hoge bergen stonden
en in het dal diep beneden een lange roerloze
roestige trein zagen, onbestaanbaar alleen
in het oog van een hevige leegte, riep jij
terwijl je de hemel een kushand toewierp
ik ben een reisgids kinderen
leer mij lezen

en ’s avonds op het plein onder kwijnende palmen
waren er wijn en olijven en een ritselend zwijgen
uit klagende kelen en het donker was week
op het scherp van de snede, en jij
jij kocht het ondraaglijke lot van een blinde
en riep het oor drinkt

nu is het dus later, een avond na jaren, de dood
stille trein is vertrokken, de tijd van het lot
is verstreken, je reisgids ligt open

onder eendere oudere bomen drink ik
de hese stem van je woorden, hoor ik je stilte –


©
Gerrit Kouwenaar


Uit: Gerrit Kouwenaar Totaal witte kamer, Amsterdam, Querido, 2002

Rijm van dwarssporen



FOTOSESSIE

(Fotosesija)


Een zwart retropak met wit hemd waarvan
de bovenste knoop nog los is
alsof er geen tijd genoeg was

op de achtergrond sporen
alsof er geen stations waren
geen wachtende vrouwen met bloemen op het perron
geen erotische ritme van treinen
geen passende achtergrond voor een statische figuur
geen rijm van dwarssporen voor een ordeloos leven
een zwarte bril op een bewolkte dag
wordt rechtgezet voor het objectief
de fotograaf vermijdt het rode-ogen-effect
al is er alleen wit-zwart
al is hij een almachtige
die of je poseert of niet
toch het moment uitkiest
waarop je je bril afneemt
de bovenste knoop van je hemd vastmaakt
precies dan komt de flits
zwarte blinkende laarzen nog onbestoft
nog zonder een spat als een schrift op één september
alsof we na de zomer nog niet weten in welke taal
we terugkomen
uit de foto


Eugenijus Ališanka


In: Eugenijus Ališanka Uit het archief van ongeschreven brieven, Leuven (B.), Uitgeverij P, 2010
- bloemlezing, uit het Litouws vertaald door Jo Govaerts

Voor alles weer moet


WINTEROCHTEND


Ik hou van ochtendlijk vrijen,
vóór alles weer moet
nog even mógen. En nadien buik aan rug
nog wat tegen elkaar aanliggen in de klaarte
van net-klaargekomen-zijn.

Buiten ligt alles helder vastgevroren,
een klare vriesochtend is altijd klaarder
dan een klare zomerochtend, ongeveer zoals
helderheid in een zwart-witfilm
helderder is dan in kleuren.
Alles is zichtbaar. De naakte feiten
hebben kou.

Maar wij niet. Na de liefde buiten komen
is zoiets als van de sauna
in ijskoud water springen: je voelt het
nauwelijks. Je voelt het net genoeg
om je ijzersterk te weten.



Herman de Coninck



Uit: Herman de Coninck Zolang er sneeuw ligt. Brugge, Orion/ Desclée de Brouwer, 1975.
Later opgenomen in: Herman de Coninck De gedichten (samengesteld en verantwoord door Hugo Brems), deel I, Amsterdam/ Antwerpen, De Arbeiderspers, 1998

zaterdag 26 juni 2010

Ik verlang niets


AFSCHEID VAN HET UITZICHT



Ik neem het de lente niet kwalijk
dat ze weer is aangebroken.
Ik reken het haar niet aan
dat ze als elk jaar trouw
haar plichten vervult.

Ik begrijp dat mijn verdriet
het groen niet tegenhoudt.
Als een sprietje buigt, dan alleen in de wind.
Het doet me geen pijn dat de elzen aan het water
weer iets hebben om mee te ruisen.

Ik neem voor kennisgeving aan
dat het - alsof je nog leefde -
bij de oever van een zeker meer
nog even mooi is als het was.

Ik koester geen wrok
tegen het uitzicht om zijn uitzicht
op de inham die in zonneschittering baadt.

Ik kan me zelfs voorstellen
dat op dit ogenblik
een ander stel dan wij
op de omgevallen berkenstam zit.

Ik respecteer hun recht
om te fluisteren, te lachen
en gelukkig te zwijgen.

Ik ga er zelfs van uit
dat de liefde hen verbindt
en hij haar omhelst
met een levende arm.

Iets jong vogelachtigs
ritselt in het riet.
Ik wens hun oprecht toe
dat ze het horen.

Ik eis geen verandering
van de oevergolven,
die nu eens rap, dan weer lui
nooit mij gehoorzamen.

Ik verlang niets
van het diepe water bij het bos
dat nu eens smaragdgroen,
dan weer saffierblauw,
dan weer zwart is.

Met één ding ga ik niet akkoord.
Met mijn terugkeer daar.
Van het voorrecht van de aanwezigheid
doe ik afstand.

Ik heb je net genoeg overleefd,
en niet meer,
om er van verre aan te denken.



© Wíslawa Szymborska



- uit het Pools vertaald door Gerard Rasch -

Uit: Wíslawa Szymborska Einde en begin, Amsterdam, Meulenhoff, 1999

Weggedreven


ZIJ IS EEN HULS VAN VLEES



Zij is een huls van vlees die stilligt op een steen,
een vlinder met een vlinder om zich heen,
en hij is iets dat wegdrijft en weer terugkeert,
liegt, breekt en steelt, liegt, wegdrijft en weer
terugkeert.

Open als een schelp,
dicht als een steen.


© Cees Nooteboom


Uit: Cees Nooteboom Vuurtijd, IJstijd - Gedichten 1955-1983.
Verzamelde poëzie, Amsterdam, De Arbeiderspers, 1984

vrijdag 25 juni 2010

Badzout



DEBUUT 1



Bevrijd van de tentamendruk had zij
voor zaterdag een vriend gevraagd te komen;
't was avond, kaarslicht, en zelfingenomen
stond er de dichtgekurkte fles rosé.

Maar zondagochtend ving met regen aan;
en de logé sloop, een ervaring rijker,
steels weg en nam zijn kleren van de spijker,
die onbeholpen in de kalk bleef staan.

Ze pakte van 't bureautje bij de muur
een mok en goot het restje thee naar binnen.
De woning sliep nog op dit vroege uur.
Ze lag in bad en voelde hoe in 't midden

de bodem bladderde, en plotseling
kroop toen de leegte, licht naar badzout geurend,
haar lichaam in door nog een opening
die na vannacht bekend was met de wereld.


DEBUUT 2


De hand die slinks de deur geopend had
bleek vies; hij stak hem in z'n jaszak weg en
toen liet het van de wijn teruggekregen
geld horen dat het in de voering zat.

De straat was leeg. Er dreven peukjes rond
in 't water stromend uit de regenpijpen.
Hij dacht weer aan het stucwerk en de spijker
en van zijn opgezwollen lippen klonk

een vloek. De leegte bleef onaangedaan.
Hij bloosde, met zijn eigen stem verlegen,
en was ter plekke door de grond gegaan
als net de trolleybus niet was verschenen.

Thuis kleedde hij zich haastig uit, vermeed
te kijken naar de sleutel die nu afhing,
op vele deuren past en stonk naar zweet,
nog niet bekomen van de eerste draaiing.



Joseph Brodsky


Uit: Joseph Brodsky Ex Ponto, gedichten 1961-1996. Ingeleid, gekozen en vertaald door Peter Zeeman.
Amsterdam, De Bezige Bij, 2000.
Ook in: De Poëziekalender 2006, uitgeverij Meulenhoff, Amsterdam

Toren


SCHULDBEKENTENIS


Ja, ik geef het toe, ik beken het openlijk:
mijn lichaam was altijd een toren zonder uitkijk.
Ik heb hem steen voor steen in folianten gepend
ik heb mij geplooid naar de tijd en de trend.

De stenen die ik uit de wand verwijderd heb
zijn de woorden waar ik dit gedicht mee schep:
ik kijk naar de wereld waarin gij woont
en al zie ik onscherp en ben ik vreselijk stoned
er is iets dat mij niet ontgaan kan
mijn toren is gebouwd in mijn eigen toren.
Ik weerhield mijn lijf niet in de groei tot man
maar ik zaag geduldig aan de pijlers die mij schoren.

Het lijkt niet erg duidelijk misschien
mijn keel snoert dicht en mijn tong heb ik gebroken
toen ik spreken leerde. Ik heb niemand ontzien.
Ik ben wereld, in mij is onstuitbaar de doodsbloem

ontloken.


© Jotie T'Hooft

Uit: Jotie T'Hooft Verzamelde gedichten, Amsterdam/Brussel, Elsevier-Manteau, 1981

Vakantiekaartjes



LOFDICHT OP MIJN ZUSTER



Mijn zuster schrijft geen gedichten
en ik denk niet dat ze er nu nog mee zal beginnen.
Dat heeft ze van mijn moeder, die geen gedichten schreef,
en van vader, die evenmin gedichten schreef.
Onder mijn zusters dak voel ik me veilig:
mijn zusters man zou voor geen goud gedichten schrijven.
En hoewel dit klinkt als een werk van Adam Macedonski:
niemand in mijn familie houdt zich bezig met het schrijven van gedichten.

In de bureauladen van mijn zuster liggen geen oude,
in haar tasje geen pas geschreven gedichten.
En wanneer mijn zuster me te eten vraagt, dan weet ik
dat ze niet van plan is mij gedichten voor te lezen.
Haar soepen zijn heerlijk zonder achterliggende gedachten
en als ze koffie morst, dan nooit op manuscripten.

Veel families hebben niemand die gedichten schrijft,
maar als het eenmaal zo is - blijft het zelden bij één persoon.
Soms klatert de poëzie als een waterval van geslacht op geslacht,
wat gevaarlijke draaikolken schept in de wederzijdse gevoelens.

Mijn zuster is aardig bedreven in het gesproken proza,
maar haar schrijverschap omvat slechts kaartjes van vakantie
met een tekst die ieder jaar hetzelfde luidt:
dat ze als ze thuis is
alles
echt alles
alles zal vertellen



© Wíslawa Szymborska



- vertaling uit het Pools: Gerard Rasch -

Uit: Wíslawa Szymborska Einde en begin, verzamelbundel, Amsterdam, Meulenhoff, 1999.
Oorspronkelijk verschenen in: Grote getallen (1976)

woensdag 23 juni 2010

Volop zomer!




Er is nog zomer en genoeg
wat zou het loodzwaar
tillen zijn wat een gezwoeg
als iedereen niet iedereen terwille
was als iedereen niet iedereen
op handen droeg.




Judith Herzberg



- kaartenmapje van Plint, met illustratie van Ruscha Langelaan - 

dinsdag 22 juni 2010

Kijk, een vogel


O IK WEET HET NIET



o, ik weet het niet,
maar besta, wees mooi.
zeg: kijk, een vogel
en leer me de vogel zien
zeg: het leven is een brood
om in te bijten en de appels zien rood
van plezier, en nog, en nog, zeg iets.
leer me huilen, en als ik huil
leer me zeggen: het is niets.



© Herman de Coninck



Uit: Herman de Coninck De Gedichten, Amsterdam/Antwerpen, De Arbeiderspers, 1998

In de seringentuin



NU IS ER WEER DAT ZOMERSE GODLOF
*

Nu is er weer dat zomerse godlof
van meisjes die in korte rokken
door alle straten fietsen
in ons land, ons land gezegend
met pastoors en dominees
die met schuine oogjes kijken
naar dat deksels jonge volkje
dat met naakte knietjes
door hun straten fietst godlof
en in de zwoele avondlucht
in hun seringentuin
werken zij verder
de pastoors en dominees
aan het gemengd-zwemverbod


© Remco Campert



Uit: Remco Campert Dichter, Amsterdam, De Bezige Bij,1995

* Geschreven lang voordat Martin Bril (1959-2009 ) "rokjesdag" uitvond, en in deze Zuid-Afrikaanse voetbaldagen
weer eens heel iets anders dan een rel rond oranjebierrokjes. Nog niet bevestigd is het bericht dat schrijver Maarten 't Hart in de buurt van Leiden zojuist gesignaleerd is als 'Bavaria Babe', in een eveneens omstreden orangistisch jurkje.

Huishouden


ZES MIEREN



Ik houd heus heel veel hier in huis
van hoogstens vijf mieren tegelijk.
Als er zes of meer langs het fornuis
of zo lopen te krioelen
dan, hoe langer ik naar ze kijk,
hoe meer ik ze ga voelen
kriebelen, en dan later in bed
loopt er een langs mijn nek maar
dat is eigenlijk een haar,
en een andere bijt in mijn zij want
dat is eigenlijk de rand
van mijn broekje.
En toch, als ik die weg wrijf
hoe griezelig is dan het kronkeldoodje
van zijn lief onwerkelijk lijf.
Al die gekromde pootjes.


© Leo Vroman

Uit: Leo Vroman Nee nog niet dood, Amsterdam, Querido, 2008

zaterdag 19 juni 2010

Achtergelaten



VERDER



I

Nu we weten dat we verdwaald zijn
blijft ons alleen deze plek.

Regen, tot aan de horizon regen
en een zee van grijs-groene heuvels,
golven van bos na bos.


II

Onze kaarten hebben we achtergelaten,
ergens, niet boos, niet weemoedig:

ze vertelden ons wat we al wisten,
waar we vandaan kwamen.
Niet waar we waren.


III

Op het punt nu van verder te gaan
en niet weten hoe, niet weten

van het geritsel, de geuren, het duister
onder de bomen, het geschreeuw
in de verte, de verdwijnende
sporen, van niets weten
wat het betekent.


IV

Onze gezichten zijn koud en strak,
glad van de regen, alsof we huilen.

Het is geen huilen, het zijn
regen en huid.


V

Grijs-groene golven van bos na bos,
daarin zullen we verdwijnen.

Daaruit zullen we terugkeren
maar dat zullen wij niet meer zijn.

Wie dat zijn weet niemand.


© Rutger Kopland



Uit: Rutger Kopland Dit uitzicht, Amsterdam, G.A. van Oorschot, 1982

vrijdag 18 juni 2010

Verkeerde mannen



GENOEG GEDICHT OVER DE LIEFDE VANDAAG
 



Genoeg gedicht over de liefde vandaag
want al schrijvend heb ik de liefde niet bedreven.
Het leven laat zich maar al te graag
liever beschrijven dan beleven.
Die jij van wie ik zo hoog opgeef
die leeft niet behalve zoals ik je opschreef.
Je kust en je verlaat zoals de windhaan draait,
mijn plaat steeds overslaat,
zoals, zoals men zegt, dat in het echte leven gaat.

Al die minnaars met al hun dichtklappende deuren.
Ik zou geen tijd meer hebben, de pen eens op te pakken
als ik mezelf steeds in de spiegel moest keuren
en met naaldhakken aan mijn nagels moest lakken.
Een dichter is nooit te vangen met haar eigen pen.
Steeds heeft zij haar antwoord klaar
want je kwetst haar zoals zij had gepland
al keren haar woorden zich soms tegen haar;
zij zijn minstens zo ontrouw al als haar minnaars.

Mijn woorden niet. Die blijven aan mij gekluisterd.
Nooit werd een wreder moeder in de poëzie beluisterd
dan die, die haar kroost op het hart hield gedrukt:
'blijf voor altijd zoals ik het je heb ingefluisterd'.
Maar nee, de inkt kruipt waar hij niet kan gaan
zoals het bloed, in zo veel aan de inkt gelijk.
Dus zeg ik je, toe maar, vlieg dan uit,
maar ga niet met de verkeerde mannen mee naar huis.



© Hagar Peeters


Uit: Hagar Peeters Genoeg gedicht over de liefde vandaag. Amsterdam, Podium, 1999

Bericht


NIEMAND

(Nikt)


Ik aanvaard het landschap
dat niet bestaat.

Vader houdt een viool in zijn hand.
Kinderen likken aan het geluid.

Tocht
raakt rozenblaadjes.

Daarna oorlog. Wij verliezen elkaar uit het oog.
Met hele zinnen verbergen de woorden zich.

De lege kamer
geparkeerd in de schemering
van een appartementsgebouw.

U kunt een bericht achterlaten
zegt niemand.


Ewa Lipska

- vertaling uit het Pools: Ad van Rijsewijk -


Ewa Lipska las vanavond gedichten tijdens de slotavond van Poetry International in de Rotterdamse Schouwburg.

'Nikt' oorspr. verschenen in Ja (= 'ik'), Wydawnictwo Literackie, Krakow, 2003.
Hier overgenomen uit: Hotel Parnassus - poëzie uit de hele wereld, festivalbloemlezing. Rotterdam, Poetry International, juni 2010

donderdag 17 juni 2010

Springerig


TWEE KOORDDANSERS



Twee koorddansers.
Zonder publiek.
Onder een blauwe hemel, over een afgrond heen.
Zwaluwen, springerig gras, hier en daar
iets geels.
De een zegt, bijna jubelend, met vuurrode wangen:
‘Niemand zal kunnen zeggen dat wij…’
Een vleugje wind, een rafelig wolkje, een krekel. Niets
bijzonders.
De ander zegt: ‘…niet diep gevallen zijn.’

Veel later pas gevonden, spreeuwen, modder.


© Toon Tellegen



Uit: Toon Tellegen Alleen liefde, Amsterdam, Querido, 2002

woensdag 16 juni 2010

Erfenis





Persoonlijke opdracht van uitgever Geert van Oorschot (1909-1987) aan een boekenlezer, geschreven op de zg. Franse titelpagina, de eerste - vrijwel blanco - bladzijde van een uitgave, in dit geval de bundel Voorlopig van Adriaan Roland Holst.

Deze laatste verzenbundel van de prins der dichters bevat gedichten geschreven nog ná het afsluiten van zijn in 1971 bij het roemruchte Amsterdamse uitgevershuis gepubliceerde Verzamelde Gedichten. Voorlopig verscheen in het jaar dat Roland Holst stierf, in 1976. In de bundel komt ook het gedicht Christus en Jezus voor, dat Holst speciaal heeft opgedragen aan zijn uitgever.
Veel werk van de dichter Pierre Kemp (1886-1967) werd overigens ook uitgegeven door G. A. van Oorschot.

[erfstuk, uit de via modern antiquariaat openbaar geworden nalatenschap van publieke-omroepcoryfee
J. Venema, Hilversum]


Uit Voorlopig dit gedicht:


OM DE BOCHT


Zij wisten niet dat zij voor het laatst samen liepen
en dat haar noodlot weldra blindelings toe zou slaan.
Gretig leefden zij dag na dag en nooit versliepen
zij een kans op genot.
Bijgelicht door de maan
gingen zij, vrolijk neuriënd van ver gekomen,
de zoom langs van een doodstil woud waar het onheil
al op de loer lag - maar wat kon hun overkomen,
de speelse zaligen, onwetend van het wel
en wee dat in de verre sterren staat geschreven.

Toen nam het pad een bocht. De schrik sloeg haar om't hart.
Zij dorst geen stap meer doen, zij zag in angst en beven
de vijver waar de laatste stilte hoorbaar wordt.


A. Roland Holst



Alle gedichten uit deze bundel staan ook op:

http://www.xs4all.nl/~nil/voorlopig.htm