donderdag 22 september 2011
Licht
JONGE HONDJES
Een halve maand achtereen heeft het geregend,
sinds de geboorte kenden jullie alleen
somberte, nattigheid,
tot op een dag plotseling de regenwolken
uiteendreven en de zon de hele muur bescheen.
Ik zag dat jullie moeder met haar bek
jullie naar het zonlicht droeg, zodat jullie
voor het eerst licht en warmte
ontvingen over het hele lichaam.
Na zonsondergang droeg zij jullie
weer terug. Jullie hebben geen herinnering,
maar deze ene ervaring zal overgaan
in toekomstig geblaf, diep in de nacht
zal in jullie blaffen licht doorklinken.
© Feng Zhi (1905-1993)
In: Als een windvaan - uit het Chinees vertaald door T.I.Ong-Oey - Amsterdam, Querido, 1987
Vloeistof
HANDEN
Wanneer ik aan mijn vader denk, denk ik nooit aan zijn handen.
Zou ik ze herkennen als ze in een glazen pot op sterk water
voor me op tafel werden gezet?
De handen waarmee hij me voor het eerst vasthield
als iets wat op ontploffen stond, zijn honden begroef
de ketting op het tandwiel legde, onkruid trok.
Het zouden de handen van een moordenaar kunnen zijn
die gescheiden van het brein en met niets meer te wurgen
onschuldig in de vloeistof zweven.
Heeft hij wel iets gedaan om zijn handen onsterfelijk te maken?
Ik probeer me de vingers van mijn vader te herinneren
en ook de littekens want een man heeft littekens op zijn handen.
Ik weet niet eens of hij een ring draagt, wie weet
zitten er wratten op plekken die bij een handdruk onopgemerkt blijven.
© Maarten Moll
Uit: Maarten Moll Lichaam, Amsterdam/Antwerpen, Uitgeverij Contact, 2011
Raam
DUIF
Een duif -
Plotseling applaus in het raam.
© Melih Cevdet Anday (1915-2002)
Uit: Ik luister naar Istanbul - uit het Turks vertaald door Erik Jan Zürcher - Poetry International Serie, Rotterdam/Amsterdam, Meulenhoff, 1988
woensdag 21 september 2011
Geheugen
SMEEKSCHRIFT
Behoedzaam verschalken wij
het geheugen, voorzichtig
stappen we over haar stilte
(het zoemen van koeling,
het ontbreken van adem,
ja, adem, haar adem, ja)
- geschenk: haar kelige lach
gevormd door weldoorbloede
huig en gonzende kaalholtes.
Aandachtig naderen wij haar
in de rug, kordaat gedachten,
wegduwend aan haar kilte;
Kom, geheugen, doe maar voor
hoe het was toen wij onze hand
op haar arm legden, hoe
onder de koelte van haar huid
de slagaders juichten. Ontsteek
een koorts in haar, voor ons -
Het geheugen niet overvragen.
Blijf op afstand. Laat de blik bijten
in de bolling van haar bovenarm.
Bidden wij dan het geheugen
bij ons te blijven. Het is wat wij
hebben. Zonder haar zijn wij niet.
© Anna Enquist
in: Het Liegend Konijn 1/1, april 2003
Zonder hart
VIJFDE LIED
Zij loerden op mij
op stille plekken en in steegjes.
Ze noemden mij een moordenaar,
juist die mensen zonder hart
en die met messen lopen.
- Mikis Theodorakis
Onbekende tekst van componist, democratievoorvechter en ook nog even politicus M. Theodorakis (1925) in: Zo'n gelukkige dag - Dichters voor Amnesty International [samenst. Daan Bronkhorst], Breda, De Geus, 2007
Aan tafel!
Papieren poëzietafellaken met verzen van acht - wisselende - dichters,
uit de reeks Poëten Aan Tafel, een uitgave van de stichting Plint, Eindhoven.
Ook verkrijgbaar met bedrukte servetten, met gedichten van diverse auteurs.
Ondergronds
KLIMMENDE WINDE
Om hem te redden van zijn dodelijke
ziekte was ik gedwongen hem
tot niets terug te brengen.
Een overdaad aan ondergronds bestaan
woekert nog steeds omhoog
en vindt geen weg dan een
die afgesneden is.
© Elly de Waard
Uit: Elly de Waard Anderling, Amsterdam, De Harmonie, 1978
In water geschreven
HET MEER IN MIJ
Het meer in mij vloeit uit in een ander meer,
beneden voort. Het is niet vergelijkbaar groot.
Het is een woord, waarvan de diepte anders is.
Je kunt erin verdrinken, maar je gaat niet dood.
Zijn oorsprongen verwisselbaar? Alles stroomt
ook naar boven, want wateren zijn van hun bron
al evenzeer de bron. Begin dat nooit begon.
Eeuwig is er een rivier, niets blijvends, tussenin.
Mijn meer is niet beneden. Beneden reflecteert
de zon, de schittering van het verleden. Je naam,
in water opgeschreven, vervalt nog niet daarom.
© Benno Barnard
Titelgedicht uit: Benno Barnard Het meer in mij, Amsterdam, Arbeiderspers, 1986
dinsdag 20 september 2011
Streepjespak
SCHATBEWAARDER
Van dit landschap ben ik de krenterige
schatbewaarder die met haviksogen alle
bomen telt en de konijnen, hazen en
fazanten raad aan hun geritsel.
Met koude blik weeg ik de schaarse
wandelaars, want iemands stap verraadt
zijn plannen. Een streepsjespak, een hand
die schrijft, alles maakt me achterdochtig.
Ik noteer het kleinste teken van
verandering: wat omgewoelde aarde,
een gemerkte boom, een breder spoor.
Iemand beraamt met zorg de ondergang.
© Marc Tritsmans
Uit: Marc Tritsmans De wetten van de zwaartekracht, Tielt (B.), Lannoo, 1992
Zachte toetsen
INKTALLERGIE
zachte nagels, de allerzachtste nagels
zachte tanden, de allerzachtste tanden
ik ben een mens maar dat zijn er wel
meer en het zijn er te veel
ik heb nauwelijks recht van spreken
verwacht niet mijn teksten met een beitel
in de muur ik heb een ergonomisch toetsenbord
anti-RSI de allerzachtste geruisloze toetsen
ik heb een inktallergie en een laserprinter
© Bas Belleman
Uit: Bas Belleman Nu nog volop ventilatoren [red. Gerrit Komrij, Sandwich-reeks nr. 3]
Amsterdam, Uitgeverij 521, 2003
Schoolslag
FOETUS
De foetus leeft en hoort
hij zwemt in een glazen bol
warm en veilig, onrustig toch
hij ziet in het donker en
speelt vis, denkt vis, eet kaas.
Waar al die chocola en augurken
vandaan komen weet hij niet
en zuigt een dropje klein.
Dan wil hij schoolslag oefenen
en wordt het plotseling licht.
© Mark Blaisse
Uit: Mark Blaisse Gestapeld steen, gedichten - Amsterdam, Panarea Publishing, 2010
Linies
IK KEN JE LAND
Hier lig ik weer,
aan de rand van mezelf, dicht
en dringend tegen je aan.
Ik ken je bressen als mijn broekzak, ik weet
waar je linies liggen en waar ze lekken,
ik weet wanneer je bodem brandt en hoe
en waarom, ik ken het knielen, het breken,
het scheuren, de scherven, de schoonheid zelfs
van het er samen sterven, als oude vijanden,
hand in hand.
Ik ken je land, liefste, ik heb het zo vaak
ten voeten uit veroverd. En toch,
toch lig ik hier weer heen en weer
aan de rand van mezelf, dicht
en dringend tegen je aan.
© Stijn Vranken
Uit: Stijn Vranken Wees gerust, maar niet hier De Bezige Bij Antwerpen-
WPG Uitgevers België, 2011
maandag 19 september 2011
Witte kraag
TWAALF LIEDJES (9)
[Twelve songs, IX]
Stop alle klokken, maak de telefoon kapot,
Belet de hond te blaffen met een lekker bot,
Leg de piano's het zwijgen op en breng met stille trom
De kist naar buiten, dat de rouwstoet komt.
Laat vliegtuigen cirkelen kermend boven ons hoofd
En in de lucht de boodschap kerven Hij is dood,
Knoop elke stadsduif crêpe strikken om de witte kraag,
Dat de verkeerspolitie zwartkatoenen handschoenen draagt.
Hij was mijn noord, mijn zuid, mijn oost en west,
Mijn werkweek en mijn zondagsrust,
Mijn dag, mijn nacht, mijn woord, mijn lied;
Ik dacht dat liefde eeuwig was: zo is het niet.
De sterren zijn niet welkom nu: doof ze terstond,
Omwikkel de maan en ontmantel de zon,
Giet ocenanen leeg en veeg de bossen schoon,
Want er is niets meer nu waar ooit nog iets van komt.
© W.H. Auden
Wystan Hugh Auden (USA, 1907-1973) in: De mooiste van de hele wereld, bloemlezing - uit het Engels vertaald door Koen Stassijns - Tielt (B.)-Amsterdam, Lannoo/Atlas, 1996
Misschien Libië
OVERGAVE
Het was de hoeveelste dag de komst
van de legers die zich gehavend verscholen.
Eerst de bepakking en dan de overgave.
De stand der dingen,
de handeling vergeet nooit
zichzelf te betrappen.
© Armando
Uit: Armando Gedichten 2009, Amsterdam-Antwerpen, Augustus, 2009
zondag 18 september 2011
Bewaker
'n Schicht is in zijn glimlach
wijn in zijn kus
Zijn gezicht in zijn haren
Als een maan in haar duisternis
Mijn bewaker sliep dronken in
Bewaakte mij in zijn dromen
En die ik liefhad nachtte bij mij
Gaf mij zijn speeksel te proeven
© Ibn al-Mu'tazz [861-908]
Uit: Schoon in elk oog is wat het bemint - de mooiste klassieke Arabische liefdesgedichten,
samenst. en vert. Hafid Bouazza, Amsterdam, Bert Bakker, 2000
Labels:
dichterswit,
Hafid Bouazza,
Ibn al-Mu'tazz
Van takken en blaadjes
Je zoenen zijn zoeter dan
zoeter dan honing en ik vind je
mooier en liever, liever
en aardiger nog dan de koning.
We gaan samen liggen
een eind hier vandaan
we maken van takken
van takken en blaadjes
een vloer en een dak,
dat was onze woning,
of ik was het tuintje
en jij was de tent
daar gingen wij wonen
en blijven en horen
o rep je mijn liefje
ik heb je zo graag
nu of nooit samen slapen
want we zijn er
alleen maar vandaag.
© Judith Herzberg
Uit: Judith Herzberg 27 Liefdesliedjes - een bewerking van het Hooglied,
Amsterdam, De Harmonie, 1971
zaterdag 17 september 2011
Kleine ongemakken
BIJ HET RODE LICHT VAN DE WEKKERRADIO
Ze trok een onderbroek aan
en daarna nog een.
Met damast en goudbrokaat
omwikkeld tot een mummie
gaf ze haar lichaam
aan Klaas Vaak, bandeloos.
Ze was moe: dat is waar.
Wat mag je vragen van een lichaam
dat het jouwe niet is.
Dat ze naar mij keek en zei:
ik wil even naar je kijken.
Dat ze gelukkig was. Maar moe, heel moe.
Was dat zelfs niet genoeg.
De onredelijkheid van kleine ongemakken!
De gekte van zaad dat geen uitweg vindt!
Wat zingt daar ’s nachts in die hoge Dom?
Het luiden van klokken geeft weinig troost.
We kunnen nog duizend jaar slapen,
maar samen niet meer dan veertig.
Je mag slapen, je mag slapen,
maar wacht daarmee op mij.
© Alexis de Roode
Uit: Alexis de Roode Geef mij een wonder, Amsterdam, Podium, 2005
Blije zoon
DE MOEDER
Ik ben niet, ik ben niet dan in uw aarde.
Toen gij schreeuwde en uw vel beefde
Vatten mijn beenderen vuur.
(Mijn moeder, gevangen in haar vel,
Verandert naar de maat der jaren.
Haar oog is licht, ontsnapt aan de drift
Der jaren door mij aan te zien en mij
Haar blijde zoon te noemen.
Zij was geen stenen bed, geen dierenkoorts,
Haar gewrichten waren jonge katten,
Maar onvergeeflijk blijft mijn huid voor haar
En onbeweeglijk zijn de krekels in mijn stem.
'Je bent mij ontgroeid,' zegt zij traag mijn
Vaders voeten wassend, en zij zwijgt
als een vrouw zonder mond.)
Toen uw vel schreeuwde vatten mijn beenderen vuur.
Gij legde mij neder, nooit kan ik dit beeld herdragen,
Ik was de genode maar de dodende gast.
En nu, later, mannelijk word ik u vreemd.
Gij ziet mij naar u komen, gij denkt: 'Hij is
De zomer, hij maakt mijn vlees en houdt
De honden in mij wakker.'
Terwijl gij elke dag te sterven staat, niet met mij
Samen, ben ik niet, ben ik niet dan in uw aarde.
In mij vergaat uw leven wentelend, gij keert
Niet naar mij terug. Van u herstel ik niet.
© Hugo Claus
Uit: Hugo Claus De Oostakkerse gedichten Amsterdam, De Bezige Bij, 1955.
Ook in: Claus Gedichten 1948-1993, Amsterdam, De Bezige Bij, 1994
Voetsporen
IN HET HUIS VAN JE VADER
De kat die toe mag kijken als we vrijen
die Tom heet, net als vroeger, de paraplu
die niet de paraplu is waarmee jij
onder de douche het vieze weer naspeelde
de handen die je niet meer bij je middel
eenzame voetsporen op het plafond
© Krijn Peter Hesselink
Uit: Krijn Peter Hesselink Stil alarm, Amsterdam, Nieuw Amsterdam, 2009
vrijdag 16 september 2011
Nacht van de Poëzie
DE KARGADOORSLAM #5
ontvang me
mag ik je foetus zijn
en smelten in je lieve
warme lichaam
om daar mezelf te kunnen zijn
veilig bij je in de schoot geworpen
gevoed door jouw mond
met je verstrengeld liggen
mijn leven lang ongeboren blijven
je intens beleven
en als dat niet kan
mag ik dan tenminste,
verdomme tenminste
een avond bij je
onder de lakens kruipen
© Daniël Vis
het is niet erg
als er 800 paarden stuiven
over de oude gracht
opgejaagd door vandalen
van die vandalen die niet weten
dat daar een belofte
over de schepping sprak
© Daniël Vis
Twee gedichten van Daniël Vis (1988), die morgen werk van de jonggestorven Vlaamse geestverwant Jotie T’ Hooft (1956 – 1977) zal voordragen tijdens de 30ste Nacht van de Poëzie
in de Utrechtse Stadsschouwburg.
De line-up voor deze jubileumeditie: Jana Beranová, Chrétien Breukers, Ellen Deckwitz, Jules Deelder, Bob Fosko, Koen Goudeseune, Jo Govaerts, Hester Knibbe, Gerrit Komrij, Kees van Kooten (leest voor uit Billy Collins), Lieke Marsman, Martin Reints, K. Schippers, Rob Schouten, Vrouwkje Tuinman, Maud Vanhauwaert en Stijn Vranken. Daarnaast draagt Hadeych Minis gedichten van M. Vasalis voor, Daniël Vis werk van Jotie T’ Hooft en Herman Finkers van Willem Wilmink.
Presentatie: Ingmar Heytze en Jeroen van Merwijk.
Gevestigde namen en aanstormend dichttalent: denkers, woordkunstenaars en taalgoochelaars zullen de nachtelijke duisternis verlichten. Waarna tot zondagmorgen in de vroege uurtjes nog de Slam Night volgt, georganiseerd door het Poëziecircus: een wedstrijd met ruim twintig elkaar dichterlijk beconcurrerende slam-poets.
Muzikale optredens zijn er van o.a. Mondo Leone, Zapp4 en Reinbert de Leeuw.
Meer informatie over programma en deelnemers staat op:
http://www.stadsschouwburg-utrecht.nl/voorstellingen/5170/
Abonneren op:
Posts (Atom)