maandag 22 augustus 2011

Tussen schrijfmachines


NU DAN



Nooit was het stiller
dan toen ik werkte op die zaal
waar schoorsteen- en wereldbrand
opgingen in de rook van zware sigaretten,
waar telefoons en schrijfmachines
als rinkelende troffels een muur opbouwden
en het rumoer zichzelve buitensloot.

Liever geen lees- en studiezaal
waar het zo oorverdovend kucht,
waar dunne pagina's zich zuchtend omslaan
en waar de man die lacht om wat hij leest
sissend wordt neergestoken.

Nu dan een kleine kamer,
een deur op schragen als tafel,
huistempel van het onbewaakt moment
waarin het ongehoorde
zich soms zo duidelijk laat horen
dat wie daar zit en luistert
raar opkijkt van het nooit gewetene
dat hij herkent.




© J. Eijkelboom




Uit: J. Eijkelboom Kippevleugels, Amsterdam/Antwerpen, de Arbeiderspers, 1991



Jan Eijkelboom (1926-2008), voormalig adjunct-hoofdredacteur van Vrij Nederland, werkte in de jaren zeventig en tachtig o.a. als chef opiniepagina op de redactie van Het Vrije Volk aan de Rotterdamse Witte de Withstraat.
Op de vierde en vijfde verdieping van dat gebouw, tegenwoordig een politiebureau, waren niet ver van de NRC-drukkerij zo'n 150 redacteuren ondergebracht in een open, lawaaiige kantoortuin. Wie als verslaggever de hectiek van het dagelijks maken van een krant bij het schrijven van zijn of haar verhaal wilde ontvluchten was aangewezen op enkele - overbezette - 'stiltekamertjes' of op een hoek tussen de knipselmappen van het wat bedaagdere redactiearchief beneden.


Eijkelboom stoorde het lawaai op de open redactiezaal nauwelijks, ook niet overdag.
Bij voorkeur werkte hij 's avonds of  's nachts, pal achter ratelende telexen en piepende ontvangstapparatuur van internationale fotopersbureaus.
In een schamel hoekje bij de buitenlandredactie - met in de vensterbank twee eeuwig verdorde potplanten - maakte hij vanaf een roestig metalen bureau in enkele uren een volle pagina kopij persklaar: achtergrondartikelen, opiniestukken, hoofdredactionele commentaren en columns die hij met zijn potloodje nog even fijnzinnig had bijgepunt, voordat de papiermassa voorzien van koppen per ondergrondse buizenpost werd 'doorgeschoten' naar de zetterij. Als de buizenpost weer eens defect was moest een speciale loper of koerier uitkomst bieden voor transport van het laatste nieuws naar de drukkerij.

Jan Eijkelboom, altijd al de stilte en innemendheid zelve, klaagde nooit over zijn onalledaagse werkomgeving. Ook niet als het er tijdens avonduren in volume nog heftig aan toe ging - met een weliswaar grotendeels ontvolkte redactieverdieping, maar met enige tientallen zojuist hijgend binnengevallen reportageredacteuren en fotografen die met de al aanwezige colonne opgewonden sportverslaggevers op zaal  in moordtempo nog aan de slag togen voordat de krant van de komende dag weer zou 'zakken'.

De werkomstandigheden met prettige geluidshinder op de moderne redactiezaal van het Rotterdamse restant van wat ooit de grootste krant was van Nederland beschreef hij, eenmalig, in bovenstaand gedicht. 
In een column in het blad Pictura van april 1996 over het geluid van dit tekengenootschap in Dordrecht, waar hij een eigen werkkamertje had waar hij dichtte en vertaalde, meldde Eijkelboom jaren later een vreemde gewaarwording. Dat we vooral niet moesten denken dat het hem ooit gestoord had, integendeel, dat lawaai al die jaren op zijn redactie "waar ik moest werken op een zaal met zo'n dertig collega's, met dertig schrijfmachines en dertig telefoons en ook nog eens elkaar voordurend toeroepende collega's". 
De dichter: "Ik moest eerder wennen aan de stilte toen ik voor mezelf ging werken."

- met dank aan Gert van Engelen

Menu


AFSCHEIDSDINER

                                                                u kunt afruimen
de witomrande amuse gueule uit de nouvelle cuisine
van chrysanten die in de vaas op de tafel bij het raam staan
maar niet in de vaas op de tafel bij het raam staan
vegetarische stilleventjes geschetst met de zilverstift

laat met de lardeerpriem doorregen goed gevulde
wildbraad aanrukken en op een rondborstig banket
van dansend vlees zappen naar glimmend wellustig vlees
als een clip in grootbeeld kleur

serveer mij in roomboter gebakken beelden
en verzen met boulemie


©  Ilja Leonard Pfeijffer

Uit: Ilja Leonard Pfeijffer Van de vierkante man Amsterdam-Antwerpen, De Arbeiderspers, 1998

zondag 21 augustus 2011

Een beetje bijna


EEN ZWEMMER IS EEN RUITER



Zwemmen is losbandig slapen in spartelend water,
is liefhebben met elke nog bruikbare porie,
is eindeloos vrij zijn en inwendig zegevieren.

En zwemmen is de eenzaamheid betasten met vingers,
is met armen en benen aloude geheimen vertellen
aan het allesbegrijpende water.

Ik moet bekennen dat ik gek ben van het water.
Want in het water adem ik water, in het water
word ik een schepper die zijn schepping omhelst,
en in het water kan men nooit geheel alleen zijn
en toch nog eenzaam blijven.

Zwemmen is een beetje bijna heilig zijn.



© Paul Snoek


Uit: Paul Snoek Verzamelde Gedichten, ed. en nawoord Herwig Leus. Antwerpen/Amsterdam, A. Manteau-Elsevier, 1982

zaterdag 20 augustus 2011

Zonde


VERLOREN ZATERDAGMIDDAG



Ze werkt op een kantoor dat in renovaties doet.
Ze heeft een tafel, een raam, een telefoon en een
grote zwarte stoel.
Ze zit de hele dag naast een thermoskan koffie en
kijkt naar pizzeria Piccolini waar mannen met
tuinslangen stoelen schoonspuiten.
Af en toe haalt ze een kam door haar haar.
Ze werd ziek en kon een paar dagen niet komen.
Toen kwam ze terug en op een verloren
zaterdagmiddag is ze gewurgd door haar vriend.
Nog dagen later zeiden mensen uit de straat als ze
elkaar tegenkwamen:
Toch zonde hè van die meid.



© Arnon Grunberg




Uit: Arnon Grunberg De dagen van Leopold Mangelman / Brief aan M / Schoonheid en bier,
drie verhalen voor Toneelgroep Amsterdam.
Amsterdam, Rothschield en Bach, 1993

Standaard gezond


GEKKENHUIS



Het punt met het gekkenhuis is dat het mannelijk is.
Het punt met het gekkenhuis is dat het vasthoudt aan z'n geloof.
Het punt met het gekkenhuis is dat gezondheid bourgeois is.
Het punt met het gekkenhuis is dat niemand acteert.
Het punt met het gekkenhuis is dat niemand binnenkomt door gewoon aardig te zijn.
Het punt met het gekkenhuis is dat het de geest bevrijdt.
Het punt met het gekkenhuis is dat je er gewoon mag denken wat je wilt.
Het punt met het gekkenhuis is dat iedereen er binnen kan.
Er is niks bijzonders aan het gekkenhuis, mensen komen en gaan er voortdurend.
Er is niks bijzonders aan het gekkenhuis, we gaan allemaal dood.
Er is niets terminaals aan het gekkenhuis, je gaat mee met het tochtje.
Er is niks droevigs aan het gekkenhuis, geween en tandengeknars, dat is niks.
Er is niets gek aan het gekkenhuis, het is standaard gezond.
Wij zijn standaard gezond, gek door ontwerp, maar de gekken zijn bewonderenswaardiger.
Bewonderenswaardig is de mensaap, de bard, de mitochondria, de opgezwollen larynx,
Bewonderenswaardig de orchidee, de knoflook, het vuur in het gesloten boek,
Bewonderenswaardig het geschreeuw der gekwelden, de verloren stem van de nachtegaal, het gelach
in ogenschijnlijk alles wat gezond is maar naar gekte neigt
zoals zonlicht, trage regen, elke hangende druppel, de brede weg,
het vollopende oog, schaduwen, picnics, publieke vervoersmiddelen, donder.
Natuur is gekte met methode en daarom des te gekker.
Cultuur is gekte die iedereen erft.
Wetenschap is gekte die verliefd is op getallen, de ware amour fou.
Gezondheid is gekte die van minuut tot minuut verschuift, gesundheit!
Geld is gekte die je zakken vult en een zilver slakkenspoor in de tuin achterlaat.

Het punt met het gekkenhuis is beschrijf het niet.
Het punt met het gekkenhuis is verander het niet.
Het punt met het gekkenhuis is leef er
om jezelf te gewennen aan z'n smetteloze manieren
om voor altijd in het huis des Heren te verblijven
met de profeet, de dichter, de dwerg, de geleerde, het vuur. 

 

© George Szirtes 


George Szirtes (Hongarije/Groot-Brittannië) op Poetry International 2009 - vertaald door Rob Schouten.
In: Chaos & Orde, gedichten uit het archief van Poetry International, Rotterdam, juni 2011. 

vrijdag 19 augustus 2011

Meer, minder



KLAAS GUBBELS




Hoe een tafel bijvoorbeeld verandert
in een schilderij.

Het gaat om het zien zegt Klaas
meer kijken, minder schilderen.

Achteruitlopen, tot je denkt: verdomd.

Als je lang genoeg kijkt zie je
iedere tafel voor het eerst.


© Rutger Kopland


Uit: Rutger Kopland Verzamelde Gedichten (3e dr.), Amsterdam, Van Oorschot, 2010












Klaas Gubbels (1934, Rotterdam): ontwerp voor tafel, stoelen en typische koffiekannen voor Kunst op Kamers, onderwijsproject voor een scholengemeenschap te Edam in 2011.


Dag



Nou dag nu hang ik op

Als we weer iets niet weten
Hoor je het wel



Tom van Deel





- Schone regels, rondrijdend Rotterdams vuilniswagengedicht -

donderdag 18 augustus 2011

Niet lang


En wat was de liefde nu? Wat was zij?
Was zij rond? Was zij vierkant?
Was zij lang? Was zij kort?
Kan ik haar omspannen of meten?
Echt lang is zij, geloof ik, niet;
maar toch weet ik niet waar zij ophoudt.


- anoniem -

Een van de bekendste anonieme Koreaanse liefdesliederen, deze versie in:
Liefde rond, liefde vierkant - bloemlezing uit de sijo-poëzie. Zeven eeuwen Koreaanse poëzie, 
vertaald uit het Koreaans en beschreven door dr. F. Vos.
De Oosterse Bilbiotheek, Deel 7. Leiden/Amsterdam, Meulenhoff, 1978

Hitte


DE STRIJKSTOK



Uit het hardste hout gesneden, nauwelijks aangeraakt,
ook door het babbelzieke wijf niet dat hem van haar
moeder had, de bes die al jaren niet meer speelde
maar haar op- en afstreek in de schommelstoel op
de veranda deed. Waar was hij toen de Grote Oorlog

uitbrak en de veldkeukens als reizende orkesten vol
met zenuwlijders langs de kerken raasden? In zijn huis,
zijn donkere huis, waar de platanen hees van stilte
in de stapelhitte stonden te verkommeren. En toen
miljoenen op het platteland verhongerden en doofden als

één vlam? Toen was hij thuis - de mededelingloze zee van
jaren laat het bloed in hete sluiers door de sparren
vliegen, laat de stervende verlangen naar de luchtbel van
een goudvis. Slapend, glans opsparend tussen aubergine-
kleurig velours, wordt hij weer van het bos, in onverschillig

suizelende nachten, in massieve zomers van miljarden
takken. En er is geen hand die hem beveelt; geen mythe
die hem zoekt; geen snaar die hem langs onder streelt.
Water - te veel - achter de dijk; wind omsingelde de bomen;
hitte in de ogen van gezichten die al jaren zijn vergeeld.



© Peter Ghyssaert


Openingsgedicht uit: Peter Ghyssaert Ezelskaakbeen Amsterdam, Atlas, 2011

Met de bus


CÔTE D'AZUR



Brigitte, Verona, Eva, Kim, Marieke
Aurora, Mäde, Tina, Claire, Yvon
Yolanda, Nina, Daisy, Sue, Manon
Martine, Lilly, Nancy, Annemieke

Justine, Maria, Ankie, Lindsay, Lieke
Adèle, Judith, Vera, Ann, Marjon
Yvette, Denise





Het volgend jaar een busreis naar Lloret
Wellicht haal ik daar wél een heel sonnet



© Quirien van Haelen




Uit: Frits Criens en Quirien van Haelen (= Frits Criens jr.) Vader & Zoon, Dordrecht, Liverse, 2003

woensdag 17 augustus 2011

Geluk


ZOMERAVOND





Weer niets gedaan.
En weer was alles vergeefs vandaag.

Ik zocht een verre plek om onder de mensen te blijven.
Een zuivere merel heeft zich daarnet in mijn oren geknoopt
En langzaam zijn de ogen van een vrouw over me heen gegaan
Als veel lauw water 's avonds van een zomerregen.

En slapende paren, mijn ouders misschien, hebben vandaag gehoopt
Op mij, en sloom en treuzelend zijn zij uit mij opgestaan
Als kinderen 's ochtends voor ze naar beneden gaan
Om er te spelen met de wijzers van de klok.

Weer niets gedaan.
Dan dit geluk dat mij wordt aangedaan.


© Leonard Nolens




Uit: Leonard Nolens Tweedracht Amsterdam, Querido, 1996

Met mijn gezicht


AAN HET WATER




Steeds weer komt boven zij verdrinkt
in een droom. Aan haar navelstreng onder water
een steen. Aan de oever met een liefde die geen kinderen wil
een man die niet helpt. Die lacht. Die mijn gezicht heeft

Je vertelt het, je ogen vertellen het, je wimpers vechten
tegen opkomend tij. Ik koud en klein als een kiezel,
nooit groter vijand van hem met mijn gezicht
in jouw droom

die steeds bovenkomt, mij onderduwt
Blijven verdrinken, blijven lachen
terwijl ik niet lach. De steen malend

Geluidloos lied dat zinkt in mijn hoofd
Blijven roepen onder water
zonder dat er ochtend kwam


© Hanz Mirck


Uit: Hanz Mirck Wegsleepregeling van kracht, Amsterdam, Prometheus, 2006

Hulpdienst


DUIDELIJK LEESBAAR IN TE VULLEN




Geboren? (ja, neen; wat niet gewenst is
doorhalen); waarom 'ja'? (motiveren); waar,
wanneer, waarom, voor wie leeft u? met wie hebt u voeling
via uw hersenoppervlak, met wie komt u overeen
in snelheid van polsslag? hebt u familie over de grens
van uw huid? (ja, neen); waarom
'neen'? (motiveren); staat u in kοntakt
met de bloedstroom van deze tijd? (ja, neen); schrijft u brieven
aan uzelf? (ja, neen); maakt u gebruik
van de telefonische hulpdienst? (ja,
neen); voedt u
wantrouwen? waarmee? hoe komt u aan
middelen van bestaan in
ongehoorzaamheid? bent u
eigenaar van een kapitaal
aan voortdurende angst? kennis van
vreemde lichamen en talen? ordes, onderscheidingen,
brandmerken? uw staat van burgermoed? bent u van plan
kinderen te krijgen? (ja, neen); waarom
'neen'?




© Stanisław Barańczak  



Stanisław Barańczak (1946) op Poetry International 1977 - uit het Pools vertaald door Henk Proeme.
In: Chaos & Orde, gedichten uit het archief van Poetry International, Rotterdam, juni 2011

dinsdag 16 augustus 2011

Zonder tomtom





STRAAT MAG IK OVERSTEKEN




en als je vertrekt mag ik dan mee
de wereld stopt nu ik passeer
ik kan altijd blijven lopen
je weet dat ik wederkeer

zeg me straat waar gaan we heen
mijn stappen zijn niet te tellen
ik heb geen route weet jij er een

en als het pad een steppe wordt
een savanne voor mijn part
dan doen we gewoon alsof
we daar horen tot de zon opkomt



©  Sieger M.G. 




*
 


WREEF
 

Bij het splitten van het leer
zijn deel gehad
een zachte tong gekregen

geen slecht excuus voor alle goeds
een armzwaai lang
tot straks

pop schudt haar hoofd
geen stap te groot
om angst de maat te nemen

bij het splitten van het leer
met vingers nat
een warme onschuld in

geen slecht excuus voor alle goeds
vergeet het koord
en dans.





©  Maurice Buehler




Twee verzen uit Voetschrift van verleiding - schoengedichten/ Fuszschrift der Verführung - Schuhgedichte (red. Kasper Peters en Rense Sinkgraven). Dichters en fotografen vertellen over schoonheid, erotiek en elegantie van de schoen.
Tweetalig, Nederlands/Duits. Groningen, uitgeverij Passage, 2007.


© Foto's afkomstig uit betrokken uitgave


maandag 15 augustus 2011

Wie snijdt


ARY'S TUIN




Het leuke van een tuin
is dat je hem voortdurend
snoeien moet,
of snoeien, noem het
oogsten, of wat je zoal
met snijbloemen doet,
snijden, in een vaas zetten,
de stelen, in knop
waar men de bloem in ziet,
of bloem, noem het poëzie,
of gewoon verhaal, want
wie niet waagt die knoeit,
wie schrijft die snijdt,
wie snijdt die bloeit.


© Gerrit Krol



Uit: Gerrit Krol De industrie geneest alle leed - Verzamelde gedichten. Amsterdam/Antwerpen, Querido, 2009.



Zie ook: "Gerrit Krol - De zoon van de levende stad"

http://www.youtube.com/watch?v=eOoLfL7K0yk


- met dank aan Niels Roode

zondag 14 augustus 2011

Viltstift


LEGALE ACTIVITEITEN 1 & 2



1

Wakker maken aan het begin van de nacht
en om dromen vragen.

Als ze zeggen dat ze die nog niet hebben gehad
omdat je ze wakker maakte: een klap.

Als ze beginnen te huilen over hun haren naar beneden
aaien tot ze aan hun moeders denken. Dan zeggen
dat hun moeders niet meer zullen komen.

Als ze hun hoofden op hun armen laten rusten
heel lang zwijgen. Als ze dan in slaap zijn
wakker maken en om dromen vragen.

Als ze hun dromen vertellen luisteren en uitleggen
dat zulke dingen niet bestaan. Dan de orde
van de dag. Dan weer van begin af aan.


2

Op de luchtplaats laten lopen en af en toe het geluid 
van een geweerschot maken. Oefenen tot je
vlak boven hun hoofden een trage duif
in zijn vlucht kunt raken en ze
die duif laten begraven.

Of er eentje op zijn rug draaien en met viltstift
omtrekken op het matras en laten opstaan
om naar zichzelf te kijken.

Vragen of ze de omtrek niet op iemand
vinden lijken. Vragen wie dat was.


© Ester Naomi Perquin



Uit: Awater, zomer 2011 - nieuw werk van Ester Naomi Perquin (drie gedichten)

Ester Naomi Perquin werkte tijdens haar studie enige tijd in een Huis van Bewaring.

zaterdag 13 augustus 2011

Waar je ligt







LEESBOEK VOOR STADSBEWONERS



I

Neem afscheid van je kameraden op het station!
Ga 's morgens de stad in met dichtgeknoopte jas
Zoek een onderkomen en als je kameraad bij je aanklopt:
Doe, o doe de deur niet open
Maar
Wis je sporen uit!

Als je je ouders tegenkomt in de stad Hamburg of ergens anders
Ga als een vreemde aan hen voorbij, sla de hoek om, herken ze niet
Trek de hoed die ze je schonken over je ogen
Laat, o laat je gezicht niet zien
Maar
Wis je sporen uit!

En het vlees dat er is! Spaar niet!
Ga elk huis binnen als het regent en ga zitten op elke stoel die er is
Maar blijft niet zitten! En vergeet je hoed niet!
Ik zeg je:
Wis je sporen uit!


Wat je ook zegt, zeg het niet twee keer
Vind je wat je denkt bij iemand anders: verloochen het.
Wie zijn handtekening niet gegeven heeft, wie geen foto achterliet
Wie er niet bij was, wie niets gezegd heeft
Hoe moeten ze die pakken!
Wis je sporen uit!

Zorg als je denkt te sterven
Dat er geen grafsteen staat die verraadt waar je ligt
Met een duidelijke inscriptie die je aangeeft
En het jaar van je dood dat je schuldig bevindt!
Nog één keer:
Wis je sporen uit!


(Dat werd mij gezegd.)


© Bertolt Brecht




Uit: Bertolt Brecht (1898-1956) Over de aardse liefde en meer - samenst., inleid. en vert. Martin Mooij - Rotterdam, Ad. Donker, 1998.



Zondag 13 augustus 1961, vandaag vijftig jaar geleden: begin van de bouw van de Berlijnse Muur. 
Een 100 meter brede constructie met obstakels die de inwoners van de Deutsche Democratische Republiek, het 'betere' naoorlogse Duitsland, weg moest houden van het 'vrije' westen. De bloedige scheidingsmuur tussen twee leefwerelden, hét symbool van de Koude Oorlog, hield het uit tot 9 november 1989 toen opstandige 
volksmassa's de betonversperring na de val het Oost-Duitse regime aan stukken hakten.

Wat dichter, geëngageerd toneelschrijver en criticus Bertolt Brecht van de bouw van de muur zou hebben gevonden weten we niet. Hij stierf na een hartinfarct op 58-jarige leeftijd in Oost-Berlijn: vijf jaar vóór de bouw van de omstreden Muur.
In oostelijk Berlin, Hauptstadt der DDR, genoot Brecht sinds 1949 - via een Tsjechisch paspoort - onderdak nadat hij eerder twee keer was gevlucht: eerst voor zijn vroegere Duitse landgenoten, de nazi's, en later na de bevrijding nog eens in de VS wegens de toenmalige heksenjacht op alles wat  'links' of vrijdenker was.


Brecht wilde zijn Oost-Europese gastheren publiekelijk niet voor het hoofd stoten, maar na een aantal jaren had hij genoeg gezien van de propaganda en de communistische heilsstaat waarin hij inmiddels leefde. Het land dat zijn eigen volk letterlijk opsloot achter een betonmuur had Brecht na enige jaren zwaar voor het hoofd gestoten met, net als in het geallieerde westen,  een publicatieverbod voor een aantal van zijn stukken. De laatste keer dat Brecht, na een eerder onderkomen in zijn theaterschool, in Oost-Berlijn verhuisde was naar een woning aan de fameuze  Chausseestraße 125. Niet ver van het Charité-ziekenhuis, direct naast het kerkhof waar Brecht na zijn dood in 1956 op 17 augustus van dat jaar ook begraven werd.

Het gedicht dat Bertolt Brecht wijdde aan een eerder verblijf in het Charité staat op
http://rotterdampoetrylakes.blogspot.com/2011/08/gezang.html

vrijdag 12 augustus 2011

Lege fles


DE BOODSCHAP VAN EEN SCHIPBREUKELING




als niet de zon in de hemel zou opgaan
maar mijn verblindende achttien-karaats levenslot
dan zouden jullie rustig doorgaan met het kweken
van wortelen voor de soep
in plaats van liefde voor jullie evennaaste
uit hoogmoed zouden jullie de vrouwen kammen met tanden
uit pronkzucht de vergissingen tooien met pauwestaarten
in de neveling van het lied zouden jullie niet zien
hoe ik me terugtrek in de lege fles wijn als een boodschap
voor verre tijden
wachtend op een schip
in deze stad
waar de zee niet meer bestaat



© Mircea Dinescu




Mircea Dinescu De terreur van het gezonde verstand, uit:
Engel in het raam op het oosten - hedendaagse poëzie uit Roemenië, bloemlezing.
Samenst., inleid. en vertal. Jan H. Mysjkin, Gent (B.), PoëzieCentrum, 2010

donderdag 11 augustus 2011

Het lekt


PLAATSEN



Wat doen we hier?
De tafel is nog niet gedekt.
Er lopen scheuren langs de wand
of zijn het kreukels in papier
dat ons in steeds dunnere verf
over de rand doet vloeien. Het lekt

herinneringen aan gebeurtenissen
die ik nooit heb meegemaakt. Een bliksemschicht
zoekt - heel decoratief - een baan door de kamer.
Raakt een vaas, vazen die schaduw plaatsen.
Ik ben hier thuis op een manier. 


© Maria Barnas



Uit: Awater, poëzietijdschrift, zomer 2010 - nieuw werk van Maria Barnas (drie gedichten)

Naalddiep


EMIGRANT





Aan deze foto kleeft wat bloed
al toont zij enkel zwierigheid;
serpentines tussen wal en schip
zwakke hangbrug voor een ogenblik.

Daar ga je dan met stenen in je maag,
de slingers breken en dus ook je hart.
Je noemt het avontuur, maar het is smart.
Er komt geen einde meer aan deze trip.

Er staan wat vrouwen aan de waterkant,
hun woorden spinnen nog een ijle draad,
die taai aan de verschansing hangt,
een witte zakdoek kust de lucht.

Stilaan worden de mensen vaag,
maar bijten feller onderhuids,
het land verdwijnt in naalddiep zeer,
dan is er enkel zee en licht.

En op de reling, wit en koud,
twee handen, met een felle grip
knijpen zij stom het schreeuwen weg
dat in de ogen achterblijft.



© Peter Goedhart


- ongepubliceerd gedicht, door de auteur gelezen tijdens een voordracht op de openingsavond
van Poetry International, Rotterdam juni 2011 -

Zoete moes


MAJOOR EN DE KIEZELSTEEN



De majoor slaapt.
Een kiezelsteen in z'n koude hand fluistert:

'Houd moed, als je te stijf
blijft, vergruis ik helemaal.'

De majoor slaapt.
Een kiezelsteen in z'n koude hand roept:

'Doe iets. Knijp in mijn wang, keil me
tegen de muur, dril me tot zoete moes.'

De majoor slaapt.

Wordt hij ooit wakker
zal hij een kiezelsteen mores leren.


© Elmar Kuiper



Uit: Elmar Kuiper Hechtzwaluwen Amsterdam, uitgeverij Augustus, 2010

woensdag 10 augustus 2011

Orkaan


NIEUWS VAN NERGENS



Daken schuiven van de huizen, geven
buizen bloot. Geluidloos breken
berken af. In het hart van de orkaan

vertelt zij wat ze ziet, verslaggeefster
van niets. Hulpdiensten, windkracht?
Herkansing in het late nieuws, ze zegt

een slachtoffer met halflang haar,
opstopping, sneeuwalarm.
Haar stem klinkt hoog en bang.

Kijker gaan koffiezetten, klikken door.
Hier dreigt ontslag, dat zie je zo. Maar
tot het zover is staat op een berg,

te dun gekleed, iemand te briesen
in een microfoon, een eindeloze stroom
met nieuws van nergens.


© Anna Enquist


Titelgedicht, uit: Anna Enquist Nieuws van nergens Amsterdam, de Arbeiderspers, 2010

Alles in orde


LANGE ROEP VAN EEN WOLF




Na veertien jaar gevangenis
kwam ik thuis.
Maar mijn vriend Issa
kan niet van zijn ballingschap in Noorwegen terugkomen
behalve via de telefoon of de gevangenis.
Hij belde en feliciteerde me met mijn vrijlating.
Ik vroeg hem hoe zijn leven was.
Hij zei: 'Ik werk, ik ben verliefd, ik schilder.
Alles is in orde.'
'We waren in de gevangenis bezorgd om jullie', zei ik,
'Alles is draaglijker dan Tadmur'*, zei hij,
Ik vroeg: 'Ben je niet moe van heimwee?'
.....
Ik herhaalde mijn vraag: 'Ben je niet moe van heimwee?'
.....

Momenten van zware wachtende stilte... en dan de lange roep
van een wolf,
overgaand in een huilbui.
De hoorn werd kletsnat van zijn tranen.



© Faraj Bayrakdar


Uit: Zo'n gelukkige dag - Dichters voor Amnesty International (samenst. Daan Bronkhorst),
Breda, De Geus, 2007 - vertaling uit het Arabisch: H.B.


* Tadmur: Syrische militaire gevangenis, berucht vanwege de martelingen.

dinsdag 9 augustus 2011

Teruggedraaid


OOM KAREL: EEN FAMILIEFILMPJE



Vanmiddag een familiefilmpje gezien. Oom Karel
niets vermoedend in een bootje bij Loosdrecht.
Drie weken later was hij dood, niet meer vatbaar voor
celluloid.

Hoe goed zou het zijn een filmpje van zijn sterven te bezitten
als operateur zijn laatste adem af te draaien
vertraagd het stollen van zijn blik, het vallen van die hand
langs ijzeren bedkant nog eens en nog eens te vertonen.

Of op topsnelheid, zodat het doodgaan van oom Karel
iets vrolijks krijgt, een uitgelaten dans op een krakend bed,
de omhelzing van een onzichtbare vrouw

die teruggedraaid hem wakker kust; de ogen
worden weer blik, kijken in de lens, de hand wijst.
Oom Karel leeft, oom Karel is dood.



© J. Bernlef


Uit: J. Bernlef  Ben even weg Amsterdam, Querido, 1965

Vaste vloerbedekking



STRAFWERK




Ik zal het nooit meer doen.
Ik zal geen bedscènes meer beschrijven.

(D.w.z.
ik laat ze voortaan neuken in een lift
op vaste vloerbedekking
of de achterbank van een ID.)

Ik zal het nooit meer doen.
Ik zal geen bedscènes meer beschrijven.

Ik zal het nooit meer doen.



© C.B. Vaandrager



Uit: Vaandrager Made in Rotterdam - verzamelde gedichten, samenst. Martin Bril & Hans Sleutelaar. Amsterdam, De Bezige Bij, 2008

Een slome, bleke


Toen ik uit het raam keek

zag ik je lopen aan de overkant
daarna schreef ik snel een regel van twaalf woorden neer
want dat vond ik was mijn taak.

Toen ik weer naar buiten keek
was je al bijna bij de hoek
(de winkel waar ik Stella en Stuyvesant haal).

Er liep een jongen naast je
met een schooltas onder z'n arm
een slome bleke puistekop
maar wel van je leeftijd.


© Remco Campert




Uit: Remco Campert Mijn leven's liederen, Amsterdam, De Bezige Bij, 1968

Op een dag



OM IN HET ALBUM VAN EEN TIRAN TE SCHRIJVEN




Hoed je voor twijfelaars
want op een dag weten zij wat ze niet willen.
Hoed je voor lieden die niet uit hun woorden kunnen komen,
Juan-de-Stotteraar, Pedro-de-Stomme,
want op een dag ontdekken zij de kracht van hun stem.
Hoed je voor verlegen, beteuterde mensen,
want op een dag staan zij niet meer op als jij binnenkomt.



© Herberto Padilla


- uit het Spaans vertaald door Mariolein Sabarte Belacortu / Poetry International, Rotterdam (1981)


Herberto Padilla (1932-2000), een jeugdvriend van Fidel Castro, werd zoals veel Cubaanse dichters door het eigen régime als 'staatsgevaarlijk' gevangengezet. Na twintig jaar ballingschap stierf hij in de Verenigde Staten.

maandag 8 augustus 2011

Zandfontein


ZELFPORTRET



Mijn geboorte ben ik vergeten. Volgens overlevering
afgeknaagd en weggeblazen. Wispelturige winden
straalden me omhoog, misbruikten mijn harde kern
om bergen te hervormen. Daarna, alsof het niets was,

gedumpt boven gretige oceanen. Eeuwen duisternis.
Toen onverwacht strand. Door verliefde vingers mocht ik
glijden, kinderen bouwden kastelen. Tot het avond werd.
Iedereen naar huis. Minuscule speelbal van het getij.

Vanochtend was het weer raak. Gegrepen, opgespoten,
zeldzaam moment van trapeze, zandfontein van lichtgeluk.
Zag schepen gekleurd, meeuwen jaloers, mensen verbrand.
Ik dacht, dit is groots, wijds, leven in voorspoed. Helaas.

Klem tussen tegels, op slot onder asfalt. Miljarden boven,
naast en onder. Ik vraag u, geef me een hand, doorzoek
dit lichaam, streel mijn kristal, neem me tussen uw tenen.
Nog even en ik hecht me aan uw zool, aan uw ziel.


© Peter Swanborn


Uit: Woorden in de branding - Dichters aan de Maasvlakte 2
Rotterdam, Gemeentelijk Havenbedrijf, 2009

Kolen op het vuur (onder de trap)


KRANTENPAD



De oorlog was al lang voorbij
maar zij waren er nog
Eenmaal per jaar

Grote, sterke mannen*
die in zwarte kleding
over Het Vrije Volk liepen

Van een wagen voor de deur
naar het kolenhok
onder de trap

Langs een waakse vader
die boekhield op een
sigarenkistje

Want belazerd word je
Die oorlog is nooit afgelopen


© Ton Huizer



Uit: Ton Huizer Springtij, Amsterdam, Eijlders, 2010.


* Kolenboeren die met zakken van jute over hun hoofd de brandstofvoorraad voor huiskachels en fornuis kwamen aanvullen, vlak voor de winter. Moeders in de jaren vijftig en zestig maakten voor binnenkomst van de sjouwers een pad van
oude kranten: om de vloerbedekking te beschermen tegen van ruggen vallend zwart gruis.

zondag 7 augustus 2011

Vaart


OMEROS



Dit was de schreeuw waar iedere odyssee om draait,
die stille roep om een rif of een vertrouwde vogel,
niet de oorlogskreet, niet de verwarde intriges

van een visnet, maar als een golf rijmt op iemands dood,
een doodkist op een boot, die parallel wordt overschreden,
de scheiding tussen meester en slaaf gesloopt.

Dan is een opgestoken riem sterker dan marmeren
Caesars geheven handpalm, en een snelle zeilboot
gezwinder dan zijn galeien in haar heerlijke vaart.



© Derek Walcott


- uit het Engels vertaald door Jan Eijkelboom -

fragm. uit Omeros (New York, 1990), het belangrijkste werk van de Caraïbische dichter en Nobelprijswinnaar Derek Walcott, waarin o.m. wordt verwezen naar de Atlantische slavenhandel.
In Nederland, in de vertaling van J. Eijkelboom, verscheen deze omvangrijke uitgave bij De Arbeiderspers, Amsterdam 1993.

Verlaten


OOK WIJ, TITAANTJES




We hadden geen benul van hoe het liep.
We deden dingen omdat je dingen doet.
We richtten daden aan en lazen soms een boek
om te vieren dat gedachten niet vergingen.

We gingen door omdat je verder moet
of bleven haken aan een onverwachte blik
omdat er blikken zijn waarmee iets wordt bedoeld,
vooral wanneer bedoeld was wat wij wilden.

We vingen aan en rondden ook wel af
maar wat in gang gezet was ging zijn eigen weg toch weer.
We maakten plannen, legden ons erbij neer
dat dingen gingen zoals ze niet waren voorvoeld.

We liepen af toen het eenmaal zo ver was
dat wat niet voorvoeld was onomkeerbaar bleek.
we lieten wat we hadden in de steek
en zochten naar wat ons verlaten had.




© Hagar Peeters



Uit: Hagar Peeters Koffers zeelucht Amsterdam, De Bezige Bij, 2003

zaterdag 6 augustus 2011

Duw mij van de kant


VEDERLICHTE TRED IN MIJ




Vederlichte tred in mij,
lang vervlogen geur,
galante jaren met die lichte toets.
Gesteven spierwit linnengoed,
bongo’s op de gang,
donkere sherry die mij zinderen doet.

Weer gevonden tederheid
en het avontuur,
het donker laat ze ’s avonds los.
Cocktails in de Lido bar
en de oceaan,
kussen die ons vliegen deden toen.

Zet mij in een kleine boot,
duw mij van de kant,
laat mij ze gaan zoeken ver op zee;
vreemde bloesems zilt en zacht
verloren in de nacht,
elegantie die mij heeft gestreeld.

Zet de zilveren knopen aan mijn
hagelwitte jas,
epauletten drukken zwart en zwaar.
Alles wat mij hier nog hield
- goed gelukte sound -
zo vertrouwd alsof het gisteren was.



© Peter Goedhart




Komende maand begint zanger-dichter-componist Peter Goedhart met zijn ensemble een bijzondere bootreis vanaf Rotterdam-Zuid. Wie in de Rijnhaven, achter het nieuwe Luxor,
aan boord stapt van de historische Animathor (1904, max. 100 pers.) maakt een tocht waarin meer dan alleen de wereld van de zeilende vaartuigen wordt verkend.
Eerdere theaterreizen van Goedhart vertelden het verhaal van het roemruchte cruiseschip
‘Willem Ruys’, de theeklipper ‘Cutty Sark’ en van de Portugese dichter Fernando Pessoa. Deze keer zijn liederen en teksten te horen van Robert Louis Stevenson (1850-1894), Schots schrijver van avonturenromans, gedichten, toneelstukken en literaire reisverhalen zoals Schateiland en
Dr. Jekyll and Mr. Hyde.
Tijdens deze watermuziekreis brengt Peter Goedhart zijn varend publiek opnieuw naar een verrassende plek in het Rotterdams havengebied: een scheepswerf uit de 18e eeuw, een van de oudste werven van Nederland, met een grote dwarshelling en fraaie houten loodsen.


Foto: De historische schoener die R.L. Stevenson tijdens een van zijn reizen naar de eilanden van de Stille Zuidzee bracht,
waar de schrijver in 1894 stierf en begraven werd op Samoa.  

Nog niet gehecht


VOOR DE LIEFSTE ONBEKENDE


                      Wie van ons twee heeft de ander bedacht? - Paul Éluard


Wat ben ik blij dat ik je nog niet ken.
Ik dank de sterren en de maan
dat iedereen die komt en gaat
de diepste sporen achterlaat, behalve jij,
dat jij mijn deuren, dicht of open,
steeds voorbijgelopen bent.

Het is maar goed dat je me niet herkent.
Kussen onder straatlantaarns
en samen dwalen door de regen,
wéér verliefd zijn, wéér verliezen,
bijna sterven van verdriet -
dat hoeft nu allemaal nog niet.

Ik ben nog niet aan ons gehecht.
Ik kijk bepaald niet naar je uit.
Neem de tijd, als je dat wilt.
Wacht een maand, een jaar,
de eeuwigheid en één seconde meer -
maar kom, voor ik mijn ogen sluit.


© Ingmar Heytze


Uit: Ingmar Heytze Het ging over rozen. Amsterdam, Podium, 2002 
   
 


Gedenksteen bij het woonhuis in Charenton-le-Pont (Parijs), waar op 18 november 1952 de Franse surrealistische dichter Paul Éluard overleed aan een hartaanval.
Éluard ligt begraven op Père-Lachaise.

Onder de lakens


XVIII



Je gaat de droogkamer binnen. Je loopt onder de lakens door: het geruis
op je rug. Je trekt de zijden onderjurk aan en schuifelt voortdurend voor
de spiegel. Je glimlacht, en je glimlach keert naar je terug en plakt zich
koket op je lippen. Je maakt je op en je beeld doet je na. Je bedreigt haar
met je lippenstift en je oogpotlood, maar ze blijft je nadoen. Vervolgens
trek je haar contour na op het glanzende oppervlak. De spiegel barst:
het verstrooide hoofd. Talloze plakplaatjes bedekken je. Je voelt je licht,
je verheft je in de lucht. De mensen blijven staan en kijken, de ogen wijd
open: boven de stad, een vlieger met lange staart en dikke wenkbrauwen.


© Doina Ioanid




- uit het Roemeens vertaald door Jan Mysjkin -


In: Doina Ioanid Het juffertje van marsepein, Rotterdam, Douane, 2011 - met vertaling en
nawoord van Jan H. Mysjkin

Geur


Als de wind
uit het oosten waait
zend me dan jullie geur
bloesems van de pruimeboom
jullie baas is weg
maar vergeet toch de lente niet!


- Sugawara no Michizane

[Japan, 845-903]

vrijdag 5 augustus 2011

Een prins zoals ik


DE STIEFMOEDER




Kleed je uit.
Buig je hoofd.
Kijk me aan
als ik je met een natte dweil in het gezicht sla.
Je denkt dat je een prinses bent
een prins zal je komen halen
maar alle prinsen
op paarden
die jou komen halen
zullen zijn als ik.



© Tjitske Jansen



Uit: Tjitske Jansen Het moest maar eens gaan sneeuwen Amsterdam, Podium, 2003.


Tjitske Jansen (1971) ging op haar twaalfde wonen in een pleeggezin.

Vreemd


Wat hij
niet kent vindt

hij er vreemd uitzien.

Het vreemde vindt hij lelijk.
Het lelijke maakt hem bang.

Iets waarvoor je bang 
bent is gevaarlijk.

Vasthoudend aan de schone
schijn van het vertrouwde

wordt hij een wereld op zich.
Hij gaat er vreemd uitzien. 


© Mark Insingel


 
Uit: Mark Insingel De druiven die te hoog hangen Haarlem, In de Knipscheer, 1994

donderdag 4 augustus 2011

Hoef


PAARD




een dansende sprinkhaan
het paard!

trapt de lucht aan scherven
dat het glas rinkelt!

ratelt voorbij en het zwaard
van zijn adem bliksemt!

en zijn stem galmt!
en zijn hoef graaft
de donder op!



© Leo Herberghs




Uit: Leo Herberghs Portret van een landschap, gedichten 1953-1997 (bloemlezing). 
Leiden, de Plantage, 1998

Radijsjes


MANNEN



Ik denk aan de man die ik liefhad.
Heb ik hem lief?
Hoeveel angsten zijn dat?

Onze borden raakten leger
En aan de rand ligt een bloem, gesneden
uit radijsjes. Een klein uitbundig leven.

Niet om te eten, weet hij.



© Maria Barnas



Uit: Maria Barnas Twee zonnen Amsterdam/Antwerpen, Arbeiderspers, 2003

woensdag 3 augustus 2011

Nadering


SNAGS...




Snags as ek, wawyd aan die slaap, wegglip
uit hierdie leë huis om rond te staar
deur al die jare tot ek jou gewaar
dan wag jy nog en nader ons mekaar
met woordelose vergiffenis en begrip...


© Elisabeth Eybers




Uit: Elisabeth Eybers Gedigte 1958-1973. Amsterdam, Querido, 1978

dinsdag 2 augustus 2011

In de zon


HET RECHT OM TE DODEN



Het vertederende vliegenjong
een uur geleden geboren
warmt zich in de zon
op de hand van mijn kind.

Ik heb het doodgeslagen.

Mensen zeggen dat vliegen ziektes overbrengen.
Vliegen
zeggen misschien hetzelfde over mensen.

Mensen zijn sterker.


© Anna Świrszczyńska



Uit: Heb medelijden, tijd - Poolse poëzie van de twintigste eeuw. Samengesteld
en vertaald door Karol Lesman. Leiden, Plantage, 2003.

Anna Świrszczyńska (of Anna Swir, 1909-1984) maakte deel uit van de Poolse verzetsbeweging in de Tweede Wereldoorlog.
In 1944, tijdens de opstand van Warschau, werkte ze als verpleegster. Ze geldt als een buitenbeentje in de moderne Poolse poëzie.

Tuindeur



HOSPICE


Hoog bezoek
het leven komt langs
moe en gehavend

bloemen in de vaas
vers fruit op de schaal

we keren kussens
dekken toe, lezen voor

ze slaapt al, hoor ik
maar ga nog even door

de tuindeur waait open
het wordt ochtend
we zijn thuis


© Ton Huizer

- ongepubliceerd -

Snaar


VERSLAG VAN EEN KWELLING




Ik wil je nog zeggen dat ik verzwijgen moest:
Schaduw op het balkon houdt de maan gevangen.
Het land waar ik woon is een slachthuis,
waarin ik al tokkelend zelf een darmsnaar werd.


© Mahmoud Darwish


fragm. uit: Mahmoud Darwish Mijn bedroefde stad - Palestijnse gedichten, vertaling Ed & Wam de Moor. Amsterdam/Antwerpen, De Arbeiderspers, 2003

maandag 1 augustus 2011

Gedroogde tijd


Wat geeft het dat wij stilaan haaks staan op de tijd?

Je leerde me niet op te kijken. Woorden rijg ik, zoals jij

kleren maakt: gebogen, neuriënd.

De muren zinderen. Augustus geselt hun stenen.
Alles staat stil. Jaren vallen met pakken

uit de boom en drogen. Wind
blaast ze overhoop.

Alleen de beste stoffen.
Geur van asfalt in het onweer

en de zatte walm van gerst.
Alleen de felste kleuren. Augustus.

Keizersmaand. Haal het patroon.
Zet de spelden. Ik wet mijn pen

en maak je mooiste wade.



© Erwin Mortier



Uit: Erwin Mortier Vergeten licht Amsterdam, Meulenhoff, 2001

Sommigen


onlangs heb ik gehoord

dat sommige mensen allang
bij anderen wonen als adem
vliegen of koffiebonen



© Herta Müller



Uit: Herta Müller De rokkenjager en diens bijdehante tante - collagegedichten,
uit het Duits vertaald door Ria van Hengel - Breda, De Geus, 2011