woensdag 24 november 2010
Punt
Jij die met woorden streelde
en met een komma kussen kon
Renée van Riessen
- Rotterdamse vuilniswagengedicht -
dinsdag 23 november 2010
Schaterend streepje
VIERGE MODERNE
Ik ben geen vrouw. Ik ben een neutrum.
Ik ben een kind, een page, een gedurfd besluit,
ik ben een schaterend streepje scharlaken zon...
Ik ben een net voor alle gulzige vissen,
ik ben een heildronk op de eer van alle vrouwen,
ik ben een stap naar toeval en verderf,
ik ben een sprong naar vrijheid, in het zelf...
Ik ben het fluisteren van bloed in het oor van de man,
ik ben een koorts in de ziel, de wil en onwil van het vlees,
ik ben een toegangsbord van nieuwe paradijzen.
Ik ben een vlam, speurend en vief,
ik ben water, diep maar kniehoog moedig,
ik ben vuur en water, eerlijk samengaand op vrije gronden...
© Edith Södergran (1892-1923)
- uit het Zweeds vertaald door Lisette Keustermans en Ivo van Strijtem -
in: De mooiste van Södergran Tielt (B.)/Amsterdam, Lannoo-Atlas, 2004
zondag 21 november 2010
Klein verraad
IN HET LEESBOEK VOOR DE BOVENBOUW
(Ins Lesebuch für die Oberstufe)
Lees geen odes, mijn zoon, lees de dienstregelingen:
die zijn secuurder. Rol de zeekaarten op
voor het te laat is. Wees waakzaam, zing niet.
De dag zal komen dat ze weer lijsten op de deur
plakken en nee-zeggers tekens op de borst
verven. Leer onherkenbaar te gaan, leer meer dan ik:
van buurt te wisselen, van pas, van gezicht.
Wees vertrouwd met het kleine verraad,
de dagelijkse, morsige redding. Bruikbaar
zijn de encyclieken om vuur aan te steken,
de manifesten: om boter in te pakken en zout
voor de weerlozen. Woede en geduld zijn nodig
om in de longen van de macht te blazen
het fijne dodelijke stof, gemalen
door degenen die veel hebben geleerd,
die zeker zijn, van jou.
© Hans Magnus Enzensberger
- uit het Duits vertaald door Martin Mooij -
In: H. M. Enzensberger Verdediging van de wolven, een keuze uit de gedichten 1957-1999
- vert. M. Mooij - Amsterdam, De Bezige Bij, 2002
Schuur
Mijn grootvader maakte elk jaar de graven van familieleden schoon,
schilderde de letters bij, terwijl mijn grootmoeder op het graf van
een vreemde zat en hem de jaartallen voorlas die ze in de
familiebijbel had geplakt;
jaartallen die ze ook uit haar hoofd kende en die ze stapelde –
zoals mijn grootvader in de herfst het hout in de schuur,
de schuur waarin al onze doden ook hadden gelegen.
Totdat ze gewogen werden zodat we wisten hoeveel
dragers we nodig hadden.
Volgens mijn grootmoeder waren sommigen
zo licht dat ze door de wind werden opgetild.
Ze stonden in onze familiebijbel bijgeschreven als
de uitverkorenen.
© Wim Brands
Uit: Wim Brands Neem me mee, zei de hond Amsterdam, Nieuw Amsterdam, 2010
zaterdag 20 november 2010
Alleen zichtbaar
NACHTZWEMMEN
De maan rolt een loper
van licht op het water.
We waden ernaar
naakt in het donker
raken niet verloren
langs de baan van de maan
van licht door het water
alleen zichtbaar
voor dat van elkaar
in ons lichaam.
© Hagar Peeters
Uit: Hagar Peeters Loper van licht Amsterdam, De Bezige Bij, 2008
donderdag 18 november 2010
Buiten beeld
DE LAATSTE ONBEKENDE
Dus u heeft in het geheim geleefd, werd ondergronds
geboren, u bent nooit in beeld geweest.
Dus u woonde op plaatsen waar geen kijkers kwamen,
geen hond verlaten rondliep, neus dicht bij de grond,
u kwam nooit in de verleiding iemand
duidelijk zichtbaar te aaien.
U nam geen goedgeschreven woorden in de mond,
had geen zorgvuldig gezicht - hoe,
als wij u niet zagen heeft u geleefd?
Hield u zich ergens voor iemand verstopt?
Leek het voor u andersom - raakten wij weg
zolang u geen deel had aan ons?
U kunt niet meer weggaan zoals u hier kwam,
in het donker, als een geheim. Blijft u
zo zitten dan zoomen wij in.
Dit is uw kans om aanwezig te zijn.
© Ester Naomi Perquin
Uit: Ester Naomi Perquin Namens de ander, Amsterdam, Van Oorschot, 2009
Ester Perquin ontvangt morgen, vrijdag, in de Burgerzaal van het Rotterdamse stadhuis
de Anna Blaman Prijs 2010 van het Prins Bernhard Cultuurfonds.
Het gedicht uit deze bundel werd oorspronkelijk geschreven als een van de poëziebijdragen aan het International Film Festival Rotterdam (IFFR).

Rotterdam, Heemraadsssingel, september 2010: onthulling van het Anna Blaman Monument door burgemeester Ahmed Aboutaleb. De onthulling geldt als hoogtepunt van het Anna Blamanjaar 2010, het vijftigste sterfjaar van de schrijfster en winnares van de P.C. Hooftprijs.
Rotterdam beschouwt het monument tevens als eerherstel voor Blaman (1905-1960), nadat haar graf in Rotterdam-Overschie op de begraafplaats Hofwijk in de jaren '90 geruisloos was geruimd. De schrijfster en motorfietsliefhebster, een van de eerste openlijk lesbische Nederlandse auteurs, dreigde daarna in de vergetelheid te raken. Een kleine groep sympathisanten, verenigd in het Anna Blaman Genootschap, heeft dat met veel ijver na de honderdste geboortedag in 2005 voorkomen.
Kunstenares Maria Roosen gaf haar beeld de titel "Eenzaam Avontuur" mee, naar Blamans bekendste roman (uit 1948).
Niet ver van het 'motormunument' komt binnenkort een tweede gedenkteken: het portret van Blaman als P.C. Hooftprijswinnaar dat wordt aangebracht in de naburige De Vliegerstraat, tegenover het voormalige woonhuis van Anna Blaman en haar familie.
Met dank aan het Centrum Beeldende Kunst (CBK), Rotterdam
maandag 15 november 2010
Thuiskomst
ONWETEND, MAAR OVERSPEL
Hoe zij zich voorbereidt op de thuiskomst van haar man:
zij schuift een stoel tegen de zon,
wrijft haar lichaam soepel,
stemt haar inwendig orkest,
legt onder haar korte zomerjurk
een geur van naaktheid uit.
Zij schudt haar hormonen op.
Diep in zich kijkt zij of de tijd
haar niet te veel heeft aangetast.
Zij droomt zich een pose, een opgetild
worden, een hunkering die in haar lichaam
slaat, zij laat een kreet ontsnappen
om de hangende galm te beproeven.
Hoe zij zich invouwt in afwachting.
© Tomas Lieske
Uit: Tomas Lieske Hoe je geliefde te herkennen - Amsterdam, Querido, 2006
zondag 14 november 2010
Zónder
"Wie twee of drie dagen kan leven zonder muziek, moet niet schrijven -
het is misschien beter dat u de tijd doorbrengt met een meisje of een glas bier."
— Henryk Górecki [Czernica, Silezië, 6 december 1933 - Katowice, 12 november 2010,
muziekpedagoog en componist
van o.a. Symphonie No.3/Opus 36 (1976), Songs of Sorrow - Sinfonie der Klagelieder]
Dagmars
DIT EILAND
Heden voelen mijn voeten zich goed
in hun sokken en die weer
in hun ruime maar nog niet
sloffende schoenen.
Waarom dan niet de paden op,
de bergen in, de velden over
bij deze stad vandaan
waar stegen uitlopen op steigers
niet meer door boten gebruikt.
Wel kan men daar gaan staan uitkijken
over het eeuwig veranderlijk
zichzelf blijvende water,
ervaren dat tussen benauwenis
en ruimtezucht een afgepaald
maar onbeklemd domein kan liggen:
dit met een dagmars af te ronden
eiland.
© J. Eijkelboom
Uit: J. Eijkelboom Heden voelen mijn voeten zich goed, Amsterdam/ Antwerpen,
de Arbeiderspers, 2002
donderdag 11 november 2010
Schuim
ONDER DE DOUCHE BEMINNEN
(Sob o chuveiro amar)
Onder de douche beminnen, zeep en kussen,
of in bad, beiden gekleed in water,
glibberende liefde, glippend, grijpend,
wijken, water in de ogen, monden,
dansen, varen, duiken, regenen,
dat schuim op onze buiken, en de driehoek
van het schaamhaar wit - van water, sperma,
liefdes loop, of zijn wij bron geworden?
© Carlos Drummond de Andrade
- uit het Portugees vertaald door August Willemsen -
Uit: Carlos Drummond de Andrade De liefde, natuurlijk / O Amor Natural [gedichten].
Amsterdam-Antwerpen, De Arbeiderspers, 1992
zondag 7 november 2010
Onbetreden
JUNI 1673 / JUNI 2003
Wat onbetreden is, ons aangereikt, een graf
verbeeldt - kinderen bouwen er een hut,
languit gestrekt, op paardendekens zuigen ze
zich vol, meibloementhee, dropwaterschuim.
En iedereen op weg, de post reikt brieven aan,
de gemeente veegt de straat, of dit nu vrede is
wil men horen. Verwonderd lopen de dagen,
knarst de schommel, de tuin vol vragen.
Wind neemt plaats tussen de kinderschaar.
Er wordt geroepen, luid geklapperd, slordig
zakt een speelgoedtent langzaam in elkaar.
© Frans Budé
Uit de cyclus Een Huis In De Grond, in:
Frans Budé Blauwe rijst, Amsterdam, Meulenhoff, 2009
In de tuin van zijn huis in het Jekerdal trof de dichter in de jaren zeventig menselijk skeletmateriaal aan. Onderzoek na de vondst wees op Franse soldaten die gesneuveld waren in juni 1673, tijdens het beleg van Maastricht door de Zonnekoning (Louis XIV).
zaterdag 6 november 2010
Wijdbeens
KIJKEN IN DE FLITS
Gij zult en zult Met volle mond Met volle kracht
Met heel uw lijf Met alles wat gij in u hebt Op
leven en op dood Als voor de laatste keer Met volle
teugen Wijdbeens Kijk niet achterom In stijl Uit
liefde Juichend Koortsig Gelukzalig Zwijmelend
Met volle moed Met open mond Van links naar
rechts Van voor naar achter Op je knieën Op je
mond Als nieuw Genietend Als het ons maar de
door de nacht sleept Ons verlost De uitputting
voorbij De hoop voorbij Verdriet voorbij Immer
vooruit Als voor de eerste keer Al weten wij Al
kennen wij Al hopen wij vergeefs want zijn we niet
vergeefs – dat vieren wij, dat willen wij, dat jaagt
ons op en maakt ons mooier, trekt ons uit onszelf,
buiten onszelf, dat laat ons branden, want zo zijn
we, vuurwerk opspuitend in de lucht
Alleen als we vallen
Hebben we het hart van de zon bereikt.
© Peter Verhelst
Uit: Peter Verhelst Nieuwe sterrenbeelden, Amsterdam, Prometheus, 2008.
Zo vangt hij vlees
HOOGSEIZOEN
Zelfs al zou je in een droom nog wijzen naar de verre schim
die achter zwarte struiken naar je kijkt: je rok kruipt op.
Een losse dij valt als een drumstick in het licht.
Er is die warme zekerheid waarmee je weet: zo vangt hij vlees,
verzamelt een gezicht, weet namen los te krijgen - er is iets
comfortabels aan een opgeloste moord.
Hij is de laatste ter wereld die niemand meer stoort,
hij eet uit je hand zo lang je blijft zwijgen,
kleedt je weer aan als je slaapt.
Je zult straks best de weg terugvinden: wegen weten zich
achter je aan te begeven, hoe diep je ook het park in gaat.
© Ester Naomi Perquin
Uit: Ester Naomi Perquin Namens de ander, Amsterdam, Van Oorschot, 2009
vrijdag 5 november 2010
Wij die
EEN BEGRAFENIS
'zο plοtseling, wie had dat verwacht'
'zenuwen en sigaretten, ik heb hem gewaarschuwd'
'redelijk, dank je'
'pak die bloemen uit'
'zijn broer had het ook aan zijn hart, vast een familiekwaal'
'met die baard had ik u nοοit herkend'
'eigen schuld, hij moest zich overal mee bemοeien'
'die nieuwe zou iets zeggen, maar ik zie hem nergens'
'Kazek zit in Warschau, Tadek in het buitenland'
'jij bent de enige die zο slim was οm een paraplu mee te nemen'
'wat maakt het uit dat hij de knapste was van allemaal'
'een tussenkamer, Baśka gaat er nooit mee akkoord'
'hij had natuurlijk gelijk, maar dat is nog geen reden'
'raad eens hoeveel, met het lakken van de pοrtieren erbij'
'twee dοοiers en één eetlepel suiker'
'niet zijn zaak, waar had hij dat νοοr nodig'
'uitsluitend blauwe en alleen kleine maten'
'vijf keer en niet één keer antwoord'
'οké, ik had misschien, maar jij net zο goed'
'goed dat zij tenminste nοg dat baantje had'
'weet ik eigenlijk niet, vast familie'
'die pastoor lijkt sprekend οp Belmοndο'
'ik ben nog nooit op dit deel van het kerkhof geweest'
'ik droomde een week geleden van hem, ik had zo'n voorgevoel'
'niet onknap, dat dochtertje'
'het staat ons allemaal te wachten'
'kun je de weduwe namens mij, ik moet op tijd zijn voor'
'toch klonk het plechtiger in het Latijn'
'voorbij is vοοrbij'
'tοt ziens, mevrouw'
'zullen we ergens een biertje'
'bel me, dan praten we verder'
'met de vier οf de twaalf'
'ik deze kant'
'wij die'
© Wíslawa Szymborska
- vertaald uit het Pools door Gerard Rasch -
Uit: Wíslawa Szymborska Einde en begin - gedichten 1957-1997, Amsterdam, Meulenhoff, 1999.
* Morgen, zaterdag, wordt schrijver en dichter Harry Mulisch (1927-2010) - na een laatste overtocht per boot - begraven aan de Amstel, op Zorgvlied
donderdag 4 november 2010
Ademkruid
Zoals ik graag knoflook heb bij lamsvlees,
zo wil ik tabak bij lucht: om adem te kruiden
en pas nadien uit te blazen, als was het elke keer
mijn laatste.
Ik heb het tijdelijke met het eeuwige
vaak genoeg verwisseld in mijn poëzie
om te weten dat ik het tijdelijke wil.
Betekenis: dat is wat een blootgewoelde vrouw
aan lakens over zich heen trekt.
Ik trek ze weer weg.
© Herman de Coninck
Uit: Herman de Coninck Geef me nu eindelijk wat ik altijd al had - de mooiste gedichten (bloemlezing), gekozen en ingeleid door Kristien Hemmerechts.
Amsterdam/Antwerpen, De Arbeiderspers, 2009
dinsdag 2 november 2010
Herinnering aan Harry (1)
HET INCIDENT TE MAINZ *
In den Schleusen hab' ich einen hohen Aufblick
zu den Kaimauern von Silber & Schwarz
Ein Luxusgefangener, ein Dichter…
Zo was daar, zomer 1984, die Rheinreise. Dichters uit de landen waar de rivier de Rijn door of langs stroomt, waren aan boord geïnviteerd van het Rijncruiseschip Deutschland, voor die gelegenheid omgedoopt tot Das Narrenschiff.
De Nederlandse delegatie viel te onderscheiden in een 'Rotterdamse' en een 'Amsterdamse'.
De 'Rotterdamse' bestond uit het echtpaar Buddingh’, Cees en Stien, de arbeidersdichter Wim de Vries ‘uit Puttershoek’ en mijzelf. Gevieren deelden wij een coupé in de internationale trein naar Bazel, het startpunt van de boottocht.
De 'Amsterdamse' delegatie was veel groter: Harry Mulisch, Remco Campert, Cees Nooteboom, Gerrit Kouwenaar , Bert Schierbeek en Bernlef.
Verder waren nog van de partij Louis Ferron uit Haarlem en Wiel Kusters uit Maastricht.
Wij werden culinair enorm in de watten gelegd. Iedere ochtend was er een reusachtig ontbijt. Middagmaal en avond werden bovendien rijkelijk met drank besprenkeld. Dichters zijn “heelalcoholici”. Dus dat beviel goed. Al te goed.
Bovendien werd tussendoor van elke Wijnberg die de boot passeerde de Spätlese te proeven aangeboden. Ik kan me niet herinneren ooit zo continu in de lorum te zijn geweest als op die Rijnreis.
Ik herinner me ook dat Remco Campert geheel roze was aangelopen. Naar zijn mening omdat hij te lang aan het dek in de zon gezeten had. Nee, Remco, dichtte een van zijn collega’s toen, dat komt / doordat jij een zuipschuit / op een zuipschuit…
Af en toe legde de Deutschland aan bij een Rijnstad en moest er - met voordrachten - opgetreden worden.
Op een of ander manier functioneerde Harry Mulisch als 'leider' van de groep.
De Olympiër was zeer met mij ingenomen. Het was in de tijd van de kruisrakettenkwestie. Ik had in de Volkskrant de stelling ingenomen – niet als dichter, maar in mijn andere hoedanigheid, die van jurist - dat kruisraketten oorlogsrechtelijk bezien verboden wapens zijn.
Harry Mulisch, mordicus tegen plaatsing van de kruisraketten, had dat artikel gelezen. Ik kon geen kwaad bij hem doen!
Meestal ontbeet ik ’s ochtends aan het Rotterdamse tafeltje. Dus met de beide Buddingh's, Wim de Vries en, uiteraard, Bob den Uyl, eigenlijk de enige ‘echte’ Rotterdammer onder ons.
Die avond in Mainz verkeerde ik in het gezelschap van Mulisch, Ferron en Adriaan van Dis. De laatste bleek voor ons een tafeltje gereserveerd te hebben in een werkelijk overvol Balkanrestaurant.
Terwijl wij daar aan het voorgerecht zaten, kwam plots Bob den Uyl het restaurant binnenwaaien. Hij zag ons. En verstijfde! Mulisch! Hij keek duidelijk rond of hij niet ergens anders kon gaan zitten. Maar, nee, het restaurant was werkelijk stampvol. Dus moest hij wel bij ons aan tafel.
De heren Van Dis, Mulisch en Ferron knikten hem vriendelijk toe, maar gingen vervolgens rustig verder met hun Exclusieve Herengesprek. Bob had alleen mij.
"Mijn kat is overleden", zei Bob. Hij had die middag naar huis gebeld en toen was hem dit droeve nieuws meegedeeld... Hij zag er ontdaan uit. Hij had ook gedronken. Aangenaam gezelschap was Den Uyl sowieso niet als hij had gedronken, en nu dus al helemaal niet.
De boot zou stipt om tien uur vertrekken. Het was inmiddels half tien, we moesten er nog naar toe lopen, en bovendien afrekenen. Een ober kwam met de rekening. Het was, als we naar boven zouden afronden voor een fooi, 300 mark.
"Mooi", zei Mulisch "dat is dan voor ieder van ons 60 mark…"
"Nee", meende Bob, "ik heb veel minder gehad dan jullie."
Hij pakte de rekening en begon minutieus te tellen hoeveel iedereen, met name hijzelf, precies bijdragen moest.
Het was duidelijk dat wij in dat barstensvolle restaurant, met niets dan gejaagde obers, ons geen langdurige discussie over de rekening konden permitteren. De tijd drong!
Weer nam Mulisch doodbedaard zijn pijp uit zijn mond en zei:
"Maar, Bob, dan bewandelen wij toch de Koninklijke Weg! Dan houden wij je toch vrij! Dan betalen wij anderen, ieder van ons 75 mark." Zo gezegd, zo gedaan.
Op de terugweg naar de boot liep ik naast Mulisch en Ferron.
Bij de Olympiër verliet weer eens de pijp de omheining zijner tanden.
"Heeft die Bob iets tegen mij?" vroeg Harry.
En Louis Ferron, nooit te beroerd voor wat Haarlemmer olie op de golven - God hebbe zijn ziel – antwoordde toen: "Harry, jij bent een Olympiër. En Bob is maar een eenvoudige Rotterdamse volksjongen. Die kijkt hoog tegen je op. Maar eigenlijk mag hij dat niet van zichzelf, begrijp je?"
"Tja, dat moet het wel zijn", zei Harry, en stak zijn pijp terug in zijn mond.
Ik besloot deze twee Heren even alleen te laten en keerde mij om naar de ‘Rotterdamse Volksjongen’, die een twintigtal meters achter ons liep.
Bob, tot mijn verbazing, juichte!
"Híj heeft voor mij betaald! Híj heeft voor mij betaald!"
Aldus vond in Mainz, in de junidagen van 1984,
MANUEL KNEEPKENS
* Toespraak gehouden bij de presentatie van Fraaie vergezichten die onze reis vergallen -
Nóg een herinnering
'Twee jaar geleden ging ik met onze oudste dochter naar Amsterdam om te winkelen. Zij hoopte ook BN’ers tegen te komen. Al snel had ze geluk: Chris Zegers kwam langs. Op onze urenlange tocht van het centrum naar Oud-Zuid was de score verder nihil. Tegen vijven pikten we een terrasje in de P.C. Hooftstraat. Naast Harry Mulisch waren nog twee plaatsen vrij. Onze dochter plofte tegenover hem neer en riep: „Wat jammer hè mam, dat we behalve Chris Zegers geen enkele andere bekende Nederlander zijn tegengekomen.” Gelukkig sloeg Mulisch het glas wijn dat ik hem aanbood niet af.'
Mascha Verhagen-Maat
Met dank aan ik@NRC, op de achterpagina van NRC Handelsblad van maandag 1 november 2010
Geluk
EVENWICHT
Achterwaarts hinkelt ze door straten in één richting,
zo is ze haar lot te slim af. Op kruispunten verdwijnt
ze even, is ze haar ziel, maar niet haar lijf. Dan
krimpt de wereld, en lacht ze vol mededogen
voor wie haar al die jaren slaat, arme arme
bange man, ook als de wereld een punt is kun je
staan en wieken met je armen als een molen, kijk
zo doe je dat.
*
DE LAATSTE DANS
Weet je nog die laatste dans vraagt ze?
Welke dans, die tegen wil en dank?
Neen, niet die dans
Die rond middernacht? De Zieke Ritmeloze?
Noch die, gewoon de laatste
De Roekeloze Gladde? De Verlegen Hoekige?
De Dronken Hangende? De Intens Slepende?
Of de Vergeten Laatste?
Ja die. De vergeten laatste, weet je nog
hoe gelukkig je toen was?
© Peter Helsen
Twee gedichten van Peter Helsen (Leuven, 1974). Helsen publiceerde tot nu toe alleen nog maar op Dichttalent, een NCRV-website.
In de jongste aflevering van het literair e-zine Meander staat, naast een aantal gedichten, ook een interview met Helsen (door Sylvie Marie):
http://meandermagazine.net/wp/2010/10/altijd-op-zoek-naar-de-fysieke-impact-van-het-woord/?offset=0
Voor meer werk van Peter Helsen, zie ook:
http://www.dichttalent.nl/?nav=zzgbKsHrGmKhLaC&1pasv=aswfsBsHrGmKhLAaeaBfeaBD
maandag 1 november 2010
Lus
SOMS
soms wil ik je dood, schat,
niet dat ik je dood wil maar
ik zou je lichaam wel eens
willen dragen wanneer
je hand ontkracht naar
beneden bungelt en je tong eruit.
Ik zie me je al jaren torsen tot
oog en vlees vergaan, de
schilfers van je huid achtergelaten
als om de weg terug te weten
om nooit te gebruiken.
Uiteindelijk zou alleen nog
het skelet met botjes, kootjes en
andere kruimels achterblijven,
jij dan licht geworpen als een
zomerjasje over mijn schouder,
mijn pink in het lusje.
© Sylvie Marie
Uit: Sylvie Marie Zonder. Antwerpen/Amsterdam, Vrijdag-Podium, 2009
Hemelsblauw
ALLERZIELEN
Al die liefsten die maar
niet ophouden met dood zijn.
Al die hemelsblauw geworden
liefsten, die maar niet ophouden
dood te zijn.
Al die liefsten van eeuwen
en eeuwen, die onafzienbare
blauwe legers van liefsten.
Al die liefsten in het blauw
die maar niet ophouden
met dood zijn.
© Paul Hermans
Uit: Paul Hermans Spraakdoorn, Maastricht, Azul Press, 2010