maandag 31 augustus 2009
Meedogenloze schoonheid
Zonder begeerte, zonder hoop
op beloning, ook niet uit angst voor straf,
de roekeloze, de meedogenloze schoonheid
te fixeren waarin leegte zich meedeelt,
zich uitspreekt in het bestaande.
Laat de god die zich in mij verborgen houdt
mij willen aanhoren, mij laten uitspreken,
voor hij mij met stomheid slaat en mij
doodt waar ik bij sta, waar jij bij staat.
© HANS FAVEREY
- laatste gedicht uit Het Ontbrokene (1990, Amsterdam, Bezige Bij), door Faverey geschreven kort voor zijn dood -
Zuurstof van eeuwigheid
GEDICHT VOOR HET MENSDOM
Men wordt geboren en krijgt daardoor een naam
Men doet wat in het leven: spelen eerst met liefde
en bespelen later tot men oud wordt, schuw en eenzaam.
Dan met dikke longen vol stenen, men stikt op de peluw
of ergens in een werelddeel ver van de moedertaal
Men verdwijnt achter de kiezen van de kannibalen.
Vrienden, mag ik het vertellen? Luistert,
wij zullen niet meer sneuvelen als helden.
Wij zullen doodgaan bij gebrek aan vrijheid.
Want zie, hoe vette spinnen slapen in het hart
van rechters en profeten. Zij zuigen bloed en
beroven ons van onze goede vingers en vleugels.
Er komt een tijd dat er geen tijd meer komt.
Vrienden, mocht ik het vertellen? Wordt niet boos,
want wie gedichten schrijft is stapelgek.
De dichters leven onder water van de liefde.
Ze gokken op de zuurstof van de eeuwigheid
© Paul Snoek
Uit: Paul Snoek Welkom in mijn onderwereld, Brussel, Manteau, 1978
zondag 30 augustus 2009
Protocol
HET GELIJK
Hij vertrok, onfeilbaar, zelfs de deur
had een blauwe plek, hij had
in de roos geschoten.
Wij bleven met z’n tweeën achter
en de protocolcijfers
gaapten ons aan als
grote koppen van groene kevers
uit de kieren van de avond.
De boeken strekten
hun rug.
De weegschaal was zomaar aan het wegen
en de glazen kralen van de ketting
van Klaas Vaak zaten te smoezen
in de schaaltjes.
‘Heb je ooit gelijk gehad?’ vroeg een van ons.
‘Ik niet.’
Daarna telden we verder.
Het was al laat.
En buiten steeg de ijskoud paarse
rookstad naar de sterren.
© Miroslav Holub
Uit: Miroslav Holub De geboorte van Sisyphus, samengesteld en uit het Tsjechisch vertaald
door Jana Beranová. Amsterdam, De Bezige Bij, 2008
zaterdag 29 augustus 2009
vrijdag 28 augustus 2009
Vol van vallen
HERFST IN MECHELEN
Een
Er is geen ruimte tussen
De bomen of zij is vol
Van vallen. Er ligt
Een oude zon te rusten die
Haar zweet verloren heeft
Aan schuren van zomer
En zwaarden steken uit
De scheden van het gras. Het
Is alles sterfelijk hier met
Doodsnik van heuvels die
Klagen tegen oudere
Heuvels aan
Het is hier garen spinnen
Voor het blad dat holten
Opvult tot aan de rand, dat
Binnendringt in het
Benedenste verblijf
Waar weggewaaide winden
Voor altijd rusten
Twee
Hier is het lopen moe
Voor er een voetstap is
Gezet. Open, wind, nu
Een nieuwe horizon waarachter
Geen licht wegkwijnt. Geef,
Paden, de openheid die
Wij behoeven om een
Mogelijk ander pad te gaan
Dat nergens heenleidt en
Naar niemand toe
Drie
Er is geen hymne, klinkend
Zoals een zwaardvis zingt
Die een zee heeft om
Te doorklieven. Hier is
Alles geboren om een sterfelijk
Licht te laten schijnen over
Boomtoppen. Maar
De boom is een wegkwijnende
God aan wiens voeten alleen
Runderen nog knielen. Laat mij
Verdwalen tussen de laagte
Van struiken, dat ik het
Kleinste licht ontmoet dat
Hier beneden schuilen wil
Vier
Aarzel nu niet langer, licht,
En neem het dal in je bezit en
Laat mijn hoogte ongemoeid.
En draal niet langer meer om
Mij te voeden met een beter
Licht dan dat van sterren.
Breek dit landschap open dat
Ik binnen treden kan in een
Beboomde holte waar ik
Wonen kan in het stille
En ondoorgrondelijke
Vijf
Een schouder geeft mij gindse
Heuvel en dapper gaan wij
Omhoog, tot waar geen
Grint meer knispert, geen
Wind meer waait vanuit de diepte
En vrij als vogels gaan we weg
Uit laagten en komen aan
Waar geen zon ons hinderen kan
De ruimte in te stappen van
Het wolkverblijf en waar wolken
Ons meenemen om te verglijden
In het onnoembare en
Onvergankelijke
Zes
Het pad is zwart waarover
Ik loop, de berm gekneusd, de
Struiken gekwetst door het
Te vele licht. Ik ga de akker
Over naar een ander pad dat
Mij insluit en dat mij zwarter
Maakt dan een zwart paard dat
Volbracht heeft wat het
Ooit te volbrengen vermocht
Zeven
Geen tranen meer maar dieper
De nacht in waar het onzichtbare
Zich vertoont, en daar,
Waar leven slaap is, zwart
Te worden als een zwarte ster
Die op een zwarte akker
Verkoold in eigen as ligt
Acht
Een suite maar niet om
Te dansen en niet om te zingen
Maar om een zorgeloze oude
Herfst te begeleiden en
Met hem peinzend de ogen
Op te slaan en daarna de aarde te
Bekransen met bladeren van
Voorbije jaren en om gestrekt
Op bladeren te vergaan
En te weten: blad ben ik
Geweest en nerven had ik
Gevuld met sterfelijke
Onsterfelijkheid
Negen
Maar ik ben rijk aan
Korenaren en de tijd
Bezong mijn jaren en, levend,
Bleef ik bij stilte tot ik
Mij volgezogen had met
Het onhoorbare dat ik
Te befluisteren probeerde.
Ongehoord waren mijn dagen
Als ik nader kwam bij het
Bijna spreekbare ademhalen
Van stenen
Tien
Tot ik verdween was ik
Een niet-sprekende maar
Mij was het zicht vergund op
Ondoorgrondelijke bomen
Die ik laafde en spijzigde
Met mijn gebeden. En ik
Riep de wolk aan en de wolk
Hoorde mijn stem en daalde
Mijn koninkrijk binnen en
Bleef rusten daar
LEO HERBERGHS
Herfst in Mechelen verschijnt - verfilmd - in oktober 2009 op DVD.
De 85-jarige dichter en zijn echtgenote Cis tijdens een boekenmarkt
bij een stand met affiche van de nieuwe poëzie-uitgave
- foto Jo Linssen - met dank aan Hennie Jetzes en Stichting LTRTR
donderdag 27 augustus 2009
Over elkaar gelegd
DE WANDELAAR
De wandelaar hijgt. Bij het achterlaten
van niets heeft hij ervaren hoe alles blijft.
Langs de jaren voordien ging zijn tocht.
Wat tot bedaren werd gebracht,
als met water besprenkeld stof, wordt herdacht.
In over elkaar gelegde landschappen
vindt hij één voor één iedereen terug.
Alleen: omkeren naar zichzelf kan hij niet.
© Eddy van Vliet
Uit: Eddy van Vliet De binnenplaats, Amsterdam, De Bezige Bij, 1987
De gebiedende wijs
OCHTEND
ochtend van kaarsen
ochtend van sneeuwballen
ochtend die dendert die ontploft met de nederlaag
van de samenzweerder en zijn schoonmoeder
ochtend van spreken
ochtend van aansporende wijs van gebiedende wijs
en oorspronkelijke taal
ochtend van luidsprekers
ochtend van koemelk kippenei en overpeinzing
ochtend van de klassenstrijd
ochtend van ledematen in beweging
ochtend van licht en lucht, ochtend van
longen en buitenkant
ochtend van een auto die start
die de echtgenoot weghaalt
Xiao Kaiyu
Uit de cyclus Ik voel mij een menigte mensen - vertaling Maghiel van Crevel -
in: Het Trage Vuur nr. 24, Tijdschrift voor Chinese literatuur, december 2003.
De achterkant
KLEIN SLAAPLIEDJE VOOR E.
Stil maar slaap maar de tuin ruist
zacht zacht terwijl een klein bizar
dierenverhaal nog juist je oor
bereikt. Al bijna onder het warme,
zware zeil als ik nog spreek
van het moede dier dat zich oprolt
in zijn kleine huis beweegt je hand
alsof ik erin knijp maar niemand
knijpt. Dan bereik je verre wateren,
uitgestrekte meren waar een zwaan
neerstrijkt. Je volgt zijn blik, hij ziet
een vis en zijn kop verdwijnt onder
de donkere spiegel. Daar zie je
de stille achterkant van de wereld:
over alles wat echt was vandaag
hangt nu de stilte van de nacht.
© Victor Schiferli
Uit: Victor Schiferli Verdwenen obers, Amsterdam, De Arbeiderspers, 2005
Later
NIETSVERMOEDEND
Daarnet passerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je de bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
© Rudy Kousbroek
Uit: Rudy Kousbroek Dierentalen en andere gedichten, Amsterdam, Augustus, 2009
Het zichtbare zelfde
AAN HET GRENSLAND (I)
Je kijkt over het land de ontelbaarste keer
in je leven naar waar het ophoudt
je zegt tegen ons dit is het grensland
het laatste van de aarde hier om ons heen
je zou willen weten wat voorbij daar is
voorbij het steeds maar weer zichtbare zelfde
je zoekt in de schimmige einder iets als
een gezicht maar van wat of van waar
je denkt aan je jeugd aan 1 Korintiërs 13
nu kijken we nog in een wazige Spiegel
maar straks staan we oog in oog
Rutger Kopland
Uit: Rutger Kopland Toen ik dit zag, Amsterdam, Van Oorschot, 2008
Op de bodem

Brood van mij
DOCHTER
Je voeten hebben mijn druiven geplet, je handen
mijn deeg gekneed tot ik geen adem meer kon halen.
Je hebt brood van mij gebakken, dat ik in de ochtend rook
maar dat snel verdroogde. Jij hebt mij leeggeschonken.
Je hebt je sigaretten in mijn mond gedoofd, je gesprekken
op mijn huid geschreven, je glimlach mijn oogbol in geperst.
Je hebt mij uitgekleed en je hebt je in mij
neergelegd, je koude voeten hebben mijn ingewand
kapot getrappeld. Je hebt mijn duim in je mond genomen,
je hebt mijn botten afgekloven. Wat rest:
de vrede waarin je sliep, die ik gestolen heb;
de filmrol van je kindertijd, die ik gesloten heb.
© Tomas Lieske
Uit: Tomas Lieske (ps. van Ton van Drunen, 1943) Hoe je geliefde te herkennen - Amsterdam, Querido, 2006
Vrouw die zich opmaakt
IK HEB EEN WOLK IN MIJN HAND
Zij zadelden de paarden
zonder te weten waarom
Zij zadelden de paarden in het dal
Alles was klaar voor zijn geboorte: een berg
voorouderlijk basilicum keek naar het Oosten
en het Westen. Een olijfboom
vlak bij een olijfboom in de Koran, tilde het taaldak op
azuurblauwe rook maakte de dag klaar voor een vraag
die alleen God aanging. Maart is een verwend kind
onder de maanden. Maart weeft katoen op amandelbomen
en geeft een maaltje kaasjeskruid op het kerkplein
Maart is de plaats voor een zwaluwavond
en voor een vrouw die zich opmaakt
οm in de woestijn te schreeuwen... en zich uitstrekt
in een eik
Nu wordt een kind geboren
en zijn kreet
woont in de kieren
Wij namen afscheid op de trap. Ze zeiden
dat mijn kreet te voorzichtig was geweest
voor gedachteloze planten
dat in mijn kreet regen was
Heb ik mijn broers en zusters iets misdaan
toen ik zei dat ik voor het huis
engelen met wolven had zien spelen
Ik herinner mij
hun namen niet en ook niet
hoe zij spraken - hoe moeiteloos zij vlogen
Mijn vrienden spreidden 's avonds hun vleugels en lieten
geen sporen na. Zal ik mijn moeder zeggen
dat ik andere broers en zusters heb
die een maan op mijn balkon leggen
en een mantel van kamille weven met hun naalden
Zij zadelden de paarden
zonder te weten waarom
Zij zadelden de paarden
tegen het einde van de nacht
Zeven aren zijn genoeg voor een zomertafel
Ik heb zeven aren en in elke aar
laat de akker een graanveld groeien
Mijn vader haalt water uit zijn put, zegt
droog niet ορ. Hij pakt mijn hand
om te zien hoe ik groei als postelein
Ik loop oρ de rand: ik heb twee manen
één hoog boven mij
en één zwemt in het water... ik heb twee manen
net als eerdere manen, zeker van hun gelijk
Wetten... ze hebben ijzeren zwaarden
tot ploegen gesmeed
Het zwaard zal niet goedmaken wat
de zomer bedierf, zeiden ze. Ze baden
lang, zongen lofzangen op de natuur
en zadelden de paarden
om een paardendans te dansen
in de zilvernacht
De wolk in mijn hand deed pijn
Van de aarde wil ik niet meer dan
deze aarde: de geur van kardemom en stro
tussen mijn vader en het paard
De wolk in mijn hand deed pijn
maar ik wil van de zon
niet meer dan een sinaasappelpit en
goud dat vloeit uit de oproep tot gebed
Zij zadelden de paarden
zonder te weten waarom
Zij zadelden de paarden
tegen het einde van de nacht en wachtten
tot een schim uit de spleten kwam
© Mahmoud Darwish
- vert. Kees Nijland en Asad Jaber -
Uit: Mahmoud Darwish Waarom heb je het paard alleen gelaten. Maassluis, Uitgeverij de Brouwerij, 2009.
woensdag 26 augustus 2009
Reislust
ZWARTE HOEK
Hier begint het land, in deze zwarte hoek. Het water
bij De Zwarte Haan ligt bijna spiegelglad. Kleine
rimpels in mijn spiegelbeeld. Ootmoed en geluk
gaan kalm in mij tekeer. Sint Jabik legt zijn hand
op deze vlek. Een vonk ontsteekt de zon. Reislust
suddert op het kleinste pitje gaar. Mijn pelerine en
mijn schoenen zijn behaaglijk aan het stramme lijf.
In het water van de zee doop ik de staf –
oh hoed, bescherm mijn ogen tegen almaar meer,
onstuimig licht, als ik de eerste stappen zet.
Chrétien Breukers
Uit: Chrétien Breukers Gysbert Japicx bezoekt het Drielandenpunt, Leeuwarden, Friese Pers Boekerij, augustus 2009.
De poëzie in deze bundel wordt in drie talen aangeboden: het Fries, het Nederlands en het Limburgs (omgeving Weert).
ZJWARTE HOOK
Hie begintj ’t landj, in deze zjwarte hook. ’t Water
bie De Zjwarte Haan ligktj bienao sjpegelglaad. Klein
rumpels in mien sjpegelbeeldj. Nederigheid en gelök
gaon kalm in mich te seil. Sint Jaobik ligktj zien handj
op dit buurtsjap. Ein vónk óntsjtiktj de zón. Zin väör te reize
suddertj op ’t kleinste pitje gaar. Miene pelgrimsmantjel en
mien sjoon zitte mich wie ein koet aan ’t houte lief.
In ’t water van de zieë duip ich de sjtaaf –
aoh hood, besjerm mien uig taege mier en mier,
broestig leecht, as ich de ieërste traej zit.
SWARTE HOEKE
Hjir begjint it lân, yn dizze swarte hoeke. It wetter
by De Swarte Hoanne leit suver as in spegel. Lytse
ronfels yn myn spegelbyld. Dimmenens en lok
gean kalm yn my te kear. Sint Jabik leit syn hân
op dizze flekke. In fûnk ûntstekt de sinne. Reislangst
soarret op it leechste pitsje gear. De pylgermantel en
de skuon sitte my noflik oan ’t kerbintich liif.
Yn it wetter fan de see doopje ik de stêf –
och hoed, beskermje myn eagen tsjin it al mar mear,
brûzich ljocht, as ik de earste stappen set.
Zie ook:
http://rotterdampoetrylakes.blogspot.com/2009/08/de-borst-van-de-grammatica.html
Spinrag
DE WEG NAAR HET BINNENSTE
Op weg naar de bronnen van taal
dwaalde je door een nachtelijk landschap
waar in plaats van stenen open ogen liggen.
Toen verzonk de weg als ijs in een plas
en je viel. Een paar duizend jaar.
Je belandde
in een woest spinragkeldertje zonder
ramen. Bij de muur hurkten twee
drie kreupele woorden
(ik… weg… groen)
en op de vloer lag
gejammer.
Je sloot de deur en holde terug.
Het binnenste, dacht je,
het binnenste zit vast wel buiten.
© Miroslav Holub
Uit: Miroslav Holub De geboorte van Sisyphus, samengesteld en uit het Tsjechisch
vertaald door Jana Beranová. Amsterdam, De Bezige Bij, 2008
maandag 24 augustus 2009
Kermisattracties
¿LE GUSTA ESTE JARDIN?
Als ik mijn zonnebril afzet
is deze wereld nog angstaanjagender.
Hij is echt. De juiste kleuren
kruipen op de juiste plaatsen.
Een slang glibbert over alles wat hij tegenkomt. Zonet
heeft hij ons aangeraakt.
Sneeuw zal gaan vallen en alles bedekken.
Maar voorlopig is de stad nog zichtbaar - een zwart
bot zo nu en dan verlicht door koplampen
van kleine autootjes, ik zit hoog
en kijk. Het is avond. Ze zijn nu dicht
alle kermisattracties.
Avond. Mannen keren huiswaarts met hun buit.
Gulzige priesters zijn in staat
alleen zichzelf te verlossen. Een hond liep
met ons mee en stonk. Mijn documenten
zijn vergaan. Alles wat ik liefhad
is vergaan. Ik ben gezond en ongedeerd.
Er staat niets over mij in de Grondwet.
Marcin Świetlicki
Uit: Karol Lesman (red. en vert.) Heb medelijden, tijd. Poolse poëzie van de twintigste eeuw. Leiden, Plantage, 2003.
Marcin Świetlicki (1961), rebel onder hedendaagse Poolse dichters, weigerde ooit een prijs te aanvaarden uit handen van zijn grote collega Czeslaw Milosz.
Herfst
REEËN
ik vroeg of je nog van me hield
en je zweeg lange tijd
tot je 'kijk', zei, 'beneden'
daar stonden in langzaam
en laaghangend licht
twee reeën een ogenblik stil,
toen vluchtten zij snel en gewichtloos
het struikgewas in
hier en daar werden bladeren geel
dat was wat je daarna zou zeggen
'september, de herfst komt er aan'
© Miriam Van hee
Uit: Miriam Van hee De bramenpluk, Amsterdam, De Bezige Bij, 2002
zondag 23 augustus 2009
Opalen oorbellen
Aan de waslijn met kleren op het terras.
Aan de vrouwen van de oude schilders (echte en fantastische).
Aan hen die in het algemeen verloren, vergeten, verraden
zijn. Aan sommige moordenaars. Aan de mooie
studente met de mauve
opalen oorbellen. (Schitterend schreed ik voort
in de nacht. Zonder te zinken. Over het zeevlak).
Aan de open ramen in de zomer. Aan je duistere handen.
Aan de violette
kleur van je ogen wanneer de lucht betrekt. Of wanneer
het hard waait. Of wanneer...
Aan de dood... De lente is de brief die ik je schrijf.
Aan Bertolt Βrecht.
© Násos Vayenás
Uit: Dooltocht van een niet-reiziger
in: Násos Vayenás Biografie en andere gedichten – vertal. uit het Grieks: Marko Fondse en Hero Hokwerda.
Amsterdam, Het Griekse Eiland, 1990.
De bladeren zullen mij voorlezen
FRUITPLUK
Ik werd wakker en samen met de ochtend vond ik deze brief.
Ik weet niet wat erin staat want ik kan niet lezen.
Ik zal de wijze man met de neus in de boeken gerust laten.
Ik zal hem niet storen, want hij kan wel lezen.
Wat er in de brief staat?
Laat mij hem aan mijn voorhoofd houden en aan mijn hart
drukken.
Wanneer de nacht stil groeit en de sterren een voor een ver-
schijnen zal ik hem op mijn schoot openvouwen en stil blij-
ven zitten.
De ritselende bladeren zullen mij luidop voorlezen wat erin
staat, de snelle stroom zal het roepen en de zeven wijze ster-
ren zullen het zingen vanuit de lucht.
Ik kan niet vinden wat ik zoek, ik versta niet wat ik zou leren;
maar deze ongelezen brief heeft mijn last verlicht en maakt
van mijn gedachten liedjes.
Rabindranath Tagore
Uit: De mooiste van Rabindranath Tagore - vert. Ivo van Strijtem. Atlas, Amsterdam, 1997.
Rabindranath Tagore (1861-1941) kreeg in 1913 de Nobelprijs voor Literatuur. Hij werd de bekendste Bengaalse schrijver die grote invloed had op Mahatma Gandhi, de leider van de geweldloze beweging die naderhand in 1948 de onafhankelijkheid van India afdwong.
Tagore werd in het jaar 1913 ook de eretitel 'Sir' toegekend, maar die gaf hij zes jaar later terug uit protest tegen het gewelddadige optreden van de Britse koloniale overheersers.
De eerste trein
In de keuken zetten wij ons neer,
Jij en ik, en verder niemand meer
Het mes is scherp en brood is er volop...
Pomp gerust de primus nog eens op,
Of bind anders voor het morgenlicht,
Met een stukje touw de koffer dicht,
Want dan nemen we de trein
Naar een plek waar we onvindbaar zijn.
Uit: De meisjes van Zanzibar - Zesentwintig Russische gedichten vertaald door Leidse slavisten met Karel van het Reve.
Maastricht, Gerards & Schreurs, 1988
