zaterdag 13 augustus 2011

Waar je ligt







LEESBOEK VOOR STADSBEWONERS



I

Neem afscheid van je kameraden op het station!
Ga 's morgens de stad in met dichtgeknoopte jas
Zoek een onderkomen en als je kameraad bij je aanklopt:
Doe, o doe de deur niet open
Maar
Wis je sporen uit!

Als je je ouders tegenkomt in de stad Hamburg of ergens anders
Ga als een vreemde aan hen voorbij, sla de hoek om, herken ze niet
Trek de hoed die ze je schonken over je ogen
Laat, o laat je gezicht niet zien
Maar
Wis je sporen uit!

En het vlees dat er is! Spaar niet!
Ga elk huis binnen als het regent en ga zitten op elke stoel die er is
Maar blijft niet zitten! En vergeet je hoed niet!
Ik zeg je:
Wis je sporen uit!


Wat je ook zegt, zeg het niet twee keer
Vind je wat je denkt bij iemand anders: verloochen het.
Wie zijn handtekening niet gegeven heeft, wie geen foto achterliet
Wie er niet bij was, wie niets gezegd heeft
Hoe moeten ze die pakken!
Wis je sporen uit!

Zorg als je denkt te sterven
Dat er geen grafsteen staat die verraadt waar je ligt
Met een duidelijke inscriptie die je aangeeft
En het jaar van je dood dat je schuldig bevindt!
Nog één keer:
Wis je sporen uit!


(Dat werd mij gezegd.)


© Bertolt Brecht




Uit: Bertolt Brecht (1898-1956) Over de aardse liefde en meer - samenst., inleid. en vert. Martin Mooij - Rotterdam, Ad. Donker, 1998.



Zondag 13 augustus 1961, vandaag vijftig jaar geleden: begin van de bouw van de Berlijnse Muur. 
Een 100 meter brede constructie met obstakels die de inwoners van de Deutsche Democratische Republiek, het 'betere' naoorlogse Duitsland, weg moest houden van het 'vrije' westen. De bloedige scheidingsmuur tussen twee leefwerelden, hét symbool van de Koude Oorlog, hield het uit tot 9 november 1989 toen opstandige 
volksmassa's de betonversperring na de val het Oost-Duitse regime aan stukken hakten.

Wat dichter, geëngageerd toneelschrijver en criticus Bertolt Brecht van de bouw van de muur zou hebben gevonden weten we niet. Hij stierf na een hartinfarct op 58-jarige leeftijd in Oost-Berlijn: vijf jaar vóór de bouw van de omstreden Muur.
In oostelijk Berlin, Hauptstadt der DDR, genoot Brecht sinds 1949 - via een Tsjechisch paspoort - onderdak nadat hij eerder twee keer was gevlucht: eerst voor zijn vroegere Duitse landgenoten, de nazi's, en later na de bevrijding nog eens in de VS wegens de toenmalige heksenjacht op alles wat  'links' of vrijdenker was.


Brecht wilde zijn Oost-Europese gastheren publiekelijk niet voor het hoofd stoten, maar na een aantal jaren had hij genoeg gezien van de propaganda en de communistische heilsstaat waarin hij inmiddels leefde. Het land dat zijn eigen volk letterlijk opsloot achter een betonmuur had Brecht na enige jaren zwaar voor het hoofd gestoten met, net als in het geallieerde westen,  een publicatieverbod voor een aantal van zijn stukken. De laatste keer dat Brecht, na een eerder onderkomen in zijn theaterschool, in Oost-Berlijn verhuisde was naar een woning aan de fameuze  Chausseestraße 125. Niet ver van het Charité-ziekenhuis, direct naast het kerkhof waar Brecht na zijn dood in 1956 op 17 augustus van dat jaar ook begraven werd.

Het gedicht dat Bertolt Brecht wijdde aan een eerder verblijf in het Charité staat op
http://rotterdampoetrylakes.blogspot.com/2011/08/gezang.html

vrijdag 12 augustus 2011

Lege fles


DE BOODSCHAP VAN EEN SCHIPBREUKELING




als niet de zon in de hemel zou opgaan
maar mijn verblindende achttien-karaats levenslot
dan zouden jullie rustig doorgaan met het kweken
van wortelen voor de soep
in plaats van liefde voor jullie evennaaste
uit hoogmoed zouden jullie de vrouwen kammen met tanden
uit pronkzucht de vergissingen tooien met pauwestaarten
in de neveling van het lied zouden jullie niet zien
hoe ik me terugtrek in de lege fles wijn als een boodschap
voor verre tijden
wachtend op een schip
in deze stad
waar de zee niet meer bestaat



© Mircea Dinescu




Mircea Dinescu De terreur van het gezonde verstand, uit:
Engel in het raam op het oosten - hedendaagse poëzie uit Roemenië, bloemlezing.
Samenst., inleid. en vertal. Jan H. Mysjkin, Gent (B.), PoëzieCentrum, 2010

donderdag 11 augustus 2011

Het lekt


PLAATSEN



Wat doen we hier?
De tafel is nog niet gedekt.
Er lopen scheuren langs de wand
of zijn het kreukels in papier
dat ons in steeds dunnere verf
over de rand doet vloeien. Het lekt

herinneringen aan gebeurtenissen
die ik nooit heb meegemaakt. Een bliksemschicht
zoekt - heel decoratief - een baan door de kamer.
Raakt een vaas, vazen die schaduw plaatsen.
Ik ben hier thuis op een manier. 


© Maria Barnas



Uit: Awater, poëzietijdschrift, zomer 2010 - nieuw werk van Maria Barnas (drie gedichten)

Naalddiep


EMIGRANT





Aan deze foto kleeft wat bloed
al toont zij enkel zwierigheid;
serpentines tussen wal en schip
zwakke hangbrug voor een ogenblik.

Daar ga je dan met stenen in je maag,
de slingers breken en dus ook je hart.
Je noemt het avontuur, maar het is smart.
Er komt geen einde meer aan deze trip.

Er staan wat vrouwen aan de waterkant,
hun woorden spinnen nog een ijle draad,
die taai aan de verschansing hangt,
een witte zakdoek kust de lucht.

Stilaan worden de mensen vaag,
maar bijten feller onderhuids,
het land verdwijnt in naalddiep zeer,
dan is er enkel zee en licht.

En op de reling, wit en koud,
twee handen, met een felle grip
knijpen zij stom het schreeuwen weg
dat in de ogen achterblijft.



© Peter Goedhart


- ongepubliceerd gedicht, door de auteur gelezen tijdens een voordracht op de openingsavond
van Poetry International, Rotterdam juni 2011 -

Zoete moes


MAJOOR EN DE KIEZELSTEEN



De majoor slaapt.
Een kiezelsteen in z'n koude hand fluistert:

'Houd moed, als je te stijf
blijft, vergruis ik helemaal.'

De majoor slaapt.
Een kiezelsteen in z'n koude hand roept:

'Doe iets. Knijp in mijn wang, keil me
tegen de muur, dril me tot zoete moes.'

De majoor slaapt.

Wordt hij ooit wakker
zal hij een kiezelsteen mores leren.


© Elmar Kuiper



Uit: Elmar Kuiper Hechtzwaluwen Amsterdam, uitgeverij Augustus, 2010

woensdag 10 augustus 2011

Orkaan


NIEUWS VAN NERGENS



Daken schuiven van de huizen, geven
buizen bloot. Geluidloos breken
berken af. In het hart van de orkaan

vertelt zij wat ze ziet, verslaggeefster
van niets. Hulpdiensten, windkracht?
Herkansing in het late nieuws, ze zegt

een slachtoffer met halflang haar,
opstopping, sneeuwalarm.
Haar stem klinkt hoog en bang.

Kijker gaan koffiezetten, klikken door.
Hier dreigt ontslag, dat zie je zo. Maar
tot het zover is staat op een berg,

te dun gekleed, iemand te briesen
in een microfoon, een eindeloze stroom
met nieuws van nergens.


© Anna Enquist


Titelgedicht, uit: Anna Enquist Nieuws van nergens Amsterdam, de Arbeiderspers, 2010

Alles in orde


LANGE ROEP VAN EEN WOLF




Na veertien jaar gevangenis
kwam ik thuis.
Maar mijn vriend Issa
kan niet van zijn ballingschap in Noorwegen terugkomen
behalve via de telefoon of de gevangenis.
Hij belde en feliciteerde me met mijn vrijlating.
Ik vroeg hem hoe zijn leven was.
Hij zei: 'Ik werk, ik ben verliefd, ik schilder.
Alles is in orde.'
'We waren in de gevangenis bezorgd om jullie', zei ik,
'Alles is draaglijker dan Tadmur'*, zei hij,
Ik vroeg: 'Ben je niet moe van heimwee?'
.....
Ik herhaalde mijn vraag: 'Ben je niet moe van heimwee?'
.....

Momenten van zware wachtende stilte... en dan de lange roep
van een wolf,
overgaand in een huilbui.
De hoorn werd kletsnat van zijn tranen.



© Faraj Bayrakdar


Uit: Zo'n gelukkige dag - Dichters voor Amnesty International (samenst. Daan Bronkhorst),
Breda, De Geus, 2007 - vertaling uit het Arabisch: H.B.


* Tadmur: Syrische militaire gevangenis, berucht vanwege de martelingen.

dinsdag 9 augustus 2011

Teruggedraaid


OOM KAREL: EEN FAMILIEFILMPJE



Vanmiddag een familiefilmpje gezien. Oom Karel
niets vermoedend in een bootje bij Loosdrecht.
Drie weken later was hij dood, niet meer vatbaar voor
celluloid.

Hoe goed zou het zijn een filmpje van zijn sterven te bezitten
als operateur zijn laatste adem af te draaien
vertraagd het stollen van zijn blik, het vallen van die hand
langs ijzeren bedkant nog eens en nog eens te vertonen.

Of op topsnelheid, zodat het doodgaan van oom Karel
iets vrolijks krijgt, een uitgelaten dans op een krakend bed,
de omhelzing van een onzichtbare vrouw

die teruggedraaid hem wakker kust; de ogen
worden weer blik, kijken in de lens, de hand wijst.
Oom Karel leeft, oom Karel is dood.



© J. Bernlef


Uit: J. Bernlef  Ben even weg Amsterdam, Querido, 1965

Vaste vloerbedekking



STRAFWERK




Ik zal het nooit meer doen.
Ik zal geen bedscènes meer beschrijven.

(D.w.z.
ik laat ze voortaan neuken in een lift
op vaste vloerbedekking
of de achterbank van een ID.)

Ik zal het nooit meer doen.
Ik zal geen bedscènes meer beschrijven.

Ik zal het nooit meer doen.



© C.B. Vaandrager



Uit: Vaandrager Made in Rotterdam - verzamelde gedichten, samenst. Martin Bril & Hans Sleutelaar. Amsterdam, De Bezige Bij, 2008

Een slome, bleke


Toen ik uit het raam keek

zag ik je lopen aan de overkant
daarna schreef ik snel een regel van twaalf woorden neer
want dat vond ik was mijn taak.

Toen ik weer naar buiten keek
was je al bijna bij de hoek
(de winkel waar ik Stella en Stuyvesant haal).

Er liep een jongen naast je
met een schooltas onder z'n arm
een slome bleke puistekop
maar wel van je leeftijd.


© Remco Campert




Uit: Remco Campert Mijn leven's liederen, Amsterdam, De Bezige Bij, 1968

Op een dag



OM IN HET ALBUM VAN EEN TIRAN TE SCHRIJVEN




Hoed je voor twijfelaars
want op een dag weten zij wat ze niet willen.
Hoed je voor lieden die niet uit hun woorden kunnen komen,
Juan-de-Stotteraar, Pedro-de-Stomme,
want op een dag ontdekken zij de kracht van hun stem.
Hoed je voor verlegen, beteuterde mensen,
want op een dag staan zij niet meer op als jij binnenkomt.



© Herberto Padilla


- uit het Spaans vertaald door Mariolein Sabarte Belacortu / Poetry International, Rotterdam (1981)


Herberto Padilla (1932-2000), een jeugdvriend van Fidel Castro, werd zoals veel Cubaanse dichters door het eigen régime als 'staatsgevaarlijk' gevangengezet. Na twintig jaar ballingschap stierf hij in de Verenigde Staten.

maandag 8 augustus 2011

Zandfontein


ZELFPORTRET



Mijn geboorte ben ik vergeten. Volgens overlevering
afgeknaagd en weggeblazen. Wispelturige winden
straalden me omhoog, misbruikten mijn harde kern
om bergen te hervormen. Daarna, alsof het niets was,

gedumpt boven gretige oceanen. Eeuwen duisternis.
Toen onverwacht strand. Door verliefde vingers mocht ik
glijden, kinderen bouwden kastelen. Tot het avond werd.
Iedereen naar huis. Minuscule speelbal van het getij.

Vanochtend was het weer raak. Gegrepen, opgespoten,
zeldzaam moment van trapeze, zandfontein van lichtgeluk.
Zag schepen gekleurd, meeuwen jaloers, mensen verbrand.
Ik dacht, dit is groots, wijds, leven in voorspoed. Helaas.

Klem tussen tegels, op slot onder asfalt. Miljarden boven,
naast en onder. Ik vraag u, geef me een hand, doorzoek
dit lichaam, streel mijn kristal, neem me tussen uw tenen.
Nog even en ik hecht me aan uw zool, aan uw ziel.


© Peter Swanborn


Uit: Woorden in de branding - Dichters aan de Maasvlakte 2
Rotterdam, Gemeentelijk Havenbedrijf, 2009

Kolen op het vuur (onder de trap)


KRANTENPAD



De oorlog was al lang voorbij
maar zij waren er nog
Eenmaal per jaar

Grote, sterke mannen*
die in zwarte kleding
over Het Vrije Volk liepen

Van een wagen voor de deur
naar het kolenhok
onder de trap

Langs een waakse vader
die boekhield op een
sigarenkistje

Want belazerd word je
Die oorlog is nooit afgelopen


© Ton Huizer



Uit: Ton Huizer Springtij, Amsterdam, Eijlders, 2010.


* Kolenboeren die met zakken van jute over hun hoofd de brandstofvoorraad voor huiskachels en fornuis kwamen aanvullen, vlak voor de winter. Moeders in de jaren vijftig en zestig maakten voor binnenkomst van de sjouwers een pad van
oude kranten: om de vloerbedekking te beschermen tegen van ruggen vallend zwart gruis.

zondag 7 augustus 2011

Vaart


OMEROS



Dit was de schreeuw waar iedere odyssee om draait,
die stille roep om een rif of een vertrouwde vogel,
niet de oorlogskreet, niet de verwarde intriges

van een visnet, maar als een golf rijmt op iemands dood,
een doodkist op een boot, die parallel wordt overschreden,
de scheiding tussen meester en slaaf gesloopt.

Dan is een opgestoken riem sterker dan marmeren
Caesars geheven handpalm, en een snelle zeilboot
gezwinder dan zijn galeien in haar heerlijke vaart.



© Derek Walcott


- uit het Engels vertaald door Jan Eijkelboom -

fragm. uit Omeros (New York, 1990), het belangrijkste werk van de Caraïbische dichter en Nobelprijswinnaar Derek Walcott, waarin o.m. wordt verwezen naar de Atlantische slavenhandel.
In Nederland, in de vertaling van J. Eijkelboom, verscheen deze omvangrijke uitgave bij De Arbeiderspers, Amsterdam 1993.

Verlaten


OOK WIJ, TITAANTJES




We hadden geen benul van hoe het liep.
We deden dingen omdat je dingen doet.
We richtten daden aan en lazen soms een boek
om te vieren dat gedachten niet vergingen.

We gingen door omdat je verder moet
of bleven haken aan een onverwachte blik
omdat er blikken zijn waarmee iets wordt bedoeld,
vooral wanneer bedoeld was wat wij wilden.

We vingen aan en rondden ook wel af
maar wat in gang gezet was ging zijn eigen weg toch weer.
We maakten plannen, legden ons erbij neer
dat dingen gingen zoals ze niet waren voorvoeld.

We liepen af toen het eenmaal zo ver was
dat wat niet voorvoeld was onomkeerbaar bleek.
we lieten wat we hadden in de steek
en zochten naar wat ons verlaten had.




© Hagar Peeters



Uit: Hagar Peeters Koffers zeelucht Amsterdam, De Bezige Bij, 2003

zaterdag 6 augustus 2011

Duw mij van de kant


VEDERLICHTE TRED IN MIJ




Vederlichte tred in mij,
lang vervlogen geur,
galante jaren met die lichte toets.
Gesteven spierwit linnengoed,
bongo’s op de gang,
donkere sherry die mij zinderen doet.

Weer gevonden tederheid
en het avontuur,
het donker laat ze ’s avonds los.
Cocktails in de Lido bar
en de oceaan,
kussen die ons vliegen deden toen.

Zet mij in een kleine boot,
duw mij van de kant,
laat mij ze gaan zoeken ver op zee;
vreemde bloesems zilt en zacht
verloren in de nacht,
elegantie die mij heeft gestreeld.

Zet de zilveren knopen aan mijn
hagelwitte jas,
epauletten drukken zwart en zwaar.
Alles wat mij hier nog hield
- goed gelukte sound -
zo vertrouwd alsof het gisteren was.



© Peter Goedhart




Komende maand begint zanger-dichter-componist Peter Goedhart met zijn ensemble een bijzondere bootreis vanaf Rotterdam-Zuid. Wie in de Rijnhaven, achter het nieuwe Luxor,
aan boord stapt van de historische Animathor (1904, max. 100 pers.) maakt een tocht waarin meer dan alleen de wereld van de zeilende vaartuigen wordt verkend.
Eerdere theaterreizen van Goedhart vertelden het verhaal van het roemruchte cruiseschip
‘Willem Ruys’, de theeklipper ‘Cutty Sark’ en van de Portugese dichter Fernando Pessoa. Deze keer zijn liederen en teksten te horen van Robert Louis Stevenson (1850-1894), Schots schrijver van avonturenromans, gedichten, toneelstukken en literaire reisverhalen zoals Schateiland en
Dr. Jekyll and Mr. Hyde.
Tijdens deze watermuziekreis brengt Peter Goedhart zijn varend publiek opnieuw naar een verrassende plek in het Rotterdams havengebied: een scheepswerf uit de 18e eeuw, een van de oudste werven van Nederland, met een grote dwarshelling en fraaie houten loodsen.


Foto: De historische schoener die R.L. Stevenson tijdens een van zijn reizen naar de eilanden van de Stille Zuidzee bracht,
waar de schrijver in 1894 stierf en begraven werd op Samoa.  

Nog niet gehecht


VOOR DE LIEFSTE ONBEKENDE


                      Wie van ons twee heeft de ander bedacht? - Paul Éluard


Wat ben ik blij dat ik je nog niet ken.
Ik dank de sterren en de maan
dat iedereen die komt en gaat
de diepste sporen achterlaat, behalve jij,
dat jij mijn deuren, dicht of open,
steeds voorbijgelopen bent.

Het is maar goed dat je me niet herkent.
Kussen onder straatlantaarns
en samen dwalen door de regen,
wéér verliefd zijn, wéér verliezen,
bijna sterven van verdriet -
dat hoeft nu allemaal nog niet.

Ik ben nog niet aan ons gehecht.
Ik kijk bepaald niet naar je uit.
Neem de tijd, als je dat wilt.
Wacht een maand, een jaar,
de eeuwigheid en één seconde meer -
maar kom, voor ik mijn ogen sluit.


© Ingmar Heytze


Uit: Ingmar Heytze Het ging over rozen. Amsterdam, Podium, 2002 
   
 


Gedenksteen bij het woonhuis in Charenton-le-Pont (Parijs), waar op 18 november 1952 de Franse surrealistische dichter Paul Éluard overleed aan een hartaanval.
Éluard ligt begraven op Père-Lachaise.

Onder de lakens


XVIII



Je gaat de droogkamer binnen. Je loopt onder de lakens door: het geruis
op je rug. Je trekt de zijden onderjurk aan en schuifelt voortdurend voor
de spiegel. Je glimlacht, en je glimlach keert naar je terug en plakt zich
koket op je lippen. Je maakt je op en je beeld doet je na. Je bedreigt haar
met je lippenstift en je oogpotlood, maar ze blijft je nadoen. Vervolgens
trek je haar contour na op het glanzende oppervlak. De spiegel barst:
het verstrooide hoofd. Talloze plakplaatjes bedekken je. Je voelt je licht,
je verheft je in de lucht. De mensen blijven staan en kijken, de ogen wijd
open: boven de stad, een vlieger met lange staart en dikke wenkbrauwen.


© Doina Ioanid




- uit het Roemeens vertaald door Jan Mysjkin -


In: Doina Ioanid Het juffertje van marsepein, Rotterdam, Douane, 2011 - met vertaling en
nawoord van Jan H. Mysjkin

Geur


Als de wind
uit het oosten waait
zend me dan jullie geur
bloesems van de pruimeboom
jullie baas is weg
maar vergeet toch de lente niet!


- Sugawara no Michizane

[Japan, 845-903]

vrijdag 5 augustus 2011

Een prins zoals ik


DE STIEFMOEDER




Kleed je uit.
Buig je hoofd.
Kijk me aan
als ik je met een natte dweil in het gezicht sla.
Je denkt dat je een prinses bent
een prins zal je komen halen
maar alle prinsen
op paarden
die jou komen halen
zullen zijn als ik.



© Tjitske Jansen



Uit: Tjitske Jansen Het moest maar eens gaan sneeuwen Amsterdam, Podium, 2003.


Tjitske Jansen (1971) ging op haar twaalfde wonen in een pleeggezin.