donderdag 22 mei 2008
We zullen niet toelaten dat ze onze dagen slopen
Onzichtbaar
Welk gezicht aanvaard je uiteindelijk?
Ik herinner me jou dacht ik in andere gedaante
je had een wrat onder de wang
en trok een beetje met je rechterbeen.
Nu de zaken zijn zoals ze zijn en alles
met de grond gelijk gemaakt is in onze geest
is zelfs de wind, die overbrenger
van onvoltooide bewegingen of stemmen,
buitengesloten en kan niet binnenkomen
wat we ook zeggen wat we ook doen.
Als dit gezicht, dus, jou niet toebehoort
moet het van iemand zijn die in een droom in slaap viel
en eeuwen eerder is ontwaakt, zonder te weten
dat al die tijd met lege ogen wíj
lazen wat in het lot geschreven stond.
Fivos Stavridis
- vertaling uit het Grieks: Hero Hokwerda -
Voor Miranda
Elk landschap dat we geleefd hebben,
elke hoek die door de jaren verbleekt is
is ónze zaak,
we zullen niet toelaten
dat grondwerkers en graafmachines
onze dagen slopen
onze nachten verjagen.
We hebben geen vergeving van zonden gegeven
aan stedenbouwer en landmeter,
we hebben geen boekhouders aangesteld
voor onze dromen vol gaten.
Fivos Stavridis
- vertaling uit het Grieks: Hero Hokwerda -
Fivos Stavridis (1938) werd geboren in Larnaka, Cyprus. Hij studeerde voor apotheker, maar houdt zich sinds 1995 uitsluitend bezig met literatuur. De gekozen gedichten zijn afkomstig uit zijn tweede bundel Tríto Prósopo (1982). De gedichten, vertaald door Hero Hokwerda, werden eerder opgenomen in de bloemlezing Wij wonen in een taal, Brugge 2004 (red. Kees Klok).
Voor meer - vertaalde - poëzie van Fivos Stavridis, lees ook Stanza op DeContrabas.com
http://decontrabas.typepad.com/stanza/2008/05/fivos-stavridis.html
Het is pas 13:16 uur
DE TERRORIST - KIJKT
De bom in het café zal om dertien uur twintig ontploffen.
Nu is het pas dertien uur zestien.
Er kunnen nog een paar mensen naar binnen,
een paar naar buiten.
De terrorist is de straat al overgestoken.
Die afstand behoedt hem voor elk kwaad
en tegelijk ziet hij alles alsof hij in de bioscoop zit:
Een vrouw in een geel jack - gaat naar binnen.
Een man met een donkere bril - komt naar buiten.
Twee jongens in spijkerbroek - staan te praten.
Dertien uur zeventien en vier seconden.
De kleine heeft geluk - hij stapt op zijn scooter,
maar de grote - gaat naar binnen.
Dertien uur zeventien en veertig seconden.
Er komt een meisje aan - ze heeft een groen lint in haar haar.
Maar nu belemmert die bus het uitzicht opeens.
Dertien uur achttien.
Het meisje is verdwenen.
Of ze zo dom is geweest naar binnen te gaan of niet,
zullen we zien als het uitdragen begint.
Dertien uur negentien.
Om een of andere reden gaat nu niemand naar binnen.
Er komt wel een kale, dikke man naar buiten.
Maar het lijkt of hij iets in zijn zakken zoekt en
tien seconden voor dertien uur twintig
gaat hij terug, alleen voor twee rottige handschoentjes.
Het is dertien uur twintig.
De tijd - wat gaat hij toch langzaam.
Nu is het vast zo ver.
Nog niet.
De bom - ontploft.
© Wíslawa Szymborska
Uit: Wíslawa Szymborska Einde en begin, gedichten 1957-1997, Amsterdam, Meulenhoff, 1999
Oorspr. in: Grote getallen (1976)
- uit het Pools vertaald door Gerard Rasch -
woensdag 21 mei 2008
Hoe wil je heten, Vogelenhaar?
Je naam? Maar ik heb je naam vergeten.
Je letters lopen over in elkaar.
Wij zijn van zoveel ik gemaakt, bezeten,
dat wij geen leven hebben voor elkaar.
Ik weet je naam wel maar hoe wil je heten:
Springveer, Wilde, Kleine Clown, Vogelenhaar,
Brood Dat Je Proeven Moet Om Op Te Eten,
Tot Ziens, Adieu, Nooit Meer of Toch of Maar?
Ik zeg maar wat. Ik moet in je geloven,
al ben je niet degene die je bent,
woon je nieuw naast mij of vlieger je boven
de daken. Ik heb je te slecht gekend
en kan je nu geen stom geluk beloven,
vreemdelinge. Wij zijn dat licht ontwend.
© Hans Andreus
oorspr. in: De sonnetten van de kleine waanzin (1957),
later opgenomen in: Hans Andreus Verzamelde Gedichten, Amsterdam, Bert Bakker, 1984.
Vrolijke avonden
UIENOOGST
Op dit kale verkavelde land
zoek ik de vrolijke avonden van de oogst.
We werkten we zongen we dronken
de limonade van de onschuld, de genade
van de Heer stond hoog aan de hemel,
geloof was nog geen zonde van de tijd.
Vader woog het deel dat ons toekwam
en lachte om de neef die niet goed
bij zijn hoofd was en anders met vrouwen.
Zij sloegen de ogen neer voor de heer
die van onze centen in een Mercedes reed.
Zo stonden wij te kijk: mes en zak en stof
het hemelrijk nabij,
en oogstten de uien en huilden namaaktranen.
© Rien Vroegindeweij
Uit: Rien Vroegindeweij Gemengde berichten – Amsterdam,
uitg. Nieuw Amsterdam, 2006
In 2007 ontving Rien Vroegindeweij (1946, Middelharnis) de driejaarlijkse Anna Blamanprijs van het Prins Bernhard Cultuurfonds voor zijn gehele oeuvre.
Zoals je zwijgt
Een vergeefs gedicht
Zoals je loopt,
door de kamer uit het bed
naar de tafel met de kam,
zal geen regel ooit lopen.
Zoals je praat,
met je tanden in mijn mond
en je oren om mijn tong,
zal geen pen ooit praten.
Zoals je zwijgt,
met je bloed in mijn rug
door je ogen in mijn hals,
zal geen poëzie ooit zwijgen.
© Remco Campert
Uit: Een standbeeld opwinden Amsterdam, De Bezige Bij, 1952
Zonder koffers
Aan de vooravond van nooit vertrekken
Hoeft men tenminste geen koffers te pakken
Noch plannen op papier te zetten,
Met onbedoelde begeleiding van wat men vergeet,
Voor het vertrek, vrijblijvend nog, de dag daarop.
Men hoeft niets, niets te doen
Aan de vooravond van nooit vertrekken.
Welk een rust niets meer te hebben om van uit te rusten!
Grote gemoedsrust, de gemoedsrust zelfs geen schouderophaal op te brengen
Voor dit alles, alles al gedacht te hebben,
Is het, welbewust te zijn beland bij niets.
Grote vreugde als geen vreugde meer van node is:
Een omgekeerde buitenkans.
Hoe vele malen lang reeds leef ik
Het vegetatieve leven van het denken!
Alle dagen, sine linea,
Rust in ruste, rust...
Grote gemoedsrust...
Welk een vrede, na zo vele reizen, geestelijke en lichamelijke!
Hoe heerlijk kijken is het naar de koffers, starend als naar niets!
Sluimer, mijn ziel, sluimer!
Grijp je kans en sluimer!
Sluimer!
Kort is de tijd die je gegund is! Sluimer!
Het is de vooravond van nooit vertrekken!

© Fernando Pessoa
Uit: Fernando Pessoa - Álvaro de Campos Poesías/Gedichten 1913-1922, Amsterdam, Arbeiderspers 2006
© vertaling uit het Portugees: August Willemsen
Eigen bier
WOONGROEP
dat is precies de manier waarop ik ben weggepest
op maandag is de tv van haar
als ik van kanaal verwissel
omdat zij de krant leest
komt haar ontevreden gezicht
schijnbaar geschrokken vanachter
de krant vandaan
moeten we terug naar
waar ze niet naar keek
we zijn nooit echt close geweest
jenny en ik
ik zal gaan solliciteren
ik zoek een baantje
voor in de avond
misschien hebben ze nog iemand
nodig in de bar in ons kraakpand
waar vooral alcoholisten komen
die hun eigen bier
meebrengen
© Tsead Bruinja
dinsdag 20 mei 2008
Haar bewaren
De moeder het water
Ik ging naar moeder om haar terug te zien
Ik zag een vreemde vrouw. Haar blik was wijd en
leeg, als keek zij naar de verre overzijde
van een water, niet naar mij. Ik dacht: misschien
-toen ik daar stond op het gazon, pilsje gedronken
in de kantine van het verpleegtehuis, de tijd
ging langzaam in die godvergeten eenzaamheid -
misschien zou 't goed zijn als nu Psalmen klonken.
Het was mijn moeder, het lijfje dat daar roer-
loos stond in 't gras, alleen haar dunne haren
bewogen nog een beetje in de wind, als voer
zij over stille waatren naar een oneindig daar en
later, haar God. Er is geen God, maar ik bezwoer
Hem Zijn belofte na te komen, haar te bewaren.
RUTGER KOPLAND
Uit: Rutger Kopland Tot het ons loslaat, Amsterdam, Van Oorschot, 1997
Water als kaarten
ZOALS DE ZEE ZICHZELF WEERLEGT
Zoals de zee zichzelf weerlegt, nee, juist legt,
golf over golf, cliché over cliché,
als kaarten bij een patience-spel,
en zich weer opraapt en zich opnieuw legt;
zoals horizon slechts horizon-
taal duldt, zo ver als je kunt kijken,
en zee tien keer per minuut verticaal wil,
zo luid als je kunt horen;
zoals water zwemt om zichzelf te kloppen
in de sprint, een arm zegevierend omhoog-
steekt,
waarna een andere arm en nog een arm;
zoals alle water ter wereld zich haast
om aan te komen binnen de tijdslimiet
van de eeuwigheid: zo nu.
Herman de Coninck
Uit: Herman de Coninck Schoolslag. Amsterdam, De Arbeiderspers, 1994.
Hulpeloos
SCHUILPLAATS
Ik zat in Plato’s grot. Waar
anders moest ik schuilen
voor de regen? De meester zelf
stond aan de tapkast
in diep gepeins verzonken. Hoe
anders moest hij zich
een houding geven?
Er waren veel schimmen
uit een eerder bestaan
en aan kleine tafels
bedoeld om het gezellig te maken,
zaten dichters te praten
met vlinderende bakvissen.
De lampen staken uit de vloer.
Uit naden tussen de plavuizen
welde regenwater op.
Ik voelde mij hulpeloos jong.
© Kees Klok
Uit: In dit laagland – Sliedrecht, Wagner & Van Santen, 2005
Weggegraven warmte
KRALINGSE PLAS
Hier was de veenderij,
onze warmte
door mensen afgegraven.
Hoor de grond leeft nog
in het water
en de toegeknepen ogen in de wind.
Hier is de stad
geen stad,
maar natuur nog in de mensen,
mijn grootvaders handen.
Joop van den Bos
*
VOOR BEP
Daar gaat de slagersjongen
hij is rap op de fiets, jongleert
met de mand aan het stuur.
Hij snuift en spuwt zijn dans
om bal en zak bij Theo Huizenaar.
Flitst zijn kromme rechtse
met de wieken van de windmill
aan zijn lijf als een spel der goden.
Heel zijn harde jeugd in Crooswijk!
Maar nu staat hij
op een ring-gazon
met bloemen
te schaduwboksen
bij een kruispunt
onder een boom,
als de jonge Bep nog
van de Olympiade.
Daar staat het beeld van de knokker.
Ja, verdomd hij staat er.
Zie hem sparren met wind en regenvlagen.
Hoor hem schelden op die racende mafkezen
in het verkeer.
Maar nu beschijnt de ochtendzon het brons
mijn god, hij leeft, hij beweegt,
krijg nou het lazarus,
hij is nog bij ons!
Joop van den Bos
Twee gedichten uit: Rotterdam en al die dingen meer – DVD, mei 2008.

Gedichten van huisschilder, boks-, watersport-, filosofie- en poëzieliefhebber Joop van den Bos;
ter gelegenheid van zijn tachtigste verjaardag gelezen door Jules Deelder, Dick Gebuys, Arie van der Krogt, Manuel Kneepkens, Jan Oudenaarden, Herman Romer, Anna Vingerhoets, Frans Vogel, Rien Vroegindeweij e.a.
zondag 18 mei 2008
's Avonds
O, ANNIE
Ze legt de telefoon neer en zegt O, Annie
de buurvrouw die hem vond;
om haar stem te sussen
O, Annie.
's Avonds pakt ze een vuilniszak
voor zijn kussen.
© Wim Brands
Uit: Wim Brands Ruimtevaart, Amsterdam, Nieuw Amsterdam, 2005
vrijdag 16 mei 2008
Wat was te veel?
HUWELIJKSKAMER
Wat op te rapen
na drie of vier huwelijken
in dezelfde ruimte
in een lange middag?
Toen de laatsten naar buiten kwamen
was het nog licht en warm.
Wat ligt op de vloer
om met de handen bij elkaar te vegen?
Wat is uitgestrooid
als zand, sterren?
Wat was te veel
om mee te nemen?
© Nachoem Wijnberg
Uit: Nachoem M. Wijnberg Alvast, Amsterdam, Bezige Bij, 1998
Kijk- en luistergedichten
Twee staaltjes van fraai vormgegeven dichtkunst:
Hans van de Waarsenburg - Nachtdichten
Hans van de Waarsenburg - Het Oneindige Lied
Bekijk en beluister poëzie per flashvid op:
http://www.jetzes.nl/animaties/index.htm
donderdag 15 mei 2008
Vracht
ALS TUIN
't Moest zijn dat buiten wat je hand aanraakt
van jou bezit nam als de reeds verwachte:
je hebt grond om te planten los gemaakt,
je legt jezelf weg plantend in de zachte
gerede aarde; of je voelt hoe zwaar
vruchten een ongestutte tas bevrachten
en om jouw zorg wordt de boom eigenaar
en drager van toekomstige gedachten:
de tijd ging over in bestendigheid,
wat groeit en bloeit bedacht en droomde jou,
en wie jou overleed maakte niet uit:
het grasveld werd je groen en wit de geit,
werd stem uit huis: kom handen wassen gauw,
op tafel in de blauwe schaal vers fruit.
© C.O. Jellema
Uit de cyclus Zelfportret, in: C.O. Jellema Spolia, Amsterdam, Querido, 1996
Adem inblazen - drie keer Hester Knibbe
VANNACHT
Vannacht twee kinderen gered.
Ze lagen onder dun, zwart ijs;
de één zag grijs, de ander blauw.
Ik heb ze op het gras gelegd,
dat hard onder mijn voeten brak,
hun lijfjes droog en warm gewreven
en ze mijn adem ingeblazen.
Daarna de ochtend ingekeken,
die lauw over het water lag,
een mouwloos T-shirt aangedaan,
wat grassen in een vaas geschikt,
twee kinderen uit hun slaap gevist.
© Hester Knibbe
Uit: Hester Knibbe - Een hemd van vlees, Baarn, de Prom, 1994
Waar ik op ga, komt
van dieper. Hier was sprake van koudmakend
vuur, een kookpot die plotseling
plofte en wat naar buiten moest stroomde
eruit golf over golf tot aan
het water tot waar de zee
het welletjes vond en een tegengolf
zond. Stenige nachtzwarte
droomarme grond waartussen zich tanig
tijm heeft geworsteld en distel die hecht
aan het naakte. Over deze onzachtzinnige
draag ik je in me
zevenmaands doodkind mee naar de zee
© Hester Knibbe
Uit: Hester Knibbe - Verstoorde grond, Baarn, De Prom, 2002
Hoe draag je een kind na zijn laatste. Acht
heb je nodig, zijn vrienden met liefde
en lef genoeg om hun schouders
eronder te zetten. Ze hebben veel
meer te dragen dan het gewicht van het hout
en het lichaam erin, ze moeten
wegdragen. Hoe ze dat doen, hoe dat moet?
Zwijgend. Voet voor voet.
© Hester Knibbe
Uit de cyclus 'De kunst van het wegdragen', in:
Hester Knibbe - De buigzaamheid van steen, Amsterdam, De Arbeiderspers, 2005
Hester Knibbe (1946) werd in 2001 voor haar gehele oeuvre bekroond met de Anna Blaman Prijs.
Een jaar eerder ontving ze de Herman Gorter-prijs voor de reeks 'Antidood', eerder verschenen als bibliofiele uitgave bij Herik in Landgraaf, naderhand als cyclus opgenomen in haar bundel 'Een dunne duurzaamheid' (1999).
In 2005 won ze De Publieksprijs voor de beste Poëziebundel van dat jaar, een gezamenlijk initiatief van de websites Rottend Staal en De Contrabas, voor De buigzaamheid van steen.
Hester Knibbe debuteerde in 1992 met Meisje in badpak. Haar bundel Een hemd van vlees (1994) werd genomineerd voor de VSB-poëzieprijs. Zwerfmotief (Slibreeks, 2006) was tot nog toe haar jongste publicatie.
Zaterdag 24 mei as. verschijnt Knibbes nieuwste werk: Bedrieglijke dagen.
De presentatie van haar nieuwe, zevende bundel vindt plaats om 16.00 uur in de al even nieuwe boekhandel De Balustrade, Grote Visserijstraat 12-14 in Rotterdam–Delfshaven.

Uit Bedrieglijke Dagen alvast deze strofe:
Het was hoogbloei die dagen. Rondom
spande guichelheil samen met wikke, groei
had de steen die mede de muur maakte
in tweeën gespleten en wij liepen erover.
De won'dren werden woord en dreven verder
DE WOLKEN
Ik droeg nog kleine kleren, en ik lag
Languit met moeder in de warme hei,
De wolken schoven aan ons voorbij
En moeder vroeg wat ik in de wolken zag.
En ik riep Scandinavië, en eenden,
Daar gaat een dame, schapen met een herder-
De wond'ren werden woord en dreven verder,
Maar 'k zag dat moeder met een glimlach weende.
Toen kwam de tijd dat 'k niet naar boven keek,
Ofschoon de hemel vol met wolken hing,
Ik greep niet naar de vlucht van 't vreemde ding
Dat met zijn schaduw langs mijn leven streek.
-Nu ligt mijn kind naast mij in de heide
En wijst me wat hij in de wolken ziet,
Nu schrei ik zelf, en zie in het verschiet
De verre wolken waarom moeder schreide-
Martinus Nijhoff (1894-1953)
in: M. Nijhoff Verzamelde Gedichten, Amsterdam, Bert Bakker (1990)
Martinus Nijhoff wordt beschouwd als een van de grondleggers van de Nederlandse dichtkunst. Zijn langere gedichten Awater (1934) en het Het uur U (1936) worden gerekend tot hoogtepunten van onze moderne poëzie, evenals ‘Het lied der dwaze bijen’ en ‘De moeder de vrouw’.
Nijhoffs vermogen om grote emoties in eenvoudig taal weer te geven heeft altijd veel lezers aangesproken. Zijn kracht schuilt in de bijzondere beschrijving van het mysterie achter alledaagse gebeurtenissen. In een stijl, zoals in Awater en Het Uur U, die steeds meer neigt naar spreektaal.
Nijhoff ontving in 1953 postuum de Constantijn Huygensprijs voor zijn gehele oeuvre. In dat jaar werd ook de Martinus Nijhoffprijs ingesteld, die jaarlijks wordt toegekend voor vertaalwerk in en uit het Nederlands.
woensdag 14 mei 2008
De mussen
VIJF MINUTEN NA DE LUCHTAANVAL
In Pilsen,
Stationsweg 26,
klom ze naar de derde verdieping
langs de trap die alleen overbleef
van het hele huis,
ze opende de deur
die naar de hemel leidde,
verstijfde boven de afgrond.
Want hier
eindigde de wereld.
Daarna sloot ze goed af
opdat niemand
Sirius
of Aldebaran
zou stelen uit hun keuken,
ze liep de trap af
en zette zich neer
om te wachten
tot het huis zou herrijzen
en uit de as haar man zou opstaan
en uit de beentjes haar kinderen
zouden zijn gelijmd.
’s Morgens vonden ze haar
versteend.
Mussen pikten uit haar handen.
© Miroslav Holub
Uit: Miroslav Holub Hoewel, gedichten en andere teksten 1958-1992
(samenst. en vert. Jana Beranová),
Leuvense Schrijversaktie/Europees Poëziecentrum, 1992
De Brandgrens

Rotterdam 14 mei 2007, voor het eerst met de verlichte ‘brandgrens’
(c) beeld: Y. S. Groen
HOOGSTRAAT
Als ik het woord Rotterdam uitspreek
zie ik als in een zwarte spiegel
de zwaar geboenwaste voorkant
van de palissander kast
in de eetkamer van mijn familie
woonachtig aan de Hoogstraat
waar in de onderste lade
een Heilig-Hartbeeld lag / afgedankt
Een stralenkrans van chromosomen
om het gipsen hoofd
Hogerop
volgde intussen een formatie Heinkels
de loop van de Maas
Het was stil, doodstil, die zonnige Meidag
van het Bombardement
In die stilte leerde mijn familie
althans de Rotterdamse tak
(opnieuw) bidden
MANUEL KNEEPKENS
De Brandgrens markeert het gebied waar op 14 mei 1940 het vuur stopte, na de verwoesting van de historische binnenstad van Rotterdam door het Duitse bombardement.
Even voor 13.30 uur die zonnige meimiddag, in het jaar dat Rotterdam zijn 600-jarig bestaan zou vieren, verschenen Duitse vliegtuigen boven de stad. Die gooiden op de vierde oorlogsdag in amper tien minuten bijna 100.000 kilo brisantbommen op de bevolking, gebouwen en huizen. Rotterdam in lichterlaaie, met bijna duizend doden, en de Heinkel-bommenwerpers betekenden de capitulatie van Nederland voor de Duitse bezetter.
De sporen van de Tweede Wereldoorlog zijn nooit meer uit de gehavende stad verdwenen. Waar de vlammen ophielden, ontstond de brandgrens die de overgang tussen vóór en na, tussen oud en nieuw Rotterdam, zou markeren. Het gebied dat Duitse bommen in 1940 in puin en as legden wordt vanaf 14 mei 2010 voorgoed zichtbaar gemaakt door lampen in het plaveisel die in de vorm van rode vlammetjes de hele brandgrens – permanent – verlichten. Zo’n 130 stralenbundels die naar de avondhemel gericht zijn geven sinds 2007 al vanuit de hoogte het gebied aan waar de verwoestende bommen vielen.
De verwezenlijking van het idee voor een bijzondere markering van de ‘brandgrens’ kwam ruim zestig jaar na de fatale oorlogsdag, toen de Rotterdamse gemeenteraad daartoe een motie aannam van de dichter en stadspoliticus Manuel Kneepkens.
[Het gedicht Hoogstraat is later opgenomen in: Manuel Kneepkens
Vrouwen/Rotterdammers Rotterdam, Douane, 2008]

Rotterdam medio 1940, na het bombardement en het geruimde puin, met in het voormalige stadshart de ruïne van de Laurenskerk [fotograaf onbekend]
Zie ook:
http://www.gemeentearchief.rotterdam.nl/brandgrens/index.php?option=com_content&task=view&id=2&Itemid=5
http://www.tweede-wereldoorlog.org/bombardement-op-rotterdam.html
dinsdag 13 mei 2008
Vanavond
DE STAPPEN
De treden klepperen duizendmaal jouw stappen als je weggaat.
Na onze avond weten wij niet in welke lucht jij zult overnachten.
Doe de deur niet dicht.
Voor het einde van de gang sluit ik mijn ogen om niet te horen hoe
je voetstappen wegsterven.
Vanavond kom jij zonder stappen.
Abbas Baydun
*
Er is een zekere kus die we met
inzet van ons hele leven willen.
Zeewater smeekt de parel
om zijn schelp te breken.
En de lelie, hoe hevig heeft zij
een wilde vlinder nodig!
's Nachts open ik het raam
en vraag de maan te komen
en zijn gezicht tegen dat van mij te drukken.
Adem in mij.
Rumi
- Ode nr. 1888
Bronnen: Abbas Baydun en Rumi's Ode 1888, beide in:
Onbereikbare Liefde - tweetalige bloemlezing van Arabische dichtkunst, Amsterdam, El Hizjra, 1995.
Abbas Baydun of 'Beydoen' (1945, Zuid-Libanon) is een vooraanstaand hedendaags dichter en journalist in de Arabische wereld.
Rumi (1207-1273) was een Perzisch soefidichter en mysticus die als nationale held wordt vereerd in Turkije. In de VS is hij de meest gelezen - buitenlandse - dichter. Rumi's leerdicht de Mathnavi behoort tot de mystieke wereldliteratuur.
Verre vermoedens
BRIEF AAN MIJN VROUW
II-II-33, Gevangenis Bursa
II-II-33, Gevangenis Bursa
Mijn liefste!
In je laatste brief
schrijf je:
‘Mijn hoofd barst
mijn hart bezwijkt!’
Je schrijft:
‘Als ze je hangen,
als ik je verlies,
dan kan ik niet meer leven!’
Je zal leven, mijn lieve vrouw,
je herinnering aan mij zal als een zwarte rookwolk verdwijnen in de wind:
je zal leven, roodharige zuster van mijn hart,
in de twintigste eeuw
is de smart om de dood
na een jaar verdwenen.
De dood,
een dode die aan een touw hangt.
Aan zo’n dood
kan mijn hart zich niet onderwerpen.
Maar,
je zal zien, mijn liefste,
als een arme zigeuner
met handen als een zwarte, harige spin
het touw rond mijn hals
zal leggen
dan zullen ze tevergeefs
naar Nâzim kijken
om de angst in mijn blauwe ogen te bespeuren!
In de schemering van mijn laatste ochtend
zal ik
mijn vrienden en jou zien
en ik zal
alleen de pijn om het lied dat ik niet tot het einde kon zingen
meenemen in mijn graf…
Mijn vrouw,
goedhartig,
goudkleurig,
mijn bij met ogen heerlijker dan honing,
waarom heb ik je geschreven
dat men mij wil hangen,
het proces is nog maar net begonnen,
en ze rukken een mensenhoofd toch niet uit
als een knol.
Zet die nare gedachten uit je hoofd.
Het zijn maar verre vermoedens.
Als je geld hebt
koop me dan een lange wollen onderbroek,
ik heb opnieuw jicht in mijn benen.
En vergeet niet
dat de vrouw van een gevangene
altijd aan leuke dingen moet denken.
In je laatste brief
schrijf je:
‘Mijn hoofd barst
mijn hart bezwijkt!’
Je schrijft:
‘Als ze je hangen,
als ik je verlies,
dan kan ik niet meer leven!’
Je zal leven, mijn lieve vrouw,
je herinnering aan mij zal als een zwarte rookwolk verdwijnen in de wind:
je zal leven, roodharige zuster van mijn hart,
in de twintigste eeuw
is de smart om de dood
na een jaar verdwenen.
De dood,
een dode die aan een touw hangt.
Aan zo’n dood
kan mijn hart zich niet onderwerpen.
Maar,
je zal zien, mijn liefste,
als een arme zigeuner
met handen als een zwarte, harige spin
het touw rond mijn hals
zal leggen
dan zullen ze tevergeefs
naar Nâzim kijken
om de angst in mijn blauwe ogen te bespeuren!
In de schemering van mijn laatste ochtend
zal ik
mijn vrienden en jou zien
en ik zal
alleen de pijn om het lied dat ik niet tot het einde kon zingen
meenemen in mijn graf…
Mijn vrouw,
goedhartig,
goudkleurig,
mijn bij met ogen heerlijker dan honing,
waarom heb ik je geschreven
dat men mij wil hangen,
het proces is nog maar net begonnen,
en ze rukken een mensenhoofd toch niet uit
als een knol.
Zet die nare gedachten uit je hoofd.
Het zijn maar verre vermoedens.
Als je geld hebt
koop me dan een lange wollen onderbroek,
ik heb opnieuw jicht in mijn benen.
En vergeet niet
dat de vrouw van een gevangene
altijd aan leuke dingen moet denken.
NÂZIM HIKMET
[uit: De mooiste van Hikmet, vert. Perihan Eydemir en Joris Iven, Tielt/Amsterdam, Lannoo-Atlas, 2003]
zondag 11 mei 2008
Denken vermindert de kans op vis
Heb je alles bij je?
Vissen met Verschoor is rustig en goed.
'Niet denken,' is zijn advies.
‘Denken vermindert de kans op vis.’
De Door Zeelten Gevreesde
hangt vol stoeltjes, kussentjes en mesjes
en twinkelende schaartjes.
‘Hm,’ zegt hij, turend naar de sterren
in de Deense zomernacht,
‘reken maar dat daar een hoop vis zit.’
Frank Koenegracht
Frank Koenegracht (Rotterdam, 1945), van beroep psychiater, debuteerde in 1971 met Een gekke tweepersoonswesp.
Zijn mooiste gedichten uit zes bundels zijn samengebracht in Vroege sneeuw (2003, De Bezige Bij). Koenegracht werd voor zijn hele oeuvre onderscheiden met zowel de Anna Blamanprijs als de Frans Erensprijs.
Over vissen gesproken. In 2007 verscheen Dank voor je brief, het gaat iets beter - een hilarische briefwisseling - op rijm - tussen Koenegracht en de bevriende kinderboekenschrijver en dichter Sjoerd Kuyper. Uit dat boek, van uitgeverij Nieuw Amsterdam, komt dit fragment:
Beste Sjoerd,
Wij hadden ook een vis,
een brsem, die beschimmeld is
en daardoor scheef in ’t water lag,
waarna ik… En die ik op gezag
van Jop antimycotisch behandeld heb,
zodat hij weer een ogenblikje zwom.
De schimmel echter kwam weerom
alsof een gruwelijke spin zijn web
in ’t water om hem spande, hem
overmande. Wat is Brsem!
roep jij nu uit; het moet Brasem
zijn, de a ligt er soms uit.
Meer ligt er bij mijn vader uit.
Hij zegt tegen mijn moeder, zijn bruid:
‘Waar woon jij eigenlijk, o daar, goh, o,
komt Frank nog wel eens op bezoek?’
Waar is zijn huis, waar is zijn broek?
Hij weet het niet, het is in
onderzoek.
O ja, en onze kip is dood.
In toen
IN WIT 5
Deze nacht was de bol weer omgekeerd,
zodat het traag ging sneeuwen in het donker.
Als op de kast bij oma, waar hij stond in
de mooie kamer, als geheim beheerd.
Ochtend. Het dorp staat doodgewoon rechtop:
barokke kerk en huizen onder donzen
wit. Berg met twee wolken. Alles klopt.
Maar ik weet dat je ergens teruggevonden
moet kunnen worden achter het verbazend
secuur decor, binnen het ronde glazen
heelal hier voor mijn oog. Ik zet je weer op
de kast, in toen, tussen de blauwe vazen.
© Willem van Toorn
Uit: Willem van Toorn Gedichten 1960-1997, Amsterdam, Querido, 2001
zaterdag 10 mei 2008
In het uur der schafte
DE PLOEGER
Ik vraag geen oogst; ik heb geen schuren -
Ik sta in uwen dienst, zonder bezit -
Maar ik ben rijk in dit:
Dat ik de ploeg van uw woord mag besturen,
En dat gij mij hebt toegewezen
Dit afgelegen land en deze
Hooge landouwen, waar - als in het uur
Der schafte bij de paarden van mijn wil
Ik leun vermoeid en stil -
De zee mij zichtbaar is zoover ik tuur.
Ik vraag maar een ding: kracht
Te dulden dit besef, dat ik geboren ben
In 't najaar van een wereld
En daarin sterven moet -
Gij weet hoe, als de ritselende klacht
Van die voorbije schoonheid mij omdwerelt,
Weemoed mij talmen doet
Tot ik welhaast voor u verloren ben -
Ik zal de halmen niet meer zien
Noch binden ooit de volle schoven,
Maar doe mij in den oogst geloven
Waarvoor ik dien -
Opdat, nog in de laatste voor,
Ik weten mag dat mij uw doel verkoor
Te zijn een ernstige ploeger op de landen
Van een te worden schoonheid; eenzaam tegen
Der eigen liefde dalend avondrood, -
Die ziet beneden aan de sprong der wegen
De hoeve van zijn deemoed, en het branden
Der zachte lamp van een gelaten dood -
© Adriaan Roland Holst (1888-1976)
Uit: A. Roland Holst Voorbij de wegen. Bussum, Van Dishoeck, 1920.
Ook in: Verzameld werk - poëzie (eds. W.J. van den Akker e.a., Amsterdam, Van Oorschot, 1981)
In plaats van een horizon
De vijf
1
's Morgens worden ze
naar de stenen plaats gevoerd
en tegen de muur gezet
vijf mannen
twee nog heel jong
de overigen in de kracht van hun leven
niets meer
valt er over hen te zeggen
2
wanneer het peloton
de wapens naar het oog toe brengt
verstart alles opeens
in het helle licht
van het onontkoombare
een gele muur
koud helderblauw
zwart draad op de muur
in plaats van een horizon
dat is het ogenblik
waarop de vijf zinnen in oproer komen
het liefst zouden ze vluchten
als ratten van een zinkend schip
voor de kogel zijn bestemming bereikt
zal het oog het projectiel zien naderen
het oor het stalen suizen registreren
zal scherpe rook de neusgaten vullen
een blaadje bloed het verhemelte beroeren
terwijl de tast verkrampt verslapt
nu liggen ze al op de grond
tot de ogen toegedekt met schaduw
de afmars van het peloton
hun knopen riemen
stalen helmen
zijn meer levend
dan zij die liggen bij de muur
3
ik heb dat niet vandaag gehoord
weet dat niet sinds gisteren pas
waarom dan schreef ik
onbenullige gedichten over bloemen
waarover spraken de vijf
in de nacht voor hun executie
over voorspellende dromen
een avontuur in een hoerenkast
auto-onderdelen
een zeereis
als hij schoppen had
moest hij niet beginnen
wodka was beter dan wijn
waarvan je hoofdpijn kreeg
over meisjes
vruchten
over het leven
en daarom kun je
in de poëzie de namen van griekse herders gebruiken
de kleuren van de ochtendhemel trachten te vereeuwigen
over de liefde schrijven
en ook
nog een keer
met dodelijke ernst
de bedrogen wereld
een roos
aanbieden
Zbigniew Herbert (1924-1998)
In: Verzamelde gedichten - vertal. uit het Pools: Gerard Rasch, Amsterdam, De Bezige Bij, 1999
Getallenangst
VIERKANT
vierkant.
in rijen.
nummers vierkant.
volgorde.hees vierkant.
getallen angst.
nummers tucht.
dood vierkant.
orde.
© Armando
Uit: Armando Tucht - gedichten 1971-1978,
Amsterdam, De Bezige Bij, 1980
Laatste dag
AARDRIJKSKUNDE
zij had een onvoldoende
voor aardrijkskunde
die laatste dag
maar wist een week later
precies waar Treblínka lag
héél even maar
© Ida Vos
Uit: Ida Vos Vijfendertig tranen Den Haag, Nijgh & Van Ditmar, Nijghpoëzie 1975 - 1e dr.
Vijfendertig (joodse) kinderen zaten in de klas van Ida Vos. Slechts vier van hen mochten volwassen worden. Eén van die vier was Ida Vos. De bundel ‘Vijfendertig tranen’ droeg zij op aan de 31 vermoorde kinderen die maar héél even hebben geleefd.
Ida Vos, geboren in Groningen, verhuisde in 1936 met haar ouders en zusje naar Rotterdam. Daar maakte ze op 14 mei 1940 het bombardement op die stad mee. Na het bombardement van Rotterdam verhuisde de familie naar Rijswijk. Omdat ze van joodse afkomst was, moest ze in 1943 onderduiken, met haar zusje - gescheiden van haar ouders. Het hele gezin overleefde de oorlog. In 1975 bleek dat de latere kleuteronderwijzeres haar oorlogservaringen niet had verwerkt, daarom werd ze in Oegstgeest in het Centrum 40-45 behandeld en verpleegd. In Oegstgeest begon Ida Vos gedichten te schrijven.
Haar joodse afkomst en haar ervaringen in de Tweede Wereldoorlog staan centraal in haar werk.
Vijfendertig tranen is vele malen herdrukt.
Nabij Treblinka, een nazi-vernietigingskamp ten noordoosten van Warschau, zijn in korte tijd tussen juli 1942 en september 1943 zeker driekwart miljoen mensen gedood, hoofdzakelijk joden. Onder hen vele kinderen, die direct na aankomst door de SS de gaskamers werden ingestuurd. Nadat op 21 augustus 1943 de laatste slachtoffers waren vergast begonnen de Duitse bezetters de sporen van hun vernietigingsfabriek uit te wissen: het kamp werd halsoverkop ontmanteld en het terrein omgebouwd tot een boerderij. Een Oekraïense bewaker werd achtergelaten om de indruk te wekken dat er op het ' boerenerf ' niets bijzonders was gebeurd, en om te voorkomen dat de plaatselijke bevolking aan de haal zou gaan met nog achtergelaten kostbaarheden.
vrijdag 9 mei 2008
Verder naar het westen
Verder naar het westen ligt de zee.
Auto’s grommen af en aan, brommen
het watertempeest. Hoogbouw staat
er als bevroren springtij bij.
Lombok is nog niet verzonken.
Maar verzinkt. Met jou. Met mij.
Nog niet, nog niet. Eerst nieuwbouw.
Opkomst. Neergang. Rouw en troost.
Stenen die tot zand verworden.
Duizend dagen, bijna aan elkaar gelijk.
Zeven jaren op en zeven jaren af.
En verder in het westen ligt de zee.
CHRÉTIEN BREUKERS
De hekken rond de bouwterreinen op de kop van Lombok hangen vol kunstwerken, gemaakt door kunstenaars uit deze Utrechtse wijk. Willeke de Boer maakte dit beeld bij het gedicht Verder naar het westen van Chrétien Breukers.
donderdag 8 mei 2008
De beste manier waarop ik in zee ben geweest
En dan
ligt de leukste jongen van de avond naast je.
Geen camera kan een foto maken van wat jij nu ziet.
Zo totaal dichtbij is hij nu ook bij mij vraag je je af.
En dan denk je aan hoe mensen de zee in rennen, aan hoe dieren spelen met elkaar,
aan een jonge kat die zich verloor in de knopen van jouw bank, aan de mus
die in je hand lag. Shocktoestand. Nog nooit een mus van zo dichtbij gezien.
Als ik er maar niet in hoef, in die ogen,
als dat beest maar niet naar mij gaat kijken, niet op mijn krant gaat zitten,
want dan moet je weer aaien, met te bewust gestuurde handen, terwijl je denkt:
ik wil verder lezen en dat je wel nooit een goede moeder worden zult.
Dan moet je na een tijdje
dat dier weer van je krant afduwen
minuten lang niet lezen kunnen van het schuldgevoel
en van verdriet, want moeder zul je dus niet worden.
De beste manier waarop ik de zee in ben geweest,
is door ernaast te gaan liggen. Aan een zee hoef je zoiets niet te vragen.
Maar hoe doe je dat bij de leukste jongen van de avond?
© Tjitske Jansen
Uit: Tjitske Jansen Het moest maar eens gaan sneeuwen Amsterdam, Podium, 2003
woensdag 7 mei 2008
Laat de kinderen snoepen
HET KLEINE MEISJE
Bij zovelen klοpte ik aan,
wie weet, ook bij jou misschien.
wie weet, ook bij jou misschien.
Maar doden zijn onzichtbaar,
ik kan me niet laten zien.
Het is nu tien jaar geleden
dat ik in Hiróshima stierf.
Ik ben een meisje van zeven,
dode kinderen grοeien niet.
Eerst vatte mijn haar vuur,
dan verbrandden mijn ogen.
Ik werd een handvol as,
mijn bloed is vervlogen.
Ik vraag van jullie niets.
Je hoeft niet te boeten.
Een kind dat verbrandde
Een kind dat verbrandde
kan niet eens meer snoepen.
Ik klop weer bij jullie aan:
graag een handtekening, meneer.
Laat de kinderen snoepen,
dood hen nοοίt meer, nooit meer.
dood hen nοοίt meer, nooit meer.
(1956)
Nâzim Hikmet
Uit: De mooiste van Hikmet, vert. Perihan Eydemir en Joris Iven,
Tielt/Amsterdam, Lannoo-Atlas, 2003
Ze waggelden nog even
HUNZECENTRALE
Op de horizon de elektrische centrale.
Vijf rokende pijpen. 120 meter.
Geen rook, maar water.
Geen water, maar methaan.
Vijf pluimen tegen de hemel. Vijf evenwijdige pluimen die schrijven dat de wereld volmaakt is.
Niet de wereld, maar de mens.
Niet de mens, maar zijn hand.
Zijn handen. Hij heeft er twee.
Twee handen heeft hij om uit de mouwen te steken.
Twee mouwen, maar één zonder hand.
De hand van Edu Waskowsky. Zijn laatste. De hand die hij niet schiep.
De vijde schoorsteen is van ons, zei Rob de M., directeur van het KVI.
Rob gebruikt de energie om zijn deeltjes de nodige snelheid te geven.
Om te weten wat voor deeltjes het zijn. Of er nieuwe deeltjes bij zijn gekomen.
Of hij misschien een nieuw deeltje heeft ontdekt.
Ik kan ze zien, zegt hij, vanuit mijn slaapkamerraam.
Zondagmorgen, als ik het raam uit kijk. Als de vijfde pijp rookt. Dan
kan ik zeggen, we zijn aan het werk.
Dat is nu voorbij.
25 april 1998, 's morgens kwart voor negen - kwamen ze naar beneden.
Knikkend. Bijna knielend.
Nee, niet knikkend. Ook niet bijna knielend. Voorover, languit op hun
bek.
Drie voorover, twee opzij.
Er zijn foto's van genomen.
Kun je zien wat je in het echt niet ziet.
Een glas dat breekt.
Vlak voor hij in stukken valt: een lang, laag-bij-de-gronds kanon van steen.
Je kon zien hoe ze nog even hebben gewaggeld.
Alsof niet wetend naar welke kant.
GERRIT KROL
[Uit: Geen man, want geen vrouw. Amsterdam,
Em. Querido, 2001]
dinsdag 6 mei 2008
In de straat van genade
HET LAND (Egyptisch)
De wondere wagens der zon gaan onder,
Bereiken nog - de wind wordt lichter en dit gerstig land is
laag -
De vluchtelingen, gedoken in hun nood.
Nederknielende, sparende, biddende, buigende
Zijn zij steeds ongedeerd.
Hun spaden staan, hun spannen rijden.
Maar wacht, wacht. Als een schot in de twijgen
Waarin geofferd wordt, gesmeekt, gehunkerd,
Slaat het uur der huursoldaten.
Ietwat later - vloeit de beek? en de halmen, de zachte, buigen zij?
En de stemmen, sterven zij? - schrijven de laatste bevlekte
vingers
Letters en namen van kindermoordenaars.
Weerloos is de tijd, ongenadig de aarde.
In de straat van genade. De parkiet schreeuwde
De nacht lang. Wie weet wat de wezel riep?
De parkiet schreeuwde en vijf soldaten braakten.
In de straat van genade een uil en een rat.
De dieren wankelden in hun schonken, de rechter was verschrikt
Toen zijn bebloede dochter vluchtte over de vlammende weide.
In hun korenbed liggen de boeren. Gesloten is hun biddend oog.
Hun land kraakt.
Het water vloeit er niet meer binnen.
HUGO CLAUS (1929 - 2008)
Claus zou volgens sommige bronnen twee schilderijen voor ogen hebben gehad toen hij dit gedicht schreef: 'De volkstelling in Bethlehem' resp. 'De kindermoord te Bethlehem' van Pieter Brueghel, beide uit 1566. Brueghel schilderde de taferelen als een eigentijdse oorlogsscène in een Vlaams dorp in de winter.
Oorspr. uit: Hugo Claus De Oostakkerse Gedichten, Amsterdam, De Bezige Bij, 1955.
Later in: Een engel zingend achter een pilaar - gedichten over schilderijen; geïll. bloemlezing door Anton Korteweg, m.m.v. Annemarie Vels Heijn. Den Haag, SDu Uitgeverij, 1992.
Gebulder
IN DE MICROSCOOP
Ook hier zijn maanlandschappen,
dromend, woest.
Ook hier zijn troepen
die te velde trekken.
En cellen, strijders
die hun leven geven
voor een zier.
Ook hier zijn kerkhoven,
roem en sneeuw.
En ik hoor gebulder,
oproer van immense standen.
© Miroslav Holub
Uit: Miroslav Holub Hoewel, gedichten en andere teksten 1958-1992
(samenst. en uit het Tsjechisch vert. door Jana Beranová),
Leuvense Schrijversaktie/Europees Poëziecentrum, 1992
zaterdag 3 mei 2008
4 mei
HET LIED DER ACHTTIEN DOODEN
Een cel is maar twee meter lang
en nauw twee meter breed,
wel kleiner nog is het stuk grond,
dat ik nu nog niet weet,
maar waar ik naamloos rusten zal,
mijn makkers bovendien,
wij waren achttien in getal,
geen zal den avond zien.
O lieflijkheid van licht en land,
van Holland's vrije kust,
eens door den vijand overmand
had ik geen uur meer rust.
Wat kan een man oprecht en trouw,
nog doen in zulk een tijd?
Hij kust zijn kind, hij kust zijn vrouw
en strijdt den ijdlen strijd.
Ik wist de taak die ik begon,
een taak van moeiten zwaar,
maar 't hart dat het niet laten kon
schuwt nimmer het gevaar;
het weet hoe eenmaal in dit land
de vrijheid werd geëerd,
voordat een vloek'bre schennershand
het anders heeft begeerd.
Voordat die eeden breekt en bralt
het miss'lijk stuk bestond
en Holland's landen binnenvalt
en brandschat zijnen grond;
voordat die aanspraak maakt op eer
en zulk Germaansch gerief
ons volk dwong onder zijn beheer
en plunderde als een dief.
De Rattenvanger van Berlijn
pijpt nu zijn melodie, -
zoo waar als ik straks dood zal zijn
de liefste niet meer zie
en niet meer breken zal het brood
en slapen mag met haar-
verwerp al wat hij biedt of bood
die sluwe vogelaar.
Gedenkt die deze woorden leest
mijn makkers in den nood
en die hen nastaan 't allermeest
in hunnen rampspoed groot,
gelijk ook wij hebben gedacht
aan eigen land en volk -
er daagt een dag na elken nacht,
voorbij trekt iedre wolk.
Ik zie hoe't eerste morgenlicht
door 't hooge venster draalt.
Mijn God, maak mij het sterven licht -
en zoo ik heb gefaald
gelijk een elk wel falen kan,
schenk mij dan Uw genâ,
opdat ik heenga als een man
als 'k voor de loopen sta.
Jan Campert (1902 - 1943)
Jan Campert, Nederlands letterkundige, journalist en dichter, werd gearresteerd wegens hulp aan joden c.q. mensensmokkel over de Belgische grens. Op 12 januari 1943 werd hij ter dood gebracht in het concentratiekamp Neuengamme.
Op 13 maart 1941, 's ochtends vroeg, werden achttien verzetsmensen - vijftien leden van de groep De Geuzen en drie communistische Februaristakers - uit hun cel gehaald in de Scheveningse gevangenis (het 'Oranjehotel'). Op de nabijgelegen Waalsdorpervlakte werden de achttien, verraden door een onvoorzichtigheid, terechtgesteld door een Duits vuurpeloton.
Naar aanleiding van deze gebeurtenis schreef de dichter/verzetsman J. Campert De achttien dooden, dat niet alleen tijdens de Duitse bezetting een bijzondere symbolische betekenis kreeg. Anno 2008 is het nog steeds het bekendste Nederlandse verzetsgedicht.
Camperts lied van de achttien verscheen oorspronkelijk, amper een maand na zijn dood, in het ondergrondse Vrij Nederland van 21 februari 1943.
Niet lang daarna in het voorjaar werd het uitgebracht en op ruimere schaal verspreid door de illegale uitgeverij De Bezige Bij. Als rijmprent, met een tekening van Fedde Weidema.
Het gedicht over de doodgeschoten verzetsstrijders was de eerste publicatie van De Bezige Bij, een nieuwe illegale uitgeverij die was opgericht door Geert Lubberhuizen en Charles van Blommestein. Deze twee kenden elkaar uit het Utrechtse studentenverzet. De publicaties van de Bij werden clandestien verkocht. 'De achttien dooden' voor vijf gulden per exemplaar, geen gering bedrag in de oorlogstijd. Uit de opbrengsten werd het verzetswerk van het Utrechts Kindercomité bekostigd, een groep die bestond uit studenten die zich inzetten voor het redden, op veilige adressen onderbrengen en laten onderduiken van joodse kinderen.
De Achttien Dooden zou het begin betekenen van het zich met succes doorzettende illegale uitgeversbedrijf De Bezige Bij, dat na de 'bestseller' van de rijmprent met talrijke bibliofiele en literaire uitgaven tot aan de bevrijding veel geld kon inzamelen voor het verzetswerk.
Wegens geldgebrek
ALS ER IETS OVERBLIJFT
De kaas mag van de Aldi komen;
De ketchup uit de derde rij daar links.
De margarine is van Gouda's Glorie.
En wijn is straffe kost uit oud karton.
Ik zal een muf stuk kip gaan eten
Gevuld met knoflookresten en tevredenheid.
Een laken hang ik voor het venster
Omdat het geld ontbreekt voor beter spul.
Spiritus zal branden in je mond
En daarom zing je almaar valser,
Als een hond die op zijn falie heeft gehad.
Je buik met Lidl huismerkjam bestreken
Zo lok je mieren op het tafelblad.
De vorken en de messen zijn nog vuil.
De huiswijn van Dirck III gaat in onnoembaar
Gore teugen door je doorgezopen strot.
Chrétien Breukers
Naar: Mijn beurt van Stefan Hertmans
- vrije bewerking van het voorgaande 'eetgedicht' op RotterdamPoetryLakes
(zie bericht hieronder "Koffie met kaneel", zaterdag 3 mei 2008)
Met dank aan www.decontrabas.com
Koffie met kaneel
MIJN BEURT
De kaas moet vers uit Parma komen;
De pepers rood uit Pomeriggio
De mascarpone moet geel-romig zijn
En jij moet zingen bij de wijn.
Ik zal een jonge kwartel eten,
Gestufft met mortadella en Toscaanse weed.
Je bloes hangen we voor het venster
Tegen inkijk en insecten.
Het fruit zal branden in je mond,
En wat je zingt wordt stilaan honger,
Branie, geblaf van een jachtige hond.
Je buik met peperoni ingewreven
Lig je op tafel en je beeft.
Vorken en messen zijn verdeeld.
De koffie met kaneel gaat met
Onspreekbare syllaben door je keel.
© Stefan Hertmans
Uit: Muziek voor de overtocht - gedichten 1975-2005. Amsterdam, De Bezige Bij, 2005
[oorspr. in: Francesco's paradox - Amsterdam, Meulenhoff, 1996]
Keukenprinses
KOOKLUST
Met gretige borsten staat begeerte aan het aanrecht
zoent het zaad uit tomaten, kijkt naar het zwellen
van beslag onder vochtige doek. Haar hand liefkoost
de haas van een jonge stier, zijn zoekende tong
is gemaakt voor de hare, verzaligd streelt ze
zijn ballen de pan in. Hartstocht
is een keukenprinses met aanraakbare huid,
donzig als deeg, geurig als boter, een weerloze
van bot bevrijde eend die naakt wil zijn
als een olijf in olie, een perzik op sap.
Ze wil zich ontleden op het hakblok, betast worden
door gulzige vingers en gloeiend verslonden.
Een vis zijn, zwemmend in roomsaus
gewiegd, gekend, begeerd, genoten.
Marjoleine de Vos
Uit: Marjoleine de Vos Zeehond graag - Amsterdam, Van Oorschot, 2000
vrijdag 2 mei 2008
Talkshow met trots gevogelte
PAUWEN - Witte Pauw & Pauwenman
Ze trekken samen door het land. Witte Pauw
trippelt aan een gouden halsband voor hem uit
of rust op Pauwenmans schouder, parmantig
Dan kan hij wel huilen van geluk, Pauwenman!
Bijna zo mooi is zij, Witte Pauw, als een Bach-
Sonate. Tenminste, dat vindt hij, Pauwenman
Witte Pauw & Pauwenman, zij bieden Nederland ont //
spanning !
Zie, de Zwaar Gehandicapte
die het Liefdespaar op TV aanschouwt
schurkt zich spontaan uit z’n invalidenkarretje omhoog
en maakt dan zomaar een schuchter danspasje, en dan nog een…
En dan opeens zingt de Doofstomme: “Charleston!
Charleston!
Wij dansen deN Charleston!” Als in Zelig
Woody Allens meesterfilm over de Jaren Twintig
Dank u, Witte Pauw & Pauwenman, roept de Genezene
En werpt zich ter aarde, zo devoot
als een aangepaste moslim
en kust de voeten van de Pauwenman langdurig
alsook de roze pootjes van de Witte Pauw
En zo ook doet de Blinde die plots TV kan kijken
alsook de Dodelijk Verlegene
die opeens het Parlement durft toe te spreken
Zij doen evenzo. Het is een wonder!
Geen wonder dat de soap aller soapen
Witte Vrouw & Vrouwenman
nu dagelijks te zien is op TV
Nederland gaat nog barsten van Ont
//
Spanning!
MANUEL KNEEPKENS (nog ongepubliceerd)

art impression by ERIK LOMAN
Het genot van tabak
OVER HET VERLANGEN NAAR EEN SIGARET
Ken je het verlangen naar een sigaret,
naar die gelukkige tijd dat je nog rookte?
Niemand begrijpt dit verlangen behalve ik.
Ik herinner mij iemand die altijd
als ik iets zei dat ze niet begreep
antwoordde: op zich is dit heel intrigerend.
En ik herinner mij ook dat ik dan
die uitspraak een aantal malen
in mijn hoofd moest herhalen:
op zich is dit heel intrigerend
totdat de betekenis verdampt was.
God kan ondoorgrondelijke dingen met ons doen
dankzij het feit dat hij niet bestaat
en zo kunnen ook ondoorgrondelijke dingen
worden beweerd dankzij het feit
dat ze nergens over gaan.
Sinds ik dit bedacht begrijp ik veel meer.
Het verlangen naar een sigaret is
het verlangen zelf.
Rutger Kopland
De bundel Over het verlangen naar een sigaret (2001, Amsterdam,Van Oorschot) bevat poëzie waarin tijd en vergankelijkheid in bijna elk gedicht een rol spelen.
Psychiater en tabaksliefhebber Rudi van den Hoofdakker - of misschien wel zijn nom de plume, de dichter Rutger Kopland - moest op medisch advies van collega's stoppen met roken.
Rook uw sloffen of laatste doosjes intussen snel op, nog acht weken te gaan voordat minister A. Klink - die met straffe hand waakt over onze volksgezondheid - de Nederlandse horeca volledig rookvrij zal verklaren. De omstreden maatregel gaat in op 1 juli as. Na de maaltijd een smakelijk sigaartje bij een glas of een sigaret aan tafel zal dan niet meer mogelijk zijn. Behalve bij 'pafpalen' of speciale rookzuilen, in afgezonderde ruimten - zonder bediening of serveergelegenheid - voorzien van speciale afzuiginstallatie, of op buitenterrassen. Mits die laatste gelegenheden op koudere dagen - van weer een andere minister - tenminste 'milieuvriendelijk en energie-arm' door apparatuur worden verwarmd.
Officieel wordt het verbod op 1 juli 2008 van kracht 'in verband met de gezondheid van het horeca-personeel'. Met deze motivering omzeilt minister Klink en zijn christendemocratische partij het - politieke - verwijt dat hij bezoekers van restaurants en cafés een andere moraal of 'minder schadelijk gedrag wil opleggen' en zich daardoor 'bemoeit met de persoonlijke levenssfeer en individuele keuzevrijheid' .
Ierland was het eerste Euroland met een volledig rookvrije horeca. De eerste effecten van het overheidsverbod daar zijn teleurstellend: méér Ierse jongeren - in plaats van minder, waarop was gehoopt - blijken volgens de jongste cijfers vanmorgen juist begonnen aan een nicotineverslaving. Ook in België en andere EG-landen leidt de invoering van het rookverbod nog geregeld tot onvoorziene problemen, met uitzondering van Italië.
donderdag 1 mei 2008
Voorgerecht
Afrodisia *
Wat wacht ik weer vertederd
tot de klok van thuiskomst.
Moet je mij zien, van stoot
naar sloof en andersom –
nu kinderlijk dom-blondjes lief:
Hoe was je dag, pak ik je jas
maak snel je sleutels kwijt, verberg je spullen.
Jij blijft nu hier en helemaal
tot morgenvroeg van mij alleen.
Ik denk de lakens boven al vast
in de plooi van wat er komen gaat.
Laat mij je helpen,
je verwennen, kom je?
Mijn amuse* maakt je blij.
Koken kan ik beter dan zij.
Josephine Banens
Afrodisia: lustopwekkend eten
amuse: voorgerechtje
[oorspr. op Gedichten.nl - internetpoëzie]
Abonneren op:
Posts (Atom)