Posts tonen met het label A. Roland Holst. Alle posts tonen
Posts tonen met het label A. Roland Holst. Alle posts tonen

maandag 16 mei 2011

Mens


VOORUITGANG




Beuken en linden zijn wij geweest -
de wind kwam toen in ons zingen.
Paarden en herten waren wij
die sprongen in de wind en draafden.
Sinds wij mensen werden
die leerden te vliegen
is de laatste hoop
ooit vogels te worden
vervlogen.


© A.Roland Holst








Uit: A.Roland Holst (1888-1976) Verzamelde gedichten,
Den Haag-Bussum,  Bert Bakker/C.A.J. van Dishoeck, 1971 

dinsdag 26 oktober 2010

Opdrogende wellust


DE LATE STRAF




Haar hart was een magneet en van graniet:
zij hoefde maar languit te liggen wachten,
de prooien kwamen wel, elk ging te niet
met huid en haar verslonden, haar roofkrachten
verzadigend, tot ze voldaan insliep.
Haar bloed hield haar verwende vlees zachtgloeiend,
een hinderlaag waaruit zij wel eens riep
naar een prooi die ontkwam, haar bed uitwoelend
bijtijds nog.
Zij lag languit, heet, ijskoud,
en ligt zo nog en zal nog vele jaren
zo liggen.
Toch, de wellust zelfs wordt oud
en komt, verveeld, langzaamaan tot bedaren,
maar het herdenken van de wellust blijft,
het verloren genot vergiftigt de uren,
zij geeslen het alleengelaten lijf
met zwepen die geen sterveling kan verduren.
Kortom: daar ligt zij dan die nog naleeft
van wat haar gedoogd vuur haar heeft berokkend:
stram, uitgeput roofdier dat honger heeft
en geen prooi meer kan lokken. -




© A. Roland Holst




Uit: A. Roland Holst Voorlopig, Amsterdam, Van Oorschot, 1976

zondag 12 september 2010

Wreed


UITGEWEZEN




Er klonk uit zijn geboortehuis
muziek. Hij hoorde het op straat:
hij stond er en wist zich geen raad.

Hij woonde er pas nog, maar men wees
er hem de deur.
Geen mens vergeet
zolang hij ademhaalt het oord
van zijn geluk.
Muziek is wreed
voor wie niet toegelaten wordt.



© Adriaan Roland Holst



Uit: A. Roland Holst Voorlopig, Amsterdam, Van Oorschot, 1976

woensdag 16 juni 2010

Erfenis





Persoonlijke opdracht van uitgever Geert van Oorschot (1909-1987) aan een boekenlezer, geschreven op de zg. Franse titelpagina, de eerste - vrijwel blanco - bladzijde van een uitgave, in dit geval de bundel Voorlopig van Adriaan Roland Holst.

Deze laatste verzenbundel van de prins der dichters bevat gedichten geschreven nog ná het afsluiten van zijn in 1971 bij het roemruchte Amsterdamse uitgevershuis gepubliceerde Verzamelde Gedichten. Voorlopig verscheen in het jaar dat Roland Holst stierf, in 1976. In de bundel komt ook het gedicht Christus en Jezus voor, dat Holst speciaal heeft opgedragen aan zijn uitgever.
Veel werk van de dichter Pierre Kemp (1886-1967) werd overigens ook uitgegeven door G. A. van Oorschot.

[erfstuk, uit de via modern antiquariaat openbaar geworden nalatenschap van publieke-omroepcoryfee
J. Venema, Hilversum]


Uit Voorlopig dit gedicht:


OM DE BOCHT


Zij wisten niet dat zij voor het laatst samen liepen
en dat haar noodlot weldra blindelings toe zou slaan.
Gretig leefden zij dag na dag en nooit versliepen
zij een kans op genot.
Bijgelicht door de maan
gingen zij, vrolijk neuriënd van ver gekomen,
de zoom langs van een doodstil woud waar het onheil
al op de loer lag - maar wat kon hun overkomen,
de speelse zaligen, onwetend van het wel
en wee dat in de verre sterren staat geschreven.

Toen nam het pad een bocht. De schrik sloeg haar om't hart.
Zij dorst geen stap meer doen, zij zag in angst en beven
de vijver waar de laatste stilte hoorbaar wordt.


A. Roland Holst



Alle gedichten uit deze bundel staan ook op:

http://www.xs4all.nl/~nil/voorlopig.htm

maandag 19 januari 2009

Wat tenminste is gebleven



BITTERHEID?



Een stille kleine wildernis
vol rozen en niet ver van zee -
een kamer en een vensternis
waar langvervlogen wel-en-wee
weer intrekt als het avond is:
van een veelbelovend leven
is tenminste dit gebleven.


© Adriaan Roland Holst



Uit: A. Roland Holst (1888-1976), prins der dichters, in:
Alleen met de zee Amsterdam, G.A. van Oorschot, 1988
- samengesteld en van een nawoord voorzien door Kees Fens



illustr. van Roland Holst uit Kristal (1935)

zaterdag 10 mei 2008

In het uur der schafte


DE PLOEGER



Ik vraag geen oogst; ik heb geen schuren -
Ik sta in uwen dienst, zonder bezit -
Maar ik ben rijk in dit:
Dat ik de ploeg van uw woord mag besturen,
En dat gij mij hebt toegewezen
Dit afgelegen land en deze
Hooge landouwen, waar - als in het uur
Der schafte bij de paarden van mijn wil
Ik leun vermoeid en stil -
De zee mij zichtbaar is zoover ik tuur.
Ik vraag maar een ding: kracht
Te dulden dit besef, dat ik geboren ben
In 't najaar van een wereld
En daarin sterven moet -
Gij weet hoe, als de ritselende klacht
Van die voorbije schoonheid mij omdwerelt,
Weemoed mij talmen doet
Tot ik welhaast voor u verloren ben -
Ik zal de halmen niet meer zien
Noch binden ooit de volle schoven,
Maar doe mij in den oogst geloven
Waarvoor ik dien -
Opdat, nog in de laatste voor,
Ik weten mag dat mij uw doel verkoor
Te zijn een ernstige ploeger op de landen
Van een te worden schoonheid; eenzaam tegen
Der eigen liefde dalend avondrood, -
Die ziet beneden aan de sprong der wegen
De hoeve van zijn deemoed, en het branden
Der zachte lamp van een gelaten dood -



© Adriaan Roland Holst (1888-1976)


 

Uit: A. Roland Holst Voorbij de wegen. Bussum, Van Dishoeck, 1920.
Ook in: Verzameld werk - poëzie (eds. W.J. van den Akker e.a., Amsterdam, Van Oorschot, 1981)