Posts tonen met het label Peter Goedhart. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Peter Goedhart. Alle posts tonen

woensdag 8 februari 2012

Begraaf mijn hart in zee




Je stuurde mij die foto
waar de bergen omhoog zieden
waar de rivier door de
wijde vlakte stuift,
schuimbekkend oerpaard
in vloeibare tijd.

Stoof ik daar voort?
Klom ik daar omhoog?
En in welk leven?




SCHOENEN




I.


Ik heb jullie weergevonden
blaartrekkende vrienden
die mij droegen over de schelpenzee
naar Avebury’s stenen strand.

Die mij droegen naar Thorung-La’s
ammonnietenzee
waar stenen golven reiken
tot in de wolkenkuiven.

Vergeef mij dat ik mij
van jullie wilde ontdoen.

In 1979 hield ik van jullie
In 1986 hield ik van jullie
In 1996 hield ik van jullie

Ach wat is tijd voor de god
van het wandelen.

Vier nieuwe vibramzolen
hebben jullie gekregen
nooit hebben jullie versaagd.

Vergeef mij dat ik mij
van jullie wilde ontdoen.

Toen ik het stof van jullie voorhoofd wiste
herinnerden jullie mij aan ons samenzijn
en als Abraham tegenover God stond ik
en het mes viel uit mijn hand.

Vergeef mij dat ik mij
van jullie wilde ontdoen.



II.



“Jetzt fangen wir wieder an
mit dem schönen laufen”,
sprak de grote Duitser.

Hij glimlachte en op blote voeten
in zijn sandalen
bedwong hij de pas van Thorung-La.

“Hoe is dat mogelijk”, vroeg ik hem.
“Da muss man aber wirklich robust sein”,
was zijn enige antwoord.






III.



Mijn twee verroeste sleepboten
zet jullie vibramzolen schrap
trek mij los van mijn ankers
sleep mij weg van de stad
breng mij naar zee, naar zee.

Zing mij het schelpenlied
zing mij het golvenlied
laat mijn hart bollen als een zeil.
Laat heel de wereld weten:
“Hij is uitgevaren.”



IV.  


Seizoenen 

 Ik heb jullie aangetrokken
en wankel de straat op
een net geboren hert.

O wat doet de lente
zeer aan mijn voeten.
Kort is het dichtersleven
van moment tot moment
struikelend in bloesems.



De aarde trilt
onder jullie tred.
Het slapende zaad ontwaakt
weldra zal het ontkiemen.

Dan rijpt het koren
en ik sta lachend
in het volle licht van de zomer,
een tijdloze aar.


*


Ik moet voorzichtig lopen
langzamer, langzamer.
Met elke stap
sneeuwen bladeren
om mij heen.

Het is stil in het bos,
geen zuchtje wind
zingt in de bomen.

Een dode tak schreeuwt
brekend onder mijn voet.
Verschrikt kijk ik op…
“Is dat de dood die roept?”

Ga maar voort
vergeet de dreiging
zet stap na stap
op de donkere grond.

*

Vervloekt Frank Jasso

Je liet ze mij zien
die schoenen van Vincent 
dat afgetrapte leven.
Niet meer te verzolen
snijdende pracht.

Nu zit ik in de stoel
die mijn vader maakte
in het besneeuwde land
mijn handen voor mijn ogen.

Een blinde mol
die niet meer wegkruipen kan
in de bevroren grond.

Vervloekt Frank Jasso!





V.



Meedogenloze vrienden
draag mij opnieuw naar zee
door de straten van de stad.
Waar de stenen jubelen:
“Kijk, daar gaat de atleet.”

Trams zullen mij omhelzen
met hun vlinderkussen.
Hoor ze roepen:
“Tingeling tingeling,
daar gaat de gezalfde
door de erepoort.”

Jonge meisjes
strooien de bloesem
van hun kristallen lach
voor mijn voeten.

Auto´s toeteren: “Ga voort,
ga voort lieve zwerver
gooi alle remmen los.”

De oude Jowett Javelin
van de stadsfotograaf
stopt ronkend voor mijn voeten.
Hij draait zijn raam open
en in een flits reikt hij mij
zijn speer van creativiteit.

Fantasmagorieën sneeuwen
uit haar schacht.
Een ballade van Tim Buckley
waait door het open raam
de straat in en schalt
tussen de gebouwen:

“If the fiddler played you a song my love
and I gave you a wheel
would you spin for my heart and loneliness
would you spin for my love”
Ja doe mij pijn, doe mij pijn,
pijn om de liefde voor de zee
kastijd mijn oceanische ziel
die huilt om het schuim van de golven.

Al die jaren lagen jullie
onder stoom en wachtten,
in één oogopslag
hebben jullie mij gewekt.

O mijn twee roestige sleepboten
trek mij zingend over de rivier.
En dan, als ik niet meer hoor
hoe de stad huilt,
dan ga ik scheep.
Naar Zanzibar,Yokohama,
Cristóbal, Porto Alegre,
Hangzhou,Whenzhou,
Nagasaki, Kobe.

Verder nog, verder nog,
voorbij Ultima Thule.
Ja Harry…
Plus ultra, plus ultra **
tussen schreeuwende vogels.
Het chagrin d’amour van
gemiste kansen
dure toute la vie
n'est-ce pas mon ami?

O mijn roestige sleepboten
meedogenloze vrienden
vergeef mij dat ik mij
van jullie wilde ontdoen.






VI.




“Ik ben het blonde Albion
schreeuwen de krijtrotsen.
Zee ben ik geweest
miljoenen jaren geleden.
Land werd ik weer.
Triljoenen zeedieren
herbergt mijn lichaam.
Hoor hun krijtwitte klachten,
vol heimwee roepen zij de zee.”

En zij fluistert met haar verre ruis:
“Kom naar mij, kom naar mij
mijn geliefde, ma bien aimée.”
En als het overvloedig regent
smelt het krijt voor haar
van oceanische liefde.

Tegen de vibrambodem
van mijn schoenen
drukt de gestolde zee
haar lenige lichaam.
Ik ben haar minnaar
haar matroos aan de wal.

Glacés van mijn voeten
feest van bruin nappa
buigzaam als marters
onvermoeibare vrienden
van mijn rusteloosheid.
Draag mij opnieuw
door de schelpenzee
van Zuid-Engeland.
Laat mij de donder van
de branding horen
en de schreeuw van de
meeuwen boven haar,
begraaf mijn hart in zee.




VII.



In vijfendertig jaren trouwe dienst
verdroegen jullie zonder klacht geduldig
de volle zwaarte van mijn zoekend wezen.

Van jullie kreeg ik liefdevol advies
en jullie toonden mij de juiste weg
die ik een leven lang niet zelf kon vinden.

En jullie zeiden: “Het is zo simpel trek ons aan
wij zijn een sterk en louterend vehikel
en dragen je waarheen je maar wilt gaan.

Raas jij maar voort, wij zijn je trouwe basis
geschapen zijn wij voor de lange baan
wij weten wat het is om stil te staan.

Jij bent uit wilde wolken uitgesneden
een vluchtig wezen, een neurotisch dier
dat de woestijn doorkruist en dorst naar water.

Wij zijn je vaste grond je aardse baken
wij zorgen dat al je gedachtenwater
weer neerslaat en je ziel doet groeien.

Welaan dan stop je vuisten in je zakken
en ga de weg die naar de hoogte wijst
stijg naar de hemel met de leeuweriken.

En draag je ziel in bei’ je open handen.
Schenk je hart aan ieder die het wil.
En maal niet om de plek waar je zult landen.”





VIII.




Op een ochtend trok ik jullie aan
en jullie namen mij mee
door het doolhof van straten
in het niemandsland van de stad.
Verder steeds verder
tot mijn voeten pijn deden.
Jullie schrijnden in mijn enkels
alsof jullie iets wilden zeggen
alsof jullie mij wilden straffen.
Wat was het vrienden?
Waar brachten jullie mij heen?
Wat wilden jullie mij laten zien?

Opeens hielden jullie halt
in de straat onder elzenkatjes
gloeide een bronzen knop
tussen de stoeptegels.
Ik leunde voorover
de knop ging open
en ik las de gegraveerde woorden:

“Hier woonde
Dolly Reens-Gosler
Geboren in 1903
Gedeporteerd in 1943
Vermoord in Bergen-Belsen
op 22 maart 1945.”

Ik keek op naar het zwijgende huis
in de schuldige straat
en ging weg van die plek.
Op de hoek van de straat
dwongen jullie mij terug.

Weer stond ik voor de
gloeiende knop en boog.
Rood als brandend bloedkoraal
barstte de knop open
en ik las…

“Hier woonde Dolly Reens-Gosler.”

Het leek of de letters
met kokende lava
in het oppervlak
van de knop waren gekerfd.
Opnieuw draaide ik mij om
en liep weg.

Ten derde male dwongen
jullie mij die straat in.
Weer stond ik voor
de gloeiende knop.
Hij brandde en trilde drie keer
als de bloedrode kam
van een kraaiende haan.

Toen zag ik hoe zij openbrak
als de deur van een loeiende oven
waarbinnen helse vlammen zieden.
En de straat werd witgloeiend
van het razende vuur
dat scheen te krijsen met
ontelbare monden.
En één stem maakte zich
los van alle anderen.
Het was de stem van Dolly.
Voor mijn ogen werd zij
uit het vuur geboren
met heel de wilde koorts
van haar ongeschonden jeugd.

Toen wist ik dat ik 6 miljoen keer
heen en weer zou moeten lopen
tot het bloed van schande
over mijn schoenen zou lopen
tot mijn bloed hun bloed zou worden
mijn lichaam hun lichaam
mijn wezen hun wezen.

En toen heb ik jullie uitgetrokken.



januari 2012



© Peter Goedhart




Zanger-dichter-componist-zeevaarder Peter Goedhart vond onlangs zijn oude bergschoenen op zolder terug. Hij wilde ze weggooien, in plaats van dat te doen trok hij ze echter nog één keer aan om te ervaren hoe het vergeten schoeisel ooit voelde. Goedhart maakte vervolgens een aantal stadswandelingen op z'n oude schoenen. Als uitvloeisel daarvan ontstond bovenstaande serie nieuwe gedichten, een kleine epische reeks van verlies.


(noot) ** : Verwijzing naar het gedicht Plus Ultra van de antropoloog-filosoof  Harry van den Bouwhuijsen

donderdag 11 augustus 2011

Naalddiep


EMIGRANT





Aan deze foto kleeft wat bloed
al toont zij enkel zwierigheid;
serpentines tussen wal en schip
zwakke hangbrug voor een ogenblik.

Daar ga je dan met stenen in je maag,
de slingers breken en dus ook je hart.
Je noemt het avontuur, maar het is smart.
Er komt geen einde meer aan deze trip.

Er staan wat vrouwen aan de waterkant,
hun woorden spinnen nog een ijle draad,
die taai aan de verschansing hangt,
een witte zakdoek kust de lucht.

Stilaan worden de mensen vaag,
maar bijten feller onderhuids,
het land verdwijnt in naalddiep zeer,
dan is er enkel zee en licht.

En op de reling, wit en koud,
twee handen, met een felle grip
knijpen zij stom het schreeuwen weg
dat in de ogen achterblijft.



© Peter Goedhart


- ongepubliceerd gedicht, door de auteur gelezen tijdens een voordracht op de openingsavond
van Poetry International, Rotterdam juni 2011 -

zaterdag 6 augustus 2011

Duw mij van de kant


VEDERLICHTE TRED IN MIJ




Vederlichte tred in mij,
lang vervlogen geur,
galante jaren met die lichte toets.
Gesteven spierwit linnengoed,
bongo’s op de gang,
donkere sherry die mij zinderen doet.

Weer gevonden tederheid
en het avontuur,
het donker laat ze ’s avonds los.
Cocktails in de Lido bar
en de oceaan,
kussen die ons vliegen deden toen.

Zet mij in een kleine boot,
duw mij van de kant,
laat mij ze gaan zoeken ver op zee;
vreemde bloesems zilt en zacht
verloren in de nacht,
elegantie die mij heeft gestreeld.

Zet de zilveren knopen aan mijn
hagelwitte jas,
epauletten drukken zwart en zwaar.
Alles wat mij hier nog hield
- goed gelukte sound -
zo vertrouwd alsof het gisteren was.



© Peter Goedhart




Komende maand begint zanger-dichter-componist Peter Goedhart met zijn ensemble een bijzondere bootreis vanaf Rotterdam-Zuid. Wie in de Rijnhaven, achter het nieuwe Luxor,
aan boord stapt van de historische Animathor (1904, max. 100 pers.) maakt een tocht waarin meer dan alleen de wereld van de zeilende vaartuigen wordt verkend.
Eerdere theaterreizen van Goedhart vertelden het verhaal van het roemruchte cruiseschip
‘Willem Ruys’, de theeklipper ‘Cutty Sark’ en van de Portugese dichter Fernando Pessoa. Deze keer zijn liederen en teksten te horen van Robert Louis Stevenson (1850-1894), Schots schrijver van avonturenromans, gedichten, toneelstukken en literaire reisverhalen zoals Schateiland en
Dr. Jekyll and Mr. Hyde.
Tijdens deze watermuziekreis brengt Peter Goedhart zijn varend publiek opnieuw naar een verrassende plek in het Rotterdams havengebied: een scheepswerf uit de 18e eeuw, een van de oudste werven van Nederland, met een grote dwarshelling en fraaie houten loodsen.


Foto: De historische schoener die R.L. Stevenson tijdens een van zijn reizen naar de eilanden van de Stille Zuidzee bracht,
waar de schrijver in 1894 stierf en begraven werd op Samoa.  

maandag 11 juli 2011

Weg van hier


AFSCHEID VAN WELLINGTON





De trommel dreunt, de drone zwelt aan,
het schip breekt van de kant.
De chanter schreeuwt zijn meeuwenkreet
Ver over zee en land.

Ze komen in de avondzon
in lange bonte rij
de Scottish pipers; langs het schip
marcheren zij voorbij.

Het schip gaat langzaam overstag
helt naar de wallekant
en menig hart glijdt naar benee’
langs het serpentinewant.

Het roffelt, roept, het juicht, het zingt:
‘Kom achter mijn banier
over de groene heuvels kom
het land in weg van hier.’

Dead slow vaart onze oude Ruys
weg van die gouden plek;
van Wellington, het lied dat doodt
door water taai als pek.

En dunner wordt het chanter lied
de band marcheert weer af.
Wij dalen af naar onze hut
als in een donker graf.

Zo lang geleden is dat
nu, het grote schip verzonk.
Met haar verdween zoveel dat eens
in felle staatsie blonk.

Na veel geraas en veel gebrul
werd alles zwak en oud.
Wij koersen naar de laatste ree
zij is ons al vertrouwd.

Maar heel soms als ik pipers hoor
denk ik aan Wellington.
Dan trekken als een huivering
wat wolken langs de zon.

Ik zie de mannen, hoor hun lied,
hoog wappert de banier.
Ze roepen mij hun oude vriend
kom mee ver weg van hier.

Ik richt mijn hoofd op, recht mijn rug,
mijn hart is licht bevracht.
Ik trek met hen de nevels in
wat maal ik om de nacht.



© Peter Goedhart



*



SAILOR'S COMPLAINT



Zwartgalligheid heeft mij verslagen,
Ik ben bezopen kan mij niet verweren,
verdobbeld heb ik alles,
door ziekte van de ziel geteisterd.

Drink op tot aan de laatste slok.
Heave away, heave away, my bully boys.
Het leven zal je dood gaan knijpen,
verwacht geen beter lot.

Het laatste zeemanslied
versterft in havenkroegen.
Whisky is the life of man
a glass of grog for every man
and a bottle full for the shantyman.

De hoeren zijn naar huis gegaan,
mijn afgetuigde schepen,
mascara uitgelopen,
de monden rode vegen.

Zij glijden in de vaarten
van hun te nauwe bedden
rondborstige vriendinnen
gestrande zeekastelen.

Bewaar een plaats voor mij
in knisperende zeeën
van jullie witte lakens,
laat mij daar schipbreuk varen,
op jullie zoete kusten.

Zij keren mij de rug toe
en glijden van de wereld,
zo vaart alles ten einde,
heave away, heave away.

En ik ben dun geworden,
te veel illusies armer.
Een schimmige verdoolde
die drachtig is van leegte.




© Peter Goedhart



Twee gedichten van Peter Goedhart, voorgelezen op de openingsavond van Poetry International in Rotterdam, juni 2011.


Goedhart heeft een verleden in de zeevaart. Als zanger, verteller, dichter en componist schrijft en zingt hij liederen over Rotterdam, de Maas en de havens. Met muzikale begeleiding van een eigen ensemble, waarvan deel uitmaken Erik van der Kroft (piano), Erik Robaard (contrabas), Roeland Cleijne (trompet) en András Czifra (viool).


Voor zijn muziektheaterprogramma ‘Het lied van de zee’ vertaalde Goedhart in 2009  de gelijknamige ode van de Portugese dichter Fernando Pessoa (1888-1935). In dit ultieme maritieme loflied bezingt Pessoa alle aspecten van de zeevaart, van nostalgische romantiek tot bloeddorstige piraterij. ‘Pessoa bewijst hoe gepassioneerd je over de zee kunt schrijven zonder hem zelf bevaren te hebben,’ aldus Goedhart.

De integrale tekst van Ode Marítima van Pessoa alias Álvaro de Campos met de Nederlandse vertaling van Peter Goedhart werd gepubliceerd door de Rotterdamse uitgeverij Douane.

Het lied van de zee is ook verschenen op cd, bij Bent Produkties te Rotterdam. Bij deze muziekproductie zit een tekstboekje van de theatervoorstelling.

Een fragment uit de voorstelling in het Luxor Theater staat op:
http://www.youtube.com/watch?v=g973jBVERuM