dinsdag 29 november 2011
Een vinger die alles verkeerd doet
IN HET TWEE EN DERTIGSTE JAAR
Ik ben nog nooit zo geweest:
na een en dertig jaar zo klein als een schelp
en zo moe als een oud huis,
waarin spoken tekeer gaan, onvermoeibaar,
Géén schelp, geen huis. Wel het vluchtend omhulsel
van het sidderende dier, levensgroot verschrikt,
dat mijn naam draagt. Maar de naam liefde?
Zo dikwijls die naam en zo zelden die stilte.
Ik heb nu meer dan een en dertig jaar
niet veel rust gehad, de simpele, die van mensen:
ergens naar kijken of luisteren, niet meer denken,
slapen als een kind.
Lieveling zeg niets. Ik ben een vinger,
die alles verkeerd doet zodat hij kan schrijven.
Schrijven en weer schrijven. Ik wilde mijn ogen
wel sluiten en slapen als een schip aan je huid.
Mijn redenen ken ik niet. Heb ik mij gekozen
toen ik nog licht was, een vergeetachtig soort
latere engel? Woorden zijn vals,
woorden zijn katten die krols zijn van wijsheid.
Ik wilde wel slapen als een kind op het strand,
als het kind dat ik niet geweest ben, de man
die niet uit het kind kon groeien, de mens
die nu dan hardloopt in mij, gekke sprinter.
Lieveling, zeg niet. Ik heb zo lang,
eigenlijk zò lang geleefd, het is belachelijk.
Maak als je kunt dat mijn ogen gaan rusten
en dat àchter mijn ogen: de schreeuwende leegte,
waarachter mijn god die dwaas van de liefde.
© Hans Andreus
Uit: Hans Andreus Zoon van Eros Amsterdam, uitg.mij. Holland - Windroosreeks, 1986
woensdag 24 augustus 2011
Niet aanwezig
Ik kan dus niet meer komen bij je huid
en jij kunt niet meer komen waar ik ben.
Er is een haast hier die ons af-, wegsluit
en er is een wereld waar ik aan wen,
denk ik, maar jij leeft niet, ik ook niet, en
ik hoor niets meer, niet het minste geluid
dat doordringt en waarachter ik ons ken.
Ach, andere, wij komen er niet uit.
Nog steeds de harde ziekte in het lijf,
een plant, een oergroei naar wat is geweest.
Ik ben niet aanwezig waar ik verblijf.
Jij ook niet? Lichamen geven de geest
aan elkaar door. Mij troost niet wat ik schrijf.
Jou die mij zonder mij te lezen leest?
© Hans Andreus
Oorspr. in De sonnetten van de kleine waanzin ('s-Gravenhage, 1957), hier uit:
Hans Andreus Verzamelde gedichten, Amsterdam, Bert Bakker, 1984
woensdag 27 juli 2011
Rozenhoven
In Italië
in Italië heb ik je teruggevonden met een cederen gestalte
en met licht sidderend haar
nog door de nacht beschaduwd
In Holland en Frankrijk de zachte
poezesnoeten der vrees
de apen van de angst
de zilveren rails
de opengebroken grond
Rozenhoven vol kinderverlamming
de zeven terechtstellingstuinen
erkers verpleegsters en zwijgend parende beelden
de raderboten der ontzetting
een bijlslag in een rotte tronk hout
Maar zuidelijker
je gestalte smal tussen brandende bergen
en je schouders hoog boven einders van lichtval
en je voeten kleine hoeven langs de kanten der rotsen
en je lichaam een wiel in het water
© Hans Andreus
Uit: Hans Andreus Verzamelde gedichten Amsterdam, Bert Bakker, 1982 [1e dr.]
zaterdag 23 juli 2011
Dromen van jaja
LIEDJE
Alle roekoemeisjes
van vanavond
alle toedoemeisjes
van vannacht
wat zeggen we daar nu wel van?
Niets.
we laten ze maar zitten
Uit: de Muze en het meisje - Een bloemlezing van verzen, bijeengebracht door Ad den Besten en Bert Voeten. Met illustraties van Jan van Keulen.
Amsterdam, jeugduitgave van de Vereeniging ter Bevordering van de Belangen des Boekhandels ter gelegenheid van de Boekenweek 1957.
Oorspr. in: Muziek voor kijkdieren (debuut, 1951), Windroosreeks, uitg. Holland, Haarlem
vrijdag 15 juli 2011
Weer geen weer
Al dagenlang vlagen regen.
In de bossen ruikt het naar whiskey;
sommige bladeren
hebben al precies die kleur.
- Hans Andreus (1926-1977)
woensdag 29 juni 2011
Hoogste punt
Eigenlijk
zondag 20 februari 2011
Comedie
GESCHIEDENIS
Hier en daar een dorpsgek
vecht nog zijn eigen oorlog,
leunt nog tegen zijn leeggeruimd
toneel van de wereld en wacht nog
op volgende week betere komedianten.
© Hans Andreus
Uit: Hans Andreus (1926-1977) Verzamelde gedichten, Amsterdam, Bert Bakker, 1984
dinsdag 21 september 2010
Glazen bekkens
Omdat je niet grieks bent
kunnen je ogen delfisch orakelen
hoor ik bucolische muziek
een heel hoge mondharmonica in plaats van een fluit
maar meer dan dit
men moet zo zonder gestalte zijn
om lief te kunnen hebben
zo niemand en zo bewoond door leven
duizendpootleven en halfgodbestaan
dat men kan zeggen jij met een klank van glazen bekkens
bloemkoopmannen hebben droevige gezichten
zij hebben haren van kuilgras
en ogen van magere aarde
maar zij hebben hun bossen rozen als waaiers ontvouwd
en je naam van je heupen gelezen
ik heb een dag lang de dood op handen gedragen
ik heb een dag lang de kou van alaska betast
ik heb een nacht lang een jong dier zien doodgaan
ik heb een nacht lang je ogen gezien blinkend met een
blijdschap als water
ik weet allang niet meer wie je was
een vogelroep
of de komeet van halley
of
het eiland sicilië
maar ik leefde zo dood als kamers in spiegels
luister ik rinkel als bellen
de lichtrode weerschijn van onder je borsten
begrijp ik niet
de vertraagde val van je heupen door de ruimte
begrijp ik niet
je mond en je ogen zijn onherkenbaar
maar ik bespeel je en jij noemt mij
de bank van monto carlo
men wijst mij aan ik ben in de maan de kinderen roepen
mij maanman na
maar ik vaardig proclamaties uit
in een koninklijk meervoud
wij
zijn
de spiegels
der zon
© Hans Andreus
Oorspr. in De taal der dieren, Amsterdam, Bezige Bij (1953) -
ook in: Hans Andreus Verzamelde gedichten, Amsterdam, Bert Bakker, 1984
maandag 26 juli 2010
Anderen
Er zullen anderen komen of niet.
De aarde zal altijd wel bijna rond zijn.
En ieder mens heeft een open wond, pijn
aan wat er niet meer is of bijna niet.
Ik heb de vlammen op het ijs zien dansen,
hoorde de klokken die onder de grond zijn.
En wáár ik ben staan de schimmen nog rond mijn
wereld - of schimmen? ik zie hun huid glanzen
en ieder gebaar watervalt van licht.
(Zij galopperen te paard op het licht
en hun lichaam buigt als een boog van licht.)
Genoeg daarvan. Ik kan in een mens leven
en uit de ruimte. Ik noem alles leven.
Er komen anderen om mee te leven.
© Hans Andreus
Uit: Hans Andreus De sonnetten van de kleine waanzin, 's-Gravenhage, Stols, 1957
woensdag 30 juni 2010
Duur dier
DAGELIJKS
Je bent een keramiek,
een duur dier, een arme
engel zonder hemd.
Ik heb je zo lief als een harp,
als een stilte op zee,
als een vrouw en de gouden god of godin
in je mens, en zo lief als een mens.
Roepen wij dan de zon
en laat het dagelijks vogelvlug
ogenblik dansen in het verdeelde huis
van ons lichaam, ons dagelijks lichaam.
Hans Andreus
Uit: Hans Andreus Vertel hoeveel ik van je hou - vijfendertig liefdesgedichten, gekozen door Menno Wigman.
Amsterdam, Prometheus/Bert Bakker, 1998
maandag 31 mei 2010
Warm zand
À DEUX
's Nachts de warme waanzin van je lichaam,
borst en borst en buik en klein zwart woud,
wat ben je onder mij, een mooie gekgeworden slang?
nee want je huid is zo zacht zo zacht als
warm zand - maar zachter nog: ik lig in dichte vaste wolken,
waar komt de wind vandaan? de wind is wild vandaag,
er waait vannacht een blinde hete wilde wind.
Hans Andreus
Uit: Hans Andreus Vertel hoeveel ik van je hou - vijfendertig liefdesgedichten, gekozen door Menno Wigman.
Amsterdam, Prometheus/Bert Bakker, 1998
maandag 12 april 2010
Pasgewassen trams
HET LIED VAN HET MORGENLICHT
Ik groet het morgenlicht maar of het zich laat groeten
de voeten der voorbijgangers laten zich beter groeten
wij moeten zeggen zij ondanks het morgenlicht
ik knik ze toe houd moed zeg ik het licht maakt je toch blij
ze knikken terug maar ze geloven niet ze gaan voorbij.
Het morgenlicht houdt zich nu bezig met de dingen
de pasgewassen trams de rails het draad erboven
de fietssturen de ramen en de raamkozijnen
de dingen kunnen in het morgenlicht geloven
het water van een gracht wordt zonder kleren aan
zo heilig als de heilige sebastiaan.
En ook de kar de man ernaast de haring op de kar
zij roepen eensgezind en zonder dat zij opzien baren
het morgenlicht nabij en ook ikzelf ik groet
het morgenlicht maar of het zich laat groeten
wij moeten zeggen wij dit is het morgenlicht
wij moeten zeggen wij het licht is ons gezicht
wij moeten zeggen wij het licht gaat eenmaal dicht.
© Hans Andreus
Uit: Hans Andreus Verzamelde gedichten (samenst. Gerrit Borgers, Jan van der Vegt en Pim de Vroomen), Amsterdam, Bert Bakker, 1983.
Oorspr.: eerste gedicht uit Andreus' debuutbundel Muziek voor kijkdieren, reeks De Windroos nr. XII, Uitg. Mij. Holland, Amsterdam, 1951
dinsdag 15 december 2009
De kamers waar jij niet bent
DECEMBERBRIEF
Ik wilde dat je dichter bij me was.
Het jaar is te oud en heeft niets meer te zeggen.
Het weer is somber. Alle dagen staat er
een haveloze regen voor de ramen
lam zwaaiend als een dronkelap. Ik loop
door 't huis, de kamers waarin jij niet bent
en die dus leeg zijn. Of ik zit maar ergens
en kijk naar buiten tot het donker is.
De televisie 's avonds een meest trieste
vertoning in een eenmansbioskoop,
zoek ik maar vroeg mijn bed op, slaap pas laat
en word weer vroeg uit boze dromen wakker
omdat ik jou ook in de slaap niet vinden kan.
Ik wilde dat het jaar nu over was
en jij weer dichter bij me, bij me was.
Hans Andreus
Uit: Hans Andreus Vertel hoeveel ik van je hou - vijfendertig liefdesgedichten, gekozen door Menno Wigman.
Amsterdam, Prometheus/Bert Bakker, 1998
dinsdag 24 november 2009
De wereld weg
IK AT JOUW BROOD, DRONK JOUW WIJN: BEDELAAR
Ik at jouw brood, dronk jouw wijn: bedelaar,
iemand zonder een cent, binnengehaalde.
Iemand die met woorden geen brood betaalde,
want woorden gaan ver; ze blijven niet waar
ze worden geschreven. Maar in de lucht
hing onze zon en die stelde geen vragen.
Hij maakte licht van onze nachten,dagen:
de wereld was weg en het licht terug.
Toch: dit was het niet. Wij kunnen het weten,
die nu gaan zoals de anderen gaan,
al is er meer dat wij niet meer vergeten
en blijft er van ons-eens altijd iets hangen:
het licht willen zien, de zon willen vangen,
iets afweten van het electrisch bestaan.
Hans Andreus
Oorspr. gepublic. als 35ste gedicht in De sonnetten van de kleine waanzin (1957).
Hier uit: Hans Andreus Verzamelde gedichten (ed. Gerrit Borgers, Jan van der Vegt en Pim de Vroomen). Amsterdam, Bert Bakker, 1983
maandag 20 juli 2009
Blond, warm
IK HEB JE LIEVER
Ik heb je liever dan brood,
al zegt men ook dat het niet kan
en al kan het ook niet.
Ik heb je liever dan vrolijkheid of regen,
liever dan de stilte van drie uur
in de rustig in- en uitademende nacht.
De meeuwen scheren overdag met hun vleugels
langs de blonde warme lucht.
De wilde bloemen staan te lachen
in het warme bad van de zon.
De zon danst zijn toch maar kleine rol
met zoveel overgave dat het heel
stil wordt, hier, in dit deel van het heelal.
Ik heb je liever dan brood,
al zegt men ook dat het niet kan
en al kan het ook niet.
Liever dan vrolijkheid of regen,
liever nog dan ik heb je lief.
Hans Andreus
Uit: Hans Andreus Vertel hoeveel ik van je hou - vijfendertig liefdesgedichten, gekozen door Menno Wigman.
Amsterdam, Prometheus/Bert Bakker, 1998
dinsdag 26 mei 2009
Zomerzon
DE DRIE VLIEGEN
Er zaten eens drie vliegen
Om het hardst te liegen,
Buiten op een balkon,
Luierend in de zomerzon.
De eerste zei: 'Met deze poot
Sloeg ik vijf olifanten dood.'
De tweede zei: 'Ik vlieg zo vlug,
In 'n uurtje naar Afrika en terug.'
De derde zei: 'Ik vlieg zo hoog,
Nog hoger dan de regenboog.'
Toen werd 't wat kil en 't waaide wat
De vliegen riepen: 'Voel je dat!'
En vlogen gauw het huis weer binnen
Om daar nóg meer leugens te verzinnen.
© Hans Andreus
Uit: Hans Andreus Kinderversjes, Haarlem, uitg. mij. Holland, 1975
donderdag 12 februari 2009
Onder de zon
MOL
Dat ik woon in de aarde,
woel door de grote moeder,
kind aan huis blijf bij haar,
en dat ik het gevaar
schuw van alles onder de zon –
goed, maar moet ik niet leven
zoals ik ben, blind
en met de onrust in de poten
van een grond doordrenkt van doden?
Hans Andreus
Uit: Hans Andreus (1926-1977) Natuurgedichten en andere, Haarlem, uitg.mij Holland, 1970.
woensdag 21 mei 2008
Hoe wil je heten, Vogelenhaar?
Je naam? Maar ik heb je naam vergeten.
Je letters lopen over in elkaar.
Wij zijn van zoveel ik gemaakt, bezeten,
dat wij geen leven hebben voor elkaar.
Ik weet je naam wel maar hoe wil je heten:
Springveer, Wilde, Kleine Clown, Vogelenhaar,
Brood Dat Je Proeven Moet Om Op Te Eten,
Tot Ziens, Adieu, Nooit Meer of Toch of Maar?
Ik zeg maar wat. Ik moet in je geloven,
al ben je niet degene die je bent,
woon je nieuw naast mij of vlieger je boven
de daken. Ik heb je te slecht gekend
en kan je nu geen stom geluk beloven,
vreemdelinge. Wij zijn dat licht ontwend.
© Hans Andreus
oorspr. in: De sonnetten van de kleine waanzin (1957),
later opgenomen in: Hans Andreus Verzamelde Gedichten, Amsterdam, Bert Bakker, 1984.
donderdag 10 april 2008
Zeg het aan geen mens
VOOR EEN DAG VAN MORGEN
Wanneer ik morgen doodga,
vertel dan aan de bomen
hoeveel ik van je hield.
Vertel het aan de wind,
die in de bomen klimt
of uit de takken valt,
hoeveel ik van je hield.
Vertel het aan een kind
dat jong genoeg is om het te begrijpen.
Vertel het aan een dier,
misschien alleen door het aan te kijken.
Vertel het aan de huizen van steen,
vertel het aan de stad
hoe lief ik je had.
Maar zeg het aan geen mens,
ze zouden je niet geloven.
Ze zouden niet willen geloven dat
alleen maar een man
alleen maar een vrouw
dat een mens een mens zo liefhad
als ik jou.
© Hans Andreus
oorspr. gepubliceerd in: Al ben ik een reiziger (1959),
later opgenomen in: Verzamelde Gedichten - samenstelling en tekstverzorging: G. Borgers, J. van der Vegt en W.A.M. de Vroomen. Amsterdam, uitgeverij Bert Bakker, 1984.
Het werk van Hans Andreus (1926-1977), pseudoniem van Johan Wilhelm van der Zant, wordt gerekend tot de 'experimentele' dichtkunst van De Vijftigers, waartoe onder anderen ook Lucebert, Bert Schierbeek en Remco Campert behoorden.
Behalve poëzie en ook proza schreef Andreus echter een groot aantal kinderboeken. Die vormen zelfs het grootste deel van het oeuvre van deze Nederlandse dichter. Zijn kinderverhalen zijn fantasierijk, lichtvoetig, met speels taalgebruik, en veel gevoel voor klank en ritme. Andreus' kinderboekenwerk is een aantal malen bekroond. Zo behaalde de versjesbundel 'De Rommeltuin' in 1971 een Zilveren Griffel en werd 'Meester Pompelmoes en de mompelpoes' in 1969 door de boekpromotie-organisatie CPNB onderscheiden als Kinderboek van het Jaar, voorloper van de latere Gouden Griffel.
