Posts tonen met het label luuk gruwez. Alle posts tonen
Posts tonen met het label luuk gruwez. Alle posts tonen
zaterdag 3 december 2011
Met blinddoek
SOURDINE *
En als er geen tederheid meer is,
laten we de tederheid dan veinzen
met geblinddoekte handen en geloken ogen,
liggend aan elkander als een grens.
Een woord mag dan niet langer een woord heten,
maar een mondvol troostvol verzwijgen;
en verlangen niet langer een armslag lang,
maar verder, weidser dan een vergezicht
vol zomervogels, muziek van Mendelsohn, een sfumato*
aan Da Vinci ontleend. Jij zult je mooiste medelijden
ruilen met mijn liefste verdriet; ik, voorzichtig talmen
om het tanen van je lichaam dieper af te tasten.
O als er dan nog tederheid is, laten wij de tederheid vrezen
als een oud zeer. Zoveel tederheid,
daar kon geen mens ooit tegen.
© Luuk Gruwez
Uit: Luuk Gruwez Bandeloze gedichten, Amsterdam, De Arbeiderspers, 1996.
* Een sordino of sourdine is een demper waarmee het volume van de klank van een strijkinstrument minder luid gemaakt wordt en de klankkleur veranderd kan worden.
Sfumato: techniek waarbij de omtrekken van onderwerpen in een schilderij wazig worden gemaakt zodat de vormen vaag worden en de contouren onscherp.
Vers door de dichter geschreven naar aanleiding van de ziekte van zijn geliefde, die aan kanker leed.
zondag 11 september 2011
Vliegende machines
ALTIJD
voor Toon Tellegen
Er zijn heel tedere machines nodig
om op een mooie dag naar nergens te vliegen.
Propellers, buizen, bouten zijn er nodig,
het vallend blad van een plataan,
misschien het oorsmeer van een kind
en veel van het onmogelijke mooiste.
Er moet, heel opgewekt, een witte merel zingen,
een voorjaarsochtend in een schrikkeljaar.
Dit alles is beslist vereist
voor wie naar nergens wenst te vliegen
want nergens is een plek met pech
en als niet alles fout kan gaan,
dan is er niets dat lukken zal.
De tederste machines zijn er nodig
om op een mooie dag naar nergens te vliegen.
© Luuk Gruwez
Uit: Luuk Gruwez Garderobe (bloemlezing)
Amsterdam/Antwerpen, De Arbeiderspers, 2010
zaterdag 23 juli 2011
Zegepraal
AFSPRAAK
Aarde beef, hemel donder, sterren val.
Hier is mijn lief, voor één keer iets te vroeg.
Zij was het beste wat ik had,
maar kwam bij leven nooit op tijd.
Ik wou haar nog een dagje hier.
Nu dat niet mag: zorg goed voor haar.
Verstrek haar 's avonds goudsbloemthee
en zing een liedje in haar hals.
Ook moet een thermometer achterin.
Want ging het hier vaak fout met haar,
ik wed dat haar ook daar iets schort.
Laat haar dat leven overdoen
met een briljanter eindrapport:
o laat haar zegepralend gaan.
© Luuk Gruwez
Uit: Luuk Gruwez Vuile manieren Amsterdam, De Arbeiderspers, 1994
zaterdag 3 juli 2010
Wreed schoon - over geelzucht & de rondemiss, Le Grand Départ

Opnieuw actueel in de Tour-2010: Rotterdam, Boompjes, tussen
Willemsbrug en Erasmusbrug -
gevleugelde uitspraak van oud-Raleighploegleider Post, jaren tachtig
COUREUR (Fin de Siècle)
Ik ben niet gekomen om aan te komen,
ik ben allene maar gekomen om te starten.
En voor de gladiolen en de kussen
van de Druivenkoninginne.
Tenminste: als ik winne.
Maar als ik winne, 't is per toeval
of misschien omdat ze mij laten gaan
als 't onder mijne kerktoren is.
En 't is per toeval als ze mij gaarne zien.
'k Ben zelfs niet gekomen om te starten
want 'k ware vele liever niet gestart
en 'k ware liever niet gekomen.
't Probleem met 't starten is
- en vraagt ge 't mij, een groot probleem -
dat ge van kilometers verre aan moet komen
desnoods op uwen veló,
voordat ge eindelijk moogt starten.
't Is altijd were dezelfde miserie:
't is even verre naar den départ
als dat het is naar den arrivée.
En 'k heb, als één van d'enigste,
nog nooit een chique voiture gehad.
Maar 'k wille zo gaarne dat ze mij gaarne zien.
't Is waar dat 't hier wreed schone is.
De boerenhoven, den blauweregen,
en al die merries met dien damp rond hun konte.
Ik ben van den buiten, ik ben van den boer,
en niet van den disco lijk mijn maten.
Ik ben van de frieten, niet van de grieten.
Maar 'k zie zo gaarne de kuiten van de meiskes,
surtout wanneer ik naar beneden kijke
en 'k kijke heel dikwijls naar beneden.
Daar staan ze dan, langs de greppels van de weg,
madelieven tussen madelieven, al mijn lieven,
en ge koerst maar en ge koerst maar
totdat ge bijkans genen asem meer hebt,
ge perst u verdorie de kloten van 't lijf
en ge weet: ge kunt ze toch niet krijgen.
En 'k kijke omhoge tot in hun kruis,
en 'k hapere en mijnen asem stokt.
Ik zie dat liever, vele liever,
dan de billen van mijn maten,
die 'k -à propos- ben beu gezien,
doordat ik meestal vanachteren zitte.
Demarreren? 't Is van 't beste war da 'k kanne,
weg, rap weg van al die stomme konten,
maar 'k doen het niet: voilà!
Misschien omdat ik daar te slim voor benne
of te lui, te leeg lijk dat ze hier soms zeggen,
lijk dat dat niet hetzelfden is:
slim en lui en leeg.
Als tante Fientje aan de kant staat,
tantje Fientje, die maar vijf jaar ouder is,
tantje Fientje met haren drapeau
en met haar proper fraksken an,
en als ze dan allez, Gruwee roept,
dan steek ik d'r dikwijls weer een tandeke bij.
Ze zeggen wel dat 'k fin de carrière benne,
maar 'k hebbe niet eens een carrière gehad.
En 'k hebbe nooit, dat durf ik zweren,
ik hebbe nooit iets willen winnen.
Maar 'k wille zo gaarne dat ze mij gaarne zien.
't Is tegenwoordig overal fin de carrière,
lijk dat de wereld in de solden
en 't heelder dagen avond is.
Ze spreken toch ook van 't fin de siècle?
En siècle of carrière: dat is 't zelfde,
want dat is Frans en Frans dat is de tale
waarin ze iemand gaarne zien.
Gruwee zeggen ze, Gruwee toch
Ge moogt u niet zo laten doen
Ge moogt u niet zo laten gaan
Gij zijt niet fin de carrière.
Dat zit allene maar in uwen kop.
En tegen de avond - leeggereden
en eindelijk, eindelijk gearriveerd -
dan gaan ik onder de douche staan,
met mijnen smoel vol taches de beauté:
't is Frans en 't klinkt veel schoner dan slijk.
Maar 't moet er, Frans of niet, altijd weer af.
Ze mogen morsen, allemale, ikke niet.
En morsen is van 't liefste wat ik doe.
Modder morsen, want ik ben een zwijn.
Maar 't ligt in mijn nature en in heel mijn wezen
het zwijn te zijn van de druivekoninginne
en 't zwijn, vooral, van tante Fientje.
't Is waar dat 't hier wreed schone is,
maar 'k hebbe soms enorm veel goestinge
met al de modder van de wereld
koleirig naar den hemel te smijten.
Hoe doet ge dat, vertel het mij:
niet winnen en d'r toch voor zorgen
dat z'u verdomme gaarne ziet?
LUUK GRUWEZ
(Met dank aan Hugo Claus, Eriek Verpale, Rik van Steenbergen, Briek Schotte, Rik van Looy, Jef Planckaert, Ward Sels en mijn twaalfjarige zelf)
- voor Peter Ouwerkerk -
Uit: Luuk Gruwez Dieven en geliefden, Amsterdam/Antwerpen, de Arbeiderspers, 2000.
Recent ook opgenomen in de bloemlezing Garderobe, een keuze uit Gruwez' gedichten (Amsterdam/ Antwerpen, juni 2010).
Rotterdam-Parijs, dit weekeinde breekt de jaarlijkse geelzucht onder wielrenners weer uit met de start van de 94ste editie van de Tour de France. Le Grand Départ dus - vandaag te beginnen met een amuse, het voorafje: de proloog, een korte tijdrit. Morgen, met start vanaf de Rotterdamse Erasmusbrug, brengt de eerste officiële etappe van het grootste wielerspektakel ter wereld het peloton via de winderige Zeeuwse Deltawerken naar het zondagse Brussel. Vandaar gaat de koers verder zuidwaarts, over vlakten en bergtoppen, tot de eindmeet over drie weken op de Avenue des Champs-Élysées waar het winnaarsgeel en anderen klassementstruien klaar liggen. Hoewel: Parijs is nog ver... wist Joop Zoetemelk indertijd al.
De Tour met het Nederlandse aanvangsrandje wordt dinsdag over de Waals-Franse grens in elk geval definitief weer een Ronde van Gallië, zoals het ook hoort in een stripalbum van Asterix en Obelix.
donderdag 3 juni 2010
Lang gespaard
ADVIES AAN EEN DIEF *
Komt u maar binnen door mijn achterdeur,
die doe ik bijna nooit op slot.
Gaat u toch zitten, doe mijn sloffen aan;
er staat een borrel in de kast.
Mijn allerliefste dief bent u.
U zult waarschijnlijk zenuwachtig zijn.
Dit huis is mijn museum. Kijk.
De gekste dingen heb ik hier bijeen,
(...)
Misschien wilt u, voor u ermee begint,
toch eerst in een album neuzen
of in mijn favoriete liefdesbrief?
Mijn oude pornobladen? Ook niet slecht.
Wie lijkt er beter op zichzelf
dan hij die anoniem kan zijn?
Kijkt u dus rustig: het kalmeert
bezit te nemen van een andere geest.
Ik laat u zien dat ik niet eenzaam ben.
Ik ben niet eenzaam, als u dat maar weet,
al doet u mij veel eer met uw bezoek.
(...)
Vooruit, succes, het is nu tijd.
Hier in de kamer met de boekenkast:
kwart metertje heb ík geschreven.
(...)
Voorzichtig, ginds de trap op, links,
vervolgens rechts, tot aan de gastenkamer.
Hier liet ik na haar dood mijn moeder wonen
met al haar handtassen en haar migraines,
(...)
Ik heb heel lang voor u gespaard
omdat ik wist dat u zou komen.
Pas zeven was ik en ik wist het al.
Ik heb het allerfraaiste porselein,
en een stoel of twee in Louis-Seize,
(...)
Ten slotte komt u bij een kamer.
Die is potdicht, waarvoor excuus.
Hier houd ik mijn vriendin gevangen
in touwen, ketting om de voet.
Geen mens kent de bezitter van haar lijf.
Of toch: wilt u het waarlijk weten?
Ik lig al naast haar, twintig jaar.
Wij zijn er trots op dat wij ouder worden,
de laatsten die geloven in elkaar.
En als zij slaapt hou ik haar dromen vast,
en als zij zucht of kucht haar keel,
en telkens als zij lacht haar lach
en telkens als zij weent haar tranen.
Er is maar één dief die ik vrees:
de dief die harten steelt.
U moet geweldig van mij houden
dat u mij zozeer wilt beroven.
Maar ook al neemt u alles mee,
laat haar bij mij, en mij bij haar.
Luuk Gruwez
*fragmenten uit drie pagina's lang gedicht
In: Luuk Gruwez Dieven en geliefden, Amsterdam/Antwerpen, Arbeiderspers, 2000
vrijdag 19 februari 2010
Honger
KANKER I
God, herstel deze vrouw. zij is nog niet
voltooid. zij moet mij nog ten grave dragen.
o, leg haar straks, al stijf van ouderdom,
met beide borsten in een kist.
ik weet dat u soms voorkomt in het wild
naast aasgier, lynx en tijgerkat:
fouileer haar niet tot op het bot
of daar nog ergens kanker zat.
ook ik lijd honger aan haar lijf.
wees niet bekommerd om uw maal:
ik wil een ander kwijt in ruil voor haar.
ik wil een ander kwijt, of minstens mij.
© Luuk Gruwez
Uit: Luuk Gruwez Dikke mensen, Amsterdam, De Arbeiderspers, 1990
zondag 16 augustus 2009
Walsje
SCHEPPINGSVERHAAL
misschien was god wel onvoorzichtig
toen hij het zoogdier schiep
de leeuw, akkoord, een meesterwerk
maar wat te zeggen van de mens?
en had de olifant niet moeten briesen
de dashond met zijn trieste blik
niet moeten piepen als een muis?
had die mens niet moeten mekkeren?
er waren dichters nodig, beter in geluid
zangers met perfecte strot
om wat verkeerd ging te herstellen:
constructiefouten in zijn schepping
hij schiep er enkele, mijn god
en met zijn vette schommelende lijf
deed hij, tot iedereens vermaak
een walsje in de balzaal op aarde
en of het goed was, zag hij niet
Luuk Gruwez
Uit: Luuk Gruwez Vuile manieren, Amsterdam, De Arbeiderspers, 1994
dinsdag 11 augustus 2009
Verlovingsjurk
OMA'S MEMO
zij ruimt de rommel op die niet meer dient:
een fotolijst, een hoornen bril,
verlovingsjurk van anno dertig,
de prullenkraam van een bestaan
dat eens vol meesterwerken was.
haar mooiste meesterwerk ben ik,
haar mausoleum voor een dochter,
de hare, die mij baarde en toch stierf,
de missing link die ons verbindt,
gemis dat vlees werd, stof en as.
uit alles blijkt dat zij zich traint in blijven,
in voortbestaan, inpakken van wat was.
en met een stem vol moederschap
laat zij een opdracht aan de planten na:
wees daar, eis water, als ik niet meer ben.
alles wat weerloos is en eindigt
verdient een voortbestaan. geen ding.
zo eindigt ook haar kunstgebit
met gouden stift, dat nu nog elke avond
in een glaasje gaat, straks in een kist.
Luuk Gruwez
Uit: Luuk Gruwez Dikke mensen, Amsterdam, De Arbeiderspers, 1990
zaterdag 6 juni 2009
Industrie van het verdriet
AAN EEN COLLEGA
I
Ik durf je amper te vertellen, kameraad,
tijdens hoeveel van mijn dagen ik haar haat,
die oudste industrie van het verdriet, de poëzie.
Dat ik haat hoe zij met mij brutaal aan de haal gaat,
hoe zij mij struikelen doet over mijn
enjambementen, mijn chiasmen, assonanties
en tegen het scheenbeen van mijn eerste liefde schopt.
Dat zij helemaal geen rekening wil houden
met de noden van mijn darmen en de doden
in mijn ziel en de zaden op een plek
waar eeuwigheid een poging tot ontspringen doet.
Gister nog, bij Osman, die mijn kapper is,
kroop zij ongevraagd en naakt bij mij op schoot
terwijl het scheermes langs mijn slapen gleed.
En nog diezelfde dag, terwijl ik boven op een ladder stond,
strooide zij schaterend voetzoekers in het rond.
Wij mogen dan wel in een zuiderse patio liggen,
er fanatiek naar strevend onder een zwijgzame
sterrenhemel gelukzalig niets en niemand te zijn,
maar daar zelfs komt zij langs, de poëzie, la poesia,
met het bon chic, bon genre van een tettertrien.
Zij vindt het helemaal niet erg - wat dacht je wel? -
de beste coïtus ter wereld te verstoren
om te zeggen dat zij niets te zeggen heeft.
Rot op, roep ik, de pot op, rot toch op!
Maar daar propt zij al een vod
diep in de strot van mijn geliefde,
die haar terecht van oudsher wantrouwt.
Ik durf je amper te vertellen, kameraad,
hoezeer en tijdens hoeveel van mijn dagen ik haar haat,
de poëzie, dat ik haar haat met hart en ziel.
En dat, als ik haar liefheb: hoogstens per vergissing.
Luuk Gruwez
Uit: Luuk Gruwez Lagerwal, Amsterdam/Antwerpen, De Arbeiderspers, 2008
donderdag 5 februari 2009
Leven van remedies
MUTTER COURAGE
Aan elke heer die bellen blies
in haar hoofd van waspoeder en zeep
bood zij haar mond van eeuwen aan,
haar hele ziel in ondergoed,
opdat zij niet voorbij zou gaan.
Maar debuterend in de malle troost
van kinderneuzen vol met snot,
heeft zij voor eeuwigheid geen tijd.
Het regent, maar zij blijft gezond,
gezond zoals een moeder moet
- een trage, weldoorvoede kloek,
voorgoed begraven in haar kroost.
Zo leert zij leven van recepten
en van remedies tegen zeer
dat, eer het komt, genezen wordt.
En eeuwigheid is kinderspel.
© Luuk Gruwez
Uit: Luuk Gruwez Bandeloze gedichten - een keuze uit de poëzie 1977-1990,
Amsterdam, De Arbeiderspers, 1996.
woensdag 18 juni 2008
Wantrouwende handen
MOEDERS
Men herkent ze van ver en van vroeger: altijd in rep en roer,
Altijd dat vertrouwde rumoer. Of wij het niet te koud hebben
misschien, dat onze jas wat hoger moet geknoopt, dat wij
die slechte vrienden beter kunnen mijden. Et cetera,
et cetera. Zij zijn van overdosissen voorzichtigheid vervuld,
van levenslang et cetera, stupide stuwingen in buik en boezem.
Fluorescente details, eeuwenoud van eenvoud: spermavlekken die zij
stil, met dromerige ogen uit de lakens van hun zonen wassen,
meisjes die zij halsoverkop uit de vrouwen moeten wissen
die zij tussentijds geworden zijn. Het kan in goede moeders
allemachtig sneeuwen, voornamelijk wanneer geen mens
het al verwacht, begin november, zodra de doden victorie kraaien.
Zij geven kleuters sjaals en wollen wanten mee. Bananen.
Iets dappers tegen tranen. En van hun eigen moeders die hun meer
en meer ontglippen, worden zij de laatste moeders. Tot zij
de handen wantrouwen die hen niet langer vasthouden kunnen.
November wordt het niet, november valt. Als avond.
Lucht verplaatst zijn diepste rood in bladeren van beuk en eik.
En wegens alles wat zij niet meer kunnen houden, houdt hij op:
hun wereld vol et cetera, et cetera en totterdood.
© Luuk Gruwez
Uit: Luuk Gruwez, Lagerwal, Amsterdam/Antwerpen, De Arbeiderspers, 2008
donderdag 22 mei 2008
Telraam
KORTRIJK
Come friendly bombs, and fall on Slough (J. Betjeman)
Kom, lieve bommen, val op Kortrijk.
Niet omdat ik daar ontstond
tussen Walle en station,
uitgerust om op te krassen,
maar daar in Kortrijk wezens wonen
met trage tranen en met snelle winden,
muffer dan - eertijds - het rottend vlas
in het gouden water van de Leie.
En daar in Kortrijk mannen wonen
met schuine moppen, met centen die kloppen
in hun te diepe, haast diepzinnige zakken.
Kom, lieve bommen, donder neer, verpletter Kortrijk.
Maar spaar de kinderen van Stella Maris,
de sullen van de Pottelberg,
de hoeren van de Papenstraat.
En o, voordat ik het vergeet,
spaar ook mijn tante en de haren.
Spaar toch vooral mijn malle nicht
die dertig is en aan een telraam zit
en telt en telt en nooit iets vindt dat klopt.
Kortom, spaar Kortrijk maar.
© Luuk Gruwez
Uit: Luuk Gruwez Vuile manieren, Amsterdam, de Arbeiderspers, 1994
Abonneren op:
Posts (Atom)