Posts tonen met het label Hester Knibbe. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Hester Knibbe. Alle posts tonen

zaterdag 11 augustus 2012

Bezoek


BLAUWDRUK



Hij is ijskoud in haar ontwaakt,
neemt zeer zelfzuchtig stilte aan bij monde
van een opzettelijk doofstomme; de eeuwig-
heden slaat hij aan seconden.

Z'n blauwdruk, tot een lijf vermaakt,
dat zelfs de ochtend slecht verdraagt, voorzegt
hoe hij vernietigd dient te worden.

Ze maakt zich in het licht verstaanbaar:
wees warm, bezoek mij in de zomer en ik
bedrieg je, ik, de meest bedrogen dromer.


© Hester Knibbe



Uit: Hester Knibbe Een hemd van vlees Baarn, De Prom, 1994

zaterdag 4 februari 2012

Meikersen


ZOIETS SIMPELS



Het is vaak zoiets simpels, het is
gemis van je stem bijvoorbeeld, geen
verhaal over landschappen meer, geen
gedoe met je was, je kleren

onaangeroerd in de kast. Het is van je handen
op zoek naar houvast de afdruk nog weten
op leuning en deurpost en je voetstappen
op het parket en de trap, dat zo willen
laten, bedenken: poetsen en wrijven is
sinds de tijd verdrijven, jouw tijd

moet hier blijven. Het is
zo simpel en groot als huilen
bij meikersen, appelstroop in de schappen
en geitenkaas op het brood.


© Hester Knibbe



Uit: Hester Knibbe Verstoorde grond, Baarn, De Prom, 2002

vrijdag 30 december 2011

Een rijk jaar


THUISKOMST



Ik droomde dat ik van je
droomde: we zaten op de bank en
praatten wat, je droeg de trui die ik
die dag gedragen had, je haar was
nat van alle regen. Je lijf solide

warm had weer de frisheid van
wanneer je in de grienden was geweest
en je vertelde feestelijk gewoon
dat het daarginds toch anders
bleek, hoe diep de wortels
reiken van de eik. En ik

verhaalde van wat ik hierboven
had geleefd, over het groeien van
de hazelaar, ook een bijzonder rijk
spinnenjaar zei ik. Je schaterlachte.



© Hester Knibbe



Uit: Hester Knibbe Verstoorde grond, Baarn, De Prom, 2002

zaterdag 10 september 2011

Kras


OOGSTEEN



Het was nu. Schrikdraad stond
rond de tuinen der zonde, er moest nog
gehinkeld tussen de lijnen, een scherf geschopt
naar de vakken van morgen, op het plein gebuut bij de linde.
Achter de poort lag het wijde. Het was

nu. Zij verruilde haar stuiters voor stuivers
en zocht naar oogsteen en ziel. Vond toen
haar lichaam, wat daarmee te doen.
En het werd om te blozen zo warm in haar zomer
het werd om te blozen zo warm in oktober: het werd

nu. Op de stoepen verschenen lijnen en vakken
getrokken met krijt, op de pleinen stonden de linden buutvrij
en kinderen schopten scherven opzij, holden naar morgen, vonden
een oogsteen, haalden de stroom van het schrikdraad.
En het werd om te blozen zo koud in november.

Het is nu. Gisteren staat met een blos
achter glas en morgen is een mooie formule
die zich nog moet bewijzen: het is nu. Zij kent
de blink van een oogsteen en de kras erin, zij vertrouwt
alsnog op haar hakken, dat die haar dragen
naar einde en aanvang van alle beweging.



© Hester Knibbe











Uit: Hester Knibbe Oogsteen - een keuze uit de gedichten 1982-2008,
Amsterdam/Antwerpen, De Arbeiderspers, 2009

vrijdag 26 augustus 2011

Voor als hij terugkeert



EEN VADER



Beland op zoiets als een eiland alleen
zoekt ze zich iemand. Neemt dan

bijvoorbeeld de man die van zee komt,
ontvangt en bedient hem en als hij dan

gaat, richt ze een hier voor hem in voor
als hij terugkeert, als ze weer wil. Wachten

maakt deel van haar lijf uit voortaan en
denken hoe was hij, wier aan zijn voeten
in zijn handen een net - Hij is het! Zo

worden goden gevonden door vrouwen, zij
bouwen een altaar, brengen hun zonen,
dochters erheen en zeggen: je vader.


© Hester Knibbe



Uit: Hester Knibbe Bedrieglijke dagen Amsterdam-Antwerpen, de Arbeiderspers, 2008

zaterdag 30 juli 2011

Met mode bedekt


DAME MET HOED



Zij aan de andere kant van de tafel
draagt haar hoed als een wapen
waarmee ze de vingerafdruk van de jaren
elegant overschaduwt. Was ze een

woning, ze liet zich met wijnrank
en bloemen begroeien, groene klimop
die zomer en winter de vraat aan de voegen
verdoezelt, ze liet de haag

niet meer snoeien. Nu ze een vrouw is
bedekt ze met mode de dood in haar huis,
zet zich hoog op de hakken en trekt
met de rand van haar hoed de groeven

het zicht uit.


© Hester Knibbe


Uit: Hester Knibbe De buigzaamheid van steen Amsterdam/Antwerpen, de Arbeiderspers, 2005

woensdag 11 mei 2011

De luiken


BESTEMMING



Toen we het dorp binnenreden stuitten we op
een samenloop naar oude gewoonten: er was
een leeg huis en de deur stond wijdopen.

De mannen van het dorp sjouwden een kast het huis in.
De mannen van het dorp krasten een tafel het huis in. 
De mannen van het dorp sleepten een bed het huis in.

En de vrouwen van het dorp droegen 
schalen en borden en glazen en iets om
het bed bewoonbaar te maken het huis in.

Toen duwden de mannen een zoon naarbinnen.
Leer het vuur te stoken, zeiden zij,
leer het vuur te doven, zeiden zij,
wij sluiten de luiken.

Toen duwden de vrouwen een dochter naarbinnen.
Leer het warm te hebben, zeiden zij,
leer het koud te hebben, zeiden zij,
wij barricaderen de deur. 



© Hester Knibbe


Uit: Hester Knibbe Het hebben van schaduw, Amsterdam/Antwerpen, de Arbeiderspers, april 2011

donderdag 28 april 2011

Kleine gebreken


BEHOUDEN HUIS


In dat huis kwamen ze zich telkens weer tegen
's avonds bij lamplicht gebogen over veranderlijk
leven en alledaags spreken waarin vooral
de plotse hiaten hen raakten. En 's morgens


stapten ze in het raadsel hun lichaam, toch nog
verbaasd vanwege de kleine stroeve gebreken
die ze er aantroffen. Buiten heerste het grote

gestage waarin roestig vee vanzelfsprekend
groei tussen de stenen wegvrat terwijl bomen
de zonnestand weergaven tot er


tussen de wolken een vuur ontbrandde
dat rafelde in een steeds zwarter zwart en wind
zich langs dakgoten haastte het licht


achterna dat richting een zee
dreef die ze kenden van kaarten, niet zagen
omdat ze te dicht bij het grazen verbleven. 



© Hester Knibbe




Uit: Hester Knibbe Het hebben van schaduw, Amsterdam/Antwerpen, de Arbeiderspers, april 2011

vrijdag 18 februari 2011

Gedragen


ZE LIEPEN MET KAARSEN DE BERG OP



Ze liepen met kaarsen de berg op
en zongen daarbij een muziek die klonk
als klagen dat door het licht omhoog

werd gedragen. Hem droegen ze
levend en dood, de moeder droegen ze
ook, maar die wankelde zo alsof de dragers

er de brui aan gaven. Die er waren
sloten zich aan bij de stoet: een schare donker

en licht die zingend of zwijgend
bleef klimmen en dalen.



© Hester Knibbe



Uit: Hester Knibbe De buigzaamheid van steen Amsterdam/Antwerpen, de Arbeiderspers, 2005

zaterdag 25 december 2010

Ontwortelde namen



THEBE


Die ochtend gingen we naar Père Lachaise.
We dronken koffie in Café Rond Point
en staken bij het stoplicht over:
wie grafwaarts gaat wil er niet aan.
Wat ingestort was vonden we het mooist.
Jij nam wat foto's: een gebroken zerk
met scheefgezakte zuilen, terwijl ik Thebe
schreef, de dood een stad vol heimelijk leven.

Een boom had zich genesteld rond een
steen, een naam omworteld, overschreven,
alsof dat hooguit breeduit bleef van
wie ooit stam zei, takken, blad.

We keken in een onafzienbaar gat en
spraken over dàt. Ik zou niet treuren
op je graf zei je, dat kan ik niet, ik zou
je missen, missen zou ik je.


©
Hester Knibbe


Uit: Hester Knibbe Een hemd van vlees, Baarn, De Prom, 1994

zondag 3 oktober 2010

Korsten


ARBORETUM IN OKTOBER



Zo ver weg zijn wij nog niet, wij staan
verstrooid in mooi dood blad
en kijken naar hun silhouet.

Die oude man is hij, zij voert
de vogels van het park de
korsten van hun dagelijks brood.

Als bomen na een zomerbrand,
zo overvol van doorzicht, staan
ze steeds vaker stil bij bloem,

gazon, kort en kortstondig, en
bij de boom die toen geplant,
die elk jaar breder, hoger.

Het wordt al koud, zegt hij, tot hier
zijn we dan toch gekomen. Kom,

zegt zij, even nog, wij werden god
zij dank niet in de knop gebroken.


© Hester Knibbe



  Uit: Hester Knibbe Een hemd van vlees Baarn, De Prom, 1994

woensdag 8 april 2009

Op het laken


Tekenzolder De Waag, Haarlem



Hij is van de halve cirkel

het midden. Zet je de spies
van een passer precies in zijn
navel en draai je dan langzaam de wijdste
boog lijntrekkers, schetsers, zit zij
waar het potlood treiterig


hapert. Wat ze droomt krijgt ze niet
op papier; omtrek blijft hij, kijkt
weg van de kijkers, hand zwierig
achter het hoofd oogt hij
uitdagend, maar is dat wel zo, zij wil
wat zijn lichaam bezielt


bewaren. Zoals daar
beneden op straat aan de andere kant
van het water de vrouw voor het huis
de jongen nawuift die fluitend
richting de brug gaat, zondoorstoofde
rugzak over de schouder – dat


doen ze lijkt het al eeuwen zo
vanzelfsprekend als de schaduw
zich hecht aan de gevel, regen
glans legt over de daken – zo
wil zij de man op het laken.


© Hester Knibbe



Uit: Hester Knibbe De buigzaamheid van steen, Amsterdam/Antwerpen, Arbeiderspers, 2005

woensdag 25 maart 2009

Langs de touwen


HOND OP DE AKROPOLIS


1

Gekeurd en kaarten
gescheurd mogen we door.

Voor ons de weg glad
van benieuwdheid, van grote
grage voeten, trage kleine die mee

moesten. Het is als vroeger
een ongedurig duwen en dringen en weer
glipt die schaduw

honds mee naar binnen.




2.

De schutkleur heeft hij van het oude,
van marmer zoals hij zich voegt
naar het marmer. Tot je

over hem struikelt kijk je
nog aan hem voorbij, tot hij blaft, gromt
zijn tanden laat zien. Versteende

slaper lijkt hij, maar zijn derde oog
houdt je steeds in de gaten, staat naar je

open, onafgebroken.




3.

Het is anders. Handlanger des duivels
de wachter, elke liefkozende hand op een zuil

fluit hij af, laat staan dat je de tempel in mag
om een beetje te knielen. Hetzelfde is

anders. Er zat een vrouw
met een kind, maar ze zit er niet meer
en het kind zit er niet meer. Er loopt

een vrouw langs de touwen
een blaffende hond op haar hielen.


©
Hester Knibbe


Uit: Hester Knibbe Bedrieglijke dagen, Amsterdam/Antwerpen, Arbeiderspers, 2008

zondag 1 maart 2009

Waterpas


BADJONGEN VAN YIANNAKI



Wat hij ook twintig winters is geweest,
nu is hij heer en meester van het bad,
schoont tafels, zet de stoelen recht, veegt
blad. Maar dat is nog het minst.

Zijn werkelijke taak ligt hogerop: hij jaagt
de vogels naar het zwerk, wijst met gestrekte
arm de berg terug, de zon terecht, terwijl
een rilling door zijn lijf heen trekt.

Zo nu en dan stampt hij de aarde aan
die onder tegels is gelegd, strijkt vloeiend
alle water pas of trekt het bij de hoeken
strak. Zo blijft de wereld hier intact en vlak.

© Hester Knibbe



Uit de cyclus 'Een verdwenen Apollo' in:
Hester Knibbe Een hemd van vlees Baarn, De Prom, 1994

dinsdag 17 februari 2009

Voor wat ze nog bezit


MATROESJKA IN DE ARBAT


Oud is ze en mijn moeder niet.
Geknield op straat, maar slordiger
en ziek bidt ze voor wat ze nog bezit. Ze heeft

geen man meer en haar zoon is
dood, schrik ik: hij had zijn moeder wel
voorzien van brood, een dochter

kreeg ze niet. Nu ligt ze hier en
schokt en snikt en buigt zich vuil
voor waar ze in gelooft: een prentje
dat van doen heeft met een kind, een kruis, een beter

thuis voor straks. Onder de vodden woont
de moeder die ze is, die koestert
wat ze niet bezit en daarin schuilt

het kind dat ze eens was, dat naar
de liefde van haar vader dingt; het wil
geknuffeld en op schoot. Dat mag

al binnenkort, dat zie je zo.



© Hester Knibbe


Uit: Hester Knibbe De buigzaamheid van steen, Amsterdam/Antwerpen, De Arbeiderspers, 2005.

vrijdag 6 februari 2009

Stotterend gras



WET



Neem water, obligaat, dat zeeën voedt
of wind die willoos waait en draaien
moet, het gras dat groeit weer wordt
gemaaid of wij die groter eerst dan
krimpen rimpelen versimpelen
tot niet: steeds anders dan daarnet. Of

grilliger: je zult van A naar Z, maar dan
- zo ongeveer bij J - staat plots het lot
je in de weg en neemt je mee. Waarheen?

Dat weet het water dat in zeeën hokt.
Dat weet de wind die niet te vinden is.
Dat stottert gras dat wordt gekort.


© Hester Knibbe

Uit: Hester Knibbe Bedrieglijke dagen,
Amsterdam/Antwerpen, de Arbeiderspers, 2008




woensdag 12 november 2008

Ontdooi mij


STAAND
*




Versteend sta ik op deze aarde
met lange rok en omslagdoek
die hij strak rond mijn borsten
speldde, omdat dat van de wereld
moet. Zo ben ik opgevoed.

Mijn ogen hebben iris noch pupil.
Dus kijk ik maar naar binnen, wil
al wat buiten voorvalt binnen horen.

Van wat ik waarneem ligt rondom
mijn mond een lach bevroren,
die daar maar vriezen blijft. Ontdooi me,
tooi me met een hoed van bloemen
en lange stengels in m'n lijf.


© Hester Knibbe


*) Gedicht bij vaas in de vorm van een staand meisje, Lokri (Zuid-Italië), midden zesde eeuw v. Chr.




Uit: Hester Knibbe Een bittere navel Baarn, De Prom, 1997

zondag 29 juni 2008

Mormeltje mijn



THETIS' HIEL



Zelfs goden, ze worden geboren
in hoofden, doven uit tot een mythe.

Zoals niemand de bron van de bron
kan duiden of later op zee kan vertellen: dit

is het water dat diep in de aarde, dát
wat hoog op de bergen stroomde, zo

stromen stervelingen en goden.

Van mijn oorsprong weet ik dus
niets, ik huwde de aarde, in mij


groeide een kind, viel
uit me ten slotte, en ik

murmelde: mormeltje mijn, ik
noem je, dompel je in onkwetsbaarheid.

Het lachte naar mij, hield me vast
bij de hiel toen het mamma zei.



© Hester Knibbe


Uit: Hester Knibbe De buigzaamheid van steen, Amsterdam/Antwerpen, De Arbeiderspers, 2005.

maandag 26 mei 2008

Reusachtige brillen



IDYLLE



Kijk die foto's, hoe we ons destijds
vertoonden: flowerpower met reusachtige
brillen en alles zat onder het grote

geluk. Jij daar, hier ik en verderop
vaak de kinderen natuurlijk, ze waren
nooit te beroerd om te lachen, ze
vochten klierden en huilden alleen

buiten de kiek en dat hoorde ook zo, wij
hadden per slot niet voor niets geleerd
te troosten en te sussen. Toch mooi

dat we nu in al dat stralen terug kunnen
bladeren, met een vinger hun groeien
aanwijzen en kijk maar, wat waren ze waren ze
vrolijk, ze apekooiden wat af. Prachtig

zo'n kast met kleurige ruggen waarachter
idyllisch wij of zij of idyllisch jij of ik met
die twee moegespeeld moegeschreeuwd.


©
Hester Knibbe


 

- gedicht uit de afdeling Huidig, in:
Hester Knibbe Bedrieglijke dagen. Amsterdam, De Arbeiderspers, 2008

donderdag 22 mei 2008

Woordeloos in de schaduw



PSALM 4631



In mijn nood roep ik
niet en tot niemand, ik zwijg; wie na zoveel
zand erover nog leeft, heeft het schreeuwen

verleerd. Laat de eik maar kreunen
en klagen, om blad dat voortijdig
te gronde, de tak van zijn stam

afgerukt, laat mij woordeloos
staan in zijn schaduw. Laat

mijn zwijgen niet klein en gebukt
zijn maar waardig hoog
en breed als de kroon van de boom

nu zijn wortels en stilte zich
hechten aan hem en alle gebed
wordt gesmoord in de aarde.


© Hester Knibbe


Uit: Hester Knibbe Verstoorde grond, Baarn, De Prom, 2002