Een draad van glas hangt boven het bed. Hij trilt en schittert, golft langs kussens, lakens, over huid naakt en doorzichtig, schermt af, nodigt uit, maar heeft geen haast.
Lost hij op, straks, achter haar rug, een ladder na de laatste drenkeling binnengehaald? Of valt hij neer, wikkelt het lijf dat achterblijft, klein en koud, in windsels van onbreekbaar licht.
Mijn geboorte ben ik vergeten. Volgens overlevering afgeknaagd en weggeblazen. Wispelturige winden straalden me omhoog, misbruikten mijn harde kern om bergen te hervormen. Daarna, alsof het niets was,
gedumpt boven gretige oceanen. Eeuwen duisternis. Toen onverwacht strand. Door verliefde vingers mocht ik glijden, kinderen bouwden kastelen. Tot het avond werd. Iedereen naar huis. Minuscule speelbal van het getij.
Vanochtend was het weer raak. Gegrepen, opgespoten, zeldzaam moment van trapeze, zandfontein van lichtgeluk. Zag schepen gekleurd, meeuwen jaloers, mensen verbrand. Ik dacht, dit is groots, wijds, leven in voorspoed. Helaas.
Klem tussen tegels, op slot onder asfalt. Miljarden boven, naast en onder. Ik vraag u, geef me een hand, doorzoek dit lichaam, streel mijn kristal, neem me tussen uw tenen. Nog even en ik hecht me aan uw zool, aan uw ziel.
Familie compleet, bloemen in plastic, soep met kroket, hard praten,
cadeautjes bedoeld οm goed te maken, vers kleinkind οnhandig οp schoot gelegd.
Ze ziet niets, hoort alles, keert zich af. Die mensen, wat willen ze toch?
Iedereen druk met elkaar οf zichzelf. Het weer, het werk, vakantie, hypotheek.
Ze luistert en zwijgt, zegt niet: wacht maar, ook jullie zijn alleen.
*
BADKAMER
Bibberend, smekend, doe ik het goed zο? Ζij, naakt na tachtig jaar, in een warme wolk water. Ik, vol ongemak, zoekend naar een antwoord, een houding, een handdoek.
Doe ik het goed zο? Hou je maar vast aan die beugels. Die hebben we niet voor niets. Hier heb je zeep. Nee, dat mag je zelf doen. Kan je best οf wil je dat een zuster?
En ik denk aan de keren dat zij, vroeger, mij moest wassen, de badzaal, de zinken bak, de ruwe doek langs mijn natte benen.
En de schrik bij eerste schaamharen, nu moet je maar zelf. De οngrijpbare afstand eindelijk verdwenen. Doe ik het goed zο?
Had ik moeten blijven, haar niet alleen, de nacht op de bank? Had ik haar mee naar huis? Is ze echt naar bed, geen val van de trap? Had ik de deur dubbel op slot?
Wie zegt dat ze niet het gas of een kaars, dat ze naar buiten? Naar de rivier, onder de brug, maan en sterren koud gezelschap voor wie dwaalt door een verdwenen stad.
Ooit, de kamer donker, word ik wakker en weet dat zij is, in mij, een stem vreemd en vertrouwd. Zo zal het zijn. Misschien.
Maar nog koester ik mijn angst die graag verhult hoe liefde groeft. Bang voor de dag waarop ik geef, en geen lichaam ontvangt.
Laat op de avond schuifelt ze door haar kamer, zoekt kranten bij elkaar, gaat zitten, loopt rond.
Ik sta op de gang voor het raam en zie hoe ze rusteloos draait en keert in haar zwart aquarium.
Om mij heen is alles stil. De lift slaapt, de klok zwijgt, het boeket staat droog, een tl knippert.
*
TRAP
Ze daalt af, tegen haar zin, twee treden omlaag, één terug. Beneden wacht geduldig de gastheer, een schim die weet, zij komt.
Haar voeten zoeken als ze stapt, of wordt gestapt. De hand op een leuning die golft en zweeft en misselijk maakt.
Hoogtevrees kent ze niet, heimwee des te meer. Νiemand die haar vertelt: wat was ligt niet achter maar voor.
Peter Swanborn
Openingsgedicht en tweede vers uit: Peter Swanborn Tot ook ik verwaai, Amsterdam, Podium, 2009.
Dementie is het onderwerp van deze poëziebundel van Peter Swanborn. Hij beschrijft de ziekte van zijn moeder in 37 gedichten. Swanborns vorige bundel Bij het zien van zijn lichaam werd in 2008 genomineerd voor de C. Buddingh'prijs voor Nieuwe Nederlandstalige poëzie. In Verborgen in rimpels en dekens leest de dichter enkele gedichten uit zijn nieuwste werk voor, zie: http://www.lezen.tv/content/view/165/1/