Posts tonen met het label Menno Wigman. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Menno Wigman. Alle posts tonen

dinsdag 12 juni 2012

Kruimels


NACHTRUST



Avond. Twee tuinen verder woedt het voorjaar
  en sluipen kapers door het donker.
Ergens vechten nagels om een vacht. Gekrijs
  om kruimels liefde. Stukgebeten oren.
De krolse oorlog van een voorjaarsnacht.


Bijna vergeten hoe ik met dezelfde woede
  door het donker joeg, hoe jij nog valser
dan een kat je nagels in drie harten sloeg.
  Wat is het lang geleden en wat blijf je mooi.


Ik heb de dagen één voor één geteld
  en met de beste woorden die ik heb:
ik hou van je. In jou vind ik een bed.


En het is lente en we delen hier
  dezelfde nacht met alles wat dat zegt.



© Menno Wigman


Uit: Menno Wigman Zwart als kaviaar Amsterdam, Bert Bakker, 2001

dinsdag 31 januari 2012

Algebra



GROOTSTEEDS


Wat ze vóór mij deed? Met Hugo at ze kreeft,
met Thomas reed ze door LA, met Sander sliep
ze in Berlijn, met Jean, met Stein... En ik,

zo groen in de geheime algebra
van ons geluk: wier haar, wier lippen en
wier oogopslag zie ik bij haar terug?

Ze weet niet dat ze net als Lisa lacht.
En ik zie niet wat ik van Hugo heb.
Maar na een week of zeven staat er 's nachts

een kring van schimmen rond ons bed te kijken
hoe traag, hoe teder en verbeten wij
hun diepste namen uit ons hoofd verdrijven.


© Menno Wigman


Uit: Menno Wigman Zwart als kaviaar Amsterdam, Bert Bakker, 2001

zondag 29 mei 2011

Verbaasd


BURGER KING




Was er een tijd dat ik hier boven stond,
mijn mond vol Proust en Bloem, mij hoor je niet,
niet meer. Wat heeft het nog voor zin om in
een taal te denken die geen tanden heeft?
Ik sta alleen. Mijn woorden zijn naar god.

Dus slof ik door de leeszaal van de straat
en blader maar wat door de Burger King,
gewoon, omdat ik leef, omdat ik hopeloos
eenvoudig eet en straks vanzelf vertrek.
- Als deze wanhoop ons Walhalla is,

als hier het ware leven staat te lezen,
mij best, ik zag genoeg. In dit verhaal
betaal je met jezelf, niet eens bedroefd,
eerder verbaasd dat alles wat zo laag
en lelijk is zo sterk en stevig staat.



© Menno Wigman


Uit: Menno Wigman De droefenis van copyrettes, Amsterdam, Prometheus, 2009

dinsdag 19 oktober 2010

Inktpot



STRAMIEN



De waanzin zelf gaat goed gekleed.
Zijn werk vergt tact, precisie ook.
Dus kruist hij namen aan,
kamt steden uit, tast schedels af.
Veegt hij zijn voeten, is het raak.
Stampt het in de nok.

Weer vraagt zijn vrouw naar zijn pensioen.
En hij met noodweer nog op pad.
Niet snik. 'Verkeerd bedraad.'

Van Luther met zijn inktpot tot Feith,
tot Freud en jou en mij geen mens
die zijn stramien begrijpt.


© Menno Wigman

Uit: Menno Wigman De wereld bij avond, Rotterdam/Amsterdam,
Poetry International-Prometheus, Gedichtendagbundel 2006

maandag 4 oktober 2010

Hoe alles wat ik nog te zeggen had


LEVENSLOOP


Voor bijna alles heb ik mij geschaamd.
Mijn nek, mijn haar, mijn handschrift en mijn naam,
de schooltas die ik van mijn moeder kreeg,
mijn vader die zich in een blazer hees,

het huis waar ik voor vriendschap heb bedankt.
Maar nu mijn vader aan vijf slangen hangt,

zijn mond steeds heser over afscheid spreekt,
nu hurkt mijn schaamte in een hoek. Hij stierf

zoals hij in zijn Opel reed: beheerst,
correct, zijn ogen dapper op de weg.

Geen zin in dom geworstel met de dood.
Hoe alles wat ik nog te zeggen had

onder de wielen van de tijd wegstoof.



© Menno Wigman


Uit: Menno Wigman Dit is mijn dag, Amsterdam, Prometheus, 2004

vrijdag 20 augustus 2010

Middag



BINNENBRAND


Beelden, beelden, zo helder en geheim
dat ik op slag verstijfde – elke boom,
het hele bos keek mee. Ik schrok niet eens,
ik viel meteen twee dijen in toen ik
het vond. Pas later kreeg het een verhaal.

Zoals vandaag. Wie graaft mijn glimlach op?
Wie engelt me het bed in? De meisjes
onder mijn matras, die zijn zo snel,
die bliksemen op mijn bevel hun kleren uit,
die heten niet, die leven niet, die zijn

zo weggelegd. Maar ’s avonds zie ik soms
dat bos waar ik m’n eerste boekje vond:
een stronk met dijen, schaamgras, lillend licht,
mijn ogen smeulen en de hemel kleurt.
Die middag als een open wond.


©
Menno Wigman


Uit: Menno Wigman Zwart als kaviaar. Amsterdam, Bert Bakker, 2001

maandag 5 juli 2010

Inkt van niks



TOT BESLUIT


Ik ken de droefenis van copyrettes,
van holle mannen met vergeelde kranten,
bebrilde moeders met verhuisberichten,
de geur van briefpapieren, bankafschriften,
belastingformulieren, huurcontracten,
die inkt van niks die zegt dat we bestaan.

En ik zag Vinexwijken, pril en doods,
waar mensen roemloos mensen willen lijken,
de straat haast vlekkeloos een straat nabootst.

Wie kopiëren ze? Wie kopieer
ikzelf? Vader, moeder, wereld, dna,
daar sta je met je stralend eigen naam,

je hoofd vol snugger afgekeken hoop
op rust, promotie, kroost en bankbiljetten.
En ik, die keffend in mijn canto's woon,

had ik maar iets nieuws, iets nieuws te zeggen.
Licht. Hemel. Liefde. Ziekte. Dood.
Ik ken de droefenis van copyrettes.


©
Menno Wigman


Uit: Menno Wigman Dit is mijn dag, Amsterdam, Prometheus, 2004

zaterdag 3 juli 2010

Kilo's uren


TELEFUNKEN



Na jaren zwoegen werd ik kleurenblind,
sloeg vonken uit, kreeg klappen, gaf de geest.
Nu sta ik vaal en uitgepraat op straat
en moet steeds denken aan dat lege masker

dat mij zo schaamteloos heeft aangestaard.
Nagepraat. Aanbeden. Stukgemaakt.

De zak. Dat hij niet zag hoe levensecht
ik de tijd uit zijn ogen at. De zak.

Ik gaf hem Hitchcock, borsten, rampen, sikhs.
Ik gaf hem ogen. Oorlog. Noorderlicht.

Maar ik kon gaan. En hij kijkt weer tv.
Straks word ik opgehaald en sterven kilo’s

dode uren op de stortplaats met mij mee.



©
Menno Wigman


Uit: Menno Wigman Dit is mijn dag, Amsterdam, Prometheus, 2004

zaterdag 12 juni 2010

Hij, spoorloos, maar nooit meer bang



HET WOORD VOOR LEEUW


Met mijn tochtende mond vol tijd,
waaigat, roep ik het dier en hij komt.
Hij komt over de deinende brug van mijn tong,
de boog van een arm die zich heft
boven water, dan wijkt en zinkt

tot spiegeling. Het woord voor leeuw
kromt en strekt zich, stijgt, krimpt.
Papier door vuur verteerd; geen woord
is groot genoeg voor zoveel
onbehouwen rood en goud.

Hij loopt niet, hij doodt afstanden.
Zijn schreeuw komt uit een buik van grond,
is instorten, dodelijk verschuiven.
Hij likt mijn tong stuk met zijn tong,
wrijft tegen de spijlen van mijn mond.

Esther Jansma


Uit: Esther Jansma Waaigat, Amsterdam, Arbeiderspers, 1993


*


POES EEFJE WEG


's Morgens heel vroeg liet ik hem uit
hij wandelde zijn gewone weggetje
door de tuin naar het hekje
ik heb hem nog nagekeken

Sindsdien is hij spoorloos
net of je kind vermist is
en toch verwacht je steeds
dat hij aan de achterdeur klauwt

Hij was gelukkig bij ons en wij met hem
de brokjes, het hart en de tuin
maakten zijn leven uit en ook
spinnend bij Judy op schoot

Misschien is hij wel dood



Kees Winkler


In: Literair Akkoord nr. 20, 1977


*


NACHTRUST


Avond. Twee tuinen verder woedt het voorjaar
en sluipen kapers door het donker.
Ergens vechten nagels om een vacht. Gekrijs
om kruimels liefde. Stukgebeten oren.
De krolse oorlog van een voorjaarsnacht.

Bijna vergeten hoe ik met dezelfde woede
door het donker joeg, hoe jij nog valser
dan een kat je nagels in drie harten sloeg.
Wat is het lang geleden en wat blijf je mooi.

Ik heb de dagen één voor één geteld
en met de beste woorden die ik heb:
ik hou van je. In jou vind ik een bed.

En het is lente en we delen hier
dezelfde nacht met alles wat dat zegt.


Menno Wigman


Uit: Menno Wigman Zwart als kaviaar, Amsterdam, Prometheus/Bert Bakker, 2001


*


POES, OVERREDEN


Zacht snorrend in zijn bloed,
suf van plezier om nooit meer
bang te hoeven zijn, met vel
dat rilde van genot, zo spoelde
tijd uit hem vandaan, verstilde
zijn beweging, in ogen zacht van
glans van ondergang.



Tom van Deel


Vier oefeningen in het verliezen (met dank aan Herman de Coninck):
- Voor J., die niet meer terugkwam

dinsdag 8 juni 2010

Een opstand die niet kwam


JEUNESSE DORÉE


Ik zag de grootste geesten van mijn generatie
bloeden voor een opstand die niet kwam.
Ik zag ze dromen tussen boekomslagen en
ontwaken in de hel van tweeëntwintig steden,
heilloos als het uitgehakte hart van Rotterdam.

Ik zag ze zweren bij een nieuwe dronkenschap
en dansen op de bodem van de nacht.
Ik zag ze huilen om de ossen in de trams
en bidden tussen twee maal honderd watt.

Ik zag ze lijden aan een ongevraagd talent
en spreken met gejaagde stem:
was alles al gezegd, nog niet door hen.

Ze waren laat. Aan geen belofte werd voldaan.
De steden blonken zwart als kaviaar.


Menno Wigman


Uit: Menno Wigman Zwart als kaviaar, Amsterdam, Prometheus/Bert Bakker, 2001

dinsdag 16 februari 2010

Kelders



KASPAR HAUSER


Hier geen Natureingang.
Geen beek van zilver, gouden zonlicht, zeikgedicht.
Hij gaf niet om de zon.

Maar hoorde hij een klank, zag hij een vlam, dan greep
hij witheet met zijn hand.
Soms stond hij heilig met een schilderij te praten

of plantte hij bezorgd
een snijbloem in de aarde. Een kind van zeventien
met kelders in zijn ogen.

Afkomst verduisterd. Mensen die hem willen doden.
Zijn onbemande mond
die hulpeloos herhaalt wat hem was ingesproken:

'Ik wil een ruiter worden.'
Meer wist hij niet. En wij, wij leerden Kaspar kijken,
wilden zijn hoofd met Duits

verrijken, steenhard Duits dat al zijn schrik verdreef.
Maar het verklaarde niets.
En bastaardprins of niet, gelukkig werd hij nooit.

En nu is Kaspar dood.
En wij, wij leefden hem, beschreven hem in gloedvol
Duits dat niets doorzag.

- Breek alle pennen stuk. Tuig elke letter af.
Er is geen taal die troost,
geen woord dat bloost bij Kaspar en zijn hondendood.


© Menno Wigman



Uit: Menno Wigman Dit is mijn dag, Amsterdam, Prometheus, 2004


* Kaspar Hauser (ca. 1812-1833) was een Duitse vondeling van onduidelijke afkomst, die uitgroeide tot een van de meest formidabele raadsels van zijn eeuw.

donderdag 13 augustus 2009

Ooit wist je alles



- klik op beeld voor grotere tekst -

Uit: Menno Wigman De droefenis van copyrettes, Amsterdam, Prometheus, 2009.
Illustratie afkomstig uit De Blootjes van Gootjes, speciaal bij dit gedicht getekend door Theo Gootjes.

Met dank voor Het gedicht van de maand augustus aan
http://www.poeziepleinschiedam.web-log.nl/

vrijdag 8 mei 2009



BIJ DE GEMEENTEKIST VAN MEVROUW P.



Slaapt ze? Ze slaapt. Na drieëntachtig jaar,
driehonderdvijfenzestig keer per jaar.
haar haar gekamd te hebben, op ik weet niet hoeveel
schoenen door de stad te zijn gelopen,
steeds maar weer die veters, vorken, lepels,
mensen, wat voor mensen, waar dan, slaapt ze.

Ze slaapt en ik, morbide als ik ben, denk aan
haar kam, haar nagelschaar en wenkbrauwstift,
hoe alles, nachtcrème, bankpas, tijdsgewricht,
wordt weggeworpen, uitgewist. En dit,
is dit beschaamde slepen een begrafenis?
Alsof je ongemerkt een munt verliest,

op een verveeld station je krant vergeet, zoiets.
Noem het tragiek, noem het ritme, de tijd,
die vuile carnivoor, zorgt steevast voor een eind
dat stinkt. Maar ze slaapt nu, ze slaapt.
Dus dek haar toe en zorg dat haar vermoeide voeten
nooit meer de straat op hoeven.


© Menno Wigman


Uit: Menno Wigman Dit is mijn dag, Amsterdam, Prometheus, 2004

zaterdag 18 april 2009

Stemloos, achter glas


GLAZENWASSER ZIET SCHILDERIJEN


Auto's, gelach, geraas: alles slaat dood
op zeven hoog. Ik hoor alleen mijn spons
en het verkouden knarsen van het staal
waaraan ik hang. Soms spreekt een wolk mij aan

of gis ik wat een meeuw te zeggen heeft.
De mensen: druk, wit, stemloos, achter glas.

Op acht hoog kunst. Dat meisje daar, die lach,
wie heeft haar zo bespied dat ze immuun

voor complimenten mijn gezicht in kijkt?
En wanneer breekt die sperwer uit zijn lijst?

Ik hang hier als een ijskoud schilderij
waar niemand oog voor heeft, ik poets en zwoeg

en maak het uitzicht vrij - schilder er maand
na maand onvervalste wolken bij.

Kijk. Daar kruipt al zonlicht in mijn lijst.


© Menno Wigman



Uit: Menno Wigman De wereld bij avond, Rotterdam/Amsterdam,
Poetry International-Prometheus, 2006

donderdag 26 maart 2009

Vlinder



DIT IS MIJN DAG


Vanochtend werd ik wakker in een droom
van iemand die een huid van vlees bewoont.

Ik kon niet vluchten, ik was geen Tsjwang Tse
die had gedroomd dat hij een vlinder was

en zich bij ochtendlicht afvroeg of hij,
Tsjwang Tse, gedroomd had een vlinder te zijn

of dat de vlinder droomde als Tsjwang Tse
te ontwaken, nee, ik was een mens,

een taai skelet met tweeëndertig tanden,
twee handen en een tragisch intellect

dat met een angst voor klokken was behept.
Maar langzaam, bijna heilig, stond ik op,

gaf mijn gezicht een hand en ritste mijn
gedachten dicht. Dit is mijn dag, wist ik.

Hier lonkt een spiegel naar verwonderd licht.
Daar breekt een vlinder uit. En dat ben ik.


© Menno Wigman


Uit: Menno Wigman Dit is mijn dag, Amsterdam, Prometheus, 2004

zaterdag 24 januari 2009

Ziekte


MISVERSTAND


    Dit wordt geen droef gedicht. Ik weet niet goed
    waarom ik dit geheim ophoest, maar sinds een maand
    of drie geloof ik meer en meer dat poëzie
    geen vorm van naastenliefde is. Eerder een ziekte
    die je met een handvol hopeloze idioten deelt,

    een uitgekookte klacht die anderen vooral verveelt
    en 's nachts - een heelkunst is het niet.
    De kamer blijft een kamer, het bed een bed.
    Mijn leven is door poëzie verpest en ook
    al wist ik vroeger beter, ik verbeeld me niets

    wanneer ik met dit hoopje drukwerk vierenzestig
    lezers kwel of, erger nog, twee bomen vel.


    © Menno Wigman


    Uit: Menno Wigman Zwart als kaviaar. Amsterdam,
    Bert Bakker, 2001

    vrijdag 18 april 2008

    Voor onder water



    VUILSTORT



    Een terp van dode dingen tergt de lucht.
    Niets is zichzelf. Veel jichtig huisraad. Vocht,
    zwart vocht dat uit een koelkast welt. Voorgoed
    kapot, versjacherd, mensenhanden moe
    tijgt me een stad van afval tegemoet.

    En ik kijk en ik kijk. En als ik loop
    verlies ik haar, ik voel een baard, mijn jas
    verrafelt waar ik sta en alle wolken
    jagen Greenwich achterna.

    Dan gaat het snel: er drijft een dorpskerk door
    het water, wier en vis bevolkt de Dam,
    nat, grijs, week, dacht je randstad, zag je zee.

    Om wat ik van de tijd, van Holland weet
    schrijf ik voor wie dit onder water leest.



    © Menno Wigman


    Uit: De wereld bij avond, Poetry International / Prometheus, 2006