Posts tonen met het label Hans Faverey. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Hans Faverey. Alle posts tonen

dinsdag 3 januari 2012

Haast



Wat onder het woordoppervlak
schuilt, schuilt daar haast
tevergeefs

                                                                     - Hans Faverey


woensdag 27 juli 2011

Een vin


De kastanje eet uit mijn handpalm;

ik zit met mijn gezicht
naar de muur waaruit ik bloed.
Zodra ik maar een vin verroer
moet ik toegeven dat ik

een vis ben. Ik wapper

met mijn vleugels tot ze droog zijn,
tot ze zijn verdampt. Het gevreesde
nadert: het valsspelen begint.
Te weinig heb ik verworpen.



© Hans Faverey



Uit: Hans Faverey (1933-1990) Verzamelde Gedichten, ed. Marita Mathijsen, Amsterdam,
De Bezige Bij, 2000

woensdag 8 december 2010

?



Het verlies van één enkel vraagteken
maakt ons beiden dakloos


HANS FAVEREY




- Rotterdamse vuilniswagengedicht -

zaterdag 27 november 2010

Hinder


De chrysanten,

die in de vaas op de tafel
bij het raam staan: dat

zijn niet de chrysanten
die bij het raam
op de tafel
in de vaas staan.

De wind die je zo hindert
en je haar door de war maakt,

dat is de wind die je haar verwart;
het is de wind waardoor je niet
meer gehinderd wilt worden
als je haar in de war is.


© Hans Faverey


Uit: Hans Faverey Chrysanten, roeiers Amsterdam, De Bezige Bij, 1977

zaterdag 17 april 2010

Vriendschap


Ik wist het sinds december en stelde de waarheid

uit tot ik haar las. Zelfs tijdens de slapeloze
nacht die ik in je straat heb doorgebracht.

Zozeer in beslag genomen door een afscheid
tussen levenden. Ik logeerde op nummer acht.
Dichter zouden wij elkaar nooit meer naderen.

Tegen beter weten in bleef ik je verwachten
op Poetry International. In de bar van Hotel Central
waar je zo dikwijls mijn tongval aandachtig imiteerde.

Geen junimaand ging voorbij zonder dat wij
hadden afgesproken dat je naar Antwerpen zou komen.
Ik ben het blijven geloven tot ik je
in ademnood uitgesproken woorden aanhoorde.

In de zaal waar ik een jaar voordien nog
onnozel van vreugde staande applaudiseerde,
nam ik mij voor je te schrijven.
Ik wachtte tot nu en schaam mij zeer.



EDDY VAN VLIET


Uit: Half slapend in een hotel vol gedichten in de maak, in:
Kijk, het heeft gewaaid - Veertig jaar Poetry International Festival (1970-2009) in Rotterdam. Veertig jaar in veertig gedichten, red. en samenst. Janita Monna, Amsterdam / Antwerpen, De Arbeiderspers, juni 2009.

De dichter en collega die Eddy van Vliet verwachtte in Hotel Central, de 'poëtenverblijfplaats' van het festival, was Hans Faverey. Wegens ziekte kon Faverey niet naar Rotterdam komen. Faverey (1933) overleed in de zomer van 1990, toen de Belgische dichter-jurist Van Vliet sinds 1973 al meer dan drie Poetry-optredens op zijn naam had staan.
Eddy van Vliet (1942) stierf in 2002.

dinsdag 16 maart 2010

Sjssst!




WEG KAT



De gedempte plof waarmee de vreemde kat
neerkomt in de kamer, en mij wekt.
Terwijl zij door gaat te slapen

kijk ik de kat aan. Deze kat weet
dat ik hem zie. Dezelfde maanloze
nacht dat op Hadrianus' muur

een sneeuwuil zit, roerloos:
tot de kat zich opeens overal
begint te likken en ik moet zijn
gaan verliggen. Ben je wakker?
(Sjssst.) Weg kat.


© Hans Faverey


Uit: Hans Faverey Hinderlijke goden, Amsterdam, De Bezige Bij, 1987

maandag 31 augustus 2009

Meedogenloze schoonheid



Zonder begeerte, zonder hoop

op beloning, ook niet uit angst voor straf,
de roekeloze, de meedogenloze schoonheid

te fixeren waarin leegte zich meedeelt,
zich uitspreekt in het bestaande.

Laat de god die zich in mij verborgen houdt
mij willen aanhoren, mij laten uitspreken,
voor hij mij met stomheid slaat en mij
doodt waar ik bij sta, waar jij bij staat.


© HANS FAVEREY

- laatste gedicht uit Het Ontbrokene (1990, Amsterdam, Bezige Bij), door Faverey geschreven kort voor zijn dood -

vrijdag 21 augustus 2009

Zij moest zich bukken



UITDRIJVING



'Jij maakt van mij iets wat ik niet ben.'

Zij moest zich toen bukken

om iets op te rapen; ik zag
enkele wervels,
raakte toen snel

haar ruggegraat aan

Zij rilde; draaide zich om,
richtte zich op;
groet lachend

en is weg

*

Op zijn linkerzij zijn gaan liggen;

op mijn rechterzij moeten liggen.

Het niet te kunnen vergeten
gezicht: met steeds meer moeite

herinnerd, opnieuw

gezien. De ogen daarin;
de jukbeenderen,
de neus; haar mond
die ik nooit heb gekend.

*

Dat je nooit hebt bestaan.

Opeens liet ik mij vallen;
en ik verberg mijn gezicht.

De winter is al lang dood.

De gierzwaluwen zijn terug.

Heb ik altijd van je gehouden;
of heeft zij nooit bestaan.
Herinneringen
zijn geen herinneringen.

Herinnering is perceptie.

*

Waar zij zich nu bevindt, nu,

weet ik niet. Net als zij

aan mij denkt, toevallig, denk
ik misschien niet
aan haar. Zo is er, juist

als er niets is, altijd

wat. Door de beweging
te loochenen
red ik het zelfs

hier niet, nu niet.

*

Zodra het zich aankijkt

is het nooit iets anders.
Het is ondeelbaar,
onaftelbaar.

Kom nog op mijn schoenen staan:
dan zie ik je gezicht.

Het is midden op de dag;
het heeft geregend;
je ogen glinsteren naar iets;

een mier zoekt iets.

*

Helder geworden in mijn hoofd
ik denk dat ik in mijn hoofd zit;

de andere eilanden
kan ik weer zien. Ook de zee
lijkt tot rust gekomen.

Zo herhaal ik mijzelf:

beheerste radeloosheid om niets.

De myrte is opnieuw gaan bloeien.
Met een verse lauriertak
sla ik de meeste vliegen
nog van mij af.

*

Zij bukt zich

om iets op te rapen:
want zij had wat laten vallen.

Om haar zich zo te zien bukken

heb ik haar iets laten vallen.
Voor zij het vertrek verlaat
en mij achter zich dicht trekt,

laat ik het haar nog een keer doen.

En zo is het goed: meer niet.
Eindelijk: wees weg.

Het ga je goed.


© Hans Faverey


Uit: Hans Faverey Lichtval, Amsterdam, De Bezige Bij, 1981.

Borstwering



De engel buigt zich dieper en dieper

over de borstwering, totdat het
van opwinding begint te tintelen
in zijn vleugels. Zou hij zich

misschien naar beneden storten
en hun zo de kans geven te tonen
wat hij waard is als engel?
Dieper en dieper voorover:

de tinteling, de hunkering
in zijn slagpennen; de spreuken
herhalend, de spreuken vergeten;

waan, of wezen, of alletwee
voorbij. Maar waarom neuriet
hij dan niet, die engel van je,
die al paars wordende schaduw
waar ooit een balustrade was?

© Hans Faverey



Uit: Hans Faverey Tegen het vergeten, Amsterdam, De Bezige Bij, 1988

dinsdag 28 juli 2009

Luchtbelletjes



ROZENMOND



Rozenmond ligt languit in haar bad


en wil er niet uit. Zij rekt zich uit
en maakt met haar handen van die

schokkende beweginkjes boven haar hoofd.

De wind is intussen gaan liggen.
Het riet beweegt niet meer en op
de plavuizen vloer is ook
mijn schaduw vervluchtigd.


Rozenmond in haar denken is leeg.

Gedachtenloos strijkt zij de kleine
luchtbelletjes uit haar schaamhaar,
van haar dijen. Rozenmond ligt

in bad, wil niet uit bad, komt ook
niet uit bad. Zij draait de mengkranen

open, duwt het hefboompje omhoog
en laat het nog uren en uren

regenen op haar schouders,

op haar zo mooie hoofd.

© Hans Faverey


Uit: Hans Faverey Het ontbrokene, Amsterdam, De Bezige Bij, 1990

donderdag 28 mei 2009

Herleid tot zichzelf


De mooiste vogel, die door ijsvogels

kan worden gemaakt, is zelf

een ijsvogel.

Al het water van de zee
wast niet al het water van de zee weg,
en tussen de stekels van de egel in de heg

krioelt het van de vlooien. Zo heeft het
mijn daimoon gericht, hij die

het bestaande erkent
het vernietigt en onophoudelijk
herleidt tot zichzelf.

© Hans Faverey


Slotvers uit de reeks Een Gieter, in:
Hans Faverey Het ontbrokene, Amsterdam, De Bezige Bij, 1990.

donderdag 7 mei 2009

Een huiverende hamer



IK SLA EEN HOEK OM



Ik sla een hoek om.
Zo bijt een beitel.

Ik tref een hand aan.
Zo verschrompelt een roos.

Ik leer jagen op liefde.
Zo hijgt een zaag

en ik zie de zee.
Zo word ik oud.

Houd ik mijn hart vast?
Denk ik aan wierook?

Zo huivert een hamer,
kantelt een stad.



© Hans Faverey


Uit: Hans Faverey [1933-1990] Verzamelde Gedichten, ed. Marita Mathijsen. Amsterdam, De Bezige Bij, 2000.

vrijdag 24 april 2009

Opgeschorte landing



Aan zijn zeer netelige draad

daalt neer in de afgrond

een kleine soevereine spin en schuift
mijn lichaam terzijde. Het is een spin,

die zijn landing opschort tot ik mij
uit zijn kloof heb verwijderd. Zodra hij


de bodem heeft bereikt, is dat het teken
dat de rivier zijn bron heeft bestormd.


© Hans Faverey


Openingsgedicht uit de cyclus Het Ontbrokene in :
Hans Faverey Het ontbrokene, Amsterdam, De Bezige Bij, 1990.

De titelreeks uit deze bundel is, in opdracht van het Amsterdamse Fonds voor de Kunst, ook op muziek gezet door Margriet Hoenderdos.

zondag 12 april 2009

Een steen



Dit is de straf:

hoe nergens ik ben.
De golf die mij doordook
heeft mijn oren vervuld
en ik zie niets.

Waar ik ook ga of sta

wordt niets toegevoegd,

niets gemist. Soms
in de vloer een plank kraakte;
of werd in de muur, die de wijn-
gaard omgeeft, een steen even
door een wijnrank aangeraakt.


© HANS FAVEREY


Uit: Hans Faverey Lichtval, Amsterdam, De Bezige Bij, 1981

zondag 29 juni 2008

Kamer zonder ons



Laat iemand eerst maar eens vertrekken

naar zijn lege stoel en deze
zien te omsingelen, alvorens zich


tot zinken te brengen. Wat een verdriet
stond de kοοi niet uit οm Dοmenicο
Scarlatti te behouden. Voor wie

gaat de zon οp, als het niet is
οm dezelfde wanorde te bevestigen,

een kamer die eindelijk alleen wil zijn
met zijn stille getuigen, zijn over‑

heersende warmbloedige zοοgdieren
de deur uitgelοοdst, alle licht weg,
alle kleuren weg, deze kamer zonder ons,

prijsgegeven aan miljarden stοfmijten.


© HANS FAVEREY


Uit: Hans Faverey Het ontbrokene, Amsterdam, De Bezige Bij, 1990.