Posts tonen met het label hugo claus. Alle posts tonen
Posts tonen met het label hugo claus. Alle posts tonen

woensdag 15 februari 2012

Overeenkomst


MARINA



Maar als haar sterven nu eens was
Als een woord, iets dat overeengekomen werd,
Raar, onbeschaamd, geen daad eigenlijk maar een
Intense wonde, verpakt in rouw
Naar de wijs van alle mensen, vol verdriet en kussen,
Als een wonder ook, ja toch, voor wie zij achterliet.


© Hugo Claus




Uit: Hugo Claus Gedichten 1948-2004, Vol. I. Amsterdam/Antwerpen, De Bezige Bij, 2004

zaterdag 17 september 2011

Blije zoon




DE MOEDER



Ik ben niet, ik ben niet dan in uw aarde.
Toen gij schreeuwde en uw vel beefde
Vatten mijn beenderen vuur.

(Mijn moeder, gevangen in haar vel,
Verandert naar de maat der jaren.

Haar oog is licht, ontsnapt aan de drift
Der jaren door mij aan te zien en mij
Haar blijde zoon te noemen.

Zij was geen stenen bed, geen dierenkoorts,
Haar gewrichten waren jonge katten,

Maar onvergeeflijk blijft mijn huid voor haar
En onbeweeglijk zijn de krekels in mijn stem.

'Je bent mij ontgroeid,' zegt zij traag mijn
Vaders voeten wassend, en zij zwijgt
als een vrouw zonder mond.)

Toen uw vel schreeuwde vatten mijn beenderen vuur.
Gij legde mij neder, nooit kan ik dit beeld herdragen,
Ik was de genode maar de dodende gast.

En nu, later, mannelijk word ik u vreemd.
Gij ziet mij naar u komen, gij denkt: 'Hij is
De zomer, hij maakt mijn vlees en houdt
De honden in mij wakker.'

Terwijl gij elke dag te sterven staat, niet met mij
Samen, ben ik niet, ben ik niet dan in uw aarde.
In mij vergaat uw leven wentelend, gij keert
Niet naar mij terug. Van u herstel ik niet.



© Hugo Claus



Uit: Hugo Claus De Oostakkerse gedichten Amsterdam, De Bezige Bij, 1955.
Ook in: Claus Gedichten 1948-1993, Amsterdam, De Bezige Bij, 1994

zaterdag 27 augustus 2011

Aan de oever


Fragment uit 'Ansichtkaart', in: Ik schrijf je neer, bloemlezing met de beste, ontroerendste en mooiste gedichten van Hugo Claus (1929-2008). Kaart van uitgever De Bezige Bij ter gelegenheid van de verschijning van dit boek. Amsterdam, januari 2002

zaterdag 3 april 2010

Een herinnering aan heupen



APOLLINAIRE REVISITED


Ηier sta ik dan
een zinnig man
die van leven en dood
kent wat een overlevende kan kennen

Zinnig? Dat weet ik niet zο zeer
Hij zingt wel maar uitsluitend
over bronst

Ik heb de bommenwerpers zien dalen
De treinen vol soldaten zien verschrοeien
Mijn dierbaarste vrienden heb ik zien sneuvelen
En van het oude en het nieuwe ken ik
wat een leven kan kennen

Zο vaak het inept concept
de platgekauwde vondst
het sleetse patent

Oοit heb ik jullie de vreemdste
wijdste dοmeinen willen geven
in ordening οf in avontuur

Het eigen dοmein:
een historische neurοtische
provincie.

Genade
voor hen die de volmaakte orde wilden
voor ons die loerden naar avontuur
Nieuw vuur, οngeziene kleuren
Voor wensdromen
onontwarbaar

Apollinaire geloofde
in zijn horoscoop
Ik in de uitverkoop
van wanhoop

Mensen van overal
maar vooral lieden van hier lach,

lach maar!
Tot kelders en koelkasten leeg zijn.

En dan nog wat wijsheden, als adieu
als gewaarwοrding.

Bijνοοrbeeld: een bliksem in de dageraad,
een herinnering aan heupen,
de smaak van tepel.
Iemand drong met een zilveren bestek
bij iemand naar binnen
in al die openingen

Het vuur gromde. Haar harnas siste.
De dode knielde.
Ηaar smaak van ijzer.

Iemand schuierde de as
van iemand zijn jas.

Er is zoveel dat ik jullie niet durf zeggen
want hier ben ik omringd
door moordzieke gekken
lasteraars, smalend onbenul

Er is zoveel dat jullie mij niet zouden laten
zeggen

Genade. Kom terug.

Ik voel me versmallen
in een wereldwijde vallei
Genade. Doe het niet
voor dit tekstje voor een heksje
voor een hoekje in de krant
waarin ik heb gekwetterd
als een gebrekkige ekster
Genade. Vliegen
tot je weet maar nοοit.

Wij wilden gοedheid ontginnen
Dat ontzagelijk gebied
waar alles zwijgt
Ik zal de eeuw
waarin
de aarde drie graden warmer
zal worden niet kennen.
En zie, daar komt de zomer
het gewelddadig seizoen
En mijn jeugd
is dood als de lente
Wacht met mij
op de tere, nobele vorm
die zij aanneemt
Zij? Zij heeft de gedaante
van een aanbiddelijke rosse kater

Lach
Lach maar




© Hugo Claus


Laatste vers uit Hugo Claus Nu Nog - Een keuze uit de gedichten*, Amsterdam, De Bezige Bij, 2007.

* Kleine bloemlezing door Suzanne Holtzer, door de auteur (1929-2008) kort voor z'n dood min of meer goedgekeurd verzameld werk.

dinsdag 23 maart 2010

Tussen mij en de poolnacht



NU NOG


I

Nu nog, aan de galg vandaag, met een vod in de mond,
zij die wakker wordt met gezwollen lippen, ogen toe,
zij was iets dat ik wist en toen verloren heb, en hoe,
maar hoe ben ik haar kwijt, hoe blaft een dronken hond?


II

Nu nog haar gezicht als de maan en haar lijf als de maan
jong, bitter jong, met die borsten en billen en die ribben.
Vroeger had je liefdespijlen, je voelde ze voorwaar,
zij teisterden, dacht je, die blanke volle maan van haar.


III

Nu nog haar afgebeten nagels, haar gekwetste tepels,
haar gladde billen waartussen zij verticaal lachte
en zij die metafysica verachtte zei: ' Ach, schat,
in elke cel van je zaad zitten God en zijn moeder.'


IV

Nu nog de strepen schrammen vlekken tatoeëringen,
allemaal kwetsuren van liefde onder haar lichte jurk,
en ik vrees dat dit zal blijven duren, dit wrang achterbaks
krabben en klauwen naar haar ondermaatse niemandsland.

V

Nu nog, volkomen stil lag zij buitensporig alleen
kruiselings verlaten en met verlamd verhemelte,
en ik, even onbeweeglijk in mijn cel, hoorde ze,
de rinkelende kettingen rond haar linkerenkel

VI

Nu nog weet ik hoe moe en melig na het loom vrijen
zij 's ochtends bijna schroomvallig haar hoofd vooroverboog,
een eend die over het meer gleed en aan 't water nipte
en toen duikelde naar mij en hapte en toen nooit meer.


VII

Nu nog knoop ik haar gitzwarte haren in hanige
kammen en sprieten en stekels en verheerlijk haar als
totem en kruis in mijn huis dat onhandig en haastig
verandert in een tempel voor Minne, de steelse godin.


VIII

Nu nog al die kamers en nachten en roomkleurig naakt
en al die slaap erna en ervoor en de geur van hei.
Hoe ze snurkte toen ik vroeg of ze nu gelukkig was
en hoe ze de peluw aaide plompverloren naast mij.


IX

Nu nog haar ledematen, alle vier bezig, bekaf,
en haar pasgewassen haar over haar warme wangen,
toen greep zij mijn nek met haar enkels, giechelende beul,
onthoofd bood zij mij haar koele glinsterende wonde.

X

Nu nog hef ik een vlag en steek mijn armen in de lucht
en roep 'Kameraad'. Maar zij was het die zich overgaf.
Want op het slagveld hoorde ik haar stamelend razen
met het accent van haar moeder, gore lettergrepen.


XI

Nu nog, nu ik op het punt sta over te schakelen
naar dat andere leven, leidt ze mij als door zwart water
en loert en loenst naar mij door haar gevaarlijke wimpers
en lacht als ik kletsnat opklim tegen haar gouden berm.


XII

Nu nog is haar hele lijf karmijn en glimt van het zweet
en van babyolie glad zijn haar openingen.
Toch blijft wat ik van haar weet een zonderling gebaar,
iets zonder echo, vol bitterheid, toeval en spijt.


XIII

Nu nog vergeet ik weer de goden en hun ministers,
zij is het die mij versplintert, veroordeelt en vergeet,
zij van alle seizoenen maar vooral van de winter
want zij wordt mooier, kouder naarmate ik verder sterf.


XIV

Nu nog tussen alle vrouwen is er niet een als zij,
niet een waarvan de woeste mond mij zozeer heeft verrast.
Mijn zotte ziel zou over haar vertellen als zij kon
maar mijn ziel werd met al haar hebben en houden verwoest.


XV

Nu nog hoe zij beefde van vermoeidheid en fluisterde:
'Waarom doe je dit? Ik laat je nooit meer los, mijn koning.'
Er was geen killere vorst dan ik en overmoedig
liet ik haar zien hoe de Koning traande uit zijn éne oog.


XVI

Nu nog als ik durf te denken aan mijn verloren bruid
tril ik op mijn benen als ik denk aan wie haar nu plukt,
mijn wandelende oleander van een bruid die steeds
opnieuw het onkruid dat ik ben uit zijn lusttuin rukt.


XVII

Nu nog terwijl de bijen van de dood om mij zwermen
proef ik de honing van haar buik en hoor ik het gezoem
van haar klaarkomen en staar ik naar de natte roze
blaadjes van haar beweeglijke vleesetende bloem.


XVIII

Nu nog ons breed bed dat ruikt naar haar en haar oksels
ons bleek bed door de vogels van de wereld bescheten.
Op de vogelmarkt zei zij: 'Die wil ik, die wilde daar,
die almaardoor met zijn bek tikt tegen die tiet van haar.'


XIX

Nu nog, hoe zij zich verweerde en mijn mond weigerde,
en pas toen ik haar vloerde met mijn nagels in haar borst,
lam lag en toen, terwijl ik dronken van haar weelde sliep,
mij weer oppookte als een lang gedoofd gewaande haard.


XX

Nu nog haar beweeglijke borst die in mijn handen lag
en haar lippen dik door de beten van mijn tanden
en haar afgebeten nagels en gekwetste tepels
en hoe zij scheel keek in het wrede licht van de morgen.


XXI

Nu nog verbeeld ik mij dat zij in de smalle tijd
tussen mij en de poolnacht de sterren is geweest,
het gras, de kakkerlakken, de vruchten en de maden
en dat ik dit aanvaardde en dat dit mij nog steeds verblijdt.


XXII

Nu nog, hoe haar beschrijven, met wat haar vergelijken?
Tot in mijn graf zal ik haar ordenen en haar verven
en bederven en haar amechtig weer tot leven blazen
met mijn ergerlijk geklaag, mijn zenuwslopend zeuren.


XXIII

Nu nog haar ogen met de rimmel en de oogschaduw
en de scharlaken lelletjes van haar oren doorboord.
'Ik heb koorts,' zei zij, 'ik kan niet meer, ik vermoord
je, die vingers van jou, niemand anders ooit, nergens, nooit.'


XXIV

Nu nog blijft zij negentien, al drinkt zij; nog zo veel,
en hebben te veel tranen rimpels over haar wangen
getrokken, oorlogsbeschildering en camouflage,
de schimmel en de diepvries van haar leven zonder mij.


XXV

Nu nog als ik haar terug zou vinden als een sprookje
van de maan na de regen en ik lik weer haar tenen,
weer op de been met mijn hart van steen dan vrees ik wordt er
weer een griezelig week lied gewekt als van Cole Porter.


XXVI

Nu nog, zij; meer dan het water in haar wonderlijk lijf
een zoutmeer waarop een eend zou drijven en beklijven
en die eend met een pik was ik - hoor me kwaken! - en zij
meer zijnde wiegde mij op de baren of deed alsof.


XXVII

Nu nog als ik haar terug zou zien met die bijziende blik
van haar, zwaarder in de heupen en voller in de kont,
ik zou haar, geloof ik, weer omhelzen, weer van haar drinken,
een hommel was niet drukker bezig blijer leniger.


XXVIII

Nu nog terwijl ik in haar verstrengeld en geknoopt zit
is de Verwoester bezig en verschroeit Hij de mensen.
Mensen van enige standing zijn hun weg verloren
als na een gevecht zonder wapens en zonder winnaars.


XXIX

Nu nog in haar boeien geklonken en met de bloedneus
van minnaars zeg ik, van haar bloeiende lente vervuld:
'Dood, folter niet langer de aarde, wacht niet, lieve dood,
tot ik klaargekomen ben, maar doe zoals zij en sla toe!'



©
HUGO CLAUS


De vierregelige verzen zijn gebaseerd op een selectie uit het Sanskritische gedicht 'De Dief van liefde' (caurisurata pancasika).

Uit: Hugo Claus Alibi (1985), Amsterdam, De Bezige Bij.

Later ook opgenomen in Gedichten 1948-1993 (Amsterdam, 1994) en Hugo Claus Nu Nog - Een keuze uit de gedichten, Amsterdam, De Bezige Bij, 2007.

Er bestaat eveneens een CD (en een online-mp3versie) Nu nog, geproduceerd door Henny Vrienten, waarop de auteur bovenstaand gedicht en nog een dertigtal andere uit zijn werk voorleest. In 1999 als luisterboek verschenen bij uitgeverij De Harmonie, Amsterdam.

Morgenavond, woensdag 24 maart as., van 23:20 - 00:25 uur is op de VRT (Canvas) te zien Wreed geluk: Claus, Vlaanderen & de liefde. Deze tv-documentaire wordt uitgezonden in verband met de tweede verjaardag van zijn overlijden. De dichter-schilder Hugo Claus, die aan Alzheimer leed, beëindigde in maart 2008 in een Antwerps ziekenhuis door euthanasie vrijwillig zijn leven.

De documentaire gaat op zoek naar de vele kanten van Claus aan de hand van zijn gedichten en herinneringen van anderen. Bij de gesprekken in de film met vrienden van vroeger en kunstenaars onder wie de acteur Jan Decleir, komt ook de laatste nog levende broer van de schrijver, Odo Claus, aan het woord. Tussendoor leest de dichter Hugo Claus - met zijn markante stem - voor, onder andere een aantal strofen uit Nu Nog.

Voor wie de uitzending mist,
Hugo Claus live het volledige gedicht Nu Nog - op indrukwekkende wijze - horen voordragen kan via deze audioproductie van Het Beschrijf (2004):

http://lyrikline.org/index.php?id=162&L=1&author=hc01&show=Poems&poemId=1651&cHash=0f27336869

zaterdag 22 augustus 2009

Bagage



OP THOMAS ZIJN VIERDE VERJAARDAG


Later, mijn jongetje, word je een man,

later reikhals je als een giraffe naar het hoe en het waarom.
Men zal je stempelen als bagage.
Men zal je kwetsen om je wens en je droom.
En jij zal trachten eens en voorgoed te fotograferen
het hoe en het waarom van de vrouw

die kantelt in je lakens
die zingt naarmate je ontdubbelt in haar vel.

En nog later, jongetje, wordt
je leven een plakboek.
Maar nog lange niet, nog lange niet.

Hugo Claus


Uit: Hugo Claus De Wangebeden, Amsterdam, Bezige Bij, 1978

dinsdag 6 mei 2008

In de straat van genade



HET LAND (Egyptisch)


De wondere wagens der zon gaan onder,
Bereiken nog - de wind wordt lichter en dit gerstig land is
laag -
De vluchtelingen, gedoken in hun nood.

Nederknielende, sparende, biddende, buigende
Zijn zij steeds ongedeerd.
Hun spaden staan, hun spannen rijden.

Maar wacht, wacht. Als een schot in de twijgen
Waarin geofferd wordt, gesmeekt, gehunkerd,
Slaat het uur der huursoldaten.

Ietwat later - vloeit de beek? en de halmen, de zachte, buigen zij?
En de stemmen, sterven zij? - schrijven de laatste bevlekte
vingers
Letters en namen van kindermoordenaars.

Weerloos is de tijd, ongenadig de aarde.

In de straat van genade. De parkiet schreeuwde
De nacht lang. Wie weet wat de wezel riep?
De parkiet schreeuwde en vijf soldaten braakten.

In de straat van genade een uil en een rat.
De dieren wankelden in hun schonken, de rechter was verschrikt
Toen zijn bebloede dochter vluchtte over de vlammende weide.

In hun korenbed liggen de boeren. Gesloten is hun biddend oog.
Hun land kraakt.
Het water vloeit er niet meer binnen.


HUGO CLAUS (1929 - 2008)


Claus zou volgens sommige bronnen twee schilderijen voor ogen hebben gehad toen hij dit gedicht schreef: 'De volkstelling in Bethlehem' resp. 'De kindermoord te Bethlehem' van Pieter Brueghel, beide uit 1566. Brueghel schilderde de taferelen als een eigentijdse oorlogsscène in een Vlaams dorp in de winter.


Oorspr. uit: Hugo Claus De Oostakkerse Gedichten, Amsterdam, De Bezige Bij, 1955.

Later in: Een engel zingend achter een pilaar - gedichten over schilderijen; geïll. bloemlezing door Anton Korteweg, m.m.v. Annemarie Vels Heijn. Den Haag, SDu Uitgeverij, 1992.

woensdag 30 april 2008

Doofstomme kamer


Niet


Niemand in huis
Zelfs ik ben niet thuis

Haar kunstbontjas op de stoel
Zij zit er niet in

Ik hoest beleefd
De kamer blijft doofstom

Er is iets geweest, maar hoe?
Ik leg de lakens toe

Ik doe het licht aan
Ik ben er nog niet

Wel haar geur
Maar dat geloof ik zelf niet



HUGO CLAUS


uit: Gedichten 1948-1993. Amsterdam, de Bezige Bij, 1994



zondag 30 maart 2008

Gedicht van de week

______________________________________________

BROER (Hugo Claus)


'Het is hard,' zei hij, 'godverdomme hard.
En onrechtvaardig, voor het eerst word ik mager.'
Nog de herfst buiten, een maïsveld tot de einder,
het woord valt, einder, eindig.
Dan geen woord meer van hem.
In zijn slokdarm de plastic slang.
Hij hikt uren lang. Kan niet slikken.
Nog beweging in de rechterhand
die de linker draagt als een vette lelie.
De hand steekt zijn duim omhoog.
Hij blijft seinen tot in zijn laatste verval.
Hij heeft wit kindervel gekregen.
Hij knijpt in mijn angstige hand.
Ik zoek nog naar een gelijkenis, de onze,
de onrust van haar,
het ongeduld van hem (geen tijd voor tijd),
en ik beland in ons eerste verleden,
dat van een wereld als een weide met kikkers,
als een sloot met paling
en later weddenschappen, tafeltennis,
huishoudelijke wetten, de 52 kaarten,
de drie dobbelstenen
en aldoor de tomeloze honger.
(Ik word oud in plaats van jou.
Ik eet fazant en ruik het bos.)
Nu is zijn behuizing afgemeten.
De machine ademt voor hem.
Slijm wordt weggezogen.
Een ratel uit zijn middenrif,
en dan zijn laatste beweging, een lome knipoog.
Zielsverhuizing. Een ordening. Een portie afgesneden.
Het lijf nog verminderend
en dan plots in zijn gezicht dat dood was
een frons en een kramp
en dan een gesperde, woeste blik,
ondraaglijk helder, de woede en schrik
van een tiran. Wat ziet hij ? Mij, een man
die zich afwendt, laf verbaasd over zijn tranen?
Dan is het morgen en maakt men de riemen los.
En hij dan voorgoed

Watou, Poëziezomer 2006

_______________________________________________

vrijdag 28 maart 2008

Hugo bij de hemelpoort

In Antwerpen wordt morgen Hugo Claus gecremeerd.
Het lichaam van de betreurde schrijver stond nog boven de grond toen katholieke Belgische prelaten de afgelopen paasdagen meenden te moeten aangrijpen om Claus nog eens aan de paal te nagelen.
Niet gehinderd door kennis - van des schrijvers anti-papistische oeuvre zal men niet veel gelezen hebben op roomse burelen - kreeg de overleden letterengigant posthuum nog een aantal blasfemistische verwijten naar het hoofd.
Men zou zich na alle sektarisch gezever van afgelopen jaren eens een volledig relivrije nieuwsweek wensen, over zaken die er toe doen misschien, maar daar hadden in ieder geval andersdenkenden buiten de Vlaamse kardinaal Danneels gerekend.
De kerkelijke functionaris deed schamper over Claus' zelfgekozen ogenblik van afscheid van het leven, na een jarenlange ziekte - overigens zonder in zijn paasboodschap de naam van Claus te laten vallen. Het leek de kardinaal gepast er op te wijzen dat Hugo Claus niets minder dan "het lijden omzeilde". Ook de media waren volgens de geestelijk leidsman geen helden geweest maar hadden zich eveneens misdragen door de ruime publicitaire aandacht voor Claus' laatste wens.
De katholieke toorn gold ook de op Claus' sterfdag afgetreden Belgische minister-president Guy Verhofstadt, een liberaal en persoonlijk vriend van de schrijver, die het had gewaagd Claus' euthanasie "moedig" te noemen.

Ook een tweede geestelijk leidsman, de generaal overste dr. R. Stockman, Broeder van Liefde (heus, niet door Gerard Reve verzonnen, die kloosterorde heet echt zo), kwam met een veroordeling. De open manier waarop over de dood van de schrijver was bericht, het publieke respect van vooraanstaande burgers en de lof in veel media voor de beslissing van een van de grootste zonen van het land waren volgens de kerkelijk overste "meer dan tendentieus".

Maar gelukkig, onverdraagzame relipraat, kwetsende kritiek of niet - het komt allemaal nog goed met Hugo Claus.
Lees Edwin Fagel via de volgende link in VRIJSPRAAK - Hugo Claus aan de hemelpoort
http://www.derecensent.nl/

God zelf heeft kennelijk ook al danig de smoor in. "U denkt toch niet dat ik nog geloof sinds de dood van mijn Zoon?"
En: "Gaat u maar gauw naar binnen, meneer Claus. Die zeven maagden zijn u van harte gegund."

woensdag 19 maart 2008

In memoriam Hugo Claus (1929 - 2008)

Verdriet in de lage landen: Hugo Claus is vanmiddag in Antwerpen overleden.
De Belgische dichter en schrijver leed al bijna tien jaar aan de ziekte van Alzheimer.

Volgens zijn uitgever De Bezige Bij heeft Claus zelf het ogenblik bepaald waarop hij wilde sterven, hij zou om euthanasie hebben gevraagd. Claus overleed op een door hem gekozen tijdstip woensdagmiddag in het Antwerpse Middelheimziekenhuis. Hij werd net geen 79 jaar.

Hugo Claus, de oudste zoon van een drukker uit Brugge, geldt als een van de grootste Nederlandstalige schrijvers. Hij is in ieder geval de meest bekroonde auteur in het Nederlands taalgebied en een van de veelzijdigste en productiefste. Claus was behalve (toneel)schrijver en dichter, ook filmmaker, regisseur en beeldend kunstenaar/schilder. Zijn omvangrijke oeuvre bestaat uit vele tientallen dichtbundels, romans, vertalingen en toneelstukken.
Ooit had hij theaterambities, als acteur. In zijn jonge jaren voorzag Claus lange tijd in zijn levensonderhoud als boekilllustrator, en met het schilderen van landschapjes en gevels. Het duurde enige tijd voordat hij zich niet meer schilder maar schrijver durfde te noemen, al voelde hij zich tot zijn laatste ogenblik vooral dichter.

Hugo Claus is in Nederland de laatste decennia geroemd en vooral bekend, zo leek het wel, door zijn magnum opus: Het Verdriet van België, een familiekroniek over collaboratie, verzet en verraad, waarin met veel autobiografische elementen de geschiedenis van Vlaanderen tijdens en na de Tweede Wereldoorlog wordt beschreven.
Zeker zo indrukwekkend uit zijn vroegere werk zijn echter de debuutroman De Metsiers (1950), die Claus ogenblikkelijk de faam van 'literair wonderkind' bezorgde, en zijn Oostakkerse Gedichten.

Claus was een ware meester in het vermengen van het tragische, verhevene, klassieke met het banale, burleske en - ook vaak - het obscene.

Tegen het verlies, dit gedicht als hommage aan Hugo:



ULYSSES



Te veel gevechten heb ik gezien,
te veel gejank van vrijers gehoord,
ik ben altijd te ver gereisd.


Een kijkdoos heeft mijn oog vervangen,
Een bromtol mijn oor.


Te veel modder,
te veel krengen er in.
Te veel vreugde.


Ik verberg mij nu tussen de minnaars,
die bedelaars.






[Uit: Hugo Claus Gedichten 1948-1993. Amsterdam, De Bezige Bij, 1994]