maandag 2 juli 2012
In het gras
middenin de vlakte van juli
kwam ik je tegen. ik woon hier, zei je.
ik keek naar de bloemen. ja, dat zie ik, zei ik.
je was lenig; en je woorden waren zo
doorschijnend, ik kon je er helemaal
door zien.
en daar lag ik al in het gras
en wat hield ik in mijn hand?
een oortje, waarin ik het lange woord
'Lieveling' uitgoot, zonder morsen.
© Herman de Coninck
Uit: Herman de Coninck Onbegonnen werk Antwerpen, Manteau, 1984
dinsdag 21 februari 2012
Gezicht
Ze hadden een deken over hem gelegd,
ook over het hoofdje. Ik deed de deken
weg. Daar had hij altijd al
een hekel aan.
Het was géén afschuwelijk gezicht.
Eén oogje was open, daaraan
zag ik dat hij dood was.
Naar P. Hofstede
© Herman de Coninck
Uit: Herman de Coninck Geef me nu eindelijk wat ik altijd al had - de mooiste gedichten (bloemlezing), gekozen en ingeleid door Kristien Hemmerechts.
Amsterdam/Antwerpen, De Arbeiderspers, 2009
vrijdag 27 mei 2011
Uitzicht
VRIENDIN VAN ÉÉN NACHT
Het was onbereikbaar.
Maar voor iederen die dat óók vond, trok ze tijd
uit, en haar bloesje en de spelden uit d'r haar.
Ze had velours geribde rode lippen om je erover heen te praten
en schaars-paarse om er nadien over te zwijgen,
en lange vingers om je lang en langzaam tot zich toe te laten,
het was bijna gewijd:
hijgen werd heel ver adem
halen, voorbij de grenzen van de tijd.
En de wanhoop nadien had iets van lekker samen.
Uitzicht op leegte, maar
met gordijntjes voor de ramen.
© Herman de Coninck
Uit: Herman de Coninck Geef me nu eindelijk wat ik altijd al had - de mooiste gedichten (bloemlezing), gekozen en ingeleid door Kristien Hemmerechts.
Amsterdam/Antwerpen, De Arbeiderspers, 2009
maandag 9 mei 2011
Papier
WRAAK
Ik sta geregistreerd. Geboorte, plaats, tijd.
Ik sta voor zowat één kilo papier:
geboorteakte, militie, verhuizen van daar naar hier,
politieke sympathieën, vakbondsaangehorigheid.
Daarom ben ik op zoek naar een plek op de grens van drie naties.
Daar wil ik dan sterven.
Want ik wil met mijn dood op z'n minst het plezier bederven
van een stuk of twintig administraties.
© Herman de Coninck
Uit: Herman de Coninck Geef me nu eindelijk wat ik altijd al had - de mooiste gedichten (bloemlezing), gekozen en ingeleid door Kristien Hemmerechts.
Amsterdam/Antwerpen, De Arbeiderspers, 2009
donderdag 4 november 2010
Ademkruid
Zoals ik graag knoflook heb bij lamsvlees,
zo wil ik tabak bij lucht: om adem te kruiden
en pas nadien uit te blazen, als was het elke keer
mijn laatste.
Ik heb het tijdelijke met het eeuwige
vaak genoeg verwisseld in mijn poëzie
om te weten dat ik het tijdelijke wil.
Betekenis: dat is wat een blootgewoelde vrouw
aan lakens over zich heen trekt.
Ik trek ze weer weg.
© Herman de Coninck
Uit: Herman de Coninck Geef me nu eindelijk wat ik altijd al had - de mooiste gedichten (bloemlezing), gekozen en ingeleid door Kristien Hemmerechts.
Amsterdam/Antwerpen, De Arbeiderspers, 2009
donderdag 30 september 2010
Banket
Telefoonseks. Trek je je slipje uit?
Hou je de hoorn erbij dat ik het hoor?
Kun je je benen zo opendoen dat ik hoor
dat je nat bent?
Je hebt een lange buik, aan weerszijden waarvan
wij aan tafel zitten, jij met je hoofd, ik van tussen
je benen komend met ook een hoofd.
Banket. In je navel zout voor de radijsjes.
Mijn verbeelding is zo groot als mijn gemis.
Het zou elkaar kunnen vullen. Zoiets als een glas
waarvan je drinkt en dat even vol blijft.
Het staat op een lege tafel
op een schilderij in een leeg huis.
© Herman de Coninck
Laatste gedicht uit:
Herman de Coninck [1944-1997] Geef me nu eindelijk wat ik altijd al had - de mooiste gedichten (bloemlezing), gekozen en ingeleid door Kristien Hemmerechts.
Amsterdam/Antwerpen, De Arbeiderspers, 2009
zaterdag 11 september 2010
Vergeten
NOVEMBER
Er hangen nog twee blaren
aan mijn esdoorn. Duizend andere zijn
rood geworden, alvorens dood.
Vergeten te kijken.
Vergeten gelukkig te zijn.
Nochtans had ik een tuin
waarin een stoel, en die stoel
had mij, en ik had een hand
en die hand had een glas
en mijn mond had meningen.
Alles had.
Alles had ons.
© Herman de Coninck
Uit: Herman de Coninck De Gedichten, Amsterdam/Antwerpen, Arbeiderspers, 1998
maandag 28 juni 2010
Voor alles weer moet
WINTEROCHTEND
Ik hou van ochtendlijk vrijen,
vóór alles weer moet
nog even mógen. En nadien buik aan rug
nog wat tegen elkaar aanliggen in de klaarte
van net-klaargekomen-zijn.
Buiten ligt alles helder vastgevroren,
een klare vriesochtend is altijd klaarder
dan een klare zomerochtend, ongeveer zoals
helderheid in een zwart-witfilm
helderder is dan in kleuren.
Alles is zichtbaar. De naakte feiten
hebben kou.
Maar wij niet. Na de liefde buiten komen
is zoiets als van de sauna
in ijskoud water springen: je voelt het
nauwelijks. Je voelt het net genoeg
om je ijzersterk te weten.
Herman de Coninck
Uit: Herman de Coninck Zolang er sneeuw ligt. Brugge, Orion/ Desclée de Brouwer, 1975.
Later opgenomen in: Herman de Coninck De gedichten (samengesteld en verantwoord door Hugo Brems), deel I, Amsterdam/ Antwerpen, De Arbeiderspers, 1998
dinsdag 22 juni 2010
Kijk, een vogel
O IK WEET HET NIET
o, ik weet het niet,
maar besta, wees mooi.
zeg: kijk, een vogel
en leer me de vogel zien
zeg: het leven is een brood
om in te bijten en de appels zien rood
van plezier, en nog, en nog, zeg iets.
leer me huilen, en als ik huil
leer me zeggen: het is niets.
© Herman de Coninck
Uit: Herman de Coninck De Gedichten, Amsterdam/Antwerpen, De Arbeiderspers, 1998
vrijdag 11 juni 2010
Been
ARPÈGE
Ik sta in de hall en je warrelt
Van de trap als een arpège
Van Chopin. We zoenen een akkoord,
nou ja, een orgelpunt bijna, zoiets als Beethoven
die ook nooit kon eindigen.
En al spoedig weet je ene been
niet meer wat het andere doet, en
een bed komt onder ons terecht
(hoe zijn we intussen weer boven geraakt?)
en mijn verlangen is zo groot geworden
als een lange straat waardoor ik
hijgend en nog net op tijd kom aan-
gerend.
En nadien is mijn lichaam een luie sofa
waarin ik tot rust kom en waarin
het gevoel dat ik heb van mijn borst
tot bedaren komt
(zoals de zee gaat rusten in de zee)
in mijn borst.
Herman de Coninck
Uit: Herman de Coninck Zolang er sneeuw ligt. Brugge, Orion/ Desclée de Brouwer, 1975
zaterdag 22 mei 2010
Al het stof
DOOD IN LISSABON
wat konden wij doen, beginnen
als alles een einde kon nemen -
een ogenblik, wisten we, maar wanneer
dat wisten we niet, daarom
schreven we toch
en waren alleen
er waren musea, straten en pleinen
wind van de zee, van de verte
je weet wel van angst en verlangen
van wachten, van ooit
stel je dan voor hoe verloren
we liepen, altijd uitkomend
bij de rivier, we vroegen ons af
wie de lichten ontstak op de brug,
wie de vrachtwagens nieuwe
opschriften gaf en waarvandaan
al het stof in de wereld bleef komen.
© Miriam Van hee
uit: Nieuw Wereld Tijdschrift, Antwerpen, 1997 (dubbelnummer 5/6)
Gedicht naar aanleiding van de dood van Herman de Conink, die op 22 mei 1997 in Lissabon tijdens een congres op straat temidden van collega's overleed aan een hartstilstand. De Coninck werd 53 jaar oud.
maandag 3 mei 2010
Tot hier
Wat heb je vandaag gekocht, vroeg ik.
Een halsuitsnijding, zei je.
Trek ze eens aan, vroeg ik.
En je trok alles uit: dat is ze
helemaal, zei je, maar met de jurk
erbij komt ze tot hier -
en toen wees je midden op mijn handen.
© Herman de Coninck
Uit: Herman de Coninck De lenige liefde, Brugge, Desclée de Brouwer, 1969
donderdag 22 april 2010
Vergeten
zaterdag 23 januari 2010
Zo dun als sneeuw
POËZIE
Zoals je tegen een ziek dochtertje zegt:
mijn miniatuurmensje, mijn zelfgemaakt
verdrietje, en het helpt niet;
zoals je een hand op haar hete voorhoofdje
legt, zo dun als sneeuw gaat liggen,
en het helpt niet:
zo helpt poëzie.
Herman de Coninck
Uit: Herman de Coninck De gedichten, Amsterdam/Antwerpen, De Arbeiderspers, 1998
donderdag 13 augustus 2009
Wat overbleef
WISKUNDE
Nee, zo stoer hoeft niet, tenslotte
moet ik het nu weer allemaal zelf doen. Ik trek mij af.
Het lijkt wel een hele bewerking, een
aftrekking inderdaad, ik trek mij af
van wat ik was met jou,
ik hou alleen mezelf over.
*
HOTEL EDEN
En 's nachts gingen we naakt zwemmen, we zwommen
onze namen op het water, ik zwom An in twee
grote letters, jij zwom uitgebreid aan de naam
Herman, en met de gouden maan eroverheen
leek het wel of we onze namen definitief
genoteerd hadden op een van de gewijde bladzijden
van het Boek.
Nadien kuste ik de waterdruppels
van je gezicht, voorzichtig één voor één
zoals een pointillist toetsjes aanbrengt
op zijn doek 'Naakte vrouw bij maanlicht',
en in geen enkele vergelijking pasten je
borsten zo mooi als in mijn handen.
En in bed, ik kwam al van ver aan-
gerend declamerend 'Hier Ruk Ik Aan
Met Een Erectie Als Een Pompiersladder
Om Jouw Brand Te Blussen' en we lachten
en wat maakten we een leven
dat we negen maanden later
Tomas zouden noemen.
*
NOG EEN GELUK DAT
Nog een geluk dat
Zoals met de gek uit het grapje
die zich voortdurend met een hamer
op het hoofd sloeg, en naar de reden gevraagd, zei:
"Omdat het zo prettig is, als ik ermee ophou" -
zo is het een beetje met mij. Ik ben ermee opgehouden
je te verliezen. Ik ben je kwijt.
Misschien is dat geluk: een geluk bij een ongeluk.
Misschien is geluk: Nog een geluk dat.
Dat ik aan jou kan terugdenken, bv.,
in plaats van aan een ander.
Herman de Coninck
Drie gedichten uit:
Herman de Coninck Zolang er sneeuw ligt. Brugge, Orion/ Desclée de Brouwer, 1975.
Sterk door persoonlijke ervaringen beïnvloede dichtbundel van De Coninck, vier jaar na de dood van zijn echtgenote.
vrijdag 29 mei 2009
Kom er maar in, lezer
Je truitjes en je witte en rode
sjaals en je kousen en je slipjes
(met liefde gemaakt, zei de reclame)
en je brassières (er steekt poëzie in
die dingen, vooral als jij ze draagt) -
ze slingeren rond in dit gedicht
als op je kamer.
Kom er maar in, lezer, maak het je
gemakkelijk, struikel niet over de
zinsbouw en over de uitgeschopte schoenen,
gaat u zitten.
(Intussen zoenen wij even in deze
zin tussen haakjes, zo ziet de lezer
ons niet.) Hoe vindt u het,
dit is een raam om naar de werkelijkheid
te kijken, alles wat u daar ziet
bestaat. Is het niet allemaal
als in een gedicht?
*
Middenin de vlakte van juli
kwam ik je tegen. Ik woon hier, zei je.
Ik keek naar de bloemen. Ja, dat zie ik,
zei ik, en waar leerde je de kunst
om niet lang te duren? Ook hier, zei je.
Je was lenig; en je woorden waren zo
doorschijnend, ik kon je er helemaal
door zien.
En daar lag ik al in het gras
en wat hield ik in mijn hand?
Een oortje, waarin het lange woord
'lieveling' uitgoot, zonder morsen.
© Herman de Coninck
Twee gedichten uit de debuutbundel van Herman de Coninck De lenige liefde,
Brugge, Desclée de Brouwer, 1969 (herdrukt in 1986 met heruitgave door Manteau, Antwerpen).
Ook opgenomen in: De gedichten, samenst. en verantwoord. Hugo Brems, De Arbeiderspers, Amsterdam/Antwerpen, 6e druk 2000
maandag 16 maart 2009
Kraaiepootjes
VOOR MEKAAR
Vroeger hield ik alleen van je ogen.
Nu ook van de kraaiepootjes ernaast.
Zoals er in een oud woord als meedogen
meer gaat dan in een nieuw. Vroeger was er alleen haast
om te hebben wat je had, elke keer weer.
Vroeger was er alleen maar nu. Nu is er ook toen.
Er is meer om van te houden.
Er zijn meer manieren om dat te doen.
Zelfs niets doen is er daar één van.
Gewoon bij mekaar zitten met een boek.
Of niet bij mekaar, in 't café om de hoek.
Of mekaar een paar dagen niet zien
en mekaar missen. Maar altijd mekaar,
nu toch al bijna zeven jaar.
Herman de Coninck
Uit: Herman de Coninck (1944-1997) De gedichten, 6e dr. Amsterdam/Antwerpen, De Arbeiderspers, 2000
dinsdag 3 maart 2009
Wat ik nog ben
NU
nu moeten wij aan veel meer traagheid wennen,
aan liefde die verdween en aan wat nog resteert
aan teerheid in wat najaarslucht en geur van dennen
en aan hoe-het-kon-zijn-gedachten die je nooit verleert.
aan bijna-niets, en aan voortdurend vier dezelfde muren
en aan een belsignaal dat nooit weerklinkt,
aan twintig keer per dag door ramen naar de verte turen
en altijd jezelf met wie je 's avonds drinkt.
en wat ik overhou is niets om weg te geven:
wat ik nog ben, ben ik alleen voor mij.
Herman de Coninck
In: Herman de Coninck De gedichten. Amsterdam/Antwerpen, De Arbeiderspers, 6e dr. 2000
zondag 1 maart 2009
Zonder de zon
WINTER
Winter. Je ziet weer de bomen
door het bos, en dit licht
is geen licht maar inzicht:
er is niets nieuws
zonder de zon.
En toch is ook de nacht niet
uitzichtloos, zo lang er sneeuw ligt
is het nooit volledig duister, nee,
er is de klaarte van een soort geloof
dat het nooit helemaal donker wordt.
Zo lang er sneeuw is, is er hoop.
© Herman de Coninck
Uit: Herman de Coninck Zolang er sneeuw ligt. Brugge, Orion, 1975
maandag 14 juli 2008
Twee ogen
Envoi
Als ze het maar zien zou, zien wou –
Wat is er nog te kort, vroeg God zich af, die zesde dag.
Het was allemaal te hard, Adam, het had te snel
moeten gaan. Er moest minder fel geheugen bij. En glimlach.
Of was dat hetzelfde? En waarvan maak je dat?
Niet van lichtzinnigheid, maar van alles weten
en het heel erg vinden, en daar rustig van zijn.
En God vond mededogen
uit. En vervolgens twee armen om het in te doen,
wat al niet, klaarkomen, huilen, onbenullig, overbodig
zijn. Toen rustte Hij en dacht: wat heb ik nou nog nodig?
En toen schiep Hij twee ogen. –
Opdat ze hem zou zien terwijl hij stierf.
Opdat hij eindelijk zou mogen.
Herman De Coninck
Uit: Herman de Coninck De hectaren van het geheugen, Brussel, Manteau, 1985