Posts tonen met het label J.Slauerhoff. Alle posts tonen
Posts tonen met het label J.Slauerhoff. Alle posts tonen
vrijdag 23 december 2011
Bedwelming
Morgen rijd ik met bedwelmende bloemen naar je toe.
Ik wil niet langer wachten, eindelijk weten hoe
je bent: de bloemen zullen je verraden.
Als je liefdeloos bent, zullen ze kwijnen en treuren;
Als je kwijnt van verlangen, heviger geuren;
Als je brandt van verlangen, hun knoppen scheuren
En jij in een groot gebaar al je gewaden.
© J. J. Slauerhoff
Uit: J. Slauerhoff Verzamelde Gedichten, 's-Gravenhage/Rotterdam, Nijgh & Van Ditmar, 6e dr., 1961
maandag 20 juli 2009
Drijvend ijs
WINTER OP ZEE
De kim wordt wreed, de golven tuimlen wild,
Van mild en groen, spoorslags hardgrijs en grauw;
Eén nacht waarin de wind door 't luchtruim rilt,
Dan, als een plotselinge dood, de kou.
Om rotseilanden zonder boom en gras,
Liggend verlaten in het oeroud ruim,
Bloeit slechts 't onstuimig en verward gewas
Van 't snel opschietend, snel verwelkend schuim.
Op 't schip waarin geen vuren troostend branden,
Nestelt de kou zich voor een lange reis;
Tegen de 's nachts wakkergekraakte wanden
Kruit en verbrijzelt zich het drijvend ijs.
J. Slauerhoff
Uit: J. Slauerhoff Een eerlijk zeemansgraf, Rotterdam, Nijgh & Van Ditmar, 1937 (2e dr.).
Herdruk van de laatste dichtbundel van de door vijandschappen in geneeskundige kring noodgedwongen scheepsarts van beroep geworden J. J.Slauerhoff (1898-1936).
Een eerlijk zeemansgraf werd nog gepubliceerd in 1936, het jaar van Slauerhoff's dood.
De schrijver-medicus was de laatste jaren door zijn vele scheepsreizen ernstig ziek, hij leed tenslotte aan malaria door verwaarloosde longziekten en een tuberculose. Herstelpogingen in de bergen rond het Italiaanse Merano mochten niet meer baten.
Slauerhoff keerde terug naar Nederland en werd opgenomen in rusthuis 'Villa Carla' in Hilversum. Daar overleed hij op 5 oktober 1936, kort na zijn 38e verjaardag.

donderdag 7 mei 2009
Het azuur als gezag
DIT EILAND
Voor de zachtmoedigen, verdrukten,
Tot geregelde arbeid onwilligen,
Voor de met moedwil mislukten
En de grootsch onverschilligen,
De reine roekeloozen,
Door het kalm leven verworpen,
Die boven steden en dorpen
De woestenijen verkozen,
Die zonder een zegekrans
Streden verloren slagen
En 't liefst met hun fiere lans
De wankelste tronen schragen;
Voor allen, omgekomen
Door hun dédain voor profijt,
Slechts beheerscht door hun droomen
De spot der bezitters ten spijt,
Neem ik bezit van dit eiland,
Plant ik de zwarte vlag,
Neem iedere natie tot vijand,
Erken slechts 't azuur als gezag.
Wie nadert met goede bedoeling:
Handel, lust of bekeering,
Wordt geweerd aan 't rif door bezwering
Of in 't atol door onderspoeling.
Oovral op aarde heerscht orde,
Men late mijn eiland met rust;
't Blijft woest, zal niet anders worden
Zoolang ik kampeer op zijn kust.
J. Slauerhoff
Uit: J. Slauerhoff (1898-1936) Verzamelde Gedichten, 's-Gravenhage/Rotterdam, Nijgh & Van Ditmar, 6e dr., 1961.
zaterdag 28 februari 2009
Het met het water houden
BRIEVEN OP ZEE
Gelezen worden ze ontelbre malen,
Al was de inhoud haast vooruit geweten,
Van 't zelfde levensstof in alle talen
En op den duur tot op het woord versleten.
Toch weer ontvouwd, na 't eenzaam avondeten,
Des nachts op wacht, te kooi en na 't verhalen;
Voor hen die zooveel eenzaamheid verbeten
Is uit die letters leeftocht nog te halen.
Tusschen lieve en liefhebbende steeds staat er
Van kroost, huis, dorp en eiland weer 't alleen
Bij trouw, geboorte en dood gevarieerd relaas.
Na tal van reizen is het of een waas
't Bekende aan land omhult, men is alleen
En hoort bij 't schip en houdt het met het water.
© J. Slauerhoff
Uit: J. Slauerhoff Een eerlijk zeemansgraf, Rotterdam, Nijgh & Van Ditmar, 1936
vrijdag 6 februari 2009
Trouw wrak
DE ONTDEKKER
De rustigen die mij tartten te vertrekken
Heb ik om 't schip te krijgen woest beloofd
Rijkdommen fabelachtig te ontdekken,
Waarvoor ik ingestaan heb met mijn hoofd,
En eindlijk in triomftocht aangebracht.
Tot zinkens toe geladen lag mijn vloot.
Wel waren bijna al mijn mannen dood,
Maar alle havensteden bont bevlagd.
Toen moest ik knielen voor den gouden troon.
De koning boog en wilde mij een keten
Omhangen – die ik hem met wilden hoon
Ontrukt heb en een hoovling toegesmeten.
Nog heeft een vrouw mij innig vroom omhelsd,
En in haar grijze oogen zag 'k mijn vrede.
Ik neeg – maar in mij brandde toch het felst
't Vuur dat mij voortdrijft buiten rust en reede.
En haastig heb ik mij weer ingescheept,
Zeker van een ontdekking, anders grootsch,
Maar ben door onweerstaanbre drift gesleept
Naar zeeën leeg en kusten steil en doodsch.
Nimmer belijd ik mijn dwaling, mijn zwak.
Voor dezen blinden muur zal 'k blijven kruisen
Tot 't eind der wereld met mijn trouwe wrak,
Waarop drie kale masten: galgen? kruisen?
J. Slauerhoff
Uit: J. Slauerhoff Verzamelde Gedichten, 's-Gravenhage/Rotterdam, Nijgh & Van Ditmar, 6e dr., 1961.
Abonneren op:
Posts (Atom)