Posts tonen met het label H.C. ten Berge. Alle posts tonen
Posts tonen met het label H.C. ten Berge. Alle posts tonen

woensdag 18 juli 2012

Dageraad






De witte sjamaan een initiatie



Aanvliegen over de sont,

over donkere kommen van finse meren

scheepgaan in de kajak
der gestorvenen

drijven op de wateren
tussen taiga en toendra

oog en oor zuiveren
aan leegte en verte

zich voeden met bessen, met hoed
en geur van de goddelijke paddestoel

dromen de droom
van het eeuwige heden

als arktiese beer
weer tot sneeuwblinde dronkenschap in te keren

Op de tong zeven vlokken
in dovend middaglicht smelten

zijn tent gebukt naar binnen gaan
als de zon slaapziek wegzakt achter de wouden

liggend op zijn bladerbed
het smeulend vuur van berkebast aanblazen

door het rookgat
de witblauwe poolster bespieden

in heldere blijdschap de hemelse spijker
en stralende navel van zijn heelal gadeslaan

als viervoeter zijn tent verlaten
om de verre suizing van een vleugelslag

oog in oog staan met de witte wolven
van een korte dageraad


titelpagina
© H. C. ten Berge



Uit: H.C. ten Berge De witte sjamaan Amsterdam, 
Meulenhoff, 1973/1988


woensdag 6 april 2011

Nooit een lijf


AMSTELSTATION
7.1.76 / 9.15 uur





Je hebt me in de trein
opnieuw getroffen

er is geen beeld, er staat een scherm
van woorden
dat je aan het oog onttrekt

hoewel door jou gewekt en twintig jaar
geschaduwd
wist je altijd ongezien te blijven

men mocht niets meer van je weten
dat je in je brieven schreef
“Ik ben geschonden
en gebeten
maar ik leef”

je schreef
“Het sap
zal spoedig door de takken stromen”

jij overheilig wijf
je bent in alles
wat ik schrijf aanwezig

steeds het galgenaas van godgeleerden
kreeg je soms gestalte,
nooit een lijf

veel besproken en toch
onbeschreven ben je
slechts als tekstlichaam intact gebleven

men las liefde en seizoenen af
aan je gegroefde huidstructuur

winter duurde eeuwen;
kou vrat je niet aan

wat strijd om het bestaan was
werd de kunst van overleven

nog zijn de tijden guur en wij
al voor de oerschreeuw aangetast

nu ik je aanraak met mijn ogen
zie ik weer
de glans van donker woordglazuur



©  H.C. ten Berge


in: Ons poëtisch dichtersland, Amsterdam, Vroom & Dreesmann, 1988

donderdag 5 maart 2009

Een slak in tomeloze vaart


TIJD IS



Je wilt het heden betrappen
terwijl het al niet meer bestaat.
Tijd is een passage, een gesloten
loket waar je steevast te laat –

Tijd is de vereffenaar.
Tijd heelt niets, want slaat weer
nieuwe wonden. Wat tot bloei komt
wordt door hem ontbonden.
Tijd is diep geaard, hij ruikt naar de seizoenen.
Een geur dunt uit, een maand verglijdt.
Hij nestelt zich in mest en fruit, een rozelaar, kastanjebladeren.
Tijd huist in een voorbije zomer, zeelucht en herinnerd meisjeshaar.
Hij schuilt in babyzalf, gedane liefde, een vervallen huid.

Tijd is een slak in tomeloze vaart. Voor kinderen
traag verlopend wordt zijn gang door niets gestuit
totdat je aan de zoom van bitterzoete wateren ligt opgebaard.


© H. C. TEN BERGE


Uit: H.C. ten Berge Het vertrapte mysterie. Amsterdam, Meulenhoff, 2004

maandag 16 juni 2008

Lang meegevlogen


Spreeuwen in het stadsmoeras


Bij toverslag
luidruchtig opgevlogen; kwetterzieke
spreeuwen
zwermen
tussen beuken en kastanjes,
jagen de verschrikte
zangers uit de hagen,
suizen pijlsnel
naar omlaag -

Scheervlucht over het riet,
wind van duizend vleugelslagen.
Duizend zenuwlijders vliegen onberispelijk door het zomeravondlicht.

Onzichtbare signalen, oorverdovend
overleg;
een slingerend lint vanuit de lucht
opeens weer neergestreken -
Glans van parels in de rietkraag;
diep gebogen wiegen stengels
het gewicht van duizend rusteloze spreeuwen

Lang gekeken, meegevlogen -

Op een ochtend
alles weg.



© H. C. TEN BERGE



Uit: H.C. ten Berge Oesters & gestoofde pot.
Amsterdam, Meulenhoff, 2001