Zij is een huls van vlees die stilligt op een steen, een vlinder met een vlinder om zich heen, en hij is iets dat wegdrijft en weer terugkeert, liegt, breekt en steelt, liegt, wegdrijft en weer terugkeert.
Ik heb het allemaal zelf bedacht, de dansen, het water, de auto, het ijs.
Alleen jou, jou heb ik niet bedacht. Jij was uit de doorzichtige tijd gekomen, misschien zoals ik, misschien anders. Jij had een miljoen jaar wereld als een eierschaal achtergelaten en daar sta je, boven op het bestaande,
een vlinder in de winter.
Tot het ogenblik kruimelt, breekt, en ons opvreet en zichzelf verteert tot wolk die zo groot was als alles