Posts tonen met het label Leo Herberghs. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Leo Herberghs. Alle posts tonen

zaterdag 17 november 2012

Achter zijn herfst aan




stond de wind daar
buiten de deur en
klopte hij aan

en was daarachter
een ruimte voor ruisen
niet vindbaar

en wist enkel de zoldering
van windgekraai


*


er loopt daar een wolk 
over het gras

met zijn armen vol geel
nadert de bosrand

stil loopt het paard achter 
zijn herfst aan

het geringe van mens
gaat zijn schaduw
achterna


*


later het jaar lag de akker
in een andere verte, lager
en zonder gezicht

hij lag er zo alleen

ik zou willen liggen gaan
dichterbij hem, ik zou
rand van de akker 
willen zijn


*


weggerold ben ik, in
een gat gerold ben ik

maar ik kwam weer boven
werd een ruisende beek

en ritselend als zilver
stroomde ik voort




© Leo Herberghs







Vier korte gedichten uit: 
Leo Herberghs De bolle ogen van februari & Hölderlins einde 
Utrecht, de Contrabas, november 2012.






zaterdag 21 juli 2012

Ik onderschrijf alles



























Dubbelzijdige harmonica van twee langere verzen, verpakt als fraai vouwblad: 
Document / Ik ben van Leo Herberghs. Bibliofiele uitgave, verschenen ter gelegenheid van 
de 88ste verjaardag van de dichter vandaag.  
Naar een vormgevingsidee van Piet Gerards Ontwerpers (Iris van Kleinwee), 
Amsterdam/Heerlen juli 2012.


Nummer 40 uit de oplage

dinsdag 24 januari 2012

Naast mij


Daar komen de paarden aan

staan stil of zij luisteren

terwijl het duister hen nadert
beademen zij met hun adem
hun vleugels van koper

voordat zij weg willen gaan
komen zij naast mij staan
en wenen



© Leo Herberghs



Uit: Leo Herberghs Hij, de langzaamste van allen Utrecht, De Contrabas, 2011

vrijdag 30 december 2011

Daarginds


graaf hier, zegt de een

nee, graaf daarginds, zegt
een ander, graaf totdat je het
hebt gevonden

ik leg mijn spade terzijde
ik graaf niet, ik ga beginnen
mijn tong op te halen
uit diepe grond 



© Leo Herberghs



 
Uit: Leo Herberghs Hij, de langzaamste van allen Utrecht, De Contrabas, 2011.
 
 
Kaart van dichter Leo Herberghs bij eindejaarspost: 'Zullen we in het nieuwe jaar wederom door het leven gaan met "h" en zónder "h", en voelen we ons daar dan gelukkig mee?'
 
Kaartillustratie: Black Venus (1967), manshoog figuur van beeldhouwer-kunstschilder Nikki de Saint Phalle
- afbeeldingen en delen van haar werk zijn te zien in o.a. Basel,
Museum Jean Tinguely

dinsdag 15 november 2011

Uitvindingen


ik schiep een wolk, joeg

wind achterna, vond
regen uit voordat
regen viel

ik lachte voordat iemand
lachen uitvond, zwom
de zee in voordat
ik kieuwen had

schaduw was ik voordat
ik boom was


© Leo Herberghs



Openingsgedicht uit: Leo Herberghs Hij, de langzaamste van allen Utrecht, De Contrabas, 2011

dinsdag 13 september 2011

Kuil


mag ik hier een gat graven

mag ik de grond omspitten
om een kuil te maken

mag ik hier liggen gaan
dat ik voor altijd bij de aarde
zal zijn, mij er eens
herbergen kan gaan


© Leo Herberghs


fragm. uit: Hij, de langzaamste van allen - nieuwe dichtbundel van Leo Herberghs (1924).
Verschijnt op 30 september as. in Utrecht, bij uitgeverij De Contrabas

donderdag 4 augustus 2011

Hoef


PAARD




een dansende sprinkhaan
het paard!

trapt de lucht aan scherven
dat het glas rinkelt!

ratelt voorbij en het zwaard
van zijn adem bliksemt!

en zijn stem galmt!
en zijn hoef graaft
de donder op!



© Leo Herberghs




Uit: Leo Herberghs Portret van een landschap, gedichten 1953-1997 (bloemlezing). 
Leiden, de Plantage, 1998

zondag 22 mei 2011

Zonder ogen


LANDSCHAP



Vaak kijk ik uit mijn ogen naar het landschap,
de velden en de paden langs de bossen,
de kleine hoeven en de kleine weiden;
vaak loop ik met mijn voeten door de schemer
en kan het landschap aan mijn oren horen
en voel het rustig liggen in mijn lichaam.
En eenmaal kende ik het als mezelve-
Dat was toen ’s avonds, tussen enkle sterren,
ik zonder ogen in het donker rondging
en plotseling mijn ziel veranderd voelde
in een onwerelds en onmeetlijk landschap


© Leo Herberghs


In: Bert Voeten (samenst.) Erts, een bloemlezing uit de poëzie van heden - public. voor o.a. literatuuronderricht op middelbare scholen. Amsterdam, J. G . Strengholt, 1955

dinsdag 7 december 2010

En nergens ouderdom




Hij straalde de maan terug

en werd een wandelaar van
de nacht die zijn voeten
vastbond aan het struikgewas

o duisternis, langs boomstammen
ruisend, o weilanden achter
bospaden en nergens
ouderdom


*


o welgevalligheid, rijs
blinkend op tussen
hoornen van runderen, zoals
gij eens oprees boven het
hoofd van de eenhoorn

geen dag is verschenen zonder
dat dromen schitterden, die
gaven de goden, de geduchten


*


ontschitterde ster in wind
overwinterde streng
in het koude licht


spreek mij van het
harde gedicht dat gij
als een steen in
mij legt


geef dat het niet smelt
als ik mijn hand
erop leg




© Leo Herberghs




Uit: Leo Herberghs Hij straalde - Korte beentjes 2 - Huis Clos, Amsterdam/Rimburg, 2010*

*Gedicht 1 t/m 3  uit een cyclus van 31 titelloze verzen, waarvan dertien thans verschenen in druk. Bibliofiele uitgave ter gelegenheid van de uitreiking van de (eerste) onderscheiding 'Limburger van verdienste' aan de dichter, op 15 november 2010 op het provinciehuis in Maastricht.
Meester der oude vlakten - deel 1 uit de reeks Korte Beentjes, een keuze uit de niet gebundelde verzen van dichter-wandelaar Leo Herberghs - werd zestien jaar eerder gepubliceerd (1994, Heerlen). 

maandag 29 november 2010

Palmen in een ijszee



WINTER



in het blauw gekorven

grist de kraai gouden
spangen weg van zee
bedolven onder winterweer
krimpen letsels van ijs


geworpen speren, het kleed
bespat en de engelenveer


eindeloos uitzicht ruimt
kruiende werelden op
zwarte woestijnen tuimelen
in open hondemuilen
mijn hart ligt op koud ijzer
iemand verplettert het


palmen ver weg ruisen
in noordelijke ijszeeën


mateloos naar het noorden
kijk ik uit, mijn ooggaten
walmen van dor pijnhout
onder broeiende heuvels
slingeren hoge zuilen zich
naar de brokaten hemel


op de ontvolkte spiegels
zitten pestvlekken


koningsogen, de adelaar
heeft het overschouwbare
tot hemel rond gebogen
en draagt hem als buit
weg naar het onbewogene
sneeuwleeuwen en stralende
duiven zijn daar thuis


haren verloren hun kammen
oorhangers weggehangen


doodgeslagen kraaien
klagen de hemel nog aan
daglicht dol van zwaluwen
slaat bomen tot ze naakt zijn,
tot takken de verglaasde
vingers van kou zijn


palen boven het water
rusten op visgraten


winter, geheim zeer
dat glanst in oogkoren,
onder beglaasde haren
resten van stof opspoort
in verkrampte muizenpoten:
schitter en word leeg


ijs slaat in mondholen
uiteen tot blauwe kreten


meubels worden vijandig
de straat slaat met onmacht
het gangpad tussen koffers
is besmeurd met grondwater
dat sijpelt uit de modderen
mond van een aardgolf


doodval, in nabuurschappen
verschijnen engelen al


dwars over vastgespijkerde
dagen gaan de balken
van de lucht schuiven, gekraak
op zolders verjaagt
poppen uit hun laatste
schuilplaats, kelders
tonen hun zwarte gaten


onder de gewelven
sterft het laat sterlicht


de schreeuwende kanarie
tuimelt wild door zijn kooi
de hond, staart tussen de poten,
kruipt achter de schuurpoort.
het gramstorige landschap
toont zijn gekorst voorhoofd


daarboven vogels. vlogen
donsveren vol vlieglood?


wasvrouwen hebben hun sieraden
gelegd op het water en weldra
wappert was aan de draden
boven het wintergras. een eekhoorn
klimt uit een boom, schaduwen
krijgen een warme naam


zo was het nooit: dromen
zijn het, nooit was dit waar



© Leo Herberghs



Gedicht verschenen in de winter van 2010/2011,
bibliofiel uitgegeven door Azul Press, Maastricht, november 2010.

zaterdag 5 september 2009

Aardappelen van schaamte



DE AFDALING VAN DE REGEN




ik ben water van regen
ik ben water
ik ben regen

door een gat in mijn hoofd
sijpelt regen

ik ben de verwaterde

regen, val scheef
door het licht, door het gericht
van mijn ogen. hang regenvanen
uit mijn toren

veel ogen heeft de regen
veel oren heeft de regen

de regen hoort alwie
luistert naar regen
zittend onder de poort
van de regen

ik ben dronken van goden
ik ben dronken van regen

spreek tot mij schemering, spreek

naderen hoor ik je
achter de wegkromming nabij
het tuinhuis, opspringend in
mijn gehoorbuis

wees aandachtig in hout
dring door tot de houtworm

trommelregen, oude woudregen
regen die komt na het leven, regen
van vóór de geboorte

oor, hoor
de doodsregen

naaldfijne hakken van regen
stadsregen, straatstenenregen
zedepreker regen die steden
tegenspreekt

regen die zegt
nee

regen, op je harp spelend
boven zee, boven pijnboom-meren
boven bontgerokt vee

ijzeren regen, spoorstaven
regen, vertrekkende regen, aankomende regen
die signalen onkenbaar maakt, stationsklokken opjaagt
overkappingen weergalmen laat

maak, regen, geluk
tot een zitplaats aan het raam

maak ogen onuitputtelijk
zing lof onophoudelijk

spring over sprinkhanen
haal hazen in, laat vogels
rondedansen maken
kraai mee met morgenhanen


ontmaak mij, sla mij
genadig, sla mij met je naam
maak mij tot je renpaard
ga met mij, nachtraaf

wees aandachtig in hout
dring door tot de houtworm

in putten waaiende
druppelregen, hinkende regen,
regen die kantwerk maakt
van zwaluwen

geef mij schuinte van sleepsterren
geeft mij schuine getallen, geef mij
spiegelende karresporen, snikkende
slikregens van dennen

maak mij kraai, maak mij
uitzinnig, maak mij glinsterend
van blijdschap, laat mij zitten
onder hazelaren waar ik
tussen varens mij
inspin

maak mij dorpser dan dorsvloeren, maak mij
stichtelijker dan kerkportalen, maak mij
krommer dan kromhorens, geef mij
kwader gesternte

verschoppeling regen, maak mij
zwerfregen, maak mij zwerfsteen
lange akker, kronkelig
lopende steenweg waar overheen
eenhoorns snellen

dakloze regen
regen met bittere armen, met gebogen
knieholte, maak mij
een verweesde

geef mij jouw voetzool
dat ik dool tussen
kikvors en eendekroos

regen, je vioolsnaren
zijn van zilver, je garen
wind je af van
oude klossen

je speelsnaar is
van korstmossen

muisgrijze regen, liever dan
over appels en rozen loop je
over kevers

sta je langer stil
bij distels, val je dieper
in sneeuw

wees aandachtig in hout
dring door tot de houtworm

ga struikgewas binnen, hang
er druppels, ga bukkend
onder lijsterbessen
de schemering binnen, langs slingerende
paden, gele lissen waar mossen
de enkels vinden
van vlinders

prevelaar in de waterput met
ijzersmaak in je praatmond: hoor je
het plonzen van de roerdomp, de gelukkig
slurpende oerbron

haak regenhaken
in mij, vang mij,
spartelende vis, berg mij
in je groot visnet

bind rond mijn lichaam je wikkels
wikkel in pijn mij in

maak mij tot een waaiende
reiger, die de ruimte van de hemel
met zijn vleugels vult

zit aan mijn tafel:
brood van tranen, aardappelen
van schaamte, schaduw
van vlees

wees aandachtig in hout
dring door tot de houtworm

nederige regen, glinster
minder dan
bliksem

grasregen, glansregen
maak van de wereld as, maak
er misgewas van

bittere boze regen, stamp
op het asfalt
van de stad die jou niet
overleven zal

maak donker het zilver, dring ijzer binnen
maak blinder het bestek, jij
ooglichtbezerende

regen, engel die de lippen
losser maakt, vleugels van
zwaluwen lichter

laat mij springen
als een vis boven het water, maak mij
kleiner en
verbaasder

tik tegen het glas
van de maan, laat het tikken
in de straat mij
slapen en waken en slapen

wees aandachtig in hout
dring door tot de houtworm

open de kamers van rouw
ga er binnen, haal de oogst
van het rijke verdriet
eindelijk binnen

sluip in het oog
van de dagpauw

sla feller tegen
de windvaan, koppel de bergen los
van hun hengsels en stort
hen in zee

klop de geest
uit het donker los, klop
het donker los uit het nachtbos, gorgel
in de mond van de bronnen

kir als een nachtegaal
in waterklokken

stotter in keelholten, bloos
in het bleekste

regen
maak mij een vlot
maak mij zee

ga met de wandelaar, laat hem
jouw dwars pad gaan, veldwegen vol
zoete dwalingen

laat hem op toppen
van windvlagen winters
en alleen staan

kroon hem, beroof hem
van slijm en leem

zwijgregen in
nazomerdagen als oogharen
trillen gaan, poorten zich openen
naar het najaar

augustusregen, alle dagen
een andere hooinaam

nader trappelend
met de hoef van het paard
de boomgaard, sla de zwaarden
uit zijn hand, maak zijn zwaarte
ontoelaatbaar

laat uit verre schuren
het muizegraan rollen
in mestwater

woed tegen
smeedijzeren hekken, stambomen
en stamnamen. maak scheuren
in grafkapellen, roestplekken
in familiewapens

wees aandachtig in hout
dring door tot de houtworm

maak mijn ogen open, maak
mijn knieën
buigzamer, mijn haren losser
mijn rug bevlogener

regen op mij
je nee

tranen druppelen langs de snaren
van je viool, gekrulde regen, vismonden
regen, pianospeler
op zee

sla tegen het ijzer
van de hemel, beitel in steen
mijn gezicht tot welfsel
van been

plunder feestzalen, sla kerktorens
tot puin, maak kathedralen
tot geraamtes, ontbloot
de kaken van
nachtbrakers

wees aandachtig in hout
dring door tot de houtworm

lenteregen, welke kleur heeft
lenteregen, rozeblaadjeskleur?

smalle heupen, smallere
ogen, o langzaam dalende ogenregen, jij
uitnodigende bruiloftsregen, schuifelend
over rozen

landregen, zoete hooiregen, jij die je
leegschudt op dorpshoven

gelukkige
paarse aprilregen, oorbellenregen
in gras gelegen vlinderregen
die vleugels hangt in de boom, ze weer loshaakt,
ze prijs geeft

herfstregen die wegwist, die de kleur wegwist, die
de verte wegwist, weg wist wat op de wereld
ooit vol schroom is verschenen

wis, regen, de wereld weg
op een doodgewone herfstige
achternamiddag, maak
een aarde zonder
verten

wis de dansers weg

leg mij, een ledige
terug in het ledige

maak schuilhoeken voor
lachers, maak nissen
waar zich hun lachen
kan verpozen

laat de eenzaamste bomen
door de wind zijn verlaten, ga slapen
nabij nesten van
regenvogels

waai vanachter bosschages
naar mij toe waar ik wacht op de schuinste
pessoaanse regenval

wees aandachtig in hout
dring door tot de houtworm

leg je leeslint tussen
de druppels, dat ik
blad na blad
lezen kan van
je gemis

geef mij
je leeslamp die ruist
van jouw ruisen dat ik
nog even kan voortbestaan

laat de wereld bestaan
uit lettertekens, laat ze bestaan
uit doornstruiken
uit dovenetel

laat, regen, mij aan je vasthouden
dat ik niet te laat kom

troostregen, regen van erfgrond, van dodemansgronden,
van stichtelijke wortels, van ongebruikte
oogbollen, holteregen, waterwolfregen

daal eindelijk af, murmel
in mijn broekzak, slaap in de luier
van slaap

wees aandachtig in hout
dring door tot de houtworm

daal in erfgoden, kraai boven
de haan, boven de bokkesprong, ga binnen
in spinrokken, waai
door het oog van het paard
ga naar braakland, zet
honderd regenstoelen klaar
voor nazaten

wees aandachtig in hout
dring door tot de houtworm

verschijn in klaslokalen
kras namen in lessenaars
zeg dat regen woorden heeft
voor klaproos en ratelaar,
dat regen zingt op
het asfalt als
honderd katers

wees aandachtig in hout
dring door tot de houtworm

graas, regen, het gras weg
graas het schaap weg, graas de tong weg
van het schaap, waai achter de sneeuw aan
van verleden jaar, waai tegen
sneeuwpaarden aan

waai mijn naam weg waar
ik lig op mijn slaapsteen
alleen alleen alleen

wees aandachtig in hout
dring door tot mijn houtworm


© LEO HERBERGHS, 17 augustus 1999



Het episch vers DE AFDALING VAN DE REGEN verscheen, als aparte ingenaaide bijlage (16 p. in druk), bij de dichtbundel Daarmee Wordt Gezwegen van Leo Herberghs.

De uitgave werd gepubliceerd ter gelegenheid van de eerste Dag van het Gedicht, later de jaarlijkse Gedichtendag in Nederland en Vlaanderen. (Rotterdam, Bèta Imaginations, januari 2000)

vrijdag 28 augustus 2009

Vol van vallen



HERFST IN MECHELEN



Een

Er is geen ruimte tussen
De bomen of zij is vol
Van vallen. Er ligt
Een oude zon te rusten die
Haar zweet verloren heeft
Aan schuren van zomer

En zwaarden steken uit
De scheden van het gras. Het
Is alles sterfelijk hier met
Doodsnik van heuvels die
Klagen tegen oudere
Heuvels aan

Het is hier garen spinnen
Voor het blad dat holten
Opvult tot aan de rand, dat
Binnendringt in het
Benedenste verblijf
Waar weggewaaide winden
Voor altijd rusten



Twee

Hier is het lopen moe
Voor er een voetstap is
Gezet. Open, wind, nu
Een nieuwe horizon waarachter
Geen licht wegkwijnt. Geef,
Paden, de openheid die
Wij behoeven om een
Mogelijk ander pad te gaan
Dat nergens heenleidt en
Naar niemand toe



Drie


Er is geen hymne, klinkend
Zoals een zwaardvis zingt
Die een zee heeft om
Te doorklieven. Hier is
Alles geboren om een sterfelijk
Licht te laten schijnen over
Boomtoppen. Maar
De boom is een wegkwijnende
God aan wiens voeten alleen
Runderen nog knielen. Laat mij
Verdwalen tussen de laagte
Van struiken, dat ik het
Kleinste licht ontmoet dat
Hier beneden schuilen wil


Vier


Aarzel nu niet langer, licht,
En neem het dal in je bezit en
Laat mijn hoogte ongemoeid.
En draal niet langer meer om
Mij te voeden met een beter
Licht dan dat van sterren.
Breek dit landschap open dat
Ik binnen treden kan in een
Beboomde holte waar ik
Wonen kan in het stille
En ondoorgrondelijke


Vijf

Een schouder geeft mij gindse
Heuvel en dapper gaan wij
Omhoog, tot waar geen
Grint meer knispert, geen
Wind meer waait vanuit de diepte
En vrij als vogels gaan we weg
Uit laagten en komen aan
Waar geen zon ons hinderen kan
De ruimte in te stappen van
Het wolkverblijf en waar wolken
Ons meenemen om te verglijden
In het onnoembare en
Onvergankelijke


Zes

Het pad is zwart waarover
Ik loop, de berm gekneusd, de
Struiken gekwetst door het
Te vele licht. Ik ga de akker
Over naar een ander pad dat
Mij insluit en dat mij zwarter
Maakt dan een zwart paard dat
Volbracht heeft wat het
Ooit te volbrengen vermocht



Zeven

Geen tranen meer maar dieper
De nacht in waar het onzichtbare
Zich vertoont, en daar,
Waar leven slaap is, zwart
Te worden als een zwarte ster
Die op een zwarte akker
Verkoold in eigen as ligt


Acht

Een suite maar niet om
Te dansen en niet om te zingen
Maar om een zorgeloze oude
Herfst te begeleiden en
Met hem peinzend de ogen
Op te slaan en daarna de aarde te
Bekransen met bladeren van
Voorbije jaren en om gestrekt
Op bladeren te vergaan
En te weten: blad ben ik
Geweest en nerven had ik
Gevuld met sterfelijke
Onsterfelijkheid



Negen

Maar ik ben rijk aan
Korenaren en de tijd
Bezong mijn jaren en, levend,
Bleef ik bij stilte tot ik
Mij volgezogen had met
Het onhoorbare dat ik
Te befluisteren probeerde.
Ongehoord waren mijn dagen
Als ik nader kwam bij het
Bijna spreekbare ademhalen
Van stenen


Tien

Tot ik verdween was ik
Een niet-sprekende maar
Mij was het zicht vergund op
Ondoorgrondelijke bomen
Die ik laafde en spijzigde
Met mijn gebeden. En ik
Riep de wolk aan en de wolk
Hoorde mijn stem en daalde
Mijn koninkrijk binnen en
Bleef rusten daar



LEO HERBERGHS

Herfst in Mechelen verschijnt - verfilmd - in oktober 2009 op DVD.



De 85-jarige dichter en zijn echtgenote Cis tijdens een boekenmarkt
bij een stand met affiche van de nieuwe poëzie-uitgave

- foto Jo Linssen - met dank aan Hennie Jetzes en Stichting LTRTR

zondag 9 augustus 2009

Ik zag ze niet


LEO HERBERGHS ACHTERNA


zes koeien zag hij
ik keek mee
ik zag er drie

de sloot
ging aan mij voorbij

ik zag ze niet


* * *

verbrande veren
verschroeiend hooi

om nog te zwijgen
van hetgeen
de keel dichtsnoert

die van hem
ook die van mij


* * *

wind
hemel
wolk

niets dan
lucht

groot
geschreven



* * *

één regel werd nooit
nagesproken

hij ligt waar hij lag

op zijn rug
tussen twee

waar tussen



Iris Van de Casteele

Asunción, 08.08.2009

maandag 20 juli 2009

De zee leest (1)



we konden niet lezen
van geluk, achter elk woord
was er eeuwigheid

eerder dan anders kwam
de maan, scheen op
de pagina

we lazen ernaast



*



zo verschrikkelijk naakt
is het paard dat mij
nadert

naast de schemering staande
roept het god, dood en
duivel aan

het hinnikt mijn naam



*



één dichtregel heeft de
wereld overleefd

de wind heeft hem in
de lucht geschreven
de wolk heeft hem op
de akker geregend

gespiegeld staat hij in
water, de zee
leest hem

op de tong is hij
van die hem
naspreken



© Leo Herberghs


De stilste dichter van Nederland, Leo Herberghs (1924), wordt morgen 21 juli as. 85 jaar.

Uit: Leo Herberghs Dit. Gedichten. Leiden, Plantage, 2009 i.s.m. Huis Clos, Amsterdam-Rimburg, 2009.

Ter gelegenheid van de 85ste verjaardag van de auteur verscheen de gezamenlijke cassette Dit (gedichten)/Dat (proza). De grafische verzorging van de twee bundels, een co-productie van beide uitgevers, is van vormgever Piet Gerards.






* Vrienden, bekenden, familie, lezers, collega-schrijvers en boekliefhebbers tracteerden de verbouwereerde letterkundige - die wars is van aandacht en eerbetoon - zaterdag jl. op een literair verantwoord feestje.
Een fotoverslag van de verjaarsbijeenkomst met "de dichter van het veronachtzaamde" in de heuvels rond Rimburg (L.) is te zien op: http://rotterdampoetrylakes3.blogspot.com/2009/07/xxxleo-h.html
Zie ook:

De zee leest (2)




een paar dingen noem ik

van mij: struik,
brandnetel, kei

een paar dingen noem
ik met naam: graszode
kikker, wandelmaan

van de rest
weet ik niet



*



dat ik daar ooit
geweest was, dat ik er
weggegaan was, altijd
opnieuw was weggegaan en
er niet was gebleven, mijn voet
niet vastgezet had tussen
wortels, eeuwig en
onbewegelijk


Leo Herberghs


Uit: Leo Herberghs Dit. Gedichten. Leiden, Plantage, 2009 i.s.m. Huis Clos, Amsterdam-Rimburg, 2009.

De zee leest (3)




ik ben geschilderd door een mus, door

een twijg, ik ben gezien door
een struik, maar zo goed als
de wolk ziet niemand mij, behalve
misschien de steen als
hij omhoog kijkt



*



waar wil je gaan zitten
onder de tak van die
overhangende vlierstruik
of wil je liever op het gras
liggen gaan? heb je gezien
hoe groen het gras is en hoe
licht er als op wieltjes
overheen schuift? of zullen
we weg gaan om te zien
hoe aarde en hemel aan ons
voorbij gaan


Leo Herberghs



Uit: Leo Herberghs Dit. Gedichten. Leiden, Plantage, i.s.m. Huis Clos, Amsterdam-Rimburg, 2009

donderdag 23 april 2009

Ik heb de auto's lief



LIJKEN



Als ik een rij auto’s langs de weg zie staan,
denk ik:
daar staan lijken bij elkaar.

Auto’s die niet rijden zijn lijken. Ze hebben geen ziel meer.
Ze zijn reeds berecht en straks zijn het gesloopte dingen.

Maar de meeste wagens worden de volgende dag wakker.
En waar gaan ze heen, wakker zijnde?
Naar hun dagelijkse hemel? Of naar hun dagelijkse hel?

Soms denken auto’s: was ik maar niet geboren, lag ik maar bij de sloper.

Sommige wagens betreuren dat ze al een dagje ouder zijn.
Ze denken aan hun o zo snel voorbijgaande jeugdjaren.

Auto’s in een opslagplaats zijn als het ware al geslachtofferd.
Ze verroeren zich de hele dag niet. Ze zijn oud en eenzaam.

Ik heb de auto’s lief zodra ze snel als een bliksem over de weg rijden,
sneller lopend dan een hert, net zo mooi.

O, hoe graag zou ik bevriend met een auto zijn
en mee gaan tot de einders van de wereld
om daar voor eeuwig met hem vakantie vieren.

Auto’s zijn engelen als ze vol vreugde over de weg vliegen,
terwijl hun vleugels nauwelijks de aarde raken.

Want er zal een tijd komen dat auto’s vleugels hebben en dat ze kunnen vliegen.

Alle auto’s moeten op de duur sterren aan de hemel worden.
Ze moeten met gouden portieren wandelen door de lucht,
ze moeten als muziek in de ruimte klinken.

Maar wat is een auto op deze aarde!
Spoedig gaat hij aan het sukkelen en moet hij van armoede aan de kant van de weg staan.
Hoe snel wordt hij oud!
En dan moet hij in alle bitterheid de ene na de andere fonkelnieuwe auto langs laten gaan.

De auto is een geboren verliezer,
totdat hij tot het rijk van de hemelen zal behoren waar hij
een lichtend spoor door de lucht zal nalaten en
waar hij gekroond en gezalfd zal worden door de Heer van de auto.

Want naar de Heer van de Auto gaan alle wagens.
Bij hem zullen ze voor eeuwig rust vinden na al die moeite en zorg
die ze besteed hebben om de rechte weg te bewandelen.

De goede en brave auto zal niet gesloopt worden.
De door de Heer goedgekeurde auto zal als een kilometerpaal tussen de wolken staan.
En nooit zal hij een schrammetje oplopen.


LEO HERBERGHS


[overpeinzing, april 2009]

zondag 29 maart 2009

Achter mijn oog



ik onderschrijf niks

ik schrijf een naam achter mijn
oog, in mijn mond eet
ik hem op

ik onderschrijf het
gedicht, het enige dat
altijd het mijne
geweest is



© LEO HERBERGHS


[ongepubliceerd]

donderdag 12 maart 2009

Vuur - Boekenweek (slot)



kom niet dichterbij, hier
is diep water, hier
is groot vuur

kom dichterbij
warm is het vuur, blauw
het water

kom dichterbij, hier
is het gedicht, het
ademend gedicht is
hier


LEO HERBERGHS



(ongepubliceerd)

woensdag 11 maart 2009

Gedicht over het gedicht (2 x, Boekenweek)



Ik schuil in mijn kamer in
verborgenheid en prijs
het tafelblad dat mij op zijn
rug verder dragen wil
naar het gedicht.


*

ik kom, fluister ik,
ik kom waar ik ben,
voor altijd ben, tussen
mijn woorden in

dichterbij komen
wil ik niet



LEO HERBERGHS

(ongepubliceerd)