weggerold ben ik, in
zaterdag 17 november 2012
Achter zijn herfst aan
weggerold ben ik, in
zaterdag 21 juli 2012
Ik onderschrijf alles
Nummer 40 uit de oplage
dinsdag 24 januari 2012
Naast mij
Daar komen de paarden aan
staan stil of zij luisteren
terwijl het duister hen nadert
beademen zij met hun adem
hun vleugels van koper
voordat zij weg willen gaan
komen zij naast mij staan
en wenen
© Leo Herberghs
Uit: Leo Herberghs Hij, de langzaamste van allen Utrecht, De Contrabas, 2011
vrijdag 30 december 2011
Daarginds
graaf hier, zegt de een
nee, graaf daarginds, zegt
een ander, graaf totdat je het
hebt gevonden
ik leg mijn spade terzijde
ik graaf niet, ik ga beginnen
mijn tong op te halen
uit diepe grond
© Leo Herberghs
Uit: Leo Herberghs Hij, de langzaamste van allen Utrecht, De Contrabas, 2011.
Kaart van dichter Leo Herberghs bij eindejaarspost: 'Zullen we in het nieuwe jaar wederom door het leven gaan met "h" en zónder "h", en voelen we ons daar dan gelukkig mee?'
Kaartillustratie: Black Venus (1967), manshoog figuur van beeldhouwer-kunstschilder Nikki de Saint Phalle
- afbeeldingen en delen van haar werk zijn te zien in o.a. Basel,
Museum Jean Tinguely
dinsdag 15 november 2011
Uitvindingen
ik schiep een wolk, joeg
wind achterna, vond
regen uit voordat
regen viel
ik lachte voordat iemand
lachen uitvond, zwom
de zee in voordat
ik kieuwen had
schaduw was ik voordat
ik boom was
© Leo Herberghs
Openingsgedicht uit: Leo Herberghs Hij, de langzaamste van allen Utrecht, De Contrabas, 2011
dinsdag 13 september 2011
Kuil
mag ik hier een gat graven
mag ik de grond omspitten
om een kuil te maken
mag ik hier liggen gaan
dat ik voor altijd bij de aarde
zal zijn, mij er eens
herbergen kan gaan
© Leo Herberghs
fragm. uit: Hij, de langzaamste van allen - nieuwe dichtbundel van Leo Herberghs (1924).
Verschijnt op 30 september as. in Utrecht, bij uitgeverij De Contrabas
donderdag 4 augustus 2011
Hoef
PAARD
een dansende sprinkhaan
het paard!
trapt de lucht aan scherven
dat het glas rinkelt!
ratelt voorbij en het zwaard
van zijn adem bliksemt!
en zijn stem galmt!
en zijn hoef graaft
de donder op!
© Leo Herberghs
Uit: Leo Herberghs Portret van een landschap, gedichten 1953-1997 (bloemlezing).
Leiden, de Plantage, 1998
zondag 22 mei 2011
Zonder ogen
LANDSCHAP
Vaak kijk ik uit mijn ogen naar het landschap,
de velden en de paden langs de bossen,
de kleine hoeven en de kleine weiden;
vaak loop ik met mijn voeten door de schemer
en kan het landschap aan mijn oren horen
en voel het rustig liggen in mijn lichaam.
En eenmaal kende ik het als mezelve-
Dat was toen ’s avonds, tussen enkle sterren,
ik zonder ogen in het donker rondging
en plotseling mijn ziel veranderd voelde
in een onwerelds en onmeetlijk landschap
© Leo Herberghs
In: Bert Voeten (samenst.) Erts, een bloemlezing uit de poëzie van heden - public. voor o.a. literatuuronderricht op middelbare scholen. Amsterdam, J. G . Strengholt, 1955
dinsdag 7 december 2010
En nergens ouderdom
Hij straalde de maan terug
en werd een wandelaar van
de nacht die zijn voeten
vastbond aan het struikgewas
o duisternis, langs boomstammen
ruisend, o weilanden achter
bospaden en nergens
ouderdom
*
o welgevalligheid, rijs
blinkend op tussen
hoornen van runderen, zoals
gij eens oprees boven het
hoofd van de eenhoorn
geen dag is verschenen zonder
dat dromen schitterden, die
gaven de goden, de geduchten
*
ontschitterde ster in wind
overwinterde streng
in het koude licht
spreek mij van het
harde gedicht dat gij
als een steen in
mij legt
geef dat het niet smelt
als ik mijn hand
erop leg
© Leo Herberghs
Uit: Leo Herberghs Hij straalde - Korte beentjes 2 - Huis Clos, Amsterdam/Rimburg, 2010*
*Gedicht 1 t/m 3 uit een cyclus van 31 titelloze verzen, waarvan dertien thans verschenen in druk. Bibliofiele uitgave ter gelegenheid van de uitreiking van de (eerste) onderscheiding 'Limburger van verdienste' aan de dichter, op 15 november 2010 op het provinciehuis in Maastricht.
Meester der oude vlakten - deel 1 uit de reeks Korte Beentjes, een keuze uit de niet gebundelde verzen van dichter-wandelaar Leo Herberghs - werd zestien jaar eerder gepubliceerd (1994, Heerlen).
maandag 29 november 2010
Palmen in een ijszee
WINTER
in het blauw gekorven
grist de kraai gouden
spangen weg van zee
bedolven onder winterweer
krimpen letsels van ijs
geworpen speren, het kleed
bespat en de engelenveer
eindeloos uitzicht ruimt
kruiende werelden op
zwarte woestijnen tuimelen
in open hondemuilen
mijn hart ligt op koud ijzer
iemand verplettert het
palmen ver weg ruisen
in noordelijke ijszeeën
mateloos naar het noorden
kijk ik uit, mijn ooggaten
walmen van dor pijnhout
onder broeiende heuvels
slingeren hoge zuilen zich
naar de brokaten hemel
op de ontvolkte spiegels
zitten pestvlekken
koningsogen, de adelaar
heeft het overschouwbare
tot hemel rond gebogen
en draagt hem als buit
weg naar het onbewogene
sneeuwleeuwen en stralende
duiven zijn daar thuis
haren verloren hun kammen
oorhangers weggehangen
doodgeslagen kraaien
klagen de hemel nog aan
daglicht dol van zwaluwen
slaat bomen tot ze naakt zijn,
tot takken de verglaasde
vingers van kou zijn
palen boven het water
rusten op visgraten
winter, geheim zeer
dat glanst in oogkoren,
onder beglaasde haren
resten van stof opspoort
in verkrampte muizenpoten:
schitter en word leeg
ijs slaat in mondholen
uiteen tot blauwe kreten
meubels worden vijandig
de straat slaat met onmacht
het gangpad tussen koffers
is besmeurd met grondwater
dat sijpelt uit de modderen
mond van een aardgolf
doodval, in nabuurschappen
verschijnen engelen al
dwars over vastgespijkerde
dagen gaan de balken
van de lucht schuiven, gekraak
op zolders verjaagt
poppen uit hun laatste
schuilplaats, kelders
tonen hun zwarte gaten
onder de gewelven
sterft het laat sterlicht
de schreeuwende kanarie
tuimelt wild door zijn kooi
de hond, staart tussen de poten,
kruipt achter de schuurpoort.
het gramstorige landschap
toont zijn gekorst voorhoofd
daarboven vogels. vlogen
donsveren vol vlieglood?
wasvrouwen hebben hun sieraden
gelegd op het water en weldra
wappert was aan de draden
boven het wintergras. een eekhoorn
klimt uit een boom, schaduwen
krijgen een warme naam
zo was het nooit: dromen
zijn het, nooit was dit waar
© Leo Herberghs
Gedicht verschenen in de winter van 2010/2011,
bibliofiel uitgegeven door Azul Press, Maastricht, november 2010.
zaterdag 5 september 2009
Aardappelen van schaamte
DE AFDALING VAN DE REGEN
ik ben water van regen
ik ben water
ik ben regen
door een gat in mijn hoofd
sijpelt regen
ik ben de verwaterde
regen, val scheef
door het licht, door het gericht
van mijn ogen. hang regenvanen
uit mijn toren
veel ogen heeft de regen
veel oren heeft de regen
de regen hoort alwie
luistert naar regen
zittend onder de poort
van de regen
ik ben dronken van goden
ik ben dronken van regen
spreek tot mij schemering, spreek
naderen hoor ik je
achter de wegkromming nabij
het tuinhuis, opspringend in
mijn gehoorbuis
wees aandachtig in hout
dring door tot de houtworm
trommelregen, oude woudregen
regen die komt na het leven, regen
van vóór de geboorte
oor, hoor
de doodsregen
naaldfijne hakken van regen
stadsregen, straatstenenregen
zedepreker regen die steden
tegenspreekt
regen die zegt
nee
regen, op je harp spelend
boven zee, boven pijnboom-meren
boven bontgerokt vee
ijzeren regen, spoorstaven
regen, vertrekkende regen, aankomende regen
die signalen onkenbaar maakt, stationsklokken opjaagt
overkappingen weergalmen laat
maak, regen, geluk
tot een zitplaats aan het raam
maak ogen onuitputtelijk
zing lof onophoudelijk
spring over sprinkhanen
haal hazen in, laat vogels
rondedansen maken
kraai mee met morgenhanen
ontmaak mij, sla mij
genadig, sla mij met je naam
maak mij tot je renpaard
ga met mij, nachtraaf
wees aandachtig in hout
dring door tot de houtworm
in putten waaiende
druppelregen, hinkende regen,
regen die kantwerk maakt
van zwaluwen
geef mij schuinte van sleepsterren
geeft mij schuine getallen, geef mij
spiegelende karresporen, snikkende
slikregens van dennen
maak mij kraai, maak mij
uitzinnig, maak mij glinsterend
van blijdschap, laat mij zitten
onder hazelaren waar ik
tussen varens mij
inspin
maak mij dorpser dan dorsvloeren, maak mij
stichtelijker dan kerkportalen, maak mij
krommer dan kromhorens, geef mij
kwader gesternte
verschoppeling regen, maak mij
zwerfregen, maak mij zwerfsteen
lange akker, kronkelig
lopende steenweg waar overheen
eenhoorns snellen
dakloze regen
regen met bittere armen, met gebogen
knieholte, maak mij
een verweesde
geef mij jouw voetzool
dat ik dool tussen
kikvors en eendekroos
regen, je vioolsnaren
zijn van zilver, je garen
wind je af van
oude klossen
je speelsnaar is
van korstmossen
muisgrijze regen, liever dan
over appels en rozen loop je
over kevers
sta je langer stil
bij distels, val je dieper
in sneeuw
wees aandachtig in hout
dring door tot de houtworm
ga struikgewas binnen, hang
er druppels, ga bukkend
onder lijsterbessen
de schemering binnen, langs slingerende
paden, gele lissen waar mossen
de enkels vinden
van vlinders
prevelaar in de waterput met
ijzersmaak in je praatmond: hoor je
het plonzen van de roerdomp, de gelukkig
slurpende oerbron
haak regenhaken
in mij, vang mij,
spartelende vis, berg mij
in je groot visnet
bind rond mijn lichaam je wikkels
wikkel in pijn mij in
maak mij tot een waaiende
reiger, die de ruimte van de hemel
met zijn vleugels vult
zit aan mijn tafel:
brood van tranen, aardappelen
van schaamte, schaduw
van vlees
wees aandachtig in hout
dring door tot de houtworm
nederige regen, glinster
minder dan
bliksem
grasregen, glansregen
maak van de wereld as, maak
er misgewas van
bittere boze regen, stamp
op het asfalt
van de stad die jou niet
overleven zal
maak donker het zilver, dring ijzer binnen
maak blinder het bestek, jij
ooglichtbezerende
regen, engel die de lippen
losser maakt, vleugels van
zwaluwen lichter
laat mij springen
als een vis boven het water, maak mij
kleiner en
verbaasder
tik tegen het glas
van de maan, laat het tikken
in de straat mij
slapen en waken en slapen
wees aandachtig in hout
dring door tot de houtworm
open de kamers van rouw
ga er binnen, haal de oogst
van het rijke verdriet
eindelijk binnen
sluip in het oog
van de dagpauw
sla feller tegen
de windvaan, koppel de bergen los
van hun hengsels en stort
hen in zee
klop de geest
uit het donker los, klop
het donker los uit het nachtbos, gorgel
in de mond van de bronnen
kir als een nachtegaal
in waterklokken
stotter in keelholten, bloos
in het bleekste
regen
maak mij een vlot
maak mij zee
ga met de wandelaar, laat hem
jouw dwars pad gaan, veldwegen vol
zoete dwalingen
laat hem op toppen
van windvlagen winters
en alleen staan
kroon hem, beroof hem
van slijm en leem
zwijgregen in
nazomerdagen als oogharen
trillen gaan, poorten zich openen
naar het najaar
augustusregen, alle dagen
een andere hooinaam
nader trappelend
met de hoef van het paard
de boomgaard, sla de zwaarden
uit zijn hand, maak zijn zwaarte
ontoelaatbaar
laat uit verre schuren
het muizegraan rollen
in mestwater
woed tegen
smeedijzeren hekken, stambomen
en stamnamen. maak scheuren
in grafkapellen, roestplekken
in familiewapens
wees aandachtig in hout
dring door tot de houtworm
maak mijn ogen open, maak
mijn knieën
buigzamer, mijn haren losser
mijn rug bevlogener
regen op mij
je nee
tranen druppelen langs de snaren
van je viool, gekrulde regen, vismonden
regen, pianospeler
op zee
sla tegen het ijzer
van de hemel, beitel in steen
mijn gezicht tot welfsel
van been
plunder feestzalen, sla kerktorens
tot puin, maak kathedralen
tot geraamtes, ontbloot
de kaken van
nachtbrakers
wees aandachtig in hout
dring door tot de houtworm
lenteregen, welke kleur heeft
lenteregen, rozeblaadjeskleur?
smalle heupen, smallere
ogen, o langzaam dalende ogenregen, jij
uitnodigende bruiloftsregen, schuifelend
over rozen
landregen, zoete hooiregen, jij die je
leegschudt op dorpshoven
gelukkige
paarse aprilregen, oorbellenregen
in gras gelegen vlinderregen
die vleugels hangt in de boom, ze weer loshaakt,
ze prijs geeft
herfstregen die wegwist, die de kleur wegwist, die
de verte wegwist, weg wist wat op de wereld
ooit vol schroom is verschenen
wis, regen, de wereld weg
op een doodgewone herfstige
achternamiddag, maak
een aarde zonder
verten
wis de dansers weg
leg mij, een ledige
terug in het ledige
maak schuilhoeken voor
lachers, maak nissen
waar zich hun lachen
kan verpozen
laat de eenzaamste bomen
door de wind zijn verlaten, ga slapen
nabij nesten van
regenvogels
waai vanachter bosschages
naar mij toe waar ik wacht op de schuinste
pessoaanse regenval
wees aandachtig in hout
dring door tot de houtworm
leg je leeslint tussen
de druppels, dat ik
blad na blad
lezen kan van
je gemis
geef mij
je leeslamp die ruist
van jouw ruisen dat ik
nog even kan voortbestaan
laat de wereld bestaan
uit lettertekens, laat ze bestaan
uit doornstruiken
uit dovenetel
laat, regen, mij aan je vasthouden
dat ik niet te laat kom
troostregen, regen van erfgrond, van dodemansgronden,
van stichtelijke wortels, van ongebruikte
oogbollen, holteregen, waterwolfregen
daal eindelijk af, murmel
in mijn broekzak, slaap in de luier
van slaap
wees aandachtig in hout
dring door tot de houtworm
daal in erfgoden, kraai boven
de haan, boven de bokkesprong, ga binnen
in spinrokken, waai
door het oog van het paard
ga naar braakland, zet
honderd regenstoelen klaar
voor nazaten
wees aandachtig in hout
dring door tot de houtworm
verschijn in klaslokalen
kras namen in lessenaars
zeg dat regen woorden heeft
voor klaproos en ratelaar,
dat regen zingt op
het asfalt als
honderd katers
wees aandachtig in hout
dring door tot de houtworm
graas, regen, het gras weg
graas het schaap weg, graas de tong weg
van het schaap, waai achter de sneeuw aan
van verleden jaar, waai tegen
sneeuwpaarden aan
waai mijn naam weg waar
ik lig op mijn slaapsteen
alleen alleen alleen
wees aandachtig in hout
dring door tot mijn houtworm
© LEO HERBERGHS, 17 augustus 1999
Het episch vers DE AFDALING VAN DE REGEN verscheen, als aparte ingenaaide bijlage (16 p. in druk), bij de dichtbundel Daarmee Wordt Gezwegen van Leo Herberghs.
De uitgave werd gepubliceerd ter gelegenheid van de eerste Dag van het Gedicht, later de jaarlijkse Gedichtendag in Nederland en Vlaanderen. (Rotterdam, Bèta Imaginations, januari 2000)
vrijdag 28 augustus 2009
Vol van vallen
HERFST IN MECHELEN
Een
Er is geen ruimte tussen
De bomen of zij is vol
Van vallen. Er ligt
Een oude zon te rusten die
Haar zweet verloren heeft
Aan schuren van zomer
En zwaarden steken uit
De scheden van het gras. Het
Is alles sterfelijk hier met
Doodsnik van heuvels die
Klagen tegen oudere
Heuvels aan
Het is hier garen spinnen
Voor het blad dat holten
Opvult tot aan de rand, dat
Binnendringt in het
Benedenste verblijf
Waar weggewaaide winden
Voor altijd rusten
Twee
Hier is het lopen moe
Voor er een voetstap is
Gezet. Open, wind, nu
Een nieuwe horizon waarachter
Geen licht wegkwijnt. Geef,
Paden, de openheid die
Wij behoeven om een
Mogelijk ander pad te gaan
Dat nergens heenleidt en
Naar niemand toe
Drie
Er is geen hymne, klinkend
Zoals een zwaardvis zingt
Die een zee heeft om
Te doorklieven. Hier is
Alles geboren om een sterfelijk
Licht te laten schijnen over
Boomtoppen. Maar
De boom is een wegkwijnende
God aan wiens voeten alleen
Runderen nog knielen. Laat mij
Verdwalen tussen de laagte
Van struiken, dat ik het
Kleinste licht ontmoet dat
Hier beneden schuilen wil
Vier
Aarzel nu niet langer, licht,
En neem het dal in je bezit en
Laat mijn hoogte ongemoeid.
En draal niet langer meer om
Mij te voeden met een beter
Licht dan dat van sterren.
Breek dit landschap open dat
Ik binnen treden kan in een
Beboomde holte waar ik
Wonen kan in het stille
En ondoorgrondelijke
Vijf
Een schouder geeft mij gindse
Heuvel en dapper gaan wij
Omhoog, tot waar geen
Grint meer knispert, geen
Wind meer waait vanuit de diepte
En vrij als vogels gaan we weg
Uit laagten en komen aan
Waar geen zon ons hinderen kan
De ruimte in te stappen van
Het wolkverblijf en waar wolken
Ons meenemen om te verglijden
In het onnoembare en
Onvergankelijke
Zes
Het pad is zwart waarover
Ik loop, de berm gekneusd, de
Struiken gekwetst door het
Te vele licht. Ik ga de akker
Over naar een ander pad dat
Mij insluit en dat mij zwarter
Maakt dan een zwart paard dat
Volbracht heeft wat het
Ooit te volbrengen vermocht
Zeven
Geen tranen meer maar dieper
De nacht in waar het onzichtbare
Zich vertoont, en daar,
Waar leven slaap is, zwart
Te worden als een zwarte ster
Die op een zwarte akker
Verkoold in eigen as ligt
Acht
Een suite maar niet om
Te dansen en niet om te zingen
Maar om een zorgeloze oude
Herfst te begeleiden en
Met hem peinzend de ogen
Op te slaan en daarna de aarde te
Bekransen met bladeren van
Voorbije jaren en om gestrekt
Op bladeren te vergaan
En te weten: blad ben ik
Geweest en nerven had ik
Gevuld met sterfelijke
Onsterfelijkheid
Negen
Maar ik ben rijk aan
Korenaren en de tijd
Bezong mijn jaren en, levend,
Bleef ik bij stilte tot ik
Mij volgezogen had met
Het onhoorbare dat ik
Te befluisteren probeerde.
Ongehoord waren mijn dagen
Als ik nader kwam bij het
Bijna spreekbare ademhalen
Van stenen
Tien
Tot ik verdween was ik
Een niet-sprekende maar
Mij was het zicht vergund op
Ondoorgrondelijke bomen
Die ik laafde en spijzigde
Met mijn gebeden. En ik
Riep de wolk aan en de wolk
Hoorde mijn stem en daalde
Mijn koninkrijk binnen en
Bleef rusten daar
LEO HERBERGHS
Herfst in Mechelen verschijnt - verfilmd - in oktober 2009 op DVD.
De 85-jarige dichter en zijn echtgenote Cis tijdens een boekenmarkt
bij een stand met affiche van de nieuwe poëzie-uitgave
- foto Jo Linssen - met dank aan Hennie Jetzes en Stichting LTRTR
zondag 9 augustus 2009
Ik zag ze niet
LEO HERBERGHS ACHTERNA
zes koeien zag hij
ik keek mee
ik zag er drie
de sloot
ging aan mij voorbij
ik zag ze niet
* * *
verbrande veren
verschroeiend hooi
om nog te zwijgen
van hetgeen
de keel dichtsnoert
die van hem
ook die van mij
* * *
wind
hemel
wolk
niets dan
lucht
groot
geschreven
* * *
één regel werd nooit
nagesproken
hij ligt waar hij lag
op zijn rug
tussen twee
waar tussen
Iris Van de Casteele
Asunción, 08.08.2009
maandag 20 juli 2009
De zee leest (1)
we konden niet lezen
van geluk, achter elk woord
was er eeuwigheid
eerder dan anders kwam
de maan, scheen op
de pagina
we lazen ernaast
*
zo verschrikkelijk naakt
is het paard dat mij
nadert
naast de schemering staande
roept het god, dood en
duivel aan
het hinnikt mijn naam
*
één dichtregel heeft de
wereld overleefd
de wind heeft hem in
de lucht geschreven
de wolk heeft hem op
de akker geregend
gespiegeld staat hij in
water, de zee
leest hem
op de tong is hij
van die hem
naspreken
© Leo Herberghs
De stilste dichter van Nederland, Leo Herberghs (1924), wordt morgen 21 juli as. 85 jaar.
Uit: Leo Herberghs Dit. Gedichten. Leiden, Plantage, 2009 i.s.m. Huis Clos, Amsterdam-Rimburg, 2009.
Ter gelegenheid van de 85ste verjaardag van de auteur verscheen de gezamenlijke cassette Dit (gedichten)/Dat (proza). De grafische verzorging van de twee bundels, een co-productie van beide uitgevers, is van vormgever Piet Gerards.
* Vrienden, bekenden, familie, lezers, collega-schrijvers en boekliefhebbers tracteerden de verbouwereerde letterkundige - die wars is van aandacht en eerbetoon - zaterdag jl. op een literair verantwoord feestje.
De zee leest (2)
een paar dingen noem ik
van mij: struik,
brandnetel, kei
een paar dingen noem
ik met naam: graszode
kikker, wandelmaan
van de rest
weet ik niet
*
dat ik daar ooit
geweest was, dat ik er
weggegaan was, altijd
opnieuw was weggegaan en
er niet was gebleven, mijn voet
niet vastgezet had tussen
wortels, eeuwig en
onbewegelijk
Leo Herberghs
Uit: Leo Herberghs Dit. Gedichten. Leiden, Plantage, 2009 i.s.m. Huis Clos, Amsterdam-Rimburg, 2009.
De zee leest (3)
ik ben geschilderd door een mus, door
een twijg, ik ben gezien door
een struik, maar zo goed als
de wolk ziet niemand mij, behalve
misschien de steen als
hij omhoog kijkt
*
waar wil je gaan zitten
onder de tak van die
overhangende vlierstruik
of wil je liever op het gras
liggen gaan? heb je gezien
hoe groen het gras is en hoe
licht er als op wieltjes
overheen schuift? of zullen
we weg gaan om te zien
hoe aarde en hemel aan ons
voorbij gaan
Leo Herberghs
Uit: Leo Herberghs Dit. Gedichten. Leiden, Plantage, i.s.m. Huis Clos, Amsterdam-Rimburg, 2009
donderdag 23 april 2009
Ik heb de auto's lief
LIJKEN
Als ik een rij auto’s langs de weg zie staan,
denk ik:
daar staan lijken bij elkaar.
Auto’s die niet rijden zijn lijken. Ze hebben geen ziel meer.
Ze zijn reeds berecht en straks zijn het gesloopte dingen.
Maar de meeste wagens worden de volgende dag wakker.
En waar gaan ze heen, wakker zijnde?
Naar hun dagelijkse hemel? Of naar hun dagelijkse hel?
Soms denken auto’s: was ik maar niet geboren, lag ik maar bij de sloper.
Sommige wagens betreuren dat ze al een dagje ouder zijn.
Ze denken aan hun o zo snel voorbijgaande jeugdjaren.
Auto’s in een opslagplaats zijn als het ware al geslachtofferd.
Ze verroeren zich de hele dag niet. Ze zijn oud en eenzaam.
Ik heb de auto’s lief zodra ze snel als een bliksem over de weg rijden,
sneller lopend dan een hert, net zo mooi.
O, hoe graag zou ik bevriend met een auto zijn
en mee gaan tot de einders van de wereld
om daar voor eeuwig met hem vakantie vieren.
Auto’s zijn engelen als ze vol vreugde over de weg vliegen,
terwijl hun vleugels nauwelijks de aarde raken.
Want er zal een tijd komen dat auto’s vleugels hebben en dat ze kunnen vliegen.
Alle auto’s moeten op de duur sterren aan de hemel worden.
Ze moeten met gouden portieren wandelen door de lucht,
ze moeten als muziek in de ruimte klinken.
Maar wat is een auto op deze aarde!
Spoedig gaat hij aan het sukkelen en moet hij van armoede aan de kant van de weg staan.
Hoe snel wordt hij oud!
En dan moet hij in alle bitterheid de ene na de andere fonkelnieuwe auto langs laten gaan.
De auto is een geboren verliezer,
totdat hij tot het rijk van de hemelen zal behoren waar hij
een lichtend spoor door de lucht zal nalaten en
waar hij gekroond en gezalfd zal worden door de Heer van de auto.
Want naar de Heer van de Auto gaan alle wagens.
Bij hem zullen ze voor eeuwig rust vinden na al die moeite en zorg
die ze besteed hebben om de rechte weg te bewandelen.
De goede en brave auto zal niet gesloopt worden.
De door de Heer goedgekeurde auto zal als een kilometerpaal tussen de wolken staan.
En nooit zal hij een schrammetje oplopen.
LEO HERBERGHS
[overpeinzing, april 2009]
zondag 29 maart 2009
Achter mijn oog
ik onderschrijf niks
ik schrijf een naam achter mijn
oog, in mijn mond eet
ik hem op
ik onderschrijf het
gedicht, het enige dat
altijd het mijne
geweest is
© LEO HERBERGHS
[ongepubliceerd]
donderdag 12 maart 2009
Vuur - Boekenweek (slot)
kom niet dichterbij, hier
is diep water, hier
is groot vuur
kom dichterbij
warm is het vuur, blauw
het water
kom dichterbij, hier
is het gedicht, het
ademend gedicht is
hier
LEO HERBERGHS
(ongepubliceerd)
woensdag 11 maart 2009
Gedicht over het gedicht (2 x, Boekenweek)
Ik schuil in mijn kamer in
verborgenheid en prijs
het tafelblad dat mij op zijn
rug verder dragen wil
naar het gedicht.
*
ik kom, fluister ik,
ik kom waar ik ben,
voor altijd ben, tussen
mijn woorden in
dichterbij komen
wil ik niet
LEO HERBERGHS
(ongepubliceerd)