zondag 27 november 2011
Boodschapper
VOORTDUREND WACHTEN
We wachtten maand na maand. Altijd stond er iemand
op de uitkijk. Niets. Geen boodschapper verscheen.
Het pad lag vol stenen en doornen.
Oktober, november, december. En de lange tafel
Vergeten onder de bomen. Ten slotte
kwam de opziener, zette de twaalf glazen
op de tafel. Eén ervan viel op de grond;
het lag aan scherven. Zodat ons niets overbleef
dan te wachten, opnieuw, van bij het begin.
© Yánnis Rítsos
- uit het Grieks vertaald door Ben Cami -
In: De mooiste van de hele wereld - de moderne wereldpoëzie in 333 gedichten,
samenst. Koen Stassijns en Ivo van Strijtem. Tielt (B.) / Amsterdam, Lannoo/Atlas, 2010
zondag 4 juli 2010
Aan een punaise
DAGELIJKSE VOORVALLEN
Ze zei hem: «Neem de sleutel mee - en als je
thuiskomt, eender wanneer,
doe open en kom binnen. Je vindt me hier.» Vele jaren
gingen voorbij. Toen hij opendeed:
het eerste dat hij aankeek, in de spiegel aan de kleerkast,
daar, vlak voor de voordeur,
was hij zélf, merkbaar verouderd, met z'n grauwe plunjezak.
Zo dus ook hier
alleen híj zelf aan het wachten op zichzelf? Daarnaast,
aan de muur,
met een punaise vastgeprikt, een blaadje: «Wacht op mij.
Ben voor een tijdje in de tuin.»
Hij nam z'n pet,
stak het briefje in z'n zak
en ging weer weg.
De duimspijker bleef achter aan de wand, hij glinsterde
als een insect,
versloten in zijn eigen leven, op een gouden,
warme middag.
Yánnis Rítsos
- vertaling: Guido Demoen -
Uit: Yánnis Rítsos Romiosýni en andere gedichten, moderne Griekse poëzie.
Kortrijk (B.)/Ithaca-Altea (Sp.), Point Editions Int. nr. 69, tweetalige uitgave Grieks-Nederlands, 2005
dinsdag 20 april 2010
Blootsvoets
Ze gingen zitten onder de olijfbomen in de namiddag
ze zeefden het grauwe licht
tussen hun dikke vingers
ze zetten hun kogeltas neer en overdachten
hoeveel smart er gekleefd zat
op het pad van de nacht
hoeveel verdriet in de knop van de witte malve
hoeveel dapperheid in de ogen van
het blootsvoetse kind dat de vlag draagt.
Yánnis Rítsos
- vertaald uit het Grieks door Guido Demoen -
Uit: Yánnis Rítsos Romiosýni en andere gedichten.
Kortrijk (B.)/Ithaca-Altea (Sp.), Point Editions Int. nr. 69, tweetalige uitgave Grieks-Nederlands, 2005
vrijdag 26 maart 2010
Lakens
VOORAVONDLIED
De kippen pikten nog op straat. De oude
kapiteinsvrouw
zat op de drempel met haar kleinste kleinkind
geborgen tussen haar knieën.
Een jongen sleurde met een mand. De huizen
slordig naast elkaar bij avondval; hun
oude koffers,
ijzeren bedden, tafels, prenten. Een
grammofoon
kraste vermoeid uit een gesloten kamer. En lakens
ontvouwden met vierkant omhaal hun klein verhaal.
De zee was niet te horen.
Een grote, ongeziene hand verhief de stoelen
twee handbreed boven de aarde. Hoe zou de mens
kunnen leven
zonder poëzie?
Yánnis Rítsos
Uit: Yánnis Rítsos Romiosýni en andere gedichten.
Kortrijk (B.)/Ithaca-Altea (Sp.), Point Editions Int. nr. 69,tweetalige uitgave Grieks-Nederlands, 2005
- vertaling: Guido Demoen -
dinsdag 30 juni 2009
Met vlaggen
DEZE BOMEN VOELEN ZICH NIET GOED
Deze bomen voelen zich niet goed met minder hemel,
deze stenen voelen zich niet goed onder de vreemde voetstappen,
deze gezichten voelen zich alleen maar goed in de zon,
deze harten voelen zich alleen maar goed in de gerechtigheid.
Dit landschap is hard als het zwijgen,
het drukt zijn zwartgebrande stenen tegen zijn hart,
drukt naar het licht zijn verweesde olijven en zijn wijnranken,
drukt zijn tanden opeen. Er is geen water. Alleen licht.
De weg loopt verloren in het licht en de schaduw van de omheining is ijzer.
Versteend zijn de bomen, de stromen en de stemmen
in het kalkwit van de zon.
De wortel stoot op het marmer. De bestofte struiken.
De muilezel en de rots. Ze hijgen. Er is geen water.
Allen hebben dorst. Jaren reeds.
Allen kauwen een mondvol hemel bovenop hun bitterheid.
Hun ogen zijn rood van slapeloosheid,
een diepe lijn staat gegrift tussen hun wenkbrauwen
zoals een cipres tussen twee bergen bij zonsondergang.
Hun hand zit gekleefd aan hun geweer
hun geweer is het verlengstuk van hun hand
hun hand is het verlengde van hun ziel -
op hun lippen trilt hun woede
en ze dragen hun verdriet zeer diep in hun ogen
als een ster in een kuiltje vol zeezout.
Als ze hun vuisten ballen, is de zon er zeker voor de wereld
als ze glimlachen, vliegt er een kleine zwaluw
uit hun wilde baard als ze slapen, vallen er twaalf sterren
uit hun lege zakken als ze sneuvelen, trekt het leven
de helling op met vlaggen en tamboeren.
Yánnis Rítsos
- uit het Grieks vertaald door Guido Demoen -
In: Yannis Ritsos Romiosýni en 18 kleine liederen van het bitter vaderland,
Kortrijk (B.), Point nr. 38, tweetalige uitgave Grieks-Nederlands, 2000.
Yánnis Rítsos (1909-1990), een geëngageerd Nieuwgrieks dichter, debuteerde in 1934 met de bundel Traktoren en werd in datzelfde jaar lid van de communistische beweging. Deze keuze leidde tot ernstige sociale en politieke conflicten en verzet, onder andere met het rechtse Metaxás-regime en later onder de Kolonelsdictatuur (1967–1974). Rítsos zat een gevangenisstraf uit op het beruchte eiland Jaros, maar kwam vrij in 1972 onder druk van de gemobiliseerde wereldopinie.
Veel van zijn werk werd vertaald, maar in West-Europa raakte het vooral bekend door de muziek van componist Mikis Theodorákis, lange tijd eveneens een ondergrondse politieke balling.
woensdag 7 januari 2009
Duizend duiven, iedere morgen
DE KOGELS ZIJN OP
Zoveel jaren hebben ze allen honger, hebben ze
allen dorst, sneuvelen ze allemaal
belegerd vanuit vasteland en zee,
de hitte vrat aan hun velden
en het zilt drenkte hun huizen
de wind rukte hun deuren uit en
de schaarse paaslelies op het plein.
Door de gaten in hun overjas
komt en gaat de dood
hun tong is bitter als de pijnappel
hun honden zijn gestorven opgerold in hun schaduw
de regen geselt hun gebeente.
Bovenop hun uitkijkpost versteend
roken ze de mest en de nacht
starend naar de razende zee waar die de gebroken
mast van de maan heeft opgeslokt.
Het brood is op, de kogels zijn op,
nu laden ze hun geweren
alleen nog met hun hart.
Zoveel jaren belegerd vanuit vasteland en zee
hebben ze allen honger, sneuvelen ze allemaal
maar er is niemand dood -
bovenop hun uitkijkpost schitteren hun ogen,
een grote vlag, een groot en dieprood vuur
en iedere morgen vliegen duizend duiven
uit hun handen naar de vier deuren
van de horizon.