donderdag 22 september 2011
Licht
JONGE HONDJES
Een halve maand achtereen heeft het geregend,
sinds de geboorte kenden jullie alleen
somberte, nattigheid,
tot op een dag plotseling de regenwolken
uiteendreven en de zon de hele muur bescheen.
Ik zag dat jullie moeder met haar bek
jullie naar het zonlicht droeg, zodat jullie
voor het eerst licht en warmte
ontvingen over het hele lichaam.
Na zonsondergang droeg zij jullie
weer terug. Jullie hebben geen herinnering,
maar deze ene ervaring zal overgaan
in toekomstig geblaf, diep in de nacht
zal in jullie blaffen licht doorklinken.
© Feng Zhi (1905-1993)
In: Als een windvaan - uit het Chinees vertaald door T.I.Ong-Oey - Amsterdam, Querido, 1987
Vloeistof
HANDEN
Wanneer ik aan mijn vader denk, denk ik nooit aan zijn handen.
Zou ik ze herkennen als ze in een glazen pot op sterk water
voor me op tafel werden gezet?
De handen waarmee hij me voor het eerst vasthield
als iets wat op ontploffen stond, zijn honden begroef
de ketting op het tandwiel legde, onkruid trok.
Het zouden de handen van een moordenaar kunnen zijn
die gescheiden van het brein en met niets meer te wurgen
onschuldig in de vloeistof zweven.
Heeft hij wel iets gedaan om zijn handen onsterfelijk te maken?
Ik probeer me de vingers van mijn vader te herinneren
en ook de littekens want een man heeft littekens op zijn handen.
Ik weet niet eens of hij een ring draagt, wie weet
zitten er wratten op plekken die bij een handdruk onopgemerkt blijven.
© Maarten Moll
Uit: Maarten Moll Lichaam, Amsterdam/Antwerpen, Uitgeverij Contact, 2011
Raam
DUIF
Een duif -
Plotseling applaus in het raam.
© Melih Cevdet Anday (1915-2002)
Uit: Ik luister naar Istanbul - uit het Turks vertaald door Erik Jan Zürcher - Poetry International Serie, Rotterdam/Amsterdam, Meulenhoff, 1988
woensdag 21 september 2011
Geheugen
SMEEKSCHRIFT
Behoedzaam verschalken wij
het geheugen, voorzichtig
stappen we over haar stilte
(het zoemen van koeling,
het ontbreken van adem,
ja, adem, haar adem, ja)
- geschenk: haar kelige lach
gevormd door weldoorbloede
huig en gonzende kaalholtes.
Aandachtig naderen wij haar
in de rug, kordaat gedachten,
wegduwend aan haar kilte;
Kom, geheugen, doe maar voor
hoe het was toen wij onze hand
op haar arm legden, hoe
onder de koelte van haar huid
de slagaders juichten. Ontsteek
een koorts in haar, voor ons -
Het geheugen niet overvragen.
Blijf op afstand. Laat de blik bijten
in de bolling van haar bovenarm.
Bidden wij dan het geheugen
bij ons te blijven. Het is wat wij
hebben. Zonder haar zijn wij niet.
© Anna Enquist
in: Het Liegend Konijn 1/1, april 2003
Zonder hart
VIJFDE LIED
Zij loerden op mij
op stille plekken en in steegjes.
Ze noemden mij een moordenaar,
juist die mensen zonder hart
en die met messen lopen.
- Mikis Theodorakis
Onbekende tekst van componist, democratievoorvechter en ook nog even politicus M. Theodorakis (1925) in: Zo'n gelukkige dag - Dichters voor Amnesty International [samenst. Daan Bronkhorst], Breda, De Geus, 2007
Aan tafel!
Papieren poëzietafellaken met verzen van acht - wisselende - dichters,
uit de reeks Poëten Aan Tafel, een uitgave van de stichting Plint, Eindhoven.
Ook verkrijgbaar met bedrukte servetten, met gedichten van diverse auteurs.
Ondergronds
KLIMMENDE WINDE
Om hem te redden van zijn dodelijke
ziekte was ik gedwongen hem
tot niets terug te brengen.
Een overdaad aan ondergronds bestaan
woekert nog steeds omhoog
en vindt geen weg dan een
die afgesneden is.
© Elly de Waard
Uit: Elly de Waard Anderling, Amsterdam, De Harmonie, 1978
In water geschreven
HET MEER IN MIJ
Het meer in mij vloeit uit in een ander meer,
beneden voort. Het is niet vergelijkbaar groot.
Het is een woord, waarvan de diepte anders is.
Je kunt erin verdrinken, maar je gaat niet dood.
Zijn oorsprongen verwisselbaar? Alles stroomt
ook naar boven, want wateren zijn van hun bron
al evenzeer de bron. Begin dat nooit begon.
Eeuwig is er een rivier, niets blijvends, tussenin.
Mijn meer is niet beneden. Beneden reflecteert
de zon, de schittering van het verleden. Je naam,
in water opgeschreven, vervalt nog niet daarom.
© Benno Barnard
Titelgedicht uit: Benno Barnard Het meer in mij, Amsterdam, Arbeiderspers, 1986
dinsdag 20 september 2011
Streepjespak
SCHATBEWAARDER
Van dit landschap ben ik de krenterige
schatbewaarder die met haviksogen alle
bomen telt en de konijnen, hazen en
fazanten raad aan hun geritsel.
Met koude blik weeg ik de schaarse
wandelaars, want iemands stap verraadt
zijn plannen. Een streepsjespak, een hand
die schrijft, alles maakt me achterdochtig.
Ik noteer het kleinste teken van
verandering: wat omgewoelde aarde,
een gemerkte boom, een breder spoor.
Iemand beraamt met zorg de ondergang.
© Marc Tritsmans
Uit: Marc Tritsmans De wetten van de zwaartekracht, Tielt (B.), Lannoo, 1992
Zachte toetsen
INKTALLERGIE
zachte nagels, de allerzachtste nagels
zachte tanden, de allerzachtste tanden
ik ben een mens maar dat zijn er wel
meer en het zijn er te veel
ik heb nauwelijks recht van spreken
verwacht niet mijn teksten met een beitel
in de muur ik heb een ergonomisch toetsenbord
anti-RSI de allerzachtste geruisloze toetsen
ik heb een inktallergie en een laserprinter
© Bas Belleman
Uit: Bas Belleman Nu nog volop ventilatoren [red. Gerrit Komrij, Sandwich-reeks nr. 3]
Amsterdam, Uitgeverij 521, 2003
Schoolslag
FOETUS
De foetus leeft en hoort
hij zwemt in een glazen bol
warm en veilig, onrustig toch
hij ziet in het donker en
speelt vis, denkt vis, eet kaas.
Waar al die chocola en augurken
vandaan komen weet hij niet
en zuigt een dropje klein.
Dan wil hij schoolslag oefenen
en wordt het plotseling licht.
© Mark Blaisse
Uit: Mark Blaisse Gestapeld steen, gedichten - Amsterdam, Panarea Publishing, 2010
Linies
IK KEN JE LAND
Hier lig ik weer,
aan de rand van mezelf, dicht
en dringend tegen je aan.
Ik ken je bressen als mijn broekzak, ik weet
waar je linies liggen en waar ze lekken,
ik weet wanneer je bodem brandt en hoe
en waarom, ik ken het knielen, het breken,
het scheuren, de scherven, de schoonheid zelfs
van het er samen sterven, als oude vijanden,
hand in hand.
Ik ken je land, liefste, ik heb het zo vaak
ten voeten uit veroverd. En toch,
toch lig ik hier weer heen en weer
aan de rand van mezelf, dicht
en dringend tegen je aan.
© Stijn Vranken
Uit: Stijn Vranken Wees gerust, maar niet hier De Bezige Bij Antwerpen-
WPG Uitgevers België, 2011
maandag 19 september 2011
Witte kraag
TWAALF LIEDJES (9)
[Twelve songs, IX]
Stop alle klokken, maak de telefoon kapot,
Belet de hond te blaffen met een lekker bot,
Leg de piano's het zwijgen op en breng met stille trom
De kist naar buiten, dat de rouwstoet komt.
Laat vliegtuigen cirkelen kermend boven ons hoofd
En in de lucht de boodschap kerven Hij is dood,
Knoop elke stadsduif crêpe strikken om de witte kraag,
Dat de verkeerspolitie zwartkatoenen handschoenen draagt.
Hij was mijn noord, mijn zuid, mijn oost en west,
Mijn werkweek en mijn zondagsrust,
Mijn dag, mijn nacht, mijn woord, mijn lied;
Ik dacht dat liefde eeuwig was: zo is het niet.
De sterren zijn niet welkom nu: doof ze terstond,
Omwikkel de maan en ontmantel de zon,
Giet ocenanen leeg en veeg de bossen schoon,
Want er is niets meer nu waar ooit nog iets van komt.
© W.H. Auden
Wystan Hugh Auden (USA, 1907-1973) in: De mooiste van de hele wereld, bloemlezing - uit het Engels vertaald door Koen Stassijns - Tielt (B.)-Amsterdam, Lannoo/Atlas, 1996
Misschien Libië
OVERGAVE
Het was de hoeveelste dag de komst
van de legers die zich gehavend verscholen.
Eerst de bepakking en dan de overgave.
De stand der dingen,
de handeling vergeet nooit
zichzelf te betrappen.
© Armando
Uit: Armando Gedichten 2009, Amsterdam-Antwerpen, Augustus, 2009
zondag 18 september 2011
Bewaker
'n Schicht is in zijn glimlach
wijn in zijn kus
Zijn gezicht in zijn haren
Als een maan in haar duisternis
Mijn bewaker sliep dronken in
Bewaakte mij in zijn dromen
En die ik liefhad nachtte bij mij
Gaf mij zijn speeksel te proeven
© Ibn al-Mu'tazz [861-908]
Uit: Schoon in elk oog is wat het bemint - de mooiste klassieke Arabische liefdesgedichten,
samenst. en vert. Hafid Bouazza, Amsterdam, Bert Bakker, 2000
Labels:
dichterswit,
Hafid Bouazza,
Ibn al-Mu'tazz
Van takken en blaadjes
Je zoenen zijn zoeter dan
zoeter dan honing en ik vind je
mooier en liever, liever
en aardiger nog dan de koning.
We gaan samen liggen
een eind hier vandaan
we maken van takken
van takken en blaadjes
een vloer en een dak,
dat was onze woning,
of ik was het tuintje
en jij was de tent
daar gingen wij wonen
en blijven en horen
o rep je mijn liefje
ik heb je zo graag
nu of nooit samen slapen
want we zijn er
alleen maar vandaag.
© Judith Herzberg
Uit: Judith Herzberg 27 Liefdesliedjes - een bewerking van het Hooglied,
Amsterdam, De Harmonie, 1971
zaterdag 17 september 2011
Kleine ongemakken
BIJ HET RODE LICHT VAN DE WEKKERRADIO
Ze trok een onderbroek aan
en daarna nog een.
Met damast en goudbrokaat
omwikkeld tot een mummie
gaf ze haar lichaam
aan Klaas Vaak, bandeloos.
Ze was moe: dat is waar.
Wat mag je vragen van een lichaam
dat het jouwe niet is.
Dat ze naar mij keek en zei:
ik wil even naar je kijken.
Dat ze gelukkig was. Maar moe, heel moe.
Was dat zelfs niet genoeg.
De onredelijkheid van kleine ongemakken!
De gekte van zaad dat geen uitweg vindt!
Wat zingt daar ’s nachts in die hoge Dom?
Het luiden van klokken geeft weinig troost.
We kunnen nog duizend jaar slapen,
maar samen niet meer dan veertig.
Je mag slapen, je mag slapen,
maar wacht daarmee op mij.
© Alexis de Roode
Uit: Alexis de Roode Geef mij een wonder, Amsterdam, Podium, 2005
Blije zoon
DE MOEDER
Ik ben niet, ik ben niet dan in uw aarde.
Toen gij schreeuwde en uw vel beefde
Vatten mijn beenderen vuur.
(Mijn moeder, gevangen in haar vel,
Verandert naar de maat der jaren.
Haar oog is licht, ontsnapt aan de drift
Der jaren door mij aan te zien en mij
Haar blijde zoon te noemen.
Zij was geen stenen bed, geen dierenkoorts,
Haar gewrichten waren jonge katten,
Maar onvergeeflijk blijft mijn huid voor haar
En onbeweeglijk zijn de krekels in mijn stem.
'Je bent mij ontgroeid,' zegt zij traag mijn
Vaders voeten wassend, en zij zwijgt
als een vrouw zonder mond.)
Toen uw vel schreeuwde vatten mijn beenderen vuur.
Gij legde mij neder, nooit kan ik dit beeld herdragen,
Ik was de genode maar de dodende gast.
En nu, later, mannelijk word ik u vreemd.
Gij ziet mij naar u komen, gij denkt: 'Hij is
De zomer, hij maakt mijn vlees en houdt
De honden in mij wakker.'
Terwijl gij elke dag te sterven staat, niet met mij
Samen, ben ik niet, ben ik niet dan in uw aarde.
In mij vergaat uw leven wentelend, gij keert
Niet naar mij terug. Van u herstel ik niet.
© Hugo Claus
Uit: Hugo Claus De Oostakkerse gedichten Amsterdam, De Bezige Bij, 1955.
Ook in: Claus Gedichten 1948-1993, Amsterdam, De Bezige Bij, 1994
Voetsporen
IN HET HUIS VAN JE VADER
De kat die toe mag kijken als we vrijen
die Tom heet, net als vroeger, de paraplu
die niet de paraplu is waarmee jij
onder de douche het vieze weer naspeelde
de handen die je niet meer bij je middel
eenzame voetsporen op het plafond
© Krijn Peter Hesselink
Uit: Krijn Peter Hesselink Stil alarm, Amsterdam, Nieuw Amsterdam, 2009
vrijdag 16 september 2011
Nacht van de Poëzie
DE KARGADOORSLAM #5
ontvang me
mag ik je foetus zijn
en smelten in je lieve
warme lichaam
om daar mezelf te kunnen zijn
veilig bij je in de schoot geworpen
gevoed door jouw mond
met je verstrengeld liggen
mijn leven lang ongeboren blijven
je intens beleven
en als dat niet kan
mag ik dan tenminste,
verdomme tenminste
een avond bij je
onder de lakens kruipen
© Daniël Vis
het is niet erg
als er 800 paarden stuiven
over de oude gracht
opgejaagd door vandalen
van die vandalen die niet weten
dat daar een belofte
over de schepping sprak
© Daniël Vis
Twee gedichten van Daniël Vis (1988), die morgen werk van de jonggestorven Vlaamse geestverwant Jotie T’ Hooft (1956 – 1977) zal voordragen tijdens de 30ste Nacht van de Poëzie
in de Utrechtse Stadsschouwburg.
De line-up voor deze jubileumeditie: Jana Beranová, Chrétien Breukers, Ellen Deckwitz, Jules Deelder, Bob Fosko, Koen Goudeseune, Jo Govaerts, Hester Knibbe, Gerrit Komrij, Kees van Kooten (leest voor uit Billy Collins), Lieke Marsman, Martin Reints, K. Schippers, Rob Schouten, Vrouwkje Tuinman, Maud Vanhauwaert en Stijn Vranken. Daarnaast draagt Hadeych Minis gedichten van M. Vasalis voor, Daniël Vis werk van Jotie T’ Hooft en Herman Finkers van Willem Wilmink.
Presentatie: Ingmar Heytze en Jeroen van Merwijk.
Gevestigde namen en aanstormend dichttalent: denkers, woordkunstenaars en taalgoochelaars zullen de nachtelijke duisternis verlichten. Waarna tot zondagmorgen in de vroege uurtjes nog de Slam Night volgt, georganiseerd door het Poëziecircus: een wedstrijd met ruim twintig elkaar dichterlijk beconcurrerende slam-poets.
Muzikale optredens zijn er van o.a. Mondo Leone, Zapp4 en Reinbert de Leeuw.
Meer informatie over programma en deelnemers staat op:
http://www.stadsschouwburg-utrecht.nl/voorstellingen/5170/
woensdag 14 september 2011
Als een zalm
WANNEER ALLES DIEP VAN BINNEN PIJN DOET
Wanneer alles diep van binnen pijn doet
En je alleen, tegenover je eigen beeld,
Ziet dat het vervormd is door ontbrekende spiegels
Wanneer de dingen voor je schaduw wijken
Wanneer je woord dat van een ander lijkt
En je hartslag uit je lichaam vlucht
Wanneer je handen ver van je weg zijn
En je de afdruk van je voeten niet herkent
Wanneer je het gezicht dat nadert bent vergeten
Wanneer je niets meer waarneemt dan dode buitenkant
Ga dan
Als de zalm
Tegen de stroom in
Met alle razernij van je woede
Wanhoop niet
Het water zal de stenen breken
© Michèle Najlis
Van Michèle Najlis [1946, Nicaragua] verschenen begin jaren negentig de bundels Caminos De La Estrella Polar en Cantos de Ifigenia. De Nederlandse vertaling van bovenstaand gedicht uit het Spaans is van onbekende herkomst.
Zie ook Margaret Randall's Sandino's Daughters Revisited - Feminism in Nicaragua (USA, 1994).
dinsdag 13 september 2011
Kuil
mag ik hier een gat graven
mag ik de grond omspitten
om een kuil te maken
mag ik hier liggen gaan
dat ik voor altijd bij de aarde
zal zijn, mij er eens
herbergen kan gaan
© Leo Herberghs
fragm. uit: Hij, de langzaamste van allen - nieuwe dichtbundel van Leo Herberghs (1924).
Verschijnt op 30 september as. in Utrecht, bij uitgeverij De Contrabas
Devotie
ZONDER DAT IK HET VROEG WAS JE ZO GOED
[Sem que eu pedisse, fizeste-me a graça]
Zonder dat ik het vroeg, was je zo goed
mijn lid zich te doen lengen.
Zonder dat ik het verwachtte, lag je op je knieën
in devote houding.
Wat geschiedde is niet slechts geschiedenis.
Voor altijd én een dag
ontvangt mijn penis de kus van devotie van je mond.
Nu ben je er niet, noch weet ik waar je bent,
in absolute onmacht tot gebaar of boodschap.
Ik zie je niet ik hoor je niet ik druk je niet tegen mij aan,
alleen je mond is hier, aanwezig, in aanbidding.
In aanbidding.
Nooit had ik gedacht dat ik een god tussen mijn dijen had.
© Carlos Drummond de Andrade
- uit het Portugees vertaald door August Willemsen -
Uit: C. Drummond de Andrade (Brazilië, 1902-1987) De liefde, natuurlijk / O Amor Natural [gedichten]. Amsterdam-Antwerpen, De Arbeiderspers, 1992
Munt
FLES IN ZEE
Drie rotsen, een paar armzalige dennen en een verlaten kerkje
en daarboven
begint hetzelfde landschap opnieuw als een kopie;
drie rotsen in de vorm van een poort, roestig,
een paar armzalige dennen, zwart en geel,
een vierkant huisje begraven onder kalk;
en daarboven begint hetzelfde landschap
nog vele malen trapsgewijs opnieuw
tot aan de horizon tot aan de schemerende hemel.
Hier hebben wij de boot verankerd om onze gebroken riemen te herstellen
om water te drinken en te slapen.
De zee die ons verbitterde is diep en niet te peilen
en strekt zich uit in eindeloze sereniteit.
Hier tussen de steentjes hebben wij een munt gevonden
daar hebben wij om gespeeld.
De jongste won en hij verdween.
Wij gingen weer aan boord met de gebroken riemen.
© Yórgos Seféris
Gedicht Mποτíλια στò πέλαγο [botília stò pélagos, lett. fles in volle zee] uit:
Yórgos Seféris Gedichten, uit het Grieks vertaald door M. Blijstra-van der Meulen.
Amsterdam, De Bezige Bij, 1965
maandag 12 september 2011
Pianospeler
ONTMOETING
De stad hing grijze straten uit, suiker
briesjes aan de spoorlijn, een nacht.
In de lampbol van verre flat: man,
wachtend voor miezerige bietenfabriek.
Ik gooide mijn fiets aan de kant, wankel
en herkende een stem uit een ander vroeger.
Hij gaf mij een hand, zei dat hij het was:
eerste pianospeler, sad septembersong.
© Albertina Soepboer
Uit: Albertina Soepboer De fjoerbidders - uit het Fries vertaald door Jabik Veenbaas.
Leeuwarden, Bornmeer, 2003
zondag 11 september 2011
In violet
...
's nachts...
de meisjes...
heel de nacht lang zullen zij zingen
over de liefde tussen jou en de bruid
in violet gewaad.
Word wakker en haast je, haal snel je vrienden,
nog jong en ongetrouwd, zodat wij minder slaap
zullen zien dan de nachtegaal die luid zingt
met heldere stem.
- Sappho
versfragm. 30 uit: Sapfo Gedichten - vertaald door Mieke de Vos, met een nawoord
van Doeschka Meijsing, Amsterdam, Athenaeum-Polak & Van Gennep, 2011
Vliegende machines
ALTIJD
voor Toon Tellegen
Er zijn heel tedere machines nodig
om op een mooie dag naar nergens te vliegen.
Propellers, buizen, bouten zijn er nodig,
het vallend blad van een plataan,
misschien het oorsmeer van een kind
en veel van het onmogelijke mooiste.
Er moet, heel opgewekt, een witte merel zingen,
een voorjaarsochtend in een schrikkeljaar.
Dit alles is beslist vereist
voor wie naar nergens wenst te vliegen
want nergens is een plek met pech
en als niet alles fout kan gaan,
dan is er niets dat lukken zal.
De tederste machines zijn er nodig
om op een mooie dag naar nergens te vliegen.
© Luuk Gruwez
Uit: Luuk Gruwez Garderobe (bloemlezing)
Amsterdam/Antwerpen, De Arbeiderspers, 2010
Kerven
TEGEN DE GROEI
Zij glijden van mijn schoot
de wereld in, met roeiboten,
trompetten. Stuifzand en
hapering. Hun stemmen
schieten weg, lichaam te
groot voor mijn versmalde
arm komt te nabij. Zij worden
te intieme vrienden. Sinds zij
groeiden ga ik op verdoofde
voeten door een grijs en windstil
land. De hete messen van
verlies kerven in elke hand.
© Anna Enquist
Uit: Anna Enquist Soldatenliederen Amsterdam, De Arbeiderspers, 1991
Totdat het licht werd
EEN VLIEGTUIG VAN LUCHTBLAUW PAPIER
Vader, voor jou is dit vliegtuig van luchtblauw papier,
voor jou die met wijdopen ogen niet zag
hoe groot hij wel was met die dwaasheid van God.
Hoe gek je was, hoe idioot je de dood speelt,
nog steeds, vermomd als een man in een donker
kostuum, een piloot van Panamarenko.
Je kist kwam over, hing boven mijn hoofd, bijna stil,
gedragen door luchtlagen, leegte.
Tussen vodden van wolken danste de maan.
Totdat het licht werd, bleef je daar zweven.
© Juliën Holtrigter
Uit: Juliën Holtrigter Het verlangen te verdwalen Amsterdam, De Harmonie, 2004
zaterdag 10 september 2011
Tegen het hek
OP STRAAT, OP EEN TRANSFORMATORHUISJE
Op straat, op een transformatorhuisje:
ik zoek zieke, dode vogels,
dank u wel
ik woon in de Knollendamstraat.
In de krant: als een zebra gaat liggen
sterft hij.
In bed, ik zie weer mijn grootvader
vlak voor hij sterft. Het was
in het voorjaar, de paarden
gingen van stal en hij leunde
tegen het hek. Ik hoorde hem:
geef me mijn bril, het worden stippen.
© Wim Brands
Uit: Wim Brands De schoenen van de buurman Amsterdam, Podium, 1999
Kras
OOGSTEEN
Het was nu. Schrikdraad stond
rond de tuinen der zonde, er moest nog
gehinkeld tussen de lijnen, een scherf geschopt
naar de vakken van morgen, op het plein gebuut bij de linde.
Achter de poort lag het wijde. Het was
nu. Zij verruilde haar stuiters voor stuivers
en zocht naar oogsteen en ziel. Vond toen
haar lichaam, wat daarmee te doen.
En het werd om te blozen zo warm in haar zomer
het werd om te blozen zo warm in oktober: het werd
nu. Op de stoepen verschenen lijnen en vakken
getrokken met krijt, op de pleinen stonden de linden buutvrij
en kinderen schopten scherven opzij, holden naar morgen, vonden
een oogsteen, haalden de stroom van het schrikdraad.
En het werd om te blozen zo koud in november.
Het is nu. Gisteren staat met een blos
achter glas en morgen is een mooie formule
die zich nog moet bewijzen: het is nu. Zij kent
de blink van een oogsteen en de kras erin, zij vertrouwt
alsnog op haar hakken, dat die haar dragen
naar einde en aanvang van alle beweging.
© Hester Knibbe
Uit: Hester Knibbe Oogsteen - een keuze uit de gedichten 1982-2008,
Amsterdam/Antwerpen, De Arbeiderspers, 2009
vrijdag 9 september 2011
Water van lakens
SONNET VAN HET BED
wanneer de ochtend zacht het labyrinth
van slaap begraaft onder bedauwd licht
van de stad (haar catacomben, gedicht
door meeuwenschreeuw) verschijnt het kind
bij het bed waarin het is volbracht
door ons, in duizelend sterrenuur,
met maanscheuten, die walmende nacht:
roof uit de droom, geschenk aan de duur.
het ruikt zijn oorsprong, plonst in water
van lakens, wollen golven, doorwaadt er
kussenbranding, doorzwemt het ledikant
dat ooit als oerzee dampende het strand
likte, het ongeziene, verbrande land
dat de gast wacht die uit zee kwam, later.
© Harry Mulisch
Uit: Harry Mulisch De wijn is drinkbaar dank zij het glas, Amsterdam, De Bezige Bij, 1986 (2e dr.)
donderdag 8 september 2011
Bruine benen
DUBBELGANGER
Het is zomer en ik lig
met andere jongens in het gras
op mijn buik zodat ik ruik
hoe vroeger alles anders was
of moet ik zeggen dat ik rook
hoe later alles eender wordt?
er is een meisje bij dat zit
met bruine benen in het gras
zij lacht beweegt zodat iets wits
soms even zichtbaar wordt
of moet ik zeggen dat het zwart
voor ogen mijn verlangen was?
het gras staat vol met klavertjes
het gras ruikt naar geluk
zolang het niet gemaaid was
want dan rook het naar geruk
of moet ik zeggen dat de geur
weemoedig en opstandig is?
ik was er nu ik ben er toen
er is geen prikkeldraad geen heg
een open veldje veertien jaar
het gras staat hoog je ziet me niet
of moet ik zeggen dat ik lieg
dat ik me met mezelf bedrieg?
© Wiel Kusters
Uit: Wiel Kusters Als kind moest ik een walvis eten, Amsterdam, Querido, 2002
woensdag 7 september 2011
Kaartspel
HET ZEEPAARDJE - het zeperdje
Harten
het als Beau monde innig verstrengeld
als zeeanemonen
aan boord van de Titanic op het voordek staan
Schoppen
het sonoor zuchten en steunen in sonar
van potvissen:
“Atlantis, Uw Koninkrijk Kome!”
Ruiten
het zingen van sproetige zeemeerminnen
richting Cyprus
(Ooit suisden Odysseus’ oren van die zang…)
Maar waar is de Klaver?
Vraag het
aan ons nationaal Zeepaardje
zo fris groengeel
gestreept & sepia
Hoor, hoe zij hinnikt, dodelijk
voor de leegte van haar ruif:
Hoor, hoe zij hinnikt, dodelijk
voor de leegte van haar ruif:
Kunduz! Kunduz!
Femina Sapiens
per a-
buis!
Aan Jolande Sap
© Manuel Kneepkens
- ongepubliceerd -
zaterdag 3 september 2011
Haagse Museumnag
Zo'n veertig musea, bibliotheken en andere instellingen zetten zich dit weekeinde schrap voor de traditionele Haagse Museumnacht. Voor cultuur, poëzie, schilderijen, schrijvers, foto's, film, muziek, boeken, voorstellingen, exposities en bijzondere acts kunnen bezoekers vanaf vanavond tot zondagochtend terecht op tientallen - vaak historische - plekken in de hofstad: van het Bel Air Hotel tot het Openbaar Vervoer Museum en van Meermanno | Huis van het Boek tot het museum Beelden aan Zee in Scheveningen.
Bij Het Letterkundig Museum, samen met de Koninklijke Bibliotheek en Het Nationaal Archief om de hoek bij NS-station Den Haag Centraal, kunnen letterenliefhebbers tussen rapklanken door naar een speciale Nagbrakâhsstraat: voor het laten zetten van een literaire tatoeage in de tattooshop of voor wie niet van plakplaatjes houdt, voor het maken van je eigen film in de plaatselijke bioscoop.
Het volledige programma, ook voor niet-literaire nagbrakâhs, staat op:
http://www.museumnachtdenhaag.nl/
donderdag 1 september 2011
Vingertoppen
VRAAG EN ANTWOORD
Ik streelde haar; haar huid
smeekte mijn vingers: ga niet weg.
Ik ging niet weg, ik wilde 't telkens horen,
dit spreken van haar huid tegen mijn vingertoppen,
het antwoord geven en tevredenstellen,
zoals een moeder kinderen sust, een man
een vrouw zegt dat zij slapen moet,
terwijl zij in het donker ligt te wachten,
met grote ogen luistert
of hij het nog eens zeggen zal,
een laatste maal, omdat zij dan pas slapen kan,
wegglijden uit zijn gedachten, haar geduld
dat ongeduld geworden is.
© Adriaan Morriën
Uit: Adriaan Morriën Verzamelde gedichten, Amsterdam, Van Oorschot, 1993
Abonneren op:
Posts (Atom)